woensdag 21 augustus 2019

Een dubbelmodel (Versie 2.0)

Naturalisme
Hoe sterker je variant van het naturalisme, hoe zwakker je greep op de waarheid [1]. Dat begint al met de veronderstelling dat de mens een maaksel is van de natuur (evolutie). Als we het product zijn van de natuur, dan kan het niet anders of onze denkwijze is geschikt om onze evolutionaire doelen te bereiken en niet om een waarachtig beeld van de werkelijkheid te schetsen [2]. De doelmatigheid van onze denkwijze is voor de natuur belangrijker dan haar waarachtigheid. Nut overtreft waarheid.

De naturalist probeert zijn greep op de waarheid te behouden door waarheid op te voeren als de sleutel tot evolutionair succes [3]. Maar naarmate onderzoekers meer te weten komen over de werking van ons brein wordt het duidelijk dat er voor waarheid hoogstens een bijrol is weggelegd. Ons brein schept een beeld van de wereld dat weliswaar voldoende raakvlakken heeft met de werkelijkheid om doelmatig te kunnen handelen, maar dat geen getrouwe weergave is van de werkelijkheid [4]. Zo heeft ook het wereldbeeld van de teek raakvlakken met de werkelijkheid, terwijl dit beperkte wereldbeeld -zoals wij kunnen vaststellen- geen weergave is van de werkelijkheid. Desondanks is de teek in staat om uitermate succesrijk te handelen [5]. 

Het sluitstuk van het naturalisme is het geloof dat er aan de werkelijkheid een logisch plan ten grondslag ligt. De mens kan dit plan dankzij zijn logische denkwijze ontdekken en begrijpen. Zo hebben wij, volgens de naturalist, toch voldoende greep op de werkelijkheid (en daarmee, indirect, op de waarheid). Uit deze opvatting blijkt impliciet dat de naturalist gelooft dat logische inzichten van een andere orde zijn dan gewone empirische inzichten. Voor een naturalist is deze opvatting opmerkelijk.  

Quine
De vader van het (moderne) naturalisme is de filosoof Willard Quine [6]. Hij baarde opzien met zijn bewering dat logische inzichten niet van een andere orde zijn dan ‘gewone’ empirische inzichten [7]. Hieruit volgt niet dat wij onze logische denkwijze moeten opgeven. Integendeel. Mensen -en dieren, for that matter- zijn daartoe niet eens in staat. Wij kunnen niet anders dan al onze theorieën, gissingen en verhalen logisch ordenen [8] [9]. Zoals onze volzinnen grammaticaal welgevormd moeten zijn als we onszelf en anderen willen begrijpen, zo moeten ook onze verhalen over de werkelijkheid logisch welgevormd zijn. Maar uit het feit dat samenhang (samenhang is een logische notie) voor de mens onmisbaar is volgt niet dat samenhang een universele eigenschap is [10]. 

Wetenschappers hebben altijd het vertrouwen gehad dat logisch denken hen naar de waarheid zal leiden ‘waar deze zich ook verborgen mag houden’ [11]. Maar als de logische wetten geen betrouwbare wegwijzers zijn naar de waarheid dan is hun situatie te vergelijken met die van soldaten die afgesneden zijn van het opperbevel. Geen van hen weet hoe de slag verloopt en welke manoeuvres geboden zijn. De wetenschapper heeft, volgens Quine, geen idee wat zijn inzichten zeggen over de werkelijkheid. Het enige wat de wetenschapper kan doen is een wereldbeeld opstellen dat voldoende samenhang heeft en dat overeenstemt met de experimenten. Vermoedelijk onderzoeken wetenschappers slechts de raakvlakken tussen onze denkwijze en de werkelijkheid [12]. In de praktijk is dit voldoende om doeltreffend te kunnen handelen.

Open
Het naturalisme, in zijn zuivere vorm, is een ‘open’ visie. De inzichten van de naturalist reiken niet verder dan de grenzen van zijn eigen wereldbeeld. Hij kan niet op universele schaal bepalen wat waar, onmogelijk of absurd is. Met andere woorden: de naturalist kan niets uitsluiten. Hieruit volgt dat hij, als hij bereid is om de consequenties van zijn wereldbeeld te aanvaarden, niet anders kan dan geloven dat de werkelijkheid zo overvloedig is dat al onze inzichten en denkbeelden aspecten van de werkelijkheid beschrijven [13]. De slotsom is dan ook dat de naturalist onze religieuze denkbeelden tot de inboedel van de werkelijkheid moet rekenen. Hooguit kan de naturalist religieuze inzichten en denkbeelden afwijzen omdat ze niet overeenkomen met zijn naturalistische wereldbeeld. 

Merk op dat uit het bovenstaande betoog niet volgt dat het naturalisme is weerlegd. Integendeel. Het naturalisme is een degelijk en goed verantwoord wereldbeeld. De samenhang van het wereldbeeld is sterk. De veronderstelling dat natuurkrachten en menselijke handelingen onze leefwereld beheersen is uitermate succesrijk. Ik heb dan ook uitsluitend willen betogen dat het naturalisme geen gesloten wereldbeeld is. Het naturalisme kan daarom gemakkelijk worden uitgebreid met allerlei religieuze noties, zelfs al zijn deze religieuze noties niet compatibel met het naturalisme

Slotsom
Wat dit oplevert is een dubbel-model van de werkelijkheid. Een gelovige wetenschapper kan ‘s ochtends naar zijn werk gaan en daar met een strikt naturalistische bril op zijn onderzoek verrichten. Maar ‘s avonds, als hij naar huis gaat, kan hij God danken voor het prachtige werk dat hij heeft mogen verrichten [14]. Hij hoeft aan zijn atheïstische collega´s niet uit te leggen hoe God de natuur naar Zijn hand zet [15]. 

In het dubbel-model behoort God tot de bovennatuurlijke of transcendente orde. Hoe God zich verhoudt tot de natuurlijke werkelijkheid kunnen we niet onderzoeken. We kunnen echter onmogelijk uitsluiten dat God invloed heeft op de werkelijkheid. En een theïst mag, gegeven het dubbel-model, dan ook eenvoudigweg geloven dat dit het geval is. De naturalist kan de invloed van God niet uitsluiten.

Maar niet alleen beschrijft dit dubbel-model de dagelijkse praktijk van gelovigen uitstekend, het heeft ook enkele belangrijke theologische voordelen. Het feit dat ons verstand door de natuur ingericht is om doeltreffend te handelen maakt van de mens bij uitstek een ethisch wezen. Wij zijn 'gevormd' om goed of kwaad te handelen. 

We kunnen de werkelijkheid dan ook zien als een religieus tehuis: wij, de mens, staan met onze voeten in ‘een wereld van goed en kwaad’, en weten ons omgeven door een transcendente werkelijkheid, die ons bestaan en onze handelingen een diepere betekenis geeft. En dat is meer dan voldoende om je zelf ‘gelovig’ te noemen [16]


[1] Oppy, G., Naturalisme and Religion, Routledge 2018. Dit werk biedt een actuele uitwerking van het naturalisme.
[1] Hoffman, D, The case against reality, 2019. Hoffman beweert dat onze kansen om te overleven drastisch afnemen als we de ‘echte’ wereld zouden zien. De wereld zoals we die zien is een ‘interface’. (Nota bene: Hoffman zegt niet dat er geen ‘echte’ werkelijkheid is. Ook zegt hij niet dat onze logische denkwijze onjuist is. Zie hoofdstuk 5.)
[3] Nozick, R, The Nature of Reality, Princeton 1993. Nozick veronderstelt dat de werkelijkheid onze denkwijze ‘vormt’. De werkelijkheid is een ‘mal’. Hieruit volgt dat onze denkwijze waarachtig is.- Merk op dat hier voetstoots wordt verondersteld dat de werkelijkheid een logische structuur heeft (deze veronderstelling maakt dit en soortgelijke argumenten circulair).
[4] Bijvoorbeeld: Lotto, B, Beter Kijken, Nieuwezijds 2017; Critchlow, H, The science of Fate, Hodder, 2019. 
[5] Zo bestaat een levend dier voor de teek, slordig gezegd, uit twee dingen, namelijk geur en temperatuur.
[6] Verhaeghe, S, Working from within, Oxford 2019. 
[7] Quine, W, Two dogmas of Empiricism, 1951. 
[8] Dit geldt klaarblijkelijk niet voor scholieren die filosofie in hun pakket hebben: hen werd gezegd dat je zelfs kunt twijfelen aan je logische denkwijze (zie: eindexamen vwo 2019, vraag 6 en 7). 
[9] Nagel, T, The last word, Oxford 1997. Dit is een prachtig en overtuigend pleidooi voor het belang van rationaliteit en logisch denken.
[10] Uit ‘ik kan mij de werkelijkheid niet anders voorstellen dan logisch’ volgt natuurlijk niet ‘dus: de werkelijkheid is logisch’. De logische wetten bestaan slechts in ons verstand. In de wereld tref je ze niet aan. Logici bestuderen ook slechts de geldigheid van argumenten, niet de inrichting van de werkelijkheid (logica heeft feitelijk niets met de inrichting van de werkelijkheid te maken). De enige evolutionaire verklaring voor onze logische denkwijze die hout snijdt legt geen verband tussen onze denkwijze en de werkelijkheid, maar tussen onze denkwijze en ons gedrag; we denken logisch omdat we doeltreffend kunnen handelen. Dieren of organismen die niet logisch kunnen handelen bestaan niet. Om doeltreffend te kunnen handelen moet het 'corpus' van elk organisme al logisch manoeuvreren. 
[11] Stephen Hawking zei eens dat de logica hem verder voert -zelfs voorbij de verste sterrenstelsels- dan een (gezond) lichaam of krachtige machine ooit zou kunnen.
[12] Quine zou in latere jaren zijn radicale standpunten hebben afgezwakt of zelfs herzien. Verhaeghe [zie Working from within, hoofdstuk 6] betoogt echter dat Quine zijn standpunten altijd trouw gebleven is. 
[13] Een andere gevolgtrekking is niet mogelijk. 
[14] Zie: Dekker, C, Geleerd en gelovig, Kok 2017. 
[15] Een wetenschapper hoeft zich volgens dit model niet in duizend bochten te wringen om op spitsvondige wijze God de strijd met de natuurkrachten te laten aanbinden. Dat is een doodlopende weg. Zie ook: Smedes, T, De menselijke maat, Meinema 2006 (een zeer verstandig boek over de vele valkuilen waarin wij vallen als we God beschouwen als een soort superwetenschapper in plaats van een transcendente persoon).
 [16] Nogal wat wetenschappers -atheïst en theïst- geloven dat aan de werkelijkheid een grandioos plan ten grondslag ligt. De gedachte dat wij dit plan niet zullen vinden -omdat onze logische denkwijze niet waarachtig is- stuit hen tegen de borst. Maar waarom? We leven in een wereld van goed en kwaad: wetenschappers bestuderen de werkelijkheid opdat ze met hun kennis iets goeds (of kwaads) kunnen doen voor andere mensen. In dit religieus tehuis is het begrijpelijk dat we geen epistemologische doch een ethische opdracht hebben.      

zondag 28 juli 2019

Credo (1.0)

Het is mijn stellige overtuiging dat de logische denkwijze onmisbaar is voor de mens.

Dat de logische denkwijze onmisbaar is voor de mens kun je eenvoudig demonstreren. Zoals je niets hebt aan het gesproken of geschreven woord als je je niet aan de regels van de grammatica houdt, zo heb je niets aan je inzichten en denkbeelden als je je niet aan de logische regels houdt. Probeer eens aan iemand uit te leggen dat het dak op je huis lek is en dat het nodig moet worden gerepareerd, zonder daarbij ook maar één logische frase te gebruiken: spreek je zelf tegen, sluit niets uit en verander de betekenissen van je woorden te pas en te onpas. En kijk dan eens of er in de zaal nog iemand is die jou begrijpt.  

Het beste kun je onze logische denkwijze vergelijken met het besturingssysteem van een computer. Zonder besturingssysteem is een computer onbruikbaar. De functie van het besturingssysteem is om programma’s op de machine te draaien. Onze logische denkwijze -de logische wetten- heeft ongeveer dezelfde functie. De logische denkwijze zorgt er voor dat de inzichten en denkbeelden (voorstellingen) in ons verstand daadwerkelijk door het lichaam kunnen worden uitgevoerd.

De wet van het uitgesloten derde is hierbij onmisbaar. Deze wet zegt dat ons verstand nooit of te nimmer mag denken dat het lichaam twee of meer verschillende plannen tegelijk kan uitvoeren. Want het lichaam is beperkt. We kunnen bij een afslag slechts één weg begaan. Het lichaam kan óf naar links óf niet naar links, maar het kan niet zowel naar links als niet naar links. Een pad wel én niet volgen is voor het lichaam absurd. Onuitvoerbaar. Onmogelijk.

Het lichaam is de vleesgeworden disjunctie.  

In het verstand is het daarom verboden om strijdige opvattingen te verzamelen, want zulke strijdigheden fnuiken de uitvoerbaarheid van je inzichten. Je bent zodoende theïst óf a-theïst en je bent links óf rechts. Zolang wij niet tegelijkertijd kunnen hollen en stilstaan zullen wij onze gedachten logisch moeten ordenen. Ons verstand wil het lichaam per tijdseenheid steeds reserveren voor één en slechts één taak (en dat spreekt voor zich, want je lichaam kan ook per tijdseenheid maar één houding per keer aannemen: buigen en strekken tegelijkertijd is onmogelijk; tegelijkertijd pianospelen en voetballen met één en hetzelfde lichaam is dan ook onmogelijk). 

Dankzij onze denkwijze, ons besturingssysteem, zijn we in staat om onze inzichten en denkbeelden zo te ordenen dat we steeds weten hoe we éénduidig en doeltreffend kunnen handelen. 

Besturingssystemen maken het mogelijk om programma’s te draaien op een machine (computer). Het besturingssysteem ‘bemiddelt’ tussen de machine en de gebruiker. Het besturingssysteem zegt verder niets over de werkelijkheid.

Hetzelfde geldt voor ons besturingssysteem, de logische denkwijze. Op onze logische denkwijze kun je de meest uiteenlopende theorieën ‘draaien’, maar in de wereld zelf vind je geen logische wetten en regels. Je kunt de logische wetten niet meten, niet aanwijzen en niet merken. Wetenschappers -scheikundigen, biologen en natuurkundigen- moeten hun theorieën, net als programmeurs, eigenhandig geschikt maken voor het menselijke besturingssysteem. De logische orde brengen zij bewust en opzettelijk aan in hun theorieën. Dat ze dit moeten doen hebben ze niet experimenteel vastgesteld. Elke coherente wetenschappelijke theorie is een soortement programma dat geschikt is voor ons besturingssysteem. Andere programma’s kunnen niet worden gedraaid ‘op’ het psycho-fysische systeem dat wij zijn. Elke coherente natuurkundige theorie gaat dan ook niet over de werkelijkheid, maar over de manier waarop wij handelen in de wereld.

Voor een windows-computer bestaat de werkelijkheid alleen maar uit de programma’s die op windows kunnen draaien. Over andere besturingssystemen komt de windows gebruiker niets te weten. Zou hij een iOs programma willen bekijken, dan weigert Windows dienst. Voor ons geldt hetzelfde. Voor ons bestaat de werkelijkheid alleen uit coherente programma’s. Hoe de werkelijkheid zelf is komen we niet te weten. Wie probeert om af te wijken van zijn denkwijze, bereikt daarmee niet veel meer dan dat zij na enige tijd in verwarring raakt.

Aangezien onze denkwijze alleen geldt in ons verstand en niet in de werkelijkheid, mogen we niet denken dat de logische wetten universeel gelden. Immers: we mogen volgens onze eigen rationale inzichten wetten die slechts gelden in ons eigen hoofd nooit veralgemeniseren tot wetten die ook gelden buiten ons hoofd. 

We moeten daarom wel denken dat de werkelijkheid zelf van een andere orde is. Gelukkig kunnen wij de werkelijkheid voor een deel wel logisch beschrijven, anders zouden we niet eens in de wereld uit de voeten kunnen. We belichten in de werkelijkheid alleen die zaken die voor ons van belang zijn en die overeenkomen met onze logische denkwijze. De rest van de werkelijkheid past niet in ons besturingssysteem.

Filosofen met een zogenaamd positief wereldbeeld stellen nu dat we over de werkelijkheid 'buiten' ons besturingssysteem niets kunnen zeggen. Maar dat is krachtens onze eigen denkwijze een verkeerde slotsom. We kunnen namelijk, gegeven de rationaliteit van ons eigen besturingssysteem, wél iets zeggen over de werkelijkheid 'buiten' ons besturingssysteem. We kunnen met zekerheid zeggen dat ons besturingssysteem beperkt is. En dus weten we ook dat de werkelijkheid zelf voor ons overvloedig en (eindeloos) ingewikkeld is. 

Is dit moeilijk te begrijpen? Stel je eens voor dat we ‘code’ laten lezen door iOS (het besturingssysteem van Apple). Jammer genoeg levert dit slechts wartaal op. Wat mag een iOS gebruiker nu concluderen? Wel, hij mag concluderen dat het hier geen iOS programma betreft. Wat hij echter niet mag concluderen is dat de code in kwestie door geen enkel besturingssysteem kan worden gelezen. Hij zou díe conclusie alleen mogen trekken als iOS een universeel besturingssysteem is. Maar dat is niet het geval. Ook mag hij niet concluderen dat de code onzinnig en betekenisloos is. Ook dat zou hij alleen mogen concluderen als iOS een universeel besturingssysteem is. De gebruiker van iOS weet echter dat er verschillende besturingssystemen zijn. Hij zal daarom uit het feit dat code voor iOS onzinnig en onleesbaar is niet mogen concluderen dat deze code voor elk besturingssysteem onleesbaar is. De iOS gebruiker kan alleen een oordeel vellen over code die geschreven is voor iOS. Daarover kan hij zeggen dat deze slecht functioneren of zelfs onbruikbaar zijn. Maar over code ‘buiten’ iOS kan hij geen oordeel vellen. Alles is mogelijk. Hij kan niets uitsluiten.

Als wij kunnen betogen dat ons besturingssysteem niet universeel is -wij hebben zeer goede redenen om te denken dat onze denkwijze niet bedoeld is om ‘de’ structuur van ‘de’ werkelijkheid weer te geven, maar om ons verstand en ons lichaam te laten samenwerken- dan is er geen aanleiding om te denken dat absurde inzichten en denkbeelden in absolute zin absurd zijn. Als onze denkwijze niet universeel is, kunnen wij nooit bepalen of een inzicht of denkbeeld absurd is. Uitsluitend ‘binnen’ onze denkwijze kan een inzicht of denkbeeld absurd zijn. Maar ‘buiten’ onze denkwijze is alles mogelijk. 

De werkelijkheid is een open domein, dat wil zeggen: onbegrensd. Wij beschikken niet over de denkwijze die nodig is om te zeggen welke voorstelling absurd is en welke niet. Er is zelfs geen grens aan de mate waarin de werkelijkheid absurd kan zijn. Wij kunnen niets uitsluiten. Voor een wezen dat niet beschikt over een universele denkwijze (methode) om de werkelijkheid in kaart te brengen is ‘buiten’ zijn denkwijze alles reëel.

Omdat wij ook nooit in staat zullen zijn om ‘buiten’ onze denkwijze om naar de werkelijkheid te kijken, kunnen we niet anders dan concluderen dat de werkelijkheid ‘bekeken langs onze beperkte denkwijze’ overvloedig en absurd is.

Elke absurde voorstelling die betrekking heeft op de werkelijkheid ‘buiten’ onze denkwijze, bijvoorbeeld de bewering van mystici dat God het alles & het niets is, moet door ons worden beschouwd als een reële bewering. En uiteraard is dan de bewering dat God bestaat -waarbij aangetekend dat God het meest volmaakte wezen is dat wij ons kunnen voorstellen; God is per definitie zo 'groot' dat hij zich in wezen en denken onttrekt aan de beperkingen van onze denkwijze- voor ons zonder meer juist.


vrijdag 26 juli 2019

Het is natuurlijk waarden-loos

In het leven van de mens draait alles om ‘waarden’. Waarden zijn tamelijk mysterieuze ‘dingen’ die je nauwelijks verder kunt ontleden. Je kunt ook niet berekenen of beargumenteren dat bepaalde zaken waardevol zijn of wat het wil zeggen dat bepaalde zaken waardevol zijn. 

Zouden we bijvoorbeeld een buitenaards wezen ontmoeten dat uitsluitend bestaat uit abstracte concepten -zoals wij geconstrueerd zijn uit stukken vlees en zenuwdraden, zo is hij geconstrueerd uit verschillende denkbeelden- dan zou dit buitenaardse wezen vermoedelijk niet begrijpen waarom ‘pijn’ een negatieve waarde is. En we zouden het hem met geen zevenhonderdduizend woorden kunnen uitleggen. Zoals een fiets met een gebroken remkabel niet kan remmen, zo kan een wezen zonder lichaam niet weten wat pijn is.

Waarden zijn allesbepalend in ons bestaan. Wij vinden het niet prettig en zelf ‘on-ethisch’ om andere mensen te liquideren -terwijl het uiterst praktisch is om andere mensen te liquideren, want er is onmiskenbaar een overschot een overschot- vanwege onze idee-fixe dat elk mens ‘waardevol’ is. Zouden we echter een eenvoudige schakelaar in het voorhoofd hebben waarmee wij onze waarden kunnen aan- en uitzetten, dan zou het een kleine moeite zijn om alle waarden te slechten en het onderscheid tussen leven en dood, goed en slecht, schoon en afschuwelijk te laten verdampen zodat een ander mens voor ons niet meer is dan dor gras dat je met de beweging van je voet aan de kant kunt geven.

Het bestaan zou voor ons niet afschuwelijk en verschrikkelijk zijn als we de waardenschakelaar uit zetten, maar letterlijk waarden-loos. Heel het leven is dan niets waard en ook de mensen met wie wij bevriend zijn of die onze zonen en dochters zijn, onze vaders en moeders, hebben geen waarde voor ons. Zouden onze ‘dierbaren’ dood neervallen voor onze voeten, dan zouden we niet eens onze schouders ophalen, maar we zouden, inzoverre we niet gehinderd worden door het lijk, onze werkzaamheden ongestoord voortzetten. Niets heeft voor ons dan nog waarde. Het leven zou er zeer eenvoudig door worden. We zouden niet langer bang zijn, honger zou ons niets kunnen schelen, pijn zou de moeite niet waard zijn, de dood zou ons geen schrik aanjagen, we zouden altijd vlak en op waarden-loze wijze reageren. Niets zou ons een kunnen schelen. Niets, helemaal niets, noch in de toekomst, noch in andere mogelijke omstandigheden, zou voor ons op enige wijze waarden-vol zijn.

Waarden spelen zo’n belangrijke rol in ons leven, dat we ons een waarden-loos leven niet eens kunnen voorstellen. Als je leerlingen de opdracht geeft om een waarden-loos leven te beschrijven -je laat ze bijvoorbeeld een opstel schrijven over iemand die alles waarden-loos vindt- dan lukt het niet om daar een coherent verhaal van te maken. Gaat de hoofdpersoon bijvoorbeeld naar de supermarkt om eten te kopen, dan geeft hij daarmee blijk te beschikken over een waarde (een volle maag is voor hem zo waardevol dat hij de moeite neemt om boodschappen te doen en te koken). Een echt waardenloos bestaan is voor ons in de letterlijke zin van het woord ‘onbeschrijfelijk’ en misschien zelfs ‘onmogelijk’.

Het verschil tussen dieren (mensen) en robots is dan ook vaak dat robots niet over voldoende waarden beschikken. Het is de robot niet duidelijk dat de waarden de navelstreng zijn die er voor zorgen dat de mens vergroeid is met de wereld. Wij beschikken bovendien over een instrument dat onmisbaar is bij het onderscheiden van waarden, namelijk een bewustzijn. Ons bewustzijn is noodzakelijk bij het bepalen van waarden. Hoe het precies werkt is onduidelijk. Misschien is het bewustzijn een soort filter dat allerlei zaken doet oplichten, zoals edelsteentjes oplichten als ze onder sterk licht op zwart fluweel liggen te fonkelen of zoals de kleur rood in een schilderij oplicht tegen de saaie witte museumwand, zodat wij deze zaken, in hun uitzonderlijkheid, kunnen waarderen; misschien doet het bewustzijn echter wel meer en voorziet het alle zaken die het laat ‘fonkelen’ wel van een intrinsieke waarde. In het laatste geval valt de kleur rood ons niet alleen op, maar ‘waarderen’ we de kleur ook (we zien dat de kleur een ‘esthetische kwaliteit’ heeft). 

Christelijke denkers zien het bewustzijn graag als een instrument dat ons door God geschonken is. Het is echter gemakkelijk om in te zien dat waarden een natuurlijke functie hebben. Als je wilt dat kikvorsen zich voortplanten, dan moet je het beest zo inrichten dat het voedsel waardevol vindt en waarde hecht aan de act van voortplanten. Zonder waarden geen evolutie.

Christelijke denkers staan uberhaupt snel klaar om allerlei functies toe te schrijven aan de onmiddellijke interventie van God. Zo geloven ze dat de orde in de wereld door God eigenhandig is geïnstalleerd en dat wij een speciale logische denkwijze hebben die één-op-één aansluit bij de logische inrichting van de werkelijkheid. Wie de evolutie heeft begrepen weet dat het allemaal andersom werkt. Wij denken dat de werkelijkheid logisch is ingericht omdat wij logisch denken.
Zo ook met waarden: wij denken dat wij waardevol zijn, omdat het evolutionair voordelig is dat wij onszelf waardevol vinden (wie zichzelf niet waardevol vindt, zal zichzelf de moeite van het leven niet waard vinden). 


Wij zijn natuurlijke wezens en wij zijn onderdeel van een natuurlijk systeem. Wij zijn daarom ook in staat om alle functies te herleiden tot natuurlijke functies. En juist dat doet ons inzien dat de herkomst van dit gehele natuurlijke systeem niet natuurlijk kan zijn: wij beschikken niet over de natuurlijke middelen om de universele uitspraak dat alles, in metafysische zin, natuurlijk is.

woensdag 24 juli 2019

Brief aan Jos N.

Beste Jos, 

In deze bijdrage hoop ik wat antwoorden te kunnen geven op de vragen die je zoal stelt en op de kritiek die je geeft. 

Laat ik beginnen met een opsomming van mijn filosofische uitgangspunten: ik ben een naturalist: 

Ik veronderstel dat de mens een dier is dat gemaakt is door de natuur. De evolutietheorie is bijzonder waardevol, want deze beschrijft hoe de ontwikkeling van de mens is verlopen. De wereld waarin we onszelf aantreffen is, zo op het oog althans, een stoffelijke wereld die bepaald wordt door zogenaamde natuurwetten. Biologie, scheikunde en natuurkunde vertellen ons hoe de wereld in elkaar ‘steekt’. Causaliteit is de lijm die gebeurtenissen en voorvallen in de wereld ‘aan elkaar plakt’. Als we over de natuurlijke wereld spreken, moeten we niet rekenen met wonderen en mysterieën. De wereld die we gaandeweg ontdekken is volstrekt ‘natuurlijk’. 

De vraag die dit oproept is de volgende:

Als de wereld volstrekt natuurlijk is, mogen we dan geloven dat de werkelijkheid ook volstrekt natuurlijk is? (Let op het verschil tussen ‘wereld’ en ‘werkelijkheid’; dit verschil is wezenlijk, want wij weten bijvoorbeeld dat de werkelijkheid groter is dan het zichtbare heelal; er is een zogenaamde ‘waarnemingshorizon’).

Volgens mij is nu het volgende antwoord op de bovenstaande vraag juist:

(i) ons verstand kan in beginsel niet verder kijken dan de logische ruimte: we kunnen wel een beetje nadenken over niet-logische vormen en structuren, maar al snel raken onze gedachten daarbij in de knoop en raken we het spoor bijster. Een uitstapje buiten de logische ruimte is vergelijkbaar met een ruimtewandeling: kosmonauten wagen zich wel eens buiten het ruimteschip, maar nooit echt ver en altijd zorgen ze er voor dat ze verzekerd zijn aan het ruimteschip. (Technisch: er bestaan wel allerlei ‘nieuwerwetse’ logische systemen, maar het gemakkelijkst en het meest voortvarend werkt de oude vertrouwde klassieke logica.)

(ii) de logische ruimte heeft een evolutionaire functie: het is namelijk de enige structuur die het mogelijk maakt voor dieren (en mensen) om denken en doen synchroon te laten verlopen; als we onze gedachten logisch ordenen, dan kunnen we deze altijd lichamelijk uitvoeren, maar als we onze gedachten niet logisch ordenen, dan kunnen we deze beslist niet lichamelijk uitvoeren. (Stel dat iemand meent dat hij kan vliegen; hij loopt naar het dak van een hoog gebouw, gaat op de rand staan en begint te wapperen met zijn armen: dan is zijn voorstelling logisch geordend en hij weet daarom hoe hij zijn voorstelling kan omzetten in handelingen. Pijnlijk is natuurlijk wel dat zijn voorstelling onjuist is. Hij zal te pletter vallen. Maar de vraag of een voorstelling onjuist is, is een andere dan de vraag of je naar een voorstelling kan handelen. Dit is een belangrijk punt: logisch denken heeft betrekking op de uitvoerbaarheid van een voorstelling door een lichaam; deze denkwijze heeft niet persé betrekking op de waarheid (logisch denken gaat niet persé over hoe de wereld is).

(iiia) de logische ruimte is voor ons de grootste ruimte die we ons kunnen voorstellen. Dit roept de volgende vraag op: is de werkelijkheid groter of gelijk aan de logische ruimte? 
Dit is een belangrijke vraag, want als de werkelijkheid gelijk is aan de logische ruimte, dan kunnen we de gehele werkelijkheid (in beginsel) kennen; als de werkelijkheid groter is dan de logische ruimte, dan is de werkelijkheid voor ons alleen kenbaar waar deze samenvalt met de logische ruimte, maar daarbuiten is ze absurd en onbegrijpelijk.
Je kunt niet logisch beredeneren dat de werkelijkheid groter of gelijk is aan de logische ruimte, want logische redeneringen gelden alleen binnen de logische ruimte.
De vraag of de werkelijkheid groter is dan de logische ruimte is een empirisch probleem. Wij kunnen echter de werkelijkheid niet zinvol observeren zonder intellectuele hulpmiddelen zoals een theorie. Theorieën hebben echter noodzakelijkerwijs een logische structuur, anders kunnen we ze niet begrijpen. Je kunt dus niet buiten je logische denkwijze om de werkelijkheid bekijken om te zien of deze een logische of niet-logische structuur heeft.

(iiib) we kunnen echter wel ‘omwegen’ bewandelen; je kunt hier en daar aanwijzingen vinden die (indirect) antwoord geven op de vraag of de werkelijkheid groter is of gelijk is aan de logische ruimte:
-de logische ruimte bestaat niet concreet: deze is uitsluitend te vinden in het brein van dieren (waaronder de mens);
-je kunt de logische ruimte dus niet meten; de logische wetten oefenen geen kracht uit op de werkelijkheid (wereld); 
-de logische ruimte is abstract;
-de logische ruimte is een product van de evolutie en heeft een duidelijke evolutionaire functie;
-we moeten dus concluderen dat het bestaan van de logische ruimte verbeelding is: er is geen ‘echte’ logische ruimte;
-maar als de logische ruimte een artefact is van de mens, dan is er geen enkele goede reden om te denken dat de werkelijkheid zelf gelijk is aan de logische ruimte (het is een antropomorfisme om te geloven dat de werkelijkheid precies samenvalt met onze logische denkwijze: het is een denkfout die ingebouwd is in onze manier van denken).

(iv) het is wel zo redelijk om te denken dat de werkelijkheid groter is dan de logische ruimte. Maar dan is de werkelijkheid zelf absurd (=niet logisch). En als de werkelijkheid absurd is, dan kunnen we geen onderscheid maken tussen zogenaamde mogelijke en onmogelijke voorstellingen van de werkelijkheid. Anders gezegd: niets is onmogelijk. 

(v) als niets onmogelijk is, dan bestaat God.

(vi) voor mensen die christelijk zijn is dat een fijne ontdekking; voor mensen die niet christelijk zijn is dat een ontdekking die ze koud laat. 

(vii) wie of wat God is en wat zijn bestaan betekent voor je leven, is een psychologische kwestie. Het is niet zinvol om je God voor te stellen als een regenworm of als een kabouter of als een rotte kies. Over het algemeen wordt God beschouwd als het ‘meest perfecte wezen’ dat denkbaar is. Voor de oude Germanen was een perfect wezen een soort mens die de natuur beheerste: de goden konden donder en bliksem maken en mensen veranderen in dieren. Voor ons is een perfect wezen nog steeds een wezen dat de natuur beheerst, maar inmiddels is ons beeld van de natuur veranderd (let op: niet ons beeld van God is veranderd, ons beeld van de natuur!). God is nu een perfect wezen omdat hij aan het begin van de werkelijkheid staat: hij is het begin en het einde van ‘alles’. Je kunt deze ‘perfectie’ van God op verschillende manieren uitdrukken: God is Algoed, Almachtig en Alomtegenwoordig. Maar ook: God is Zelfstandig en Eénvoudig. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan deze laatste omschrijving, want deze is filosofisch gezien bijzonder geraffineerd. Een abstracte voorstelling van de natuur brengt met zich mee dat onze voorstelling van God ook abstract moet zijn. 

(viii) God is dus een perfect wezen. Merk op dat dit voldoende is om zinvol naar God te kunnen verwijzen. Ik hoef niet tot in de kleinste details te weten wie of wat God is om op een zinvolle manier over hem te spreken. Zo kon Hume al zinvol verwijzen naar de wijn die hij morgen zou schenken, alhoewel hij de scheikundige essentie van wijn niet kende en ‘morgen’ nog niet eens was aangebroken. Ik hoef geen volledig uitgewerkte empirische beschrijving van een ding of een zaak te geven voordat ik zinvol over ‘t ding of de zaak in kwestie kan spreken. 

(ix) de ontdekking dat God bestaat verandert niets aan mijn beeld van de wereld. De wereld waarin ik leef is nog steeds logisch, causaal en natuurlijk. Ik zie duidelijk in dat de bijbel mensenwerk is, dat de verhalen in de bijbel niet letterlijk moeten worden opgevat, enz. De omgang met de dingen is nog steeds ‘natuurlijk’. De wetenschap dat God bestaat werpt alleen een ander licht op mijn bestaan en op hoe ik naar de gang van zaken kijk (zie het volgende punt).

(x) wel zie ik het bestaan op aarde als een ethisch laboratorium. Een dergelijke ethische zienswijze is eigen aan de ‘religieuze dimensie’. Ik geloof niet dat wij voor niets en niemendal bestaan. Ik denk dat ik een wezen ben dat vergroeid is met (samenvalt met) mijn lichaam en dat ik middels dat lichaam andere mensen kan schaden of helpen. Mensen zijn fysiek aan elkaar tegenwoordig en daarom hebben ze macht over elkaar. Dat wij 'objecten' zijn in elkaars nabijheid maakt ethische wezens van ons. Andere mensen kunnen mij mishandelen als ze dat willen. Jij en ik hebben lichamen die dankzij een zeer fijnmazige bedrading onder de huid, en nog dieper gelegen, vatbaar zijn voor aanraking, hitte, koude en verwonding. De naakte mens is kwetsbaar. Je kunt een ander gemakkelijk helse pijn bezorgen, alles wat je nodig hebt is een steen, zo van de grond geraapt. Je kunt zelfs donzen veertjes gebruiken om je macht over een ander lichaam te bekrachtigen: je houdt zijn neus dicht en propt zijn mond vol met het dons.
Wij zijn aantoonbaar, ten voeten uit, gemaakt om te handelen. Wij beschikken over keuzevrijheid en over het vermogen om waarde toe te kennen aan onze handelingen; en we weten wat de (beoogde) uitkomst van onze handelingen zal zijn. Dit hele pakket kun je weergeven met het woord 'inzichtelijk': de mens kan inzichtelijk handelen. Dat vermogen bevordert ons tot ethische wezens. 
Het is overigens niet zo dat er een algemene ethische rekening bestaat die ons precies zegt wat de juiste uitkomst van een handeling behoort te zijn,- maar dat past uitstekend bij het inzicht dat mensen werkelijk uniek zijn: je handelt naar jouw aanleg en inzichten. 
Wel lijkt het christendom ons (enig) houvast te geven; deze leer schrijft ons (misschien) voor dat we beter het zekere voor het onzekere kunnen nemen: sta liever toe dat je zelf beschadigd wordt dan dat je een ander beschadigt. 
Tenslotte: het lijden in de werkelijkheid spreekt -in mijn visie- niet tegen het bestaan van God en niet tegen het idee dat een perfect wezen goed is. Het lijden is inherent aan een ethisch bestaan. We moeten voortdurend -dagelijks, aan één stuk door- kiezen tussen goed en kwaad. Daar kun je eenvoudigweg niet uit afleiden dat God niet goed is.


donderdag 18 juli 2019

Evolutie en religie (versie 1.5)

Inleiding. Broeder Theofried leerde mij jaren geleden al -ik zat op een katholiek volksschooltje te Curaçao- dat wie in God gelooft de evolutie met een gerust hart kan aanvaarden. Maar vandaag de dag, bijna vijftig jaar later, is de evolutie voor christenen nog steeds een heet hangijzer. In dit korte opstel wil ik betogen dat een christen beter af is als hij zijn schroom voor de evolutietheorie aflegt.

Argument. Om te beginnen is het gemakkelijk -haast vanzelfsprekend- om in God te geloven als we de evolutietheorie aanvaarden. Ik zal hier een schets van het argument geven. 

Als de mens het product is van de natuur, dan hebben we goede redenen om te geloven dat zijn denkwijze bedoeld is om adequaat te handelen en niet om de werkelijkheid te doorgronden. Als de mens de werkelijkheid niet kan doorgronden, dan overtreft de werkelijkheid de denkwijze van de mens. Als de werkelijkheid de denkwijze van de mens overtreft, dan is het in geen geval mogelijk om ‘t bestaan van God uit te sluiten. Maar als het in geen geval mogelijk is om het bestaan van God uit te sluiten, dan moet de mens het bestaan van God in elk geval aanvaarden.

Naturalisme. De twist over de vraag of God bestaat is feitelijk een twist over de vraag of het religieuze wereldbeeld (in brede zin) of het naturalistische wereldbeeld (in brede zin) juist is. Inzet van de strijd tussen de naturalist en de religionist is de vraag of er wel of geen bovennatuurlijke zaken bestaan [1]. De naturalist ontkent het bestaan van bovennatuurlijke zaken, terwijl de religionist het bestaan van bovennatuurlijke zaken aanvaardt [2]. 

We kunnen het argument hierboven ook lezen als een argument voor het bestaan van een bovennatuurlijke werkelijkheid. Immers, als de werkelijkheid onze denkwijze overtreft, dan beschikken we over geen enkele wet of regel om de werkelijkheid te beschrijven. Het komt er op neer dat in onze ogen de werkelijkheid zich onttrekt aan elke wet of regel. Dit beeld van de werkelijkheid is strijdig met de zienswijze van de naturalist. Volgens de naturalist bewonen wij een regelmatige werkelijkheid die bepaald wordt door natuurwetten en waarin causaliteit alle gebeurtenissen bindt. De naturalist vergroot onze natuurlijke, causale wereld in zijn gedachten zo sterk dat deze de gehele werkelijkheid omspant. Het ontgaat hem dat dit een onjuiste gedachtensprong is.

De werkelijkheid is bovennatuurlijk. In die zin is de werkelijkheid consonant met de zienswijze van de religionist en dissonant met de zienswijze van de naturalist. 

Keuzevrijheid. Vervolgens kan een religionist die de evolutie aanvaardt betogen dat de mens een ethisch of moreel wezen is. Als wij door de natuur geheel en al ‘gemaakt’ zijn om doeltreffend te handelen dan hebben wij goede redenen om onszelf te beschouwen als ethische wezens. Een ethisch wezen is een ‘moreel persoon’ (moral agent) die kan weten wat de betekenis en de uitkomst van zijn handelingen is en die voldoende keuzevrijheid heeft. 

Nu is de gedachte dat wij keuzevrijheid hebben omstreden. Ten onrechte. De evolutie van de mens stelt ons in staat om op verrassend eenvoudige wijze te beargumenteren dat wij keuzevrijheid hebben. 

Stel dat wij geen keuzevrijheid hebben. Dan is het zinloos om te beschikken over een energieverslindend brein met een sterke representatieve kracht. We zijn dan niet bij machte om te kiezen tussen de verschillende voorstellingen die het brein ons aanreikt in wisselende situaties. Maar dan is het evolutionair gezien ongerijmd dat wij beschikken over een ‘kostbaar’ orgaan met een sterke representatieve kracht. We hebben dus -indien we de evolutie van de mens serieus nemen- te veronderstellen dat de mens voldoende keuzevrijheid heeft. Ook is het om doeltreffend te kunnen handelen noodzakelijk dat wij de betekenis en de uitkomst van onze handelingen kunnen bepalen. Dat maakt ons tot niets minder dan morele personen.

Belichaamd. Je bent uitsluitend een moreel wezen als je daden iets betekenen voor andere mensen. Onze wereld is zo ingericht dat wij ons niet aan onze verantwoordelijkheid jegens de ander kunnen onttrekken. Wij zijn aan elkaar present in een lichaam van vlees en bloed. Het feit dat ik een belichaamd wezen ben, omringd door andere belichaamde wezens, maakt van mij dadelijk een morele persoon (in een wereld van goed en kwaad). 

Mijn lichaam stelt mij in staat om andere personen te mishandelen of te beschermen. En andere personen, door hun belichaamde staat, kunnen niet aan mij ontkomen. Ik heb benen waarmee ik een weerloze kan trappen, ik heb handen waarmee ik een hongerige kan voeden. 

Omdat de wereld waarin ik leef regelmatig is, kan ik weten wat ik iemand aandoe: ik snap dát iemand lijdt, want ik ben gebouwd als hij; ik snap hoe hard ik schop, want mijn lichaam is als zijn lichaam; ik snap hoe diep ik hem verneder, want mijn persoon is als zijn persoon. De natuurlijke, regelmatige inrichting van de wereld, en het feit dat wij morele personen zijn, maakt van de mens een ethisch wezen. Ik ben niet in staat om mij te vrijwaren van mijn ethische plichten. Zelfs als ik mij in stilte terugtrek uit de samenleving is dat een besluit met ethische implicaties. 

Slotsom. Onze werkelijkheid heeft in alle geledingen en in vrijwel alle opzichten de kenmerken van een religieuze werkelijkheid. Eerst en vooral is onze wereld onderdeel van een bovennatuurlijke werkelijkheid. We kunnen het bestaan van God niet ontkennen. Bovendien leven we in ‘een wereld van goed en kwaad’. Elk mens is in beginsel een moreel persoon. We zijn, al met al, niets minder dan de bewoners van een ethisch-religieuze werkelijkheid. Het is de evolutie van de mens die dit alles aan het licht brengt.

[1] Religionist: iemand die een religie aanhangt (Van Dale: niet gebruikelijk, komt uit het Engels).


[2] zie: Oppy, G, Naturalisme and Religion , 2018, Routledge.

zaterdag 13 juli 2019

Waarom zou een christen de evolutie vrezen (6de schets)

In de vorige schetsen heb ik betoogd dat wij -als we de mens zien als een maaksel van de natuur- gemakkelijk kunnen verklaren waarom:

-er een bovennatuurlijke werkelijkheid is (metafysische component)
-wij mogen veronderstellen dat God bestaat, alhoewel wij zijn bestaan niet empirisch kunnen vaststellen (epistemologische component)
-wij, naar onze nood en naar onze behoefte, kunnen zeggen wie of wat God is (theologische component)
-wij kunnen zeggen dat we -binnen zekere grenzen- keuzevrijheid hebben (antropologische component)
-en, tenslotte, waarom meerdere, verschillende religies juist kunnen zijn (pluralisme)

In de komende schetsen wil ik, gegeven de bovenstaande ‘componenten’, laten zien dat een ethische lezing van de werkelijkheid adequater is dan een epistemologische lezing.

Waarom is dit belangrijk? Wel, het naturalisme is, uit de aard der zaak, een epistemologisch ‘wereldbeeld’, terwijl het theïsme, uit de aard der zaak, een ethisch ‘wereldbeeld’ is.

Ik zal betogen dat de natuurlijke staat van de mens, zijn denkwijze en zijn ‘zijnswijze’, beter wordt begrepen als we hem zien als een ethische wezen dan wanneer we hem zien als een epistemologisch wezen. Anders gezegd, de mens is ten leste geen waarheid-zoeker, iemand die rationeel en fysiek volledig is toegerust om de waarheid omtrent de ‘werkelijkheid’ te doorzien, maar een doener die met alle andere mensen is verwikkeld in een ingewikkeld en lastig ‘spel’ van goed en kwaad. 

Je kunt het betoog (schets van een betoog) beschouwen als een poging om de volgende vraag te beantwoorden: is waarheid ondergeschikt aan doen of is doen ondergeschikt aan waarheid? Je kunt deze twee zaken, weten en doen, niet los van elkaar zien. Je kunt echter wel ontkennen dat ze nevenschikkend kunnen worden geordend (nevenschikkend: gelijk aan elkaar- stel je een weegschaal voor waarvan beide schalen in balans zijn). 

Tegenwoordig neigen filosofen, psychologen en neurobiologen er toe om de mens te zien als een ‘psycho-fysische eenheid’ die ‘ontworpen’ is om vóór alles adequaat te handelen. Eerder dus is de mens een vrij wezen dat kan handelen naar zijn inzichten, wensen en verlangens dan een alwetende ‘kenner’ die op geëigende wijze de juiste inventaris van de werkelijkheid kan opstellen (om daar zijn voordeel mee te doen). Het idee dat de mens eerst en vooral een handelend wezen is past beter bij de gedachte dat de mens het product is van de evolutie dan het idee dat de mens een alwetende kenner is. Intuïtief ben je dan ook geneigd te denken dat een ethisch ‘verhaal’ over de mens natuurlijker is dan een epistemologisch ‘verhaal’


Eerder zijn we de bewoners van een wereld van goed en kwaad dan dat we de bewoners zijn van een volstrekt doorzichtig logisch paradijs. 

maandag 8 juli 2019

Waarom zou een christen de evolutie vrezen (5e schets)

Christenen lijken een -onderhuidse- afkeer te hebben van de evolutietheorie. We hebben gezien dat dat niet nodig is. 

Quine betoogde dat er geen principieel onderscheid is tussen analytische (logische) beweringen en empirische (wetenschappelijke) beweringen [1]. Al onze kennis is empirisch. Ook de logische wetten. We kunnen de logische wetten dan ook ‘gewoon’ wetenschappelijk onderzoeken. En dan blijken het simpele, praktische regels te zijn, die als taak hebben om onze denkbeelden en inzichten zo te ordenen dat wij deze te allen tijde kunnen uitvoeren.

De logische wetten zijn de boodschappers van het lichaam. Ze zeggen tegen het verstand: je mag allerlei inzichten aanvaarden, je mag geloven in engelen, vliegende paarden en zingende meloenen, maar inzichten die echt niet bij je passen moet je verwerpen, want jouw lichaam kan  strijdige inzichten niet uitvoeren; het lichaam, moet je weten, is een nogal harkerig werktuig dat niet meer dan één handeling tegelijk kan uitvoeren; overspoel het dus niet met de meest uiteenlopende inzichten, want dan weet het niet wat ‘t moet doen.

Onze logische denkwijze heeft alles te maken met de bouw en de werking van ons lichaam en weinig (tot niets) met de inrichting van de werkelijkheid. Hieruit volgt dat de werkelijkheid zelf overvloedig en absurd is. Het is zodoende zinloos voor ons om te zeggen welke inzichten wel en geen deel uitmaken van de werkelijkheid, want onze denkwijze gaat kopje onder in alle mogelijkheden. We kunnen niets uitsluiten. De overtuiging die door vrijwel alle religies wordt gedragen, namelijk dat er meer is tussen hemel en aarde dan wij kunnen weten, is dan ook letterlijk juist. Het religieuze model is beter dan het naturalistische model.

Hoe kunnen we echter iets zeggen over dat domein van de werkelijkheid waar wij met ons verstand niet bij kunnen? 

Het antwoord is simpel: als de werkelijkheid overvloedig en absurd is, dan is elke willekeurige absurde beschrijving goed (vergelijk: als in een absurde, overvloedige loterij -we zijn in Alice’s wonderland- op elk lot de hoofdprijs valt, dan is elk willekeurig lot het winnende lot).   

Maar ik, mens van vlees en bloed, kan niet zomaar elke willekeurige godsdienst naleven! Ik heb persoonlijk behoefte aan een traditie waar enige lijn en overleg in zit. Zou ik een absurde, al te barokke godsdienst willen naleven, dan zal het mij de grootste moeite kosten om deze in de praktijk te brengen. De behoefte aan een begrijpelijke, weldoordachte religie is daarom groot. We hebben begrijpelijke voorstellingen van het bovennatuurlijke nodig en we moeten de ‘zin’ van ons geloof kunnen ‘zien’. (Het is niet zo dat we zomaar een willekeurig geloof kunnen aanvaarden.)

Geen enkele religie laat zich verenigen met een andere religie. De logische werking van ons brein maakt het ons onmogelijk om meer dan één religie te aanvaarden. 

Wat is hier het voordeel van? Wel, als we, met de evolutietheorie als maatstaf, weten dat de denkwijze van de mens beperkt is, dan zien we ook in dat een overvloedige werkelijkheid plaats biedt aan een brede waaier van bovennatuurlijke visies (religies). Geen enkele bruikbare religie is exclusief waar (exclusief), maar elke bruikbare religie is juist. Je kunt het vergelijken met de wonderlijke loterij uit Wonderland: elk (geldig) lot is een winnend lot, maar geen enkel lot geeft je een bijzonder recht op de hoofdprijs.

Je noemt dit model 'pluralisme'. Het is een 'meervoudige visie'. Volgens de pluralist belichten alle bruikbare religies een aspect van de onbegrijpelijk, overvloedige bovennatuurlijke werkelijkheid. 

John Hick, een godsdienstfilosoof uit de vorige eeuw, heeft een fraai pluralistisch model uitgewerkt [2]. Ik schreef mijn proefschrift aanvankelijk om het pluralisme van John Hick te verdedigen. Het pluralisme maakt een enkele religie, zoals het christendom, waardevol (in mijn ogen althans), want een pluralistische visie roept op tot tolerantie en verdraagzaamheid. Dat zijn nota bene christelijke waarden. Het pluralisme laat zich gemakkelijk verenigen met een (christelijke) humanistische visie.

Aangezien de evolutietheorie een robuuste verdediging van religie mogelijk maakt, zo robuust dat deze met redelijke middelen eigenlijk niet kan worden weersproken, terwijl deze verdediging tevens de deuren opent voor het pluralisme, denk ik dat de evolutietheorie voor een humanistisch christen onmisbaar is. 

Een moderne, humanistisch christen is al met al wijs als hij de evolutietheorie met open armen aanvaardt.

[1] Quine, Two Dogmas enz.
[2] Hick, J, An interpretation of religion.

zaterdag 6 juli 2019

Waarom zou een christen de evolutie vrezen (4de schets)


Evolutie is een soort vergrootglas waarin we onszelf beter kunnen bekijken. Het is in dat opzicht een bijzonder waardevolle theorie. We kunnen uitspraken doen over ons verstand, over onze verhouding tot de natuur, over andere mensen en ook over de vraag of we ‘vrije’ wezens zijn.

Volgens de naturalist beschikt de mens niet over een vrije wil [1]. Het is echter mogelijk om een evolutionair argument op te stellen waarmee we kunnen laten zien dat de christelijke opvatting, namelijk dat een mens wel keuzevrijheid heeft, juist is.

Het argument is verrassend simpel:

(1) wij onderscheiden ons van andere dieren door een krachtig representatief vermogen;

(2) dit representatief vermogen is kostbaar: 20 tot 25 procent van onze voeding is nodig om de hersenen naar behoren te laten werken;

(3) het voordeel van een krachtig representatief vermogen is dat wij in staat zijn om ons uiteenlopende uitkomsten van handelingen voor te stellen: en we kunnen aan deze uiteenlopende voorstellingen verschillende waarden toekennen; zo ben ik in staat om mijn repertoire van mogelijke handelingen sterk uit te breiden; het egeltje gaat stil zitten bij gevaar en rolt zich op tot een bol: hij heeft geen uitgebreid repertoire aan handelingen, met als gevolg dat het beestje op snelwegen wordt doodgereden; de mens kan, al naar gelang de situatie, echter gemakkelijk de juiste handeling uitvoeren [2].

(4) om dit krachtige representatieve vermogen effectief te laten zijn, is echter keuzevrijheid noodzakelijk; wie een groot hoofd heeft boordevol representaties, maar deze voorstellingen niet kan uitvoeren, heeft feitelijk geen voordeel van dit energieverslindende systeem;

(5) we kunnen uitsluiten dat de evolutie nutteloze, energieverslindende systemen laat bestaan: we mogen daarom concluderen dat een mens voldoende keuzevrijheid heeft om te handelen overeenkomstig de voorstelling van zijn voorkeur; ons verstand heeft uitsluitend nut als we aannemen dat een mens een ruime mate van keuzevrijheid heeft [3].

Ook voor wat betreft dit (heikele) onderwerp geldt dat de evolutie consonant is met het christendom. 
————
[1] Waarbij aangetekend dat niet elke naturalist een determinist of compatibilist is natuurlijk. 
[2] Sterelny, K, Thought in a hostile world, en, The evolved apprentice.
[3] Ook dieren lijken over (enige) keuzevrijheid te beschikken: zie de Waals laatste boek, Mamas last hug.

vrijdag 5 juli 2019

Waarom zou een christen de evolutie vrezen (3de schets)


De waarheid van de logische wetten kan niet worden bewezen. Het zijn pragmatische instrumenten. We zijn druk doende de werkelijkheid te onderzoeken en zullen ter zijner tijd wel ontdekken in hoeverre de verschijnselen coherent kunnen worden geordend. (We onderzoeken de werkelijkheid, zoals Quine zei, van ‘binnen-uit’: mensen kunnen onmogelijk spreken over ‘feiten’ en over ‘de gehele werkelijkheid’) [1].

Het voordeel van deze evolutionaire zienswijze is dat we onze denkwijze niet mogen ‘universaliseren’. We weten eenvoudigweg niet hoe de werkelijkheid is ingericht. En het is een redeneerfout om te denken: ik kan niet anders dan logisch denken, dus de gehele werkelijkheid heeft een logische inrichting.

Gedurende de geschiedenis van het christendom hebben filosofen -eerst beïnvloed door Plato, later door Aristoteles en in onze eeuw door de analytische filosofie van Russell- gedacht dat de werkelijkheid bestaat uit een kooi van logische wetten. Zelfs God moet zich schikken naar deze ‘logische’ wetten. Een hedendaags filosoof als Plantinga denkt dat God de logische en mathematische waarheden gewoon moet aanvaarden. Hij kan deze wetten niet veranderen. God is principieel niet in staat om deze wetten te schenden.

Theologen daarentegen hebben door de eeuwen heen een beeld van God geschetst dat gericht is op de vraag wie God is en waarom wij God zouden moeten aanbidden zonder zich daarbij af te vragen of de uiteindelijke beschrijving van God wel analytisch en logisch is. Bij de theoloog staat de geloofwaardigheid van God voorop. De grote winst van de evolutionaire invalshoek is dat filosofen niet kunnen volhouden dat de logische wetten ‘eeuwig en onveranderlijk’ zijn. En dus is er weer volop ruimte voor de theoloog. 

Volgens mij doet een theologische beschrijving van God meer recht aan God dan de filosofische beschrijving. Ik heb het altijd merkwaardig gevonden dat God de logische wetten niet kan schenden. Een logische denkwijze is niet zo bijzonder: zoals we aan tafel bestek nodig hebben om het eten te verorberen, zo hebben we bij het bedienen van ons lichaam drie wetten nodig om onze voorstellingen te kunnen uitvoeren. Logische wetten zijn niet opvallender dan mes, vork en lepel. 

De wijze waarop de theoloog God beschrijft doet meer recht aan Zijn uitzonderlijke, bovennatuurlijke staat.

Volgens de theoloog is God Zelfstandig. God is absoluut onafhankelijk. Je zegt: God bestaat a-se. Hiermee maak je duidelijk dat God volstrekt anders is dan creaturen zoals mensen en dieren. Mensen zijn voor hun bestaan afhankelijk van andere zaken (zoals eten, zuurstof, enz.), God daarentegen is afhankelijk van niets en niemand.

God is dan ook één-voudig: hij bestaat niet uit materialen en delen. God is geen ontwerp, geen structuur, geen bouwwerk. God is eenvoudigweg zoals hij is. Je zegt: Gods existentie is zijn essentie (Sartres beroemde uitspraak: de menselijke existentie gaat vooraf aan zijn essentie, is een variatie op dit theologische leerstuk). 

Merk op hoe geniaal de theoloog is. Hij plaatst God niet -zoals de filosoof pleegt te doen- vooraf aan de ruimte en tijd, en hij plaatst God ook niet buiten ruimte en tijd, maar hij plaatst God vóór elk denkbeeld en inzicht. God is letterlijk 'Het Eerste'. God is ‘vóór-conceptueel’. God is zó dat je Hem met geen enkel menselijk denkbeeld of inzicht op de juiste wijze kunt weergeven [2]. 

Wie zegt dat God goed is, zegt wel iets wat juist is -want God is goed- maar God wordt niet gekarakteriseerd door zijn goedheid. Gods essentie is onveranderlijk en wie daar de kwalificatie ‘goed’ aan toevoegt verandert Zijn essentie niet. Het is dus waar dat God goed is, maar het is ook niet waar dat God goed is, want Gods essentie is geen constructie (concept) van eigenschappen. 

Het moge duidelijk zijn dat deze zienswijze recht doet aan God, maar door filosofen niet kan worden gewaardeerd. Want de filosoof klaagt onmiddellijk dat hij er geen chocola van kan maken. Hoe kan een wezen nou goed zijn terwijl zijn goedheid geen ‘onderdeel’ is van zijn essentie?

Het antwoord is eenvoudig: God is bovennatuurlijk en in die ‘ijle’ lucht gelden de logische wetten niet. Wij mensen hebben een beschrijving nodig van God die recht doet aan ons geloof. We hebben geen logisch-mathematische formule nodig.

In het theologische handboek van Beeke en Smalley [3] wordt Gods één-voud als volgt uitgelegd en ‘vastgeplakt’ aan de bijbel: Er staat geschreven dat ‘De Heer onze God één is.’ En vervolgens halen ze de theoloog Bavinck