zaterdag 25 januari 2020

Absurd is de norm

1. Inleidende opmerkingen


[De logische wetten zijn zo belangrijk voor onze gesprekken over religie omdat ze -volgens de communis opinio- het verschil bepalen tussen wat wel en (absoluut) niet mogelijk is. Als ik kan laten zien dat God 'absurd' is, zegt de moderne analytische filosoof, dan is dat voldoende om te weten dat God niet bestaat.]

[De logische wetten gaan strikt genomen niet over de wereld, maar over onze uitspraken over de wereld. In de praktijk komt dat vaak op hetzelfde neer, maar dat hoeft niet!]

2. 
(...) In een absurde werkelijkheid kunnen we eigenlijk nooit niets zeggen over de werkelijkheid. Zoals je in onze wereld nooit naar de leegte kunt wijzen -je wijst altijd naar iets- zo kun je in de werkelijkheid nooit een inzicht bedenken dat té absurd is. Nee, zo is het: in de werkelijkheid is niets te zot voor woorden. Het is met een redeloze werkelijkheid gesteld als met een wetteloze staat: geen daad is zo gruwelijk dat je er voor berecht wordt. Zo geldt in een redeloze werkelijkheid dat geen denkbeeld zo bizar is dat het moet worden verworpen.

Het is dus niet waar dat we niets kunnen zeggen over het absurde domein. Het absurde domein is niet onkenbaar.

Vooral de gedachte dat niemand iets kan aanvangen met het absurde domein is onjuist. De religieuze mens heeft immers altijd vermoed dat religieuze denkbeelden buiten het logische (beweegbare) domein eerst volop tot hun recht komen. Hij is juist om deze ‘bovennatuurlijke’ inslag vaak gekapitteld door de naturalist. Volgens de heersende overtuiging onder filosofen zijn mensen die geloven dat onbepaalde en overbepaalde denkbeelden naar de werkelijkheid verwijzen irrationeel. Zeker onder filosofen is deze beschuldiging ernstig, want wat kopen we voor de gedachten van een irrationeel filosoof (er zijn dan ook filosofen geweest die meenden dat theologische kwesties voorgoed van de agenda moesten worden geschrapt). 

De gewoonte om de religieuze mens te beschuldigen van ‘dromerij’ of ‘drog’ komt echter in ander licht te staan als we beseffen dat onze logische wereld de uitzondering is terwijl de absurde werkelijkheid de norm is. Feitelijk kan men juist de naturalist verwijten dat hij al die tijd zwak van geest geweest is daar hij steeds de kolossale en wonderlijke werkelijkheid over het hoofd heeft gezien- en, kwalijker nog, we kunnen zeggen dat hij een dromer is omdat hij steeds gemeend heeft dat de menselijke denkwijze, alhoewel ‘slechts’ het product van evolutie, maar liefst een universeel bereik had. De drogreden van de naturalist is dat hij de menselijke denkwijze aanprijst als de algemeen geldende norm. Wat hem betreft moet God zich voegen naar de menselijke rationele zienswijze (en als God deze eis niet inwilligt verklaart de naturalist hem 'dood').   

Een aantal grote religieuze denkers uit het verre en nabije verleden heeft altijd erkend dat de werkelijkheid ‘absurd’ is en dat het menselijke verstand beperkt is (wat op het zelfde neerkomt). We hoeven slechts te winkelen bij een van de vijf grote wereldgodsdiensten, het christendom, om te zien dat (sommige) filosofen en theologen goed begrepen hebben dat religieuze denkbeelden ons verstand te boven gaan. God is waarlijk een transcendent wezen. 

De theoloog Alister McGrath schrijft het volgende:

“Voor Augustinus stond als een paal boven water dat iets dat je kunt begrijpen God niet kan zijn: Si comprehendis non est Deum. Ons denken over God moet wel onlogisch lijken aangezien het iets probeert te grijpen wat buiten ons bereik ligt, buiten ons begrip. De christelijke theologie is zich altijd bewust geweest van haar grenzen en heeft geprobeerd te zeker lijkende uitspraken ten aanzien van Gods mysterie te vermijden."

“Een zeer bruikbare beschrijving van de christelijke theologie is (…) ‘je op een rationele manier inspannen om een mysterie te begrijpen.’ Dit geeft weer dat er grenzen zijn aan wat te begrijpen is, maar dat het tegelijk waardevol en noodzakelijk is om er toch over na te denken. We staan hier tegenover iets zo groots dat het ons begrip te boven gaat; dus moeten we het doen met wat we wel hebben en kunnen” [McGrath. Christelijke Theologie, p.367].

De Nederlandse filosoof Herman Philipse beschouwt juist deze theologische opvatting als een diskwalificatie van de theologie. Hij noemt dit ‘een vlucht in de buitenrationaliteit’. Volgens hem heeft de theoloog deze buitengewoon merkwaardige manoeuvre nodig zodat hij ternauwernood kan aan ontkomen aan de fatale bijlslag van de naturalist. 

Maar de kritiek van Philipse is misplaatst. Filosofen als Philipse -denk ook aan Alfred Ayer en andere uitgesproken positivisten- hebben zich niet voldoende rekenschap gegeven van de betekenis en herkomst van hun belangrijkste wapen, de menselijke rationaliteit. Zulks valt een echte rationalist niet eens kwalijk te nemen, want de rationalist vindt de logische wetten ‘gewoon evident’. Maar we kunnen het de naturalist wel kwalijk nemen! Een naturalist dient zich ernstige af te vragen of universele inzichten wel passen in een natuurlijk wereldbeeld. (A propos, dat een rationalist de logische wetten ‘evident’ vindt verwondert niemand: hoe kan een dier dat uitgerust is met een logische denkwijze de logische wetten niet evident vinden? Onze denkwijze is evident voor ons, dat is immers inherent aan de taak of functie van onze denkwijze? Welke wetten of regels kunnen wij beter begrijpen dan onze eigen ‘denkwetten’?)
   
Voor een christen is de erkenning dat onze wereld onderdeel is van een absurde, kwalitatief en kwantitatief grenzeloze transcendente werkelijkheid van grote waarde, want hij hoeft over de absurde noties die in zijn geloof een belangrijke rol spelen niet langer te spreken alsof het antieke, achterhaalde inzichten zijn. 

Hij hoeft zich ook niets aan te trekken van de beschuldiging dat hij ‘in de buitenrationaliteit vlucht’. Andermaal zij gezegd: de absurde werkelijkheid moet niet worden gezien als de uitzondering, maar onze voorstelling van een gesloten, logische natuurlijke wereld is de uitzondering. 

Als God bestaat -en wie heeft redenen om aan zijn bestaan te twijfelen in een kwalitatief grenzeloze werkelijkheid- dan móet Hij wel absurd zijn, want anders is hij even zo beperkt van inzicht als de mens. Aangezien we als vuistregel hanteren dat God het meest volmaakte wezen is dat wij ons kunnen indenken is het verstandig om God, per definitie, geen logische beperkingen opleggen. 

zaterdag 18 januari 2020

Grafrede (geplaatst op verzoek)

(...)

De natuur heeft het lichaam van de mens verrijkt met een bijzonder intelligente menner. Het representatieve vermogen van de menselijke menner is zo groot, dat hij zich de ene na de andere voorstelling voor de geest kan halen. Hij zou met zijn tomeloze voorstellingsvermogen het span paarden wel naar de hemelpoort willen leiden of naar het paradijs of naar beide tegelijk. Hij zou kunnen denken 'ik bevat de eindeloze veelheid, ik wil overal tegenwoordig zijn!’; onze menner kan zichzelf tegenspreken en daarin genoegen scheppen, hij kan denken ‘ik ben en ik ben niet’ of ‘ik handel door niets te doen’. Maar alles goed en wel, het span paarden kan aan zulke fantasieën geen gehoor geven. Nooit.

