vrijdag 12 april 2019

Enten-Eller

Welke logische wet is de meest belangrijke: is dat de disjunctie (wel-of-niet) of is dat de contradictie (wel-en-niet)? 

De keus van de meeste mensen valt op de contradictie. Een contradictie, zo lijkt het, is altijd en overal onmogelijk. Wij hebben een sterke behoefte aan zulke absolute waarheden. In onze onduidelijke wereld is elk houvast welkom.

Toch neig ik er toe om de disjunctie te beschouwen als de belangrijkste van de twee wetten. 

Overigens is er een verband tussen de twee wetten. De disjunctie zegt ons hoe we een contradictie moeten oplossen.

Als we de komende weken wel-en-niet naar Rome willen wandelen, een handeling die niet uitvoerbaar is, dan moeten we wel-of-niet naar Rome wandelen. We moeten de knoop doorhakken, we moeten een keuze maken.

Je zou zeggen dat een disjunctie voor ons onmisbaar is. Wij zijn, in zekere zin, disjunctieve wezens. Wij hebben een lichaam dat slechts een handeling per keer kan uitvoeren. Als ons verstand dit niet inziet, en ons plannen voorschotelt die niet disjunctief zijn, dan zouden onze denkbeelden en inzichten onuitvoerbaar zijn.

Kierkegaard schreef een dik boek over de disjunctieve aard van ons bestaan: enten-eller, het een of het ander. Het feit dat ons bestaan disjunctief is beinvloedt ons sterk. We moeten voortdurend keuzes maken. Het maakt ons tot ethische wezens. Want we kunnen alleen keuzes maken als we over waarden beschikken. (Wie alles waarden-loos vindt, kan evengoed zijn broer doden als zijn broer bijstaan).

Alleen dit simpele gegeven geeft het bestaan al een religieuze glans. 

Het opvallende is nu dat de disjunctie helemaal niet bepalend is voor de inrichting van de werkelijkheid. Geleerden zijn het er over eens dat de moderne natuurkunde strijdig is met deze logische wet. De kleinste deeltjes zijn niet of ‘puntig’ of ‘sliertig’, maar ze zijn puntig én sliertig. 

Voor ons is de kwantummechanica dan ook nauwelijks te begrijpen. 

Overigens is ook de contradictie niet algemeen geldig. Wij zijn er van overtuigd dat een driehoek niets anders is dan een driehoek. Een driehoek kan niet ook een vierkant zijn. De beruchte vierkante driehoek bestaat niet.

Wie het niet gelooft moet de vierkante driehoek eens proberen te tekenen.

De boodschap is dat je concepten altijd van elkaar moet scheiden (disjunctie). 

Maar het is gemakkelijk om tegenvoorbeelden te geven. De vierkante driehoek kunnen we niet construeren, maar de (beroemde) haas-eend kunnen we wel construeren. De grafische afbeelding is duidelijk wel-en-niet de afbeelding van een eend. De ene onmogelijkheid is de andere niet.

Conclusie: er zijn geen absolute waarheden. De werkelijkheid overtreft onze stoutste verwachtingen. Niemand kan het bestaan van een transcendente werkelijkheid (afdeling, dimensie) daarom uitsluiten. Integendeel, er is een groter geloof nodig om te denken dat de werkelijkheid logisch gesloten is en op maat gesneden is voor de logische denkwijze van de mens, dan om te denken dat er meer is dan het oog kan zien en het verstand kan berekenen [1].


Twee concepten in een samengestelde figuur (het is onmogelijk om twee concepten in een figuur weer te geven)


Twee concepten in een figuur (het is niet onmogelijk om twee concepten in een figuur weer te geven)

[1] Maar, zo luidt de meest voor de hand liggende tegenwerping, als er meer is dan het oog kan zien en het verstand kan berekenen, dan spelen zulke 'transcendente zaken' in ons bestaan geen rol van betekenis: we moeten zulke zaken daarom beschouwen alsof ze niet bestaan. Deze tegenwerping is onjuist. Als het verstand een logische machine is, die juist omdat ze een logische machine is geen juist beeld van de werkelijkheid heeft, dan kunnen we niet anders dan geloven dat alles mogelijk is. De werkelijkheid is dan niet schaars ingericht, maar juist overvloedig. Immers, als de logische machine niet betrouwbaar is, dan is het ook niet mogelijk om de grenzen van het mogelijke en onmogelijke te bepalen.



vrijdag 5 april 2019

Doek en lijst

Wie naar een schilderij kijkt vergeet wel eens dat hij naar een schilderij kijkt. Het ‘plaatje’  is een bespannen raamwerk van latjes en spijkers waarop kleurtjes, vegen en stipjes te zien zijn.

Zo vergeten mensen die een beeld schetsen van de werkelijkheid wel eens dat hun inzichten en denkbeelden kunnen worden beschreven omdat ze gebruik maken van een ‘canvas’, een ‘doek’, dat wil zeggen een raamwerk van inzichten en denkbeelden.

Een mooi voorbeeld is het volgende. Zojuist verscheen er een opstel in de Scientific American over de laatste ‘illusie’, namelijk het idee dat de ruimte ‘echt’ bestaat. Een fascinerend opstel dat de moeite van het lezen waard is.

Het opstel opent met de volgende woorden:

Many of the great advances in science are marked by the discovery that an aspect of nature we thought was fundamental is actually an illusion, due to the coarseness of our sensory perceptions. Thus air and water appear to us to be continiuous fluids, but we discover on deeper experiment that they are made of atoms. (...) Our persistent illusion is that physical objects only interact with other objects they are close in.

De auteur van dit artikel veronderstelt stilzwijgend dat de werkelijkheid een hiërarchische opbouw heeft waarin sommige zaken fundamenteel zijn en andere zaken niet. Anders gezegd: sommige zaken zijn ‘echt’ en andere zaken zijn ‘niet echt’. Hij heeft niet in de gaten dat deze voorstelling van zaken dient als het canvas waarop hij zijn beeld van de werkelijkheid schildert.

Wat voegen lijst en doek toe aan de waarde van het schilderij? Hoe wordt de afbeelding beinvloed door de grootte van het doek (is de Nachtwacht zo mooi omdat het doek enorm is?)

Is de werkelijkheid inderdaad hiërarchisch? Mogen wij over de werkelijkheid spreken alsof deze echt een ‘fundament’ heeft? Mogen we, als we over de werkelijkheid spreken, termen gebruiken als ‘waar’ en ‘onwaar’, ‘echt’ en ‘onecht’? Zijn atomen fundamenteler dan water? Is een baksteen fundamenteler dan het huis waar het deel van is? Is een verfstreek fundamenteler dan de afbeelding?

De schrijver van dit artikel heeft, zonder dat hij het zelf weet misschien, het volgende uitgangspunt, namelijk dat aan de werkelijkheid ten grondslag ligt een overzichtelijk fundamenteel model. Dit fundamentele model staat bovenaan in de rangorde van de werkelijkheid. 

De gedachte dat aan de werkelijkheid een fundament ten grondslag ligt heeft echter nauwelijks wetenschappelijke meerwaarde. Het is een filosofisch idee.

Zoals ook Newtons ‘absolute ruimte’ een filosofisch idee is.

Voor hetzelfde geld is de werkelijkheid te vergelijken met de kunstgeschiedenis: er is een wildgroei aan stromingen die elkaar deels beinvloeden, deels overlappen, maar die geen van allen fundamenteel zijn. Het idee dat er een fundament is en dat de werkelijkheid een rangorde heeft, is een concept dat ontspruit aan een verstand met een logische denkwijze: voor wie logisch denkt is een wereld zonder fundament, een wereld zonder rangorde, een relativistische werkelijkheid, een vorm van wanorde. 

Het aardige is evenwel dat, als het over de aard van de ruimte gaat, de relativistische opvatting van Leibniz (in dit opstel) wordt aangeprezen als bruikbaarder dan het absolute model van Newton.

[1] Het artikel waarnaar verwezen wordt is; Smolin, Lee, Space: the final illusion

zaterdag 23 maart 2019

Geordend licht

De overtuiging van nogal wat mensen is dat slechts een kleine elite, bestaande uit geschoolde wiskundigen of natuurkundigen, in staat is om logisch te denken. Deze overtuiging berust op een misverstand. Mensen weten over het algemeen niet wat ‘denken’ is en zodoende ook niet wat het meer bijzondere ‘logisch denken’ inhoudt. 

Zou men aan een willekeurig iemand vragen wat ‘denken’ is, dan zouden de gedachten vermoedelijk uitgaan naar ‘rekenen’ of ‘construeren’. Woorden als ‘ordenen’, ‘snoeien’ of ‘opruimen’ zijn echter beter van toepassing. Wie denkt probeert zijn gedachten te ordenen, bijvoorbeeld door overbodige inzichten en denkbeelden te scheiden van bruikbare inzichten en denkbeelden. 

De taak van het verstand is om orde te scheppen in de wanorde. In het verstand van de mens wordt er voortdurend, van de vroege ochtend tot de late avond, geschoven en gedaan met inzichten en denkbeelden. Aangezien de meeste mensen al beschikken over een verstand vol met inzichten en denkbeelden, een verzameling inzichten en denkbeelden met een welbepaalde persoonlijke ordening bovendien, is het lastig om nieuwe inzichten en denkbeelden een plaats te geven. Je verstand moet zorgvuldig passen en meten voordat duidelijk is dat het nieuwe inzicht in het bestaande bouwwerk van inzichten en denkbeelden past. 

Mijn veronderstelling is dat wij onze gedachten kunnen ordenen dankzij twee logische vormen. Deze logische vormen bepalen hoe wij onze gedachten ordenen. Zodoende bepalen ze ook hoe wij de wereld zien. Dit punt wordt niet altijd begrepen of aanvaard. Mijn bedoeling met dit ‘stukje’ is om aan de hand van een simpele metafoor duidelijk te maken hoe logisch denken het aanzien van de werkelijkheid bepaalt.

Stel je voor dat je je huis opruimt. Sokken gaan in de sokkenlade, hemden in de hemdenlade en schoenen in de schoenen lade. Wie dingen ordent verandert de wereld wel, maar het is lastig om te zien dat daarmee ook je ‘kijk op de wereld’ verandert.

Maar onze gedachten zijn geen ‘dingen’. Onze gedachten zijn eerder als lampen die bepalen welke vormen oplichten in de duisternis. Wie de lampen verplaatst waarmee hij naar de wereld kijkt, richt de bundels licht steeds uit een andere hoek op de werkelijkheid. Hij ziet dan ook letterlijk steeds een andere wereld. 

Hetzelfde geldt, grosso modo, voor onze gedachten. Want onze gedachten zijn als lichten die bepalen hoe wij de wereld zien. Zodra wij met onze gedachten gaan schuiven, zal ook de wijze waarop wij de wereld zien gaan schuiven. Het licht van onze gedachten zal andere hoeken en vlakken laten oplichten en verduisteren. Denkbeelden en inzichten zijn geen gewone ‘dingen’, maar het zijn toverlampen. Bepaalde denkbeelden verlichten en vergroten je wereld.


vrijdag 22 maart 2019

Stout

Elke filosoof heeft wel een lijstje met ‘stoute’ ideeen die hij nooit openbaar maakt (tenzij hij in een overmoedige bui is).

Mijn eerste stoute idee is dat niet ruimte (spul) fundamenteel is, maar dat de tijd fundamenteel is. Tijd is een soort alomvattende conditie waarin ruimte (spul) ondergedompeld is. Tijd is ook geen dimensie. Het betekent eigenlijk dat heel de werkelijkheid voorturend verandert en dat er niet zoiets is als een ‘onveranderlijk’ fysisch fundament.

Mijn tweede stoute idee is dat de werkelijkheid niet uit stof bestaat, maar uit vorm. Stof is niets anders dan een van de vele vormen (je kunt immers vorm niet herleiden tot stof, maar stof wel tot vorm). 

Mijn derde stoute idee is dat de werkelijkheid overvloedig is en door ons slechts deels kan worden geordend.

Mijn vierde stoute idee is dat het menselijk lichaam een ethische machine is. We zijn elkaar in het lichaam ‘present’ en zo zijn we overgeleverd aan elkaar, ten goede en ten kwade. Alles wat we doen heeft betekenis voor het welzijn van anderen. Elke handeling is ethisch beladen.

Mijn vijfde stoute idee is dat we aan God gelijk zijn in de volgende zin: het zelf is ‘eenvoudig’ (God is ook ‘eenvoudig’). In officiële filosofische taal: Gods essentie is gelijk aan zijn existentie en dat geldt ook voor het ‘zelf’ van de mens.

Mijn zesde stoute idee: coherentie en consistentie zijn niet gelijk aan elkaar.

Mijn zevende stoute idee: dat mensen verantwoordelijk zijn voor hun handelingen als ze inzichtelijk handelen; wie in staat is om te bepalen wat het doel is van zijn handelingen -en wat de beoogde uitkomst is- is verantwoordelijk voor zijn daden. De vraag of we een vrije wil hebben doet niet ter zake. 

Waarom zijn dit stoute ideeen? Omdat ik ze -op twee na- niet helemaal kan verdedigen op de rigoureuze wijze die de analytische wijsbegeerte vereist. De ideeën zijn veel te complex (te 'breed').

En zo ‘kannie’ wel weer.

(ps: laat ik niet de indruk wekken dat deze ideeen oorspronkelijk zijn: het idee dat het 'self' 'simple' is wordt o.a. verdedigd door Swinburne, het idee dat vrije wil niet bepalend is voor de vraag of je verantwoordelijk bent voor je daden is klassiek naar ik meen, de gedachte dat vorm fundamenteel is stamt van Plato, het idee dat de tijd 'simple' is (niet verder ontleed kan worden) duikt af en toe op een van de vele speculatieve modellen van fysici en van filosofen, het idee dat de werkelijkheid overvloedig is wordt o.a. verdedigd door Feyerabend, het idee dat het lichaam een ethisch gereedschap is vind je terug in Sartre en Merleau-Ponty. Niemand is in absolute zin oorspronkelijk: het gaat om hoe je deze ideeën naar je hand zet.)


vrijdag 15 maart 2019

Naturalisme 2.0

versie 1.0 Naturalisme 1.0 [1]
Het naturalisme is een levensbeschouwing. De naturalist heeft uitgesproken meningen over ons bestaan, de zin van het lijden en het leven na de dood. De levensbeschouwelijke antwoorden van de naturalist zijn afgeleid van onze wetenschappelijke inzichten: wij zijn (niets dan) een biologisch toestel, we zijn bij toeval ontstaan, wij zijn op aarde om ons te handhaven en de soort in stand te houden. Buiten de kring van het ‘natuurlijke' is er niets (mocht er wel ‘meer’ zijn, dan is het zinloos om over de aard van het ‘bovennatuurlijke’ te gissen).

Het naturalisme is -volgens de naturalist- erg overtuigend, want de antwoorden op de levensvragen worden gedekt door onze wetenschappelijke inzichten. 

Onvolledig
Welbeschouwd is het naturalisme niet te verdedigen. De naturalist veroorlooft zich universele uitspraken die afgeleid zijn van lokale inzichten. Wetenschappelijk onderzoek heeft nagenoeg aangetoond dat de mens beperkt is en feilbaar. Wie werkelijk trouw is aan het huidige gamma van wetenschappelijke theorieen moet zich bescheiden opstellen. De natuurlijke kwaliteit van de werkelijkheid is een product van onze natuurlijke denkwijze. Als wij goede redenen hebben om te geloven dat onze denkwijze beperkt is, dan hebben we te geloven dat de werkelijkheid niet geheel van natuurlijke kwaliteit is. Een dier met een beperkt verstand zal een beperkte voorstelling van de werkelijkheid smeden. We moeten onze voorstelling van de werkelijkheid daarom beschouwen als een onvolkomen voorstelling, het werk van een wezen dat slechts in staat is om door een kiertje naar de werkelijkheid te kijken. 

Naturalisme 2.0
Is er een alternatief voor het naturalisme 1.0? Ik geloof het wel. Ik stel voor: het naturalisme 2.0.

Het verschil tussen het naturalisme 2.0 en het naturalisme 1.0 is dat het naturalisme 2.0 oog heeft voor de mens. In de jaren zestig en zeventig was men er van overtuigd dat fysici spoedig een alomvattende theorie van de werkelijkheid zouden vinden. Maar de geordende, eindige wereld van Spinoza en Einstein bestaat niet. De hoop dat de mens een theorie van alles zal vinden kan men gevoeglijk opgeven (hoeft niet, je mag best blijven hopen tegen beter weten in). 

De naturalist 2.0 richt zich niet zozeer op de natuurkunde en haar vervlogen universele aspiraties, doch op de biologie, de neurologie en de psychologie. De naturalist 2.0 werkt, zoals gezegd, van 'binnenuit'. Hij richt zich meer op het kenvermogen van de mens.

Antropologie
De mens is een bouwwerkje van de evolutie. Wij moeten ons handhaven en voortplanten. Wij doen dat echter op een bijzondere manier. Wij hebben geen klauwen of schutkleuren, maar een krachtig representatief vermogen. Dit representatief vermogen stelt ons in staat om allerlei schema’s (plannen) te bedenken. We kunnen zodoende inzichtelijk handelen, dat wil zeggen: we zijn in staat om verschillende schema's met elkaar te vergelijken en het beste schema uit te voeren. Ons vermogen om inzichtelijk te handelen stelt ons in staat om te weten wat de uitkomst van onze handelingen is (anders zouden we niet doelmatig kunnen handelen).

Ons representatief vermogen is uitsluitend nuttig als we in staat zijn om inzichtelijk te handelen. Het is noodzakelijk daarom dat wij verschillende schema’s met elkaar kunnen vergelijken en het beste schema kunnen uitvoeren. Nu heb je, om inzichtelijk te kunnen handelen, ook waarden nodig. Wie zijn keuzes wil baseren op metingen en berekeningen kan cijferen tot hij een ons weegt. Wie niet beschikt over waarden zal niet kunnen kiezen tussen verschillende schema’s. Wie niet weet wat hij waardevol vindt, weet niet wat hij moet doen.

De mens is gebouwd als een toestel dat slechts één handeling per keer kan uitvoeren. In logische zin zijn wij een disjunct toestel. Het bestaan van de mens is een aaneenschakeling van keuzes. Ons leven is een tocht die voert langs zijpaden, ventwegen, tweesprongen en kruispunten. Je kunt ons bestaan zien als een unieke, eenmalige gang door tijd en ruimte

Levensbeschouwing 2.0
Je kunt uit de bovenstaande antropologie een levensbeschouwing afleiden. 

Elk mens is gedwongen, door de bouw van zijn lichaam, om keuzes te maken. Onze keuzes zijn bovendien niet neutraal, maar ze worden bepaald door onze waarden. Tenslotte kunnen wij inzichtelijk handelen: dit rechtvaardigt de gedachte dat wij verantwoordelijk zijn voor onze keuzes. Onze keuzes hebben altijd gevolgen voor andere mensen. Omdat mensen een lichaam hebben, waarin ze aan elkaar present zijn, kun je het lichaam van de mens beschouwen als een ethisch gereedschap. Het lichaam is het instrument waarmee je mensen kunt helpen en bijstaan, maar ook is het een instrument waarmee je mensen kunt schaden. 

Wie een bestemming (betekenis) wil toekennen aan ons bestaan, vindt tenslotte deze lezing: onze wereld is moreel van aard, wij bewonen een wereld van goed en kwaad. We bevinden ons niet in een ‘objectief’ universum van feiten, waarheid, deeltjes, wetten, velden en krachten, en we bevinden ons niet in een nihilistisch ‘universum’, maar we zijn ontworpen om voortdurend moreel te handelen.

Een wereld van kwaad en goed
Deze morele zienswijze, die de antropologische ‘verschijnselen’ adequaat verklaart, toont ons dat we niet in een rechtvaardige wereld wonen, maar in een wereld van kwaad en goed. Ons bestaan verloopt niet voorspoedig, het lijden van de mensen is groot -hun vreugde en blijdschap ook-, de natuur is wreed, de mensen staan elkaar naar het leven en het onrecht dat (sommige) mensen ondervinden is enorm. Op aarde zijn nauwelijks resten van een paradijs te vinden. Maar tegelijkertijd vinden we op aarde ons geluk, leren we onszelf kennen, leren we elkaar liefhebben, is er altijd een helpende hand, is er plaats voor ons in een goede samenleving, kunnen we genieten van de aardse opbrengsten, krijgen we de kans om kinderen groot te brengen en kunnen we genieten van de welhaast bovenaardse schoonheid van de natuur.

In deze wereld van kwaad en goed treffen we onszelf aan als een ‘bevleesd gebeente’, omringd door andere ‘bevleesde gebeenten’. We hebben geen andere keus dan onze bijdrage te leveren aan het goed en kwaad op aarde. Heel de werkelijkheid dient zich aan als een ethische inrichting, waarin planten, mensen en dieren gevoelig reageren op elkaars keuzes. Onze handelingen zijn altijd van belang: de compositie van het ‘bevleesde gebeente’ en de inrichting van de werkelijkheid is zo dat we ons lichaam, het ethisch gereedschap, altijd moeten gebruiken. Een disjunct-toestel móet kiezen. 

Slotsom
Het naturalisme 2.0 is allesbehalve nihilistisch. De gemeenschap van mensen, een optelsom van ethische gereedschappen, ontvankelijk voor geluk en plezier, bevattelijk voor ongeluk en pijn, is een morele machinerie. De werkelijkheid is geen klok, geen algoritme en mensen zijn geen automaten. Nee, eerder is de wereld een podium waarop de mens middels inzichtelijke handelingen zijn waarden etaleert. 

Het inzicht dat wij ethische gereedschappen zijn, in een wereld van goed en kwaad, is verenigbaar met de gedachte dat de werkelijkheid een transcendente of religieuze betekenis heeft. Zelf meen ik dat het naturalisme 2.0 kan worden beschouwd als de grondslag voor elke (wereld-) religie. Alle religieuze denkers verdedigen het inzicht dat ons leven zinvol is omdat wij morele wezens zijn.

[1] Ik werk al lang aan deze tekst, maar hij wil niet echt goed uit de verf komen. Er is sprake van iets te veel herhaling en de tekst maakt een wat 'klonterige' indruk. Desalniettemin -dat hoop ik althans- zijn de omtrekken van de gedachtegang wel zichtbaar, ondanks het weerbarstige karakter van de tekst. 

zondag 3 maart 2019

Smalle en brede filosofie

Zojuist is uitgekomen (uitgeverij IJzer) een nieuwe vertaling van Camus’ beroemde boekje met wijsgerige opstellen ‘De mythe van Sisyphus’. Ik heb het aangeschaft, niet eigenlijk om de nieuwe vertaling, maar omdat ik het boekje graag opnieuw wilde lezen. Alhoewel Camus te boek staat als literator, denk ik dat filosofie bij hem in goede handen is. Hij weet onmiddellijk tot je door te dringen, eenvoudigweg omdat de levensvragen die hij beantwoordt er toe doen. Aan zulke boeken heb je tenminste iets, als je ouder wordt, en weet dat de jaren gaan tellen.

Ik ben ooit opgeleid als analytisch filosoof. Een kenmerk van analytische filosofen is dat ze zichzelf slimmer vinden dan de zogenaamde continentale filosofen. Een analytisch filosoof hoeft Heidegger niet te lezen, en Nietzsche niet, en Schopenhauer niet, en Kierkegaard niet, want zulke filosofen zijn warhoofden. En volgens ‘echte’ ‘harde’ analytische filosofen behoort ook Wittgenstein 2 -die van de filosofische onderzoekingen- tot het contingent warhoofden. Dat komt er van als je Schopenhauer ernstig neemt (het werk van Schopenhauer werd door Wittgenstein met aandacht gelezen).

Maar wie mij nu, veertig jaar later, vraagt welk onvergetelijk werk uit de analytische filosofie ik ter lezing kan aanbevelen, zal op antwoord moeten wachten: ik geloof namelijk niet dat enig analytisch filosoof er in geslaagd is om een leesbaar werk te schrijven dat mensen werkelijk voert naar nieuwe, troostrijke inzichten. Het probleem is dat analytische filosofen slechts ‘smalle’ problemen proberen op te lossen: wat is waarheid, is er een definitie van kennis, hoe leid je A af uit B, en al dergelijke. (Zie in het zijnpaneel: J.D.Snel over Analytische Wijsbegeerte).

Uiteraard zijn er uitzonderingen. Het werk van Rawls is belangrijk (maar niet leesbaar). Maar wie bijvoorbeeld gaat neuzen in de analytische godsdienstwijsbegeerte moet zich tevreden stellen met het werk van Plantinga en Swinburne, terwijl hij, als hij de moeite neemt om even te buurten bij Duitsers en Fransen, getrakteerd wordt op het werk van Simone Weill en Martin Buber en talloze andere filosofen. 

Ik had twee boeken die ik wilde lezen deze vakantie, Igor Douvens boekje over Implicaties en Martin Bubers bundeltje ‘Dialogisch leven’. 

Douvens boekje is helder geschreven, maar het is lastig om je aandacht bij de stof te houden. De auteur legt nauwgezet uit dat het hoofdbrekens kost om te beoordelen of een simpele ‘als, dan’ relatie waar is. Het enige wat ik daar uit leer is dat er altijd uitzonderingen zijn op elke regel -als je maar blijft wroeten. Maar als morgen de buurman, wanneer ik weer eens door zijn tuintje loop, tegen mij schreeuwt: “als je nu niet binnen drie tellen weg bent, sla ik je kop van je romp!”, dan begrijp ik zonder mankeren wat hij bedoelt. In de praktijk zijn de problemen niet zo groot als op het schone laken van de analytisch filosoof. Bovendien, als je elke mogelijke tegenwerping beschouwt als aanleiding om een beginsel dat in de praktijk voldoet te verwerpen, hecht je dan niet buitengewoon veel waarde aan tegenwerpingen. Waarom zijn die tegenwerpingen, nogal vergezocht, zo 'redelijk'? Zo beland je van de regen in de drup, is het niet. Voor wie zijn adem niet kan inhouden: Douven heeft geen antwoorden op de vragen die hij stelt. Een boek met een open einde.

Het boekje van Martin Buber was daarentegen een genoegen om te lezen. Het verschil tussen Douvens ‘smalle’ filosofie en Bubers ‘brede’ filosofie is te vergelijken met de wandeling van de parkeergarage naar een bos of een tuin of een park. Bovendien is het werk van Buber ook esthetisch de moeite waard. Hij kan prachtig schrijven (niet altijd). Maar vooral bespreekt hij vraagstukken die een mens werkelijk interesseren. En hoe toepasselijk is de volgende passage:

“Het waarnemen van de medemens als een -zij het ook meestal zeer onvolkomen ontplooid- geheel, als een eenheid en eenmaligheid, wordt in onze tijd belemmerd door welhaast alles, wat men als het specifiek moderne pleegt te begrijpen. In deze tijd heerst een analytisch, reductief en afleidend kijken naar de mens. (Buber, Dialogisch Leven, Bijleveld, 147).”

Analytische filosofen hebben moeite met het beantwoorden van de grote vragen. Hun smalle filosofie wil maar niet uitdijen. Elke vorm van beschouwing wordt vrijwel onmiddellijk de kop ingedrukt. Hadden we het over vogels, en niet over de wijze waarop wij moeten nadenken over zaken die ons indringend bezighouden, dan zou de analytische wijsbegeerte een vogel zijn die maar niet wil vliegen, een struisvogel, die graag met zijn kop in de aarde wroet, zodat hij zijn ogen aan vergezichten en andere landen en zonsopgangen niet hoeft te wagen. 

Overigens wil ik niet beweren dat analytische filosofie overbodig is, hoor. Integendeel. Ik denk dat je een zeer interessante bloemlezing zou kunnen samenstellen uit alle artikelen die analytische filosofen geschreven hebben. Want de vraagstukken waar al die smalle artikelen en boekjes en boeken over gaan zijn wel van belang. En iemand moet toch onderzoek doen naar waarheid, logische verbanden en de betekenis van beweerzinnen. Je mag geen onderwerp laten liggen. De bloemlezing die mij voor ogen staat zou dan bestaan uit wat een aantal gezaghebbende filosofen schrijven over een bepaalde ‘grote vraag’. Hoofdstuk 1 zou bijvoorbeeld luiden: Wat is waarheid? Daarna zou een opsomming volgen van filosofen en standpunten ('wie verdedigt wat?'). En tenslotte zou ik de smakelijkste alinea's bij deze standpunten voegen. Ik denk dat dát, als we erg ons best doen, wel een lezenswaardig boek kan opleveren. Maar veel lezenswaardiger wordt analytische filosofie niet. Het blijft een smalle bedoening. Uitsluitend geschikt voor de academie. Misschien. Soms komen echter sluipwegen, ventwegen en geitenpaadjes uit aan de hoofdweg. 

Het boekje van Camus is klein, maar de inhoud is breed. Waarom plegen we geen zelfmoord, luidt de (overbekende) vraag, als we niet weten wat de zin van het leven is? Enige tijd geleden verscheen er op Aeon het portret van een filosoof. De man was oud geworden. Zeer oud. Hij wordt geholpen bij het aankleden en het eten. Hij kan niet meer zorgen voor zichzelf. Smiddags zit hij voor het raam en kijkt naar de bomen. Hij kent geen mooier schouwspel dan de wind die de bomen beweegt. Op de schelf staat een rijtje met boeken. Deze boeken heeft de filosoof vroeger zelf geschreven. Toen dacht hij alle problemen naar behoren te hebben opgelost. Maar nu zit hij voor het raam, kijkt naar de bomen en denkt: wat is toch de zin van alles?

Albert Camus heeft geprobeerd om deze vraag te beantwoorden. Wat is de zin van ons bestaan. Volgens hem is zelfmoord geen uitweg. Religie is ook niet langer geloofwaardig. We moeten op aarde trachten betekenis te geven aan ons doen en laten, ook al heeft dit geen blijvende waarde. Het is de taak van Sisyphus om de rots naar boven te brengen: en in die taak moet hij zich dan maar vermeien. Ik voel opnieuw, hartgrondig, dat ik met het antwoord van Camus niet kan leven. Alles in mij komt in opstand tegen deze (schijn)oplossing (heb ik ooit werk van een filosoof gelezen dat mij zo weerspanning maakt?).

Ik denk dat de situatie van de mens uitzichtloos is. Het bestaan is fataal. We moeten daarom blijven zoeken naar God en naar de betekenis van het leven. Daar is voor nodig een brede lezing van de werkelijkheid en van onze plaats daarin. Wat dat betreft was er tenminste één analytisch filosoof die begreep dat analytische filosofie niet alles is. Wilfred Sellars (Amerikaan) schreef:       

“The aim of philosophy, abstractly formulated, is to understand how things in the broadest possible sense of the term hang together in the broadest possible sense of the term. Sellars.”

Ik ben het hier hartgrondig mee eens. Met de jaren komt de wijsheid. Filosofie moet breed zijn.
———-
Buber, M, Dialogisch Leven, Bijleveld, 20 euro (bieb).
Camus, A, Mythe van Sisyphus, IJzer, 20 euro (zal binnen kort wel in de bieb verkrijgbaar zijn).
Douven, I, The epistemology of indicative conditionals, Cambridge, veel te duur (uni-bieb).
Weill, S, Wachten op God, Bijleveld, 20 euro (bieb).
Aeon, “Fingarette turns 97: What is de point of it all?” (gratis, maar een donatie is welkom), zie zijpaneel.
Snel, J.D. Over Analytische Wijsbegeerte, zie zijpaneel (gratis, zelfs geen donatie gevraagd).

donderdag 28 februari 2019

God bewijzen voor beginners

Wij zijn de bewoners van een bakje (onze schedel):



Vanuit dat bakje kijken wij blij naar de werkelijkheid:


De wereld is echter nogal rommelig; stel je eens voor dat de wereld zich aandient zoals deze echt is: we zouden een wanordelijk en onbegrijpelijk beeld van de wereld krijgen:


Wat een afvalbak! Als we doelgericht willen handelen moet de natuur ons een handje helpen!


En daarom kregen we van de natuur een logische denkwijze. Dankzij deze denkwijze lijkt de wereld geordend. We zien niets anders dan de vormen die bij onze denkwijze passen. Waarheen we ook kijken, altijd zien we een logische (geordende) wereld. Van binnenuit naar buiten ziet de wereld er 'keurig' uit:


En wij denken daarom dat de wereld uit fraaie vormen bestaat (geordende bouwstenen):


Als iemand zegt: maar twijfel je nooit aan je denkwijze? Zou de wereld niet anders kunnen zijn dan jij denkt?, dan luidt altijd het antwoord: kun jij je de wereld dan anders voorstellen?! 

Het is a-priori duidelijk dat de wereld uitsluitend logisch kan zijn geordend! We weten dus precies hoe de wereld is opgebouwd. Maar als jij dat niet gelooft, laat dan eens een voorbeeld van wanorde zien! Een vorm die afwijkt van de gegeven vormen:


Wat moet je daar op antwoorden? Je bent immers zelf ook een logisch denker. Niemand kan om zijn 'dekseltje' heendenken. 

Maar de twijfel blijft knagen: is het echt zo gek om te denken dat het 'dekseltje' ons beperkt? Dat de wereld heel anders is dan de vormen van 't logische dekseltje? Is het niet antropocentristisch om te denken dat de wereld is zoals wij deze zien? Volgt uit de evolutietheorie -en uit vrijwel elk psychologisch en neurologisch onderzoek- niet dat wij beperkt zijn? 

Waarom zouden we dan denken dat de opmaak van ons verstand conform de werkelijkheid is? 

Conclusie: we krijgen de 'echte' werkelijkheid beter in het oog als we het dekseltje wegdenken: de wereld buiten onze waarneming is wanordelijk:


En weet je wat? Nu behoren niet alleen de logisch gevormde denkbeelden en inzichten tot de werkelijkheid, maar alle denkbeelden en inzichten (want de vorm doet er niet meer toe: er is geen 'dekseltje' of 'filter' meer tussen ons en de werkelijkheid): maar dan behoort ook het denkbeeld God tot de werkelijkheid. Aha. HTBW.

Maar ho, we zijn er nog niet. Stel je eens voor dat het dekseltje wel conform de werkelijkheid is. Misschien is het dekseltje wel ontstaan omdat alle vormen in de werkelijkheid wel fraai en geordend zijn. De werkelijkheid is dan een logisch paradijs:



Prachtig, een werkelijkheid die geordend is. Je vraagt je af hoe dat mogelijk is. Is het denkbaar dat de natuur zichzelf geordend heeft? Nauwelijks. Als de natuur aan het ordenen slaat, dan zie je ook een hoop misbaksels, vormen die niet bij onze denkwijze passen. Dan zou de wereld juist geen logisch paradijs zijn.

Bedenk: als de wereld geordend is, dan zou deze orde 'zelfverklarend' moeten zijn. Dat is niet het geval: de orde is 'domweg' gegeven. De logische vormen kun je niet ontleden in een nog fijnere orde die de logische vormen verklaart.

Maar dan ligt het voor de hand te denken dat de oorzaak van deze orde buiten de werkelijkheid te vinden is: onze gedachten gaan uit naar een transcendent beginsel. God. Aha. HTBW.

Linksom of rechtsom, uiteindelijk komt een mens die nadenkt tot het inzicht dat God bestaat.

Fijn. Dan liggen we allen wat blijer in ons kistje:



zondag 24 februari 2019

Gardenfors 'conceptuele schemas' en kennis van God


On my view, the semantics for a language is primarily a relation between the language and a cognitive structure. The meaning of an expression is determined by what it corresponds to in such a cognitive structure. The external world enters the picture only when the relation between it and the conceptual structure is considered. This means that the truth of sentences is, at best, a secondary feature of a semantic theory. Questions of meaning must be answered before we can raise any questions about truth. Gardenfors, Dynamics of Thought, p.123, Springer.

Denkbeeld
Vaak wordt (in academische context) aan de gelovige gevraagd hoe hij weet dat God bestaat. We staan dan met de mond vol tanden. Over meer dan een concept van God beschikken we niet. Aangezien we er van overtuigd zijn dat God niet ‘tastbaar’ is, is onderzoek naar God in een laboratorium uitgesloten. We kunnen daarom niet anders dan zeggen dat ons denkbeeld van God verwijst naar een ‘wezen’ dat op een niet-stoffelijke wijze bestaat. Bij sceptici -en filosofen reageren altijd op sceptische wijze- wekt dit vaak de spotlust op.

In dit opstel wil ik -uit de losse pols- laten zien dat ons denkbeeld van God toch verwijst naar de werkelijkheid. Met andere woorden: de gelovige kan proberen om de wijze waarop hij zijn abstracte concept vormt beter te verantwoorden. [1]

Gardenfors
Gardenfors is een cognitief filosoof/logicus die de twee stromingen in de cognitiewetenschappen, te weten connectionisme en symboolmanipulatie, met elkaar heeft proberen te verenigen. Connectionisten veronderstellen dat neuronen allerlei voorstellingen (representaties) aan elkaar kunnen plakken. Het is een vorm van associatie. Het probleem hierbij is, volgens Jerry Fodor, dat je bepaalde structurele kenmerken van de taal (het denken) verliest. Een Nederlandse mevrouw begrijp onmiddellijk het verschil tussen de zinnen ‘Anna kust Dick’ en ‘Dick kust Anna’ (a kust b is niet gelijk aan b kust a). Voor een associatiemachine is dit verschil onbegrijpelijk. Ergo: volgens Fodor is een mens geen associatiemachine.

Gardenfors stelt voor om de schema’s die we gebruiken om ons te kunnen orienteren in ruimte en tijd (Gardenfors noemt dit conceptuele schema’s) te beschouwen als een goede ondergrond voor onze representaties. Representaties worden dan in een dergelijk schema afgebeeld al naar gelang hun plaats ten opzichte van een aantal kwaliteiten. 

We kunnen bijvoorbeeld zaken representeren door de assen voor hoogte, diepte en breedte te beschouwen als kwaliteiten. In een tweedimensionaal veld kun je auto’s representeren door motorvermogen en gewicht tegen elkaar af te zetten. Een sportwagen heeft de kwaliteit motorvermogen (groot) en gewicht (licht). Je kunt in een dergelijke ruimte allerlei kwaliteiten verwerken (associatie), maar je krijgt ook voldoende structuur (de plaats in een dergelijk veld garandeert de structuur).

Kwaliteit
Betekenis kan volgens Gardenfors worden gerepresenteerd in een conceptueel schema. De representatie krijgt een plaats in het ‘veld’ van de kwaliteiten die je gebruikt als de assen in het conceptuele schema. Denk hierbij maar aan de kleurenkaart op je computer: je kunt een kleur kiezen door de cursor over het kleurenveld te bewegen. Dus: hoe meer kwaliteiten tot je beschikking staan, hoe rijker je voorstellingsvermogen.

Iedereen weet dat wij beschikken over een magnifiek instrument om kwaliteit ‘te vangen’: ons bewustzijn. Heel de werkelijkheid wordt in ons bewustzijn (ervaring) omgezet in een geordende (soms ook wanordelijk) collectie ‘qualia’. Dit betekent dat wij sommige zaken, die wel ‘echt’ bestaan (deel uitmaken van de werkelijkheid), niet verder kunnen ontleden dan hun kwalitatieve staat. Als Gardenfors gelijk heeft, is dat echter geen enkel probleem. Kwaliteit op zich is voldoende om allerlei zaken met elkaar te kunnen verbinden en ze een plaats te geven in de vele schema’s waarover wij beschikken. Zo representeren wij dan de werkelijkheid. Anders gezegd: de werkelijkheid bestaat voor ons in eerste instantie uit ‘velden van kwaliteit’. Onze ontologie bestaat uit deze velden.

In het systeem van Gardenfors is het vanzelfsprekend dat wij een bewustzijn hebben: zonder bewustzijn zouden we niet kunnen beschikken over onze representatieve kracht. Het systeem van Gardenfors is uitermate volledig: het maakt duidelijk hoe ons brein de werkelijkheid representeert, welke rol ons bewustzijn daarin speelt en waarom wij onze representaties logisch ordenen.

Kwaliteit van God 
Elke geleerde, zelfs Dawkins de proto-atheist, erkent dat sommige observaties in ons een bijzondere ervaring oproepen; alle mensen kennen de bijzondere ervaring van ontzag en verwondering, bijvoorbeeld als we kijken naar de sterrennacht of naar de kleurenpracht van de ondergaande zon. Mystici van een bepaald slag ervaren God bij het zien van licht -bijvoorbeeld het zonlicht dat door de wolken breekt. De bewering dat we God ‘zien’ als we naar de natuur kijken is niet onzinnig of onbegrijpelijk.

Om God te representeren hebben we niets anders nodig dan deze kwaliteiten. We kunnen bijvoorbeeld Gods Volmaaktheid bepalen door een schema op te stellen waarbij we zijn transcendente kwaliteit afzetten tegen de mate waarin hij een persoon is, op ons lijkt en al dergelijke. Aangezien alle mensen begrijpen wat we bedoelen met de religieuze kwaliteit van ontzag en verwondering, en ons verstand allerlei kwaliteiten met elkaar kan associeren, is ons denkbeeld van God niet onzinnig. Het feit dat we vervolgens buiten de kwaliteit van de transcendente ervaring niet naar een tastbaar ‘ding’ kunnen verwijzen, is dan niet van belang voor de redelijkheid van het geloof. De kwaliteit van de representatie maakt haar ‘waar’ (alhoewel ‘waarheid’ hier een wat ongelukkige term is).

Slotsom
Wel, dit -helemaal uit de losse pols, zoals beloofd- is zo ongeveer de verdediging die de gelovige kan gebruiken: zijn concept van God is beter te rechtvaardigen dan in klassieke modellen, waarbij tenslotte wordt vereist dat we onze representaties ‘waar’ maken door een objectief waarneembaar verschijnsel. 

Het theoretische werk van Gardenfors is onlangs onderbouwd door onderzoek; in een lang en interessant artikel in Science (09 November 2018) wordt verdedigd dat representaties in sommige gevallen inderdaad geordend worden ‘op’ de schema’s die het brein gebruikt om het lichaam veilig door de wereld te loodsen.

Het spreekt vanzelf dat mijn theologische lezing van Gardenfors werk niet terug te vinden is in zijn boeken en artikelen: het is mijn toepassing van zijn theorie over conceptuele schema’s en de werking van het bewustzijn.

[1]. Bedenk goed: dit is niet meer dan een voorstel uit de losse pols. Het gaat hier om een zeer complex inzicht dat langdurig onderzoek vereist. Het aantal haken en ogen is nog groot. Desalniettemin ziet het er -vind ik- veelbelovend uit, zeker als we de statuur van Gardenfors in ogenschouw nemen en het vele werk dat al gewijd wordt aan 'conceptual spaces'. En de gedachte dat we in staat zijn een transcendente kwaliteit te ontwaren in de werkelijkheid is niet omstreden.

-Gardenfors, P, The Dynamics of Thought, Springer, 2005 (ik denk dat dit het hoofdwerk is van Gardenfors: het is nogal technisch);
-Gardenfors, P, How Homo became sapiens, Oxford, 2006 (goed te lezen voor iemand met een normaal intellect).

donderdag 21 februari 2019

Het paleis


Inleiding: een logisch paleis
Enige tijd geleden schreef Rene van Woudenberg een opstel waarin hij betoogde dat de orde in de werkelijkheid een aanwijzing is voor het bestaan van God. In deze bijdrage wil ik laten zien dat het standpunt van van Woudenberg niet onredelijk is. Vrijwel niemand twijfelt aan de gedachte dat de werkelijkheid inderdaad een bouwplan heeft. Opmerkelijk is dat wel, want dankzij deze orde is de werkelijkheid voor ons een logisch paleis: de mens beschikt dankzij z’n logische denkwijze over de sleutel tot elk vertrek van dit paleis. Hawking zei dat de logische denkwijze hem tot voorbij het verste sterrenstelsel voerde. Geen hoekje, geen steegje, geen kamertje is ontoegankelijk voor ons verstand. Het is eigenlijk te mooi om waar te zijn. Waarom zou een theïst dan niet denken dat de orde in de werkelijkheid een aanwijzing is van Gods bestaan?

Een deel is geen geheel
Het heikele punt is dat de theïst de orde in de werkelijkheid in het verleden al eens heeft opgevoerd als bewijs voor het bestaan van een schepper. William Paley vergeleek dieren met maaksels als klokken en horloges. Stel, schreef hij, dat wij een horloge vinden, dan denken we onwillekeurig dat dit het werk is van een intelligente maker; hetzelfde geldt voor dieren: kijk hoe doeltreffend het ontwerp is van de havik. We kunnen nauwelijks anders dan denken dat dieren het werk van een intelligente maker zijn. Darwin heeft ons echter de ogen geopend voor het feit dat de natuur wél dieren kan ontwerpen. Om een havik te bouwen heb je géén intelligente schepper nodig. Sindsdien is het suspect om de orde in de natuur te beschouwen als het werk van een schepper.

Evolutie is een proces met een afvalbakje
Het voert echter ver als we de evolutie van mens en dier beschouwen als bewijs tégen de gedachte dat God de werkelijkheid geordend heeft. De werkelijkheid is iets anders dan een natuurlijk proces binnen de werkelijkheid: een deel is niet gelijk aan het geheel.
Om levende bouwwerkjes te maken -vissen, vogels en hoefdieren- heb je twee ‘actoren’ nodig, de natuur en de evolutie. De natuur is een vrije kunstenaar, de evolutie is een verzamelaar. De natuur, zoals een kunstenaar betaamt, doet wat hem invalt en verrijkt elke generatie levende bouwwerkjes met willekeurige nieuwe eigenschappen. De evolutie is een verzamelaar die zich toelegt op het verzamelen van bouwwerkjes die zichzelf staande kunnen houden. De bouwwerkjes die van de natuur zulke nadelige eigenschappen kregen dat zij hun eigen levensvatbaarheid ondermijnen werden door de evolutie weggenomen uit de collectie. De bouwwerkjes ordenen feitelijk zichzelf: de bouwwerkjes die niet voldoen aan de eisen van de evolutie, de verzamelaar, laten zichzelf verdwijnen in de afvalbak.

Een halve orde is geen orde
Dit schema kan echter niet op de werkelijkheid als geheel worden toegepast. We kunnen werkelijkheden die niet voldoen aan een bepaald doel niet in de afvalbak doen, want er is maar één werkelijkheid. En welke ‘actoren’ nemen bij het vormen van de gehele werkelijkheid de rollen van de natuur en van de evolutie op zich? Kunstenaar en verzamelaar zijn, als we het over de werkelijkheid als geheel hebben, geen externe krachten, maar maken zelf deel uit van de werkelijkheid. Misschien moeten we ons de werkelijkheid voorstellen als een soort soep die kookt en borrelt en tenslotte zichzelf vormt. Maar dan is de orde in de werkelijkheid gaandeweg ontstaan. En dat is merkwaardig. Want in al dergelijke ‘groeimodellen’ is de werkelijkheid dan halverwege strijdig geweest met zichzelf en dat is uitgesloten. Die gedachte staat haaks op ons idee van orde. Het bouwplan van de werkelijkheid moet daarom in zijn geheel geïnstalleerd zijn. Een algehele eerste vorm van orde is noodzakelijk als de werkelijkheid een bouwplan heeft. We staan dan ook met lege handen als we proberen te begrijpen hoe de werkelijkheid zichzelf spontaan geordend heeft.

Kiezen of delen
Het voert voor de naturalist daarom ver om een verbod uit te vaardigen op theïstische verklaringen. Voorbij een bepaalde graad van abstractie is het lastig om aan te tonen dat de werkelijkheid ‘natuurlijk’ is. Zeker als de orde in de werkelijkheid in één keer geïnstalleerd is, dan is de gedachte dat God, de schepper, de werkelijkheid heeft ontworpen en ons verstand op deze werkelijkheid heeft afgestemd niet onredelijk.
Een dergelijke verklaring dicht ook niet slinks een ‘gat’ in de huidige wetenschappelijke kennis: hier is geen sprake van een ‘gat’, maar van een fundamentele ‘grens’. Wetenschap kan pas beginnen als de werkelijkheid een minimale orde heeft.

Slotsom
De naturalist kan zijn wereldbeeld redden door te ontkennen dat de werkelijkheid op universele schaal geordend is. Welbeschouwd is de gedachte dat de werkelijkheid een logisch paleis is helemaal niet zo ‘natuurlijk’. Maar in dat geval zal hij ook moeten aanvaarden dat God bestaat. Immers, als de werkelijkheid niet geordend is, is het irrationeel (lees: onmogelijk) om het bestaan van God uit te sluiten.