Vanzelfsprekend is het verschil tussen de vindingrijke menner en het brave span een gebrek, want een goede samenwerking tussen menner en span lijkt uitgesloten. Het wekt dan ook geen verbazing dat de natuur heeft ingegrepen. Het lijkt opmerkelijk zo niet wonderlijk dat de natuur lichaam en verstand tot samenwerking heeft kunnen dwingen zonder het voorstellingsvermogen sterk te beperken. In essentie berust de samenwerking echter op twee beginselen die zich al in een vroeg stadium van de evolutie hebben aangediend. Levende bouwwerkjes worden door de natuur stap voor stap ingericht als schepselen die doelgericht moeten handelen. Weefsel en draad, zintuig en zenuw, alle bouwmaterialen worden zo geschikt dat de doelgerichte werking van het lijf optimaal is. In tastbare zin betekent dit dat de samenhang of eenstemmigheid van het schepsel sterker wordt en dat de ‘functionele welbepaaldheid’ toeneemt.

De functionele welbepaaldheid van schepsels is vrijwel altijd een voordeel. In een aantal gevallen is het echter een nadeel. In het dagelijkse bestaan komt een schepsel soms ‘ogen en oren’ tekort of wordt een schepsel overvallen door twijfel -men is dan innerlijk verdeeld- en soms moet een schepsel zelfs dubbel tegenwoordig zijn (bijvoorbeeld om zich te verdedigen tegen een troep). Hiermee zijn dan de grenzen van onze welbepaaldheid gegeven. Wie zo is ontworpen dat hij doelgericht moet handelen zal zijn doelen één voor één moeten bereiken. Het is weefsels die moeten samenwerken niet gegeven om verschillende taken en handelingen tegelijkertijd te verrichten.

De grenzen die de natuur stelt aan de beweegbaarheid van schepsels zijn hiermee gegeven. Het is niet beweegbaar om twee of meer handelingen of taken uit te voeren. De hongerige vogel die de voederende hand wantrouwt kan niet enerzijds naderen en toehappen en anderzijds terugdeinzen en wegvliegen; ook mag de vogel niet eeuwig en radeloos blijven twijfelen over de handeling die geboden is. Het zenuwweefsel van elk schepsel, hoe onvolgroeid ook, zal alleen bijdragen aan de doeltreffendheid van de lijfelijke uitvoer van hun handelingen als het wordt uitgerust met een apparaat dat de welbepaaldheid van de handelingen versterkt en de on- of overbepaaldheid van de handelingen verzwakt en blokkeert. Een beginsel waarmee we de werking van dit apparaat kunnen beschrijven luidt ‘leg onder geen beding aan het lichaam op dubbele handelingen’ en een ander beginsel luidt ‘aanvaard onder geen beding dubbelzinnige inzichten’. 

Zowel dubbelzinnige (onbepaalde) inzichten als dubbele (overbepaalde) inzichten kunnen niet worden uitgevoerd. Onbepaalde en overbepaalde inzichten zijn dwarsliggers die haaks op de doelgerichtheid van het handelende schepsel staan. Daarmee is de grondslag van onze logische denkwijze gegeven. Omdat ons bestaan -bedoeld wordt, nog steeds, het bestaan van de soort- bovenal afhankelijk is van de welbepaaldheid of doelgerichtheid van onze handelingen, zal het verstand deze logische beginselen nooit opgeven. Hoe groter het verstand en hoe groter haar representatieve kracht, hoe groter de kracht waarmee deze logische inzichten zich in het verstand moeten laten gelden. De natuur heeft de logische denkwijze daarom stevig vastgeslagen in ons verstand.

Maar dit is wonderbaarlijk! De dichter componeerde een gezang waarin hij de geest opriep om zijn gedachten te laten vliegen en zweven, ver boven de aarde, omdat onze gedachten niet gebonden zijn aan de zwaarte van de rotsen en de klei! De logische wetten zijn ons gegeven als de oogkleppen die onze handelingsbekwaamheid versterken, maar de wereld die ons door de oogkleppen onthouden wordt en de wereld die zich buiten onze oogkleppen om opent voor de geest, kent geen beperkingen- volstrekt geen beperkingen! Het is leugenachtig om de doelgerichte, logische beweegbaarheid van het lichaam te beschouwen als de wet die de bouw en inrichting van de gehele werkelijkheid bepalen. Welnee, onze denkwijze is slechts een beperking waarachter een werkelijkheid schuil gaat die zo ‘wetteloos’ is dat wij haar gronden en verten niet kunnen peilen.

Wie zal mij zeggen dat de mens geen ziel heeft, dat het bestaan van de mens niet heilig is? Op grond van welke wet of bepaling zal iemand mij de inrichting van de werkelijkheid voorhouden als scherprechter om mij er toe te dwingen geloof en hoop te laten varen? Hoe kunnen in een werkelijkheid, die zelfs door de krachtigste wetten waarmee wij haar trachten te ordenen niet kan worden doorgrond, en die daarom niet anders dan eindeloos geheimzinnig, duister en absurd moet zijn, een menselijk begrip zo beduidend kan zijn dat dit niet eens kan bestaan? Het verstand van de mens is te zwak om de werkelijkheid ook maar enige beperking op te leggen. De werkelijkheid is een oceaan die elk weermiddel overspoelt; het is een ingewikkeldheid die met zijn vormenrijkdom elk inzicht en elk denkbeeld overtreft. De logische wet, een bescheiden vuistregel ons ter beschikking gesteld door de natuur, opdat wij ons in de werkelijkheid enige jaren staande mogen houden, is niet meer dan een facade van karton.

Zou God niet bestaan,- nee, niet voor wie onze denkwijze houdt voor de politieagent van het universum. Maar zo’n verdwaasde ziel kan geen ware naturalist zijn! Want de ware naturalist weet dat de natuur hem onophoudelijk zegt hoe klein de mens is. Het is dan ook een vergissing te denken dat de verzameling van alle menselijke ideeën de werkelijkheid zo zeer uitput dat deze ideeën uiteindelijk in de werkelijkheid geen grond vinden.

Wij kunnen de werkelijkheid niet beperken. De mens is te beperkt om de werkelijkheid beperkingen op te leggen.

Nemen wij afscheid van R.- en voorgoed? Welke mens kan God, die ons in alles overtreft, opleggen dat hij een persoon voorgoed wegsnijdt uit de werkelijkheid... We zouden niet eens weten wat het betekent of hoe we het moeten aanleggen om uit de werkelijkheid weg te nemen, door God geschapen, wat eens tegenwoordig was.

Slechts in onze voorstelling van de werkelijkheid verdwijnen mensen. Wij hebben de macht echter niet om mensen weg te snijden uit Gods voorstelling van de werkelijkheid. Amen.

woensdag 15 januari 2020

Antropocentrisme

Wat zijn eigenlijk 'logische wetten'? Waarom vinden wij ze zo bijzonder -neem de logische wetten weg en je kunt wetenschap en filosofie opdoeken- en waarom bepalen ze onze denkwijze? 

Ik ben er van overtuigd dat de logische wetten niet bovennatuurlijk zijn, niet door God gegeven en dat deze niet de weerspiegeling zijn van een diep metafysisch en waarachtig inzicht,- nee, het zijn eenvoudige natuurlijke regels die de beweegbaarheid van het lichaam beschrijven. En aangezien de beweegbaarheid van het lichaam voorop staat indien bouwwerkjes hun evolutionaire doelen willen bereiken -en dat willen ze, anders neemt de natuur ze uit de handel- moet ons verstand zich wel voegen naar de beweegbaarheid van het lichaam. Zo is onze denkwijze ontstaan.

De evolutie is een nogal traag proces. Eukaryoten, onze verre voorouders, hebben miljoenen jaren kunnen overleven door dicht tegen elkaar aan te liggen. Van lieverlee zijn deze kolonies functies met elkaar gaan delen. De buitenste exemplaren hebben zich bijvoorbeeld verhard en wisten zo de binnenste exemplaren te beschermen tegen indringers. Samenwerking is belangrijk in de natuur. Uiteindelijk zijn hier warmbloedige, ingewikkelde organismen uit voortgekomen met een tamelijk ingewikkelde bouw. Mensen en dieren bestaan uit weefsels, delen en draden die met elkaar samenwerken. We zijn een  'handelende' eenheid die van top tot teen is ingericht om onze evolutionaire doelen te bereiken [1]

Je kunt ons lichaam vergelijken met een span paarden, een koets en een menner. In het begin zit er een tamelijk domme menner op de bok. Maar deze domme menner wordt afgewisseld door een menner met een krachtig representatief vermogen. De intelligente menner eist meer van het span paarden dan de domme menner. Hij heeft daarom de plicht om zijn gedachten te voegen naar de beweegbaarheid van het span paarden. De aansporingen die hij het span geeft moeten altijd uitvoerbaar zijn.

De eerste 'wet' waar de menner zich aan moet houden is dat de inzichten die hij wil uitvoeren (de doelen die hij wil bereiken) altijd welbepaald moeten zijn. Als de menner naar de poststraat wil moet hij het span paarden langs de juiste wegen leiden. Een handeling moet helemaal worden uitgevoerd, de menner mag geen bocht, geen steeg en geen straat overslaan.

De tweede 'wet' waar de menner zich aan moet houden is dat hij het span paarden behandelt als een 'eenheid'. Zijn inzichten mogen niet onbepaald zijn. Hij mag het ene paard niet aanzetten tot een draf en het andere manen om stil te staan. Het is of hollen of stilstaan, maar in het span mag geen menging voorkomen. Een beetje stilstaan en een beetje hollen is onmogelijk (voor een dier dat is ontworpen om doelgericht te handelen). We herkennen hierin de wet van het uitgesloten derde. [2]

De derde wet waar de menner zich aan moet houden is dat hij het span paarden geen dubbele opdrachten geeft. Zijn inzichten mogen niet overbepaald zijn. Het span kan niet tegelijkertijd arriveren op de poststraat en op het jubelplein. We herkennen hierin de wet van non contradictie.

Deze drie wetten vormen de belangrijkste beperkingen en voorschriften waar de menner mee moet rekenen als hij plannen maakt.

Deze natuurlijke verklaring voor de logische wetten maakt elke metafysica (incluis God, incluis de universele inrichting van de werkelijkheid) overbodig. 

Wiens verstand door de natuur is behept met de logische denkwijze, zal van lieverlee de werkelijkheid ook zien als een logisch bouwwerk. Het is echter een voorbeeld van  'antropocentrisme' -een denkfout- om de werkelijkheid te beschouwen als een logisch paleis, geheel ontworpen naar de voege van onze lichamelijke bepaaldheid [4].

[1. zie: Lane, N, De belangrijkste vraag van het leven]

[2. In formele taal: P of nietP. In de formele logica -die draait om het onderzoek naar 'waarheid'- zegt deze wet dat een beweerzin geen halve waarheidswaarde kan hebben, doch altijd één volledige waarheid uitdrukt. In de logica zoals wij die gebruiken in het 'echte' leven zegt deze wet dat waarnemingen altijd te herleiden zijn tot volledige concepten: dat wollige ding in het weiland is of een schapendoes of een schaap, maar het is geen half-schaap of een misschien-schaap. De wortel van deze logische overtuiging is de bepaaldheid van ons lichaam die ons slechts 'volledige' handelingen toestaat. Je kunt geen halve handelingen uitvoeren, je linkerbeen kan niet op weg zijn naar de Oost-kerk terwijl het rechterbeen op weg is naar de West-kerk.

[3. In formele taal: niet(P&nietP). In de formele logica -die draait om het onderzoek naar 'waarheid'- zegt deze wet dat een beweerzin geen dubbele waarheidswaarde kan hebben. In de logica zoals wij die gebruiken in het het 'echte' leven zegt deze wet dat waarnemingen altijd te herleiden zijn tot één ding: een steen is niet ook nog een gebakje. De wortel van deze logische overtuiging is de bepaaldheid van ons lichaam die slechts één handeling per beurt toestaat. Je kunt geen meervoudige handelingen uitvoeren, je kunt niet tegelijkertijd de marathon lopen en een berg beklimmen.

[4] De conclusie is dat wij niet beschikken over universele inzichten. Ook al draait ons intellectuele bestaan geheel om de logische denkwijze -niemand kan aan deze denkwijze ontsnappen- de werkelijkheid zelf heeft een geheel andere inrichting: want wij kunnen de werkelijkheid niet beschouwen als een lichaam dat de inrichting heeft van een handelend wezen. We verwachten ook niet dat de werkelijkheid een hart heeft of twee benen. Kortom, noch het wereldbeeld van de naturalist, noch het wereldbeeld van de rationele christen is juist. Voor ons is de werkelijkheid 'wetteloos' (want wij kennen geen universele wetten). Gelukkig zijn wij wel in staat om in deze wetteloze werkelijkheid een naturalistisch reservaat aan te leggen, waarin wij wel 'beweegbaar' zijn en met onze logische denkwijze uit de voeten kunnen.

dinsdag 7 januari 2020

Belichaamde wezens móeten keuzes maken, 2

Athos, Porthos en Aramis vereenigden zich, terwijl Jussac zijn soldaten in slagorde schaarde.

Dit korte oogenblik was voldoende, om d’Artagnan tot een besluit te brengen. Het was een dier voorvallen, welke het lot eens menschen voor altijd beslissen; het betrof hier een keus tusschen den koning en den kardinaal; en eenmaal die keuze gedaan, moest men er in volharden. Te vechten, dat is: de wet ongehoorzaam te zijn, zijn hoofd te wagen, zich eensklaps een minister tot vijand te maken, die zelfs machtiger dan de koning was. Ziedaar het verschiet des jongelings, en zeggen wij het tot zijn lof, hij aarzelde geen seconde. 

Derhalve zich tot Athos en diens vrienden wendende, zeide hij:

'Mijne heeren! ik zal, als gij het mij veroorlooft, iets aan uw gezegde verbeteren. Gij zeidet, dat gij niet meer dan met uw drieën waart, maar het schijnt mij, dat wij met ons vieren zijn.”
„Maar gij behoort niet tot de onzen.”
„Dat is waar,” antwoordde d’Artagnan, „het gewaad ontbreekt mij, maar het hart bezit ik. Van harte ben ik musketier, dat voel ik, mijne heeren! en dat spoort mij aan.”

Verwijder u, jongeling!” riep Jussac, die aan de gebaren en de uitdrukking van d’Artagnan’s gelaat zeker diens oogmerk geraden had. „Gij kunt u verwijderen, hierin nemen wij genoegen. Berg uw huid, maak u uit de voeten!”

Maar d’Artagnan verroerde zich niet.
„Waarachtig! gij zijt een beste jongen!” zeide Athos, de hand van den jongeling drukkende.

„Spoed u! ga tot een besluit over,” hernam Jussac.

„Welaan,” zeiden Porthos en Aramis, „wat zal het worden?"
„De jongeling is zeer edelmoedig,” zeide Athos. 

Doch alle drie de jonkheid van d’Artagnan in overweging nemende, vreesden zij voor zijn onervarenheid in de strijd.  

„Wij zouden feitelijk slechts met ons drieën zijn, want een van ons is slechts een knaap,” hernam Athos, „en toch zou men beweren, dat wij met ons vieren waren.”
„Ja, maar te wijken!” riep Porthos. „Dat niet […]''
„Onmogelijk!” riep Aramis.

D’Artagnan begreep de reden hunner besluiteloosheid.

„Mijne heeren! stelt mij slechts op de proef,” sprak hij, „ik bezweer u, op mijn eer, mij niet te zullen verwijderen, al worden wij overwonnen.”
Hoe noemt men u, mijn dappere jonkman?” vroeg Athos.
„D’Artagnan, mijnheer!”
„Welaan dan, Athos, Porthos, Aramis en d’Artagnan! voorwaarts!” riep Athos.

Welnu, heeren! zijt gij tot een besluit gekomen?” riep Jussac voor de derde maal.

„Dat is reeds gedaan, mijnheer!” antwoordde Athos.

„En wat is uw besluit?” vroeg Jussac.

„Wij zullen de eer hebben ons te verdedigen,” antwoordde Aramis, zijn hoed met de eene hand afnemende en met de andere den degen trekkende.

„Ha! gij biedt weerstand?” riep Jussac.

„Natuurlijk! Verwondert u zulks?”

En de negen strijders vielen elkander aan met een woede, die intusschen niet blind was.'

(uit: Dumas, Alexander, De drie musketiers 'met plaatjes!', project Gutenberg (gratis)).

Belichaamde wezens móeten keuzes maken

'Wat heeft die Aramis toch een vernuft! En hoe ongelukkig, dat gij uw roeping niet hebt kunnen volgen, mijn waarde! wat een lief abtje zou er van u geworden zijn.”

„O! het is slechts een kort uitstel,” antwoordde Aramis, „den een of anderen dag word ik het; gij weet wel, Porthos! dat ik mij daarom in de godgeleerdheid blijf oefenen.”

„Hij zal doen, zooals hij zegt,” hernam Porthos, „vroeg of laat gebeurt het.”

„Vroeg,” zeide Aramis.

„Hij wacht slechts op iets anders, om zijn voornemen te volvoeren en zijn priesterkleed weder aan te trekken, dat nu achter zijn uniformrok hangt!” riep een ander musketier.

„En wat is dat, waarop hij wacht?” vroeg een derde.

„Hij wacht, totdat de koningin de kroon van Frankrijk een erfgenaam zal geschonken hebben.”

„Schertsen wij hierover niet, mijne heeren!” zeide Porthos; „Goddank! de koningin is nog jong genoeg hiervoor.”

„Men zegt, dat de heer de Buckingham in Frankrijk is,” hernam Aramis met een schalkschen lach, die aan deze zoo schijnbaar onnoozele woorden een tamelijk schampere beteekenis gaf.

„Aramis! mijn vriend! voor dezen keer gaat gij te ver,” viel Porthos hem hierop in de rede, „en uw geestigheid overschrijdt reeds de grenzen; indien de heer de Tréville u hoorde, zouden uw woorden u slecht bekomen.”

„Wilt gij mij een les geven, Porthos!” riep Aramis, in wiens oogen men iets als een bliksemschicht zag flikkeren.

„Mijn waarde! wees musketier of abt, het een of ander; maar niet beiden gelijk,” hernam Porthos. „Zie, Athos zeide het u nog, een paar dagen geleden, dat gij van alle markten te huis zijt! '

(uit: Dumas, Alexander, De drie musketiers, met plaatjes! project Gutenberg (gratis)).


vrijdag 3 januari 2020

Quine en het naturalisme

We hebben klaarblijkelijk geen andere keus dan van onze inzichten en denkbeelden een wereldbeeld te bouwen met een sterke samenhang. We moeten onze verhalen (theorieën) zorgvuldig zuiveren van tegenstellingen en strijdigheden. Ook wetenschappers ontkomen niet aan deze dwang. We stellen een wetenschappelijk of natuurlijk wereldbeeld samen, volgens Quine, door van alle wetenschappelijke verhalen één overkoepelend verhaal te maken. Het overkoepelende verhaal is dan ons wereldbeeld. Dit wereldbeeld vertekent de werkelijkheid in die mate dat deze voor ons begrijpelijk is.

De naturalist vermoedt dat wij de wereld ordenen alsof het een logisch paleis is opdat we onbelemmerd en snel kunnen bepalen hoe we moeten handelen. In een logische wereld weet ik feilloos hoe ik mijn ledematen en lichaam moet bewegen om een bepaald doel te bereiken. Een logische wereld is voor ons een beweegbare wereld. De theïst daarentegen meent dat de werkelijkheid een logisch paleis is en dat onze logische denkwijze waarachtig is omdat God de werkelijkheid met beleid geschapen heeft. 

Quines ‘ontdekking’ is dat wij elk nieuw inzicht beoordelen door te zien of dit past bij ons wereldbeeld. We gebruiken het tribunaal van onze verhalen, vervlochten tot één samenhangend wereldbeeld, als hét belangrijkste meetinstrument om de waarde van berekeningen, observaties, vermoedens, inzichten, indrukken, metingen en proeven te bepalen. De wetenschapper benadert de werkelijkheid, volgens Quine, niet als een veldheer die met zijn kijker het slagveld bestudeert en de stafkaart vervolgens aanpast (zodat de stafkaart steeds correspondeert met de gebeurtenissen op het slagveld), maar de wetenschapper beziet de werkelijkheid als een spion die geheel wordt beheerst door een bepaald vermoeden: de spion vermoedt dat alles wat hij ziet, hoort, weet, denkt en gelooft een sterke samenhang moet hebben. De dingen die niet passen bij wat hij weet, denkt en gelooft (wereldbeeld) beschouwt hij als zaken die van geen belang zijn. 

Het wereldbeeld van de wetenschapper is een tribunaal, maar dan een tribunaal dat bestaat uit duizenden inzichten die het meestentijds roerend met elkaar eens zijn. Zodra één van de inzichten onraad ruikt of bezwaren heeft tegen een nieuw voorstel dan zijn ook de andere inzichten achterdochtig. Op deze manier aanvaardt ’t tribunaal alleen voorstellen die in overeenstemming zijn met ons wereldbeeld. Het voordeel van deze werkwijze is dat de samenhang van ons wereldbeeld goed bewaard blijft; het nadeel is dat de samenhang van ons wereldbeeld zich onherroepelijk opdringt aan de werkelijkheid. Je kunt volgens Quine nooit bepalen of de orde in de werkelijkheid correspondeert met de orde in ons wereldbeeld. Hij beschouwt, kortom, het geheel van alle wetenschappelijke verhalen als een enorme zeef waar eerst alle indrukken en inzichten over de werkelijkheid langs moeten willen ze passen in ons wereldbeeld. Zaken die achterblijven in de zeef gooien we weg en die hebben voor ons geen waarde.

Wetenschappers werken aan een verhaal over de wereld dat een maximale samenhang heeft. Omdat natuurlijk onderzoek van de werkelijkheid een groot aantal zeer betrouwbare verhalen heeft opgeleverd -wetenschap is zeer succesrijk- is het haast vanzelfsprekend dat uit deze verhalen een zeer betrouwbaar wereldbeeld kan worden samengesteld. Voor God is in dit naturalistische wereldbeeld geen plaats. Bovennatuurlijke krachten en personen verstoren de eenheid van het natuurlijke wereldbeeld. Als we dit natuurlijke wereldbeeld beschouwen als een meetinstrument, een wetenschappelijke ‘superzeef’, dan blijven alle bovennatuurlijke denkbeelden daarin achter als grofzand gescheiden van fijnzand. Het geheel van al onze inzichten en verhalen is de superzeef die bepaalt hoe wij de werkelijkheid zien.

De vraag die dit wetenschapsfilosofische inzicht oproept is hoe betrouwbaar onze logische denkwijze is. Berust onze neiging om inzichten en denkbeelden logisch te ordenen op een lokale of op een universele omstandigheid? Als we deze vraag beantwoorden door het natuurlijke wereldbeeld te kiezen als de meest geschikte ‘superzeef’ om de werkelijkheid mee te bestuderen en beoordelen -omdat het naturalisme, gegeven de grote wetenschappelijke successen, hoogst betrouwbaar is- dan beschikken we reeds over een duidelijk antwoord: samenhang is geen waarachtige maar een pragmatische of praktische notie. De neiging om onze voorstellingen te vrijwaren van tegenstellingen is slechts lokaal van belang. Wij en andere beweeglijke dieren hebben baat bij ‘samenhang’ omdat een ‘gesloten’ of ‘logisch’ wereldbeeld gunstig is als we onze voorstellingen willen uitvoeren. De neiging om onze voorstellingen van de werkelijkheid te vrijwaren van tegenstellingen heeft niets te maken met universele omstandigheden, zoals de bouw van de werkelijkheid.

Het vermoeden dat de werkelijkheid een sterke samenhang heeft is daarom strijdig met het natuurlijke wereldbeeld; het vermoeden dat de werkelijkheid géén samenhang heeft rijmt daarentegen met het natuurlijke wereldbeeld. Aangezien een redelijke naturalist -tenzij hij zijn eigen denkwijze in de war wil schoppen- in zijn wereldbeeld de inzichten moet opnemen die met zijn wereldbeeld rijmen zal hij geloven dat de werkelijkheid géén samenhang heeft!


Hieruit volgt dat het natuurlijke wereldbeeld, ook al is het ’t wereldbeeld met maximale samenhang, nooit zal dienen als een juiste beschrijving van de werkelijkheid. Het naturalisme is niet waar-achtig want onze logische denkwijze is niet waar-achtig (een lokale denkwijze zal nooit een universeel of waar inzicht opleveren).

zondag 29 december 2019

Een redelijk wereldbeeld (?)

Alle mensen denken logisch. Mensen die door een beschadiging aan het brein niet (langer) in staat zijn om hun indrukken, inzichten en denkbeelden logisch te ordenen hebben een reusachtig probleem.

Je kunt hierbij denken aan mensen die een verstoorde waarneming hebben (een persoon bijvoorbeeld die hoort dat mensen voortdurend negatief over hem spreken). 

Wie niet in staat is om zijn wereldbeeld logisch te ordenen, is ook niet in staat om zijn handelingen doelmatig uit te voeren. We hebben een wereldbeeld nodig om effectief en verstandig te kunnen handelen. Aristoteles geeft een praktisch voorbeeld: wie denkt dat brood eigenlijk glas is en dat glas eigenlijk brood is,  zal niet lang leven.

Mensen zijn (sterk) van elkaar afhankelijk. Onze wereldbeelden moeten niet alleen overeenstemmen daarom met onze eigen wensen en verlangens, maar ook met die van andere mensen. 

Denk er eens over na: als twee mensen samenwerken -een paar nieuwe kozijnen plaatsen in een oud huis- moeten ze eenzelfde werkwijze hebben. Als een miljoen mensen samenleeft hebben ze een wereldbeeld nodig dat voldoende overeenstemt. Want het wereldbeeld is een voorschrift voor de wijze waarop 't miljoen mensen met elkaar moet samenwerken.

Welk wereldbeeld moet door het miljoen mensen worden aanvaard? Wel, het meest redelijke wereldbeeld. Maar wat is het meest redelijke wereldbeeld? Dit is een vraag voor filosofen: het wereldbeeld met de sterkste samenhang is het meest redelijke wereldbeeld. Maar hoe komen we er achter welk wereldbeeld de sterkste samenhang heeft?

Het wereldbeeld dat op de sterkste argumenten 'staat' (gefundeerd is). Daarom moet je je wereldbeeld kunnen verdedigen met middelen die openbaar zijn. Want jouw wereldbeeld is geen privézaak. Wat jij denkt heeft gevolgen voor de wijze waarop jij met andere mensen omgaat.

Je hebt verantwoording af te leggen voor wat je denkt en vindt. 

Een filosoof mag uit de aard der zaak niet zeggen dat het 'niemand iets aangaat wat je vindt (denkt)'. [1]

Wat zegt dus een filosoof die verdedigt dat wereldbeeld X redelijk is? Deze filosoof zegt -met zoveel woorden- dat alle mensen wereldbeeld X moeten aanvaarden.

Als christelijke filosofen zeggen dat hun wereldbeeld redelijk is, dan zeggen ze dus: (1) ik ben niet verplicht jouw wereldbeeld te aanvaarden, maar (2) jij bent wel verplicht mijn wereldbeeld te aanvaarden.

Relativisme en verdraagzaamheid lijken bijzonder 'soepeltjes' en 'sociaal' -ik verdraag jouw extreme opvattingen, hoor, vind je mij dan niet sociaal?- maar zijn dit niet. Sociaal ben je als je bereid bent om je opvattingen te onderzoeken en aan te passen aan de beste zienswijze.

Waarom is logisch denken nu zo sociaal (en belangrijk). Omdat alleen logische denkbeelden en voorstellingen kunnen worden bestudeerd en bekritiseerd door alle andere mensen. De logische bouw van je inzichten en denkbeelden zijn openbaar en voor iedereen toegankelijk. 

Bovendien spreekt iedereen 'logisch'. Ons lichaam is een logische machine met een logische werking. (Je kunt precies één doelgerichte handeling per keer uitvoeren; je kunt geen halve doelgerichte handeling per keer uitvoeren; je kunt geen twee of meer doelgerichte handelingen per keer uitvoeren.) [2] 

De logische wetten zijn 'lichaams-wetten': in de logische ruimte is ons lichaam 'beweegbaar'; maar als de logische wetten worden geschonden dan is ons lichaam niet beweegbaar. Kijk eens hoe mooi dit is!: als we een wereldbeeld hebben met een sterke samenhang dan is iedereen optimaal 'beweegbaar'. (Iedereen kan dan uit de voeten).

Het is belangrijk dat we blijven zoeken naar een wereldbeeld met een sterke samenhang, naar het meest redelijke model van de wereld. In dat model kunnen we eenduidig en sociaal handelen.

In een wereld waarin iedereen zijn eigen tuintje onderhoudt en zich niets aantrekt van anderen is samenwerking niet mogelijk. Logisch onderzoek en nadenken over 'het' redelijke wereldbeeld' is een hoogst sociale bezigheid [3].

----------
[1] Stel je een huwelijk voor van twee mensen die totaal verschillende wereldbeelden hebben: hoe groot is de kans dat deze mensen succesrijk kunnen samenwerken?

[2] Uit deze observaties over de doelgerichtheid van het lichaam kun je keurig de formele logische wetten afleiden.

[3] Wie zoekt naar samenhang (=een logische notie) en redelijkheid zoekt naar het wereldbeeld met de grootste gezamenlijke bruikbaarheid. (Het gaat hier dus niet om 'waarheid'- waarheid speelt slechts 'indirect' een rol).
  

woensdag 25 december 2019

Natuurlijk en boven-natuurlijk (fragment)

Je kunt de mensheid verdelen in twee kampen: enerzijds de religionist die gelooft dat er méér is tussen hemel en aarde dan natuurwetenschappelijk onderzoek ons kan zeggen en anderzijds de naturalist die gelooft dat het hemels en aards dankzij natuurwetenschappelijk onderzoek nagenoeg geen geheimen meer voor ons hebben. De religionist en de naturalist staan al sinds de jaartelling tegenover elkaar. 

Zoals zo vaak het geval is bij hoog oplopende twisten zijn de standpunten die de partijen daadwerkelijk verdedigen niet zo uitgesproken als de standpunten die men elkaar wederzijds aanwrijft. De naturalist, die meent dat het naturalisme alleen om praktische redenen al te verkiezen is boven enig religieus wereldbeeld, is over het algemeen niet zo uitgesproken en beslist in zijn opvattingen als zijn opponent, de religionist, denkt dat hij is. De naturalist kan uitstekend leven met de gedachte dat zijn wereldbeeld niet logisch gesloten is en niet volledig is. 

Vanzelfsprekend zullen sommige naturalisten hardnekkig blijft vasthouden aan de overtuiging dat de werkelijkheid een logisch paleis of universele apotheek is -een onderscheid tussen rekkelijke en behoudende filosofen tref je aan binnen elke stroming- maar het gros van de naturalisten zal kunnen leven met het inzicht dat de werkelijkheid ingewikkelder en overvloediger is dan een mens kan bevatten. Het naturalisme is nu eenmaal een stroming waarvan de aanhangers inzien dat de natuur niet aan de tekentafel, langs liniaal en gradenboog, is ontworpen.

De wijzigingen die inmiddels in het naturalisme zijn aangebracht, zoals de verschuiving van een volledig naar een open wereldbeeld en van een waarachtige naar een doelmatige denkwijze, zijn dan ook niet voldoende om het naturalisme ten val te brengen. Integendeel. De gedachte dat de mens een dier is met een beperkt verstand is niets minder dan vanzelfsprekend voor de naturalist. De evolutie wordt door de naturalist gezien als een ‘blinde horlogemaker’, een schepper zonder bewustzijn, die niet beseft waar hij mee bezig is of wat er in de wereld gaande is. We mogen van deze sjacheraar in levende vormen niet verwachten dat hij het verstand van de mens heeft verrijkt met universele inzichten. 

Het idee dat wij hooguit een wereldbeeld kunnen opstellen met een sterke samenhang, een samenhang die de doelgerichtheid van onze handelingen verbetert maar die geen ware afspiegeling is van de werkelijkheid, ligt in de lijn der verwachting. Het is, kortom, eigen aan het naturalisme om niet hoog op te geven van de mens en van zijn intellectuele capaciteiten. 

Als de naturalist al bereid is om de mens te beschouwen als een uitzonderlijk dier, dan vooral om zijn uiterst geslepen, roofzuchtige en doelmatige optreden jegens andere dieren, die hij met graagte ontdoet van vet, huid, vacht, vlees, hoeven en beenderen en die hij zonder schaamte belast met zware arbeid, misdragingen die hem van een schepsel dat zich geborgen weet in het dierenrijk hebben veranderd in een schepsel dat het evenwicht in het dierenrijk ondermijnt. Onder alle warmbloedige dieren is de mens verreweg het gevaarlijkst. De mens is levensgevaarlijk. 

De naturalist beschouwt de werkelijkheid als een ondoordringbare wildernis en niet als een siertuin met geknipte haagjes en rechte paden. De wereld is niet geschapen voor de mens, integendeel. De mate waarin de werkelijkheid onherbergzaam is voor de mens laat zich niet uitdrukken in een getal en kan zelfs niet worden verbeeld met behulp van een vergezochte, overtrokken vergelijking. De werkelijkheid is onverschillig, overvloedig, overweldigend en vooral onberekenbaar. De menselijke maat is ver te zoeken. 

De wereld is een installatie die eerder bedoeld is om de mens naar het leven te staan dan om hem een thuis te bieden. Wil de mens de aarde kunnen beschouwen als zijn ‘thuis’ dan zal hij van de wildernis een wereldwijd park moeten maken en alle wilde dieren moeten verdringen. Hij wordt omringd door kwaadaardige planten en beesten en ook de omstandigheden zijn vaak ongunstig. Op aarde is het te heet, te koud, te droog of te vochtig voor de naakte mens. 

Naar boven kijken helpt ook niet. De wereld hangt zomaar in een eindeloos heelal van gekmakende grootte. Ons bestaan houdt niet meer in dan wat beweging boven een eindeloze afgrond. Het wil de naturalist daarom niet aan dat de werkelijkheid in essentie een logisch paleis of universele apotheek is. 

Waarom zouden wij geloven dat de bouw van de werkelijkheid overeenstemt met onze denkwijze als de natuur bewijst dat zij zich niets aan de mens gelegen laat liggen. Wie gelooft dat de orde in de gehele werkelijkheid overeenstemt met de denkwijze van de mens toont daarmee slechts aan dat hij gespeend is van realiteitszin. Zijn optimisme overtreft het optimisme van de drenkeling die hoopt dat de oceaan aanstonds zal veranderen in dik, stevig staalglas waarover hij lopend kan huiswaarts keren. 

Het is uiteraard troostrijk om te denken dat onze denkwijze zo krachtig is dat deze de orde in de gehele werkelijkheid doorgronden kan. Het is dan alsof wij werkelijk aangesteld zijn als de meesters van het universum. Zou de rest van de schepping overeenkomen met deze uitzonderlijke positie van de mens, bijvoorbeeld omdat de wereld een aangeharkte tuin was waarin slechts getemde dieren leefden, dan zou deze gedachte ook reëel zijn. Maar waarom zouden wij geloven dat onze denkwijze een sleutel is die toegang geeft tot alle kwartieren van de werkelijkheid als in onze wereld elke rots bedoeld is om de mens te verpulveren en elke steen om hem te laten struikelen? 

Geen enkele eigenschap in de natuur verraadt enige barmhartigheid jegens de mens. Het is alleraardigst dat geleerden er soms in slagen om een welbepaalde, glanzende formule uit de verschijnselen af te leiden, maar je moet vrezen dat zulke formules zich tot de werkelijkheid verhouden zoals ’n plastic liniaaltje zich verhoudt tot het heelal: het liniaaltje is bruikbaar maar we kunnen de ware grootte van de werkelijkheid er niet mee meten. Het feit dat onze wetenschappelijke theorieën bruikbaar zijn zegt meer over onze kunde om elke ingewikkelde voorstelling ingrijpend te vereenvoudigen dan over onze greep op de werkelijkheid. 


De naturalist heeft geen goede redenen om te geloven dat de werkelijkheid een begrijpelijke bouw heeft alsof deze werd ontworpen door een ‘soort’ mens. De werkelijkheid is in alle opzichten buiten-gewoon of boven-menselijk. De werkelijkheid overtreft ruimschoots onze denkwijze, onze ervaringen en onze voorstellingen. De on-menselijkheid van de werkelijkheid is recht-evenredig aan haar on-gewoonheid. Als de werkelijkheid al bedacht of verzonnen is dan door een buiten-gewone of boven-menselijke persoon (of kracht). Maar buitengewone personen en krachten, paradoxaal genoeg, passen niet in het wereldbeeld van de naturalist.

zaterdag 16 november 2019

Objectief

Ik zal even een nieuw bericht aanmaken, dan kun je hier je discussie voortzetten.

En dan kan ik ook even gebruik maken van de gelegenheid om dit aardige berichtje te plaatsen:

zondag 3 november 2019

Een dode kanarie

Volgens Sabine Hossenfelder, een natuurkundige die een veelgelezen blog onderhoudt over fysica -ze zingt en componeert ook liedjes, overigens- heeft de theoretische natuurkunde sinds pakweg de late jaren ‘70 geen vooruitgang geboekt [1].

Wel hebben natuurkundigen allerlei zeer ingewikkelde wiskundige theorieën opgesteld. Maar het is de vraag wat deze complexe theorieën ons zeggen over de aard van de werkelijkheid. Natuurkunde is geen wiskunde. Of je moet, als een moderne Pythagoras, de stelling verdedigen dat de grondslagen van de werkelijkheid worden gevormd door getallen, figuren en verhoudingen. 

Theoretische fysici onderzoeken de grondslagen van de werkelijkheid en houden daarbij vast aan iets wat je het fysisch postulaat kunt noemen, namelijk de veronderstelling dat de werkelijkheid is gemaakt van ‘echt spul’ (en daarmee bedoelen ze dan een kracht, een veld, een deeltje, een golf en de orde daartussen, of wat dan ook, als het maar ‘materie’ kan worden genoemd, desnoods in de breedste zin van het woord). 

Feitelijk is niets zo mysterieus als ‘echt spul’, materie, maar het schijnt dat je gepromoveerd moet zijn in de analytische wijsbegeerte om te kunnen zien dat het begrip ‘stoffelijk’ al even mysterieus is als het begrip ‘onstoffelijk’. Alleen dit inzicht toont al aan dat het eeuwig voortdurende debat over de ‘tegenstelling’ tussen religie en wetenschap niet veel meer is dan verspilling van tijd: in welke zin ‘onttovert’ de wetenschap eigenlijk de werkelijkheid als ze deze herleidt tot het stoffelijke? 

Hossenfelder spreekt openlijk over een crisis in theoretische natuurkunde. Ze is niet de enige. Eerder hebben Witten, Weinberg en Smolens zich al in dergelijke termen uitgelaten. Zowel Hossenfelder als Smolens zeggen dat fysici te weinig benul hebben van filosofie om de reikwijdte en betekenis van deze crises in hun vakgebied te overzien. De gemiddelde natuurkundige meent dat hij alle problemen kan oplossen met een rekenmachine. Zulke wetenschappers kijken niet verder dan hun neus lang is. Het heeft volgens Hossenfelder dan ook geen zin om miljarden te besteden aan nog grotere deeltjesversnellers, want als je niet weet waar je naar moet zoeken, zal een dergelijk peperduur meetinstrument alleen bij toeval wat nieuwe inzichten opleveren.

De werkelijkheid is al te groot en al te ingewikkeld om deze op succesrijke wijze te onderzoeken. Voorheen, zegt Hossenfelder, boekten we vooruitgang door contradicties op te lossen (anomalieën). Eigenlijk is dat ook de enige vuistregel waarover wetenschappers beschikken. In onze tijd is het aantal anomalieën echter zo groot dat je niet weet waar te beginnen.

De theoretische fysica, zegt Hossenfelder, is echter de kanarie in de mijn: dat de kanarie van zijn stokje valt is een waarschuwing aan andere wetenschappen. Ze noemt als voorbeeld de medische wetenschappen. Ook deze zullen spoedig ontdekken dat de werkelijkheid te complex is om stelselmatig te onderzoeken.

Voor een filosoof is dit aanleiding om de wetenschappers te wijzen op de rol die ons wereldbeeld speelt bij alles wat we doen. 

De meeste wetenschappers hebben het idee dat de werkelijkheid een logisch paleis is. 

In dit paleis horen alle dingen van nature thuis in verzamelingen en in verzamelingen van verzamelingen en in verzamelingen van verzamelingen van verzamelingen en in verzamelingen van verzamelingen van verzamelingen van verzamelingen [2]. Alsof een goede geest de werkelijkheid heeft geordend in families, soorten, koninkrijken en domeinen. In het dagelijkse leven merken wij deze orde niet op, maar als we de werkelijkheid stelselmatig gaan onderzoeken -wetenschap!- komt deze ideale orde aan het licht. 

Zou de werkelijkheid echter een logisch paleis zijn, dan zouden we al in de jaren zeventig hebben moeten ontdekken dat er een algemene methode is die je naar de waarheid leidt. Deze ‘wetenschappelijke methode’ is de gouden graal geweest waar de logicisten en positivisten (denk met name aan Frege en Carnap) naar gezocht hebben. Als de weg naar boven geordend is, laten we zeggen: als een trap met treden, dan moet het ook gemakkelijk zijn om stelselmatig, nadat je de eerste drie treden hebt beklommen, de weg naar boven te vinden langs de andere treden. Of, als de werkelijkheid een legpuzzel is, en je hebt al grote stukken van de puzzel gelegd, zodat de samenhang tussen de duizenden stukjes steeds duidelijker blijkt, dan zal het steeds gemakkelijker zijn om de ontdekte orde stelselmatig uit te breiden [3].

De praktijk is echter dat de wanorde steeds groter wordt en de vraagstukken steeds ingewikkelder, om niet te zeggen dat deze steeds onbegrijpelijker en ‘absurder’ worden. De theorieën waarover de geleerden beschikken lijken als losse lappen over elkaar heen te liggen. In het geheel is geen orde of systeem te ontdekken. Het enige wat de geleerden dan rest is trouw blijven aan de eigen denkwijze -want als je je eigen denkwijze afzweert, verlies je ook je laatste houvast-, een ‘houding’ die er in de praktijk op neer komt dat je niet veel meer kunt doen dan trachten links en rechts wat anomalieën weg te werken.

Wanneer we inzien dat de werkelijkheid geen logisch paleis is, zelfs geen mogelijke wereld of verzameling van mogelijke werelden, doch een ‘absurde’ vergaarbak van eindeloos veel voorstellingen, dan is dat een belangrijk resultaat. We hebben ten-leste ingezien dat de werkelijkheid overvloedig is. De waarheid is niet binnen het bereik van ons verstand. 

Ons staat niets anders te doen dan een beeld van de werkelijkheid scheppen zodat wij ons kunnen handhaven. Onze denkwijze bepaalt ons beeld van de wereld. Hoe de overvloedige werkelijkheid ‘daarachter’ er ‘echt’ uitziet is voor ons een mysterie. Dit beeld van de werkelijkheid ligt op de werkelijkheid als een olieplas op de golven.

Het enige wat we kunnen zeggen van de overvloedige werkelijkheid -de werkelijkheid buiten onze ‘aangeharkte’ voorstelling van de werkelijkheid- is dat deze ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Zodoende zijn alle inzichten, denkbeelden en beschrijvingen die voor ons absurd zijn niet ondenkbaar (in absolute zin).

Op de werkelijkheid staat geen menselijke maat. Onze denkwijze is niets dan een al te korte duimstok die de werkelijkheid niet bemeten kan.  

[1]. De verwijzing naar de blogtekst van Hossenfelder vind je in het zijpaneel.
[2]. Logica is in essentie verzamelingenleer.
[3]. Als ons beeld van de werkelijkheid te vergelijken is met het aanleggen van een nederzetting in de wildernis, dan mogen we verwachten dat het onderzoek eerst snel gaat, maar dat het hoe langer hoe moeizamer gaat. Precies zoals het onderzoek nu verloopt. 

zaterdag 2 november 2019

Kromme Overtuigingen, 2

Het spreekt voor zich dat filosofen met een ander wereldbeeld, waarin wel plaats ingeruimd is voor bovennatuurlijke krachten, moeite hebben met de gedachte dat het naturalisme te boek staat als het meest betrouwbare wereldbeeld. 

Filosofie is een discipline waarbij alles draait om de redelijkheid van je inzichten en denkbeelden. Het is de bedoeling dat je uiteindelijk een wereldbeeld opstelt dat zó goed doordacht is dat je elk hoekje en gaatje in dit wereldbeeld kunt verantwoorden. 

Een opvallende eigenschap van filosofie is dat filosofen hun werk doen in een 'glazen huis', dat wil zeggen: de argumenten van een filosoof kunnen door iedereen worden begrepen en beoordeeld, zonder dat je ingewikkelde meetapparatuur nodig hebt of eerst een grote hoeveelheid gegevens moet verzamelen en ontleden. De wijze waarop een filosoof zijn wereldbeeld verantwoordt is doorzichtig. Zijn gedachtegang is voor iedereen toegankelijk. Aangezien het voor elke filosoof zonneklaar is dat het wereldbeeld van de naturalist volledig is, behoort een filosoof, nadat hij het naturalisme grondig heeft onderzocht, zijn eigen wereldbeeld in te wisselen voor het naturalisme. Je bent uitsluitend redelijk als je het beste wereldbeeld aanvaardt.

Filosofen blijken in de praktijk echter domweg verknocht te zijn aan hun eigen wereldbeeld. Een wereldbeeld is niet slechts een bundel mededelingen over de wereld en over de mens, maar een wereldbeeld is onze 'leef- en zienswijze'. Je wereldbeeld bepaalt wat je waardevol vindt en waar je betekenis aan ontleent. Je bent in de loop der jaren vergroeid met je inzichten en denkbeelden over de werkelijkheid, ze bepalen je levensloop en ze verklaren je gedrag. Je kunt een wereldbeeld niet van je afstropen alsof het een vuile overall is die je verruilt voor een schone. We zijn één met onze zienswijze, we zijn verstrengeld met onze 'eigen' wijze van denken en doen. Zoals je het vlees niet zomaar uit een levend dier kunt snijden zonder het ernstig te verwonden, zo kun je het wereldbeeld niet zomaar uit een mens wegnemen zonder zijn persoon ernstig te schaden. 

Het is dan ook begrijpelijk dat de aanhangers van het theïsme, een stroming die je kunt beschouwen als tegenhanger van het naturalisme, zich inspannen om te laten zien dat het naturalisme niet volledig is. Ze hopen met hun aanval op het naturalisme te bereiken dat we het naturalisme niet langer hoeven te beschouwen als het meest betrouwbare wereldbeeld, zodat een filosoof, per saldo, ook niet onredelijk is als hij het naturalisme afwijst. Ze slagen hier echter niet in. Het merendeel van de filosofen beschouwt het naturalisme bij uitstek als het wereldbeeld dat het best kan worden verantwoord.

Het punt van betekenis is dat de theïst eenvoudigweg zo sterk vergroeid is met zijn wereldbeeld dat hij de wereld niet kán bekijken door de ogen van de naturalist. De theïst hecht zo veel waarde aan de gedachte dat God bestaat, dat hij nauwelijks in staat is om te denken dat God niet bestaat. Het gesprek tussen de naturalist en de theïst is te vergelijken met twee mensen die in verschillende moedertalen met elkaar debatteren over de vraag welke taal het meest geschikt is om te spreken over filosofische denkbeelden en inzichten. 

Een mens beschikt niet over een fijner instrument om na te denken over de wereld dan zijn moedertaal. De gedachtenuitwisseling tussen de twee sprekers zal daarom moeizaam verlopen en niet erg succesrijk zijn. De taal van de ander zal maar half worden begrepen en voor de schoonheid en voor de bijzondere bijbetekenissen van de woorden zullen ze doof zijn. Voor de theïst is een wereldbeeld waarin God ontbreekt of waarin God niet de hoofdrol heeft ondenkbaar, terwijl voor de naturalist een wereldbeeld waarin God de hoofdrol heeft slechts gedachten oproept aan kermisattracties en andere zaken die een filosoof niet ernstig kan nemen. 

Het wil er bij de theïst dan ook niet in dat een natuurlijke wereld met de voortreffelijke inrichting van een logisch paleis, waar alle dingen en alle dieren zorgvuldig kunnen worden neergelegd in hun eigen verzameling, als waren het juwelen die elk in hun eigen met fluweel bekleedde kistje passen, en waar een fijnmazige en uitgelezen verdeling van krachten, velden en deeltjes opbloeit tot een werkelijkheid waarin zelfs de virussen en microben niets minder dan ingewikkelde levende instrumenten zijn die in het geheel passen als een getal in een berekening, zomaar, zonder dat een bovennatuurlijk wezen of kracht hier de hand in heeft gehad, uit de leegte tevoorschijn is gesprongen. 

Het is geen oneerlijkheid of koppigheid die de theïst deze weigering ingeeft en ook wordt hij niet overmand door emoties of sentimenten. Nee, het punt is dat deze manier van denken niet past bij zijn wereldbeeld. Je kunt evengoed aan iemand met een overvolle koffer vragen of hij nóg een delftsblauw servies wil opbergen. Het is tevergeefs gevraagd. In de koffer is eenvoudigweg geen plaats. Wie in God gelooft, kán een godloos wereldbeeld niet aanvaarden. Hij heeft er de intellectuele of geestelijke ruimte niet voor.

donderdag 31 oktober 2019

Kromme Overtuigingen

De theïst kan onmiddellijk een einde maken aan het debat met de naturalist door te bewijzen dat God bestaat. Als hij daarin slaagt móet de naturalist wel toegeven dat hij ongelijk heeft.

De vraag is echter hoe een filosoof het bestaan van God kan bewijzen. Filosofen zijn geen wetenschappers die de wereld proefondervindelijk onderzoeken. Filosofen onderzoeken inzichten, denkbeelden en de verhalen over de werkelijkheid die je met deze inzichten en denkbeelden kunt smeden. Dit 'conceptuele onderzoek' van de filosoof strekt zich uit tot de uiterste grenzen van de werkelijkheid, van de hoogte tot de diepte en van windstreek tot windstreek. Elk mogelijk denkbeeld en alle verhalen over de wereld worden onderzocht op samenhang en begrijpelijkheid. 

Het meest redelijke verhaal over de werkelijkheid mag worden beschouwd als 'de waarheid' over de wereld.

Wel, een theïstisch wereldbeeld, waarin een God voorkomt die zich niet laat zien, een God die wordt afgeschilderd als 'zeer goed' maar wiens wereld bijna kromtrekt van leed, kwaad en onrecht, een God die volgens de leer sterker is dan de natuurwetten maar die in de praktijk door de natuurwetten steeds wordt verdrongen, levert een verhaal op over de werkelijkheid dat zeer slecht samenhangt en dat niet past bij de wijze waarop wij dagelijks met de dingen omgaan.

In het dagelijkse leven geloven wij dat de dingen er op een of andere manier 'toe doen'. Zelfs de meest abstracte dingen die voorkomen in wetenschappelijke verhalen over de wereld, zoals krachten, velden en deeltjes, onzichtbaar voor het gewone oog, blijken in onze wereld betekenis te hebben, bijvoorbeeld omdat we er rekenmachines en wapens van kunnen maken. 

God daarentegen heeft geen enkele betekenis. God is de gelovige zelfs niet in bescheiden mate terwille, terwijl dat niet meer moeite vergt bijvoorbeeld dan het demonstreren van zijn existentie door een klein kiezelsteentje te verschuiven over het tafeloppervlak. Een theïstische beschrijving van de wereld is dan ook als een oude broek, die sleets geworden is en waarin gaten vallen die vervolgens door de theïst steeds haastig moet worden opgelapt met spitsvondige verklaringen en vergezochte weerleggingen. 

De sterke samenhang van de naturalistische beschrijving van de wereld is ver te zoeken in het theïstische wereldbeeld. 

Hoe is het dan mogelijk dat een filosoof, wiens vak het is om de meest redelijke beschrijving van de werkelijkheid op te stellen, het naturalisme afwijst en het theïsme aanvaardt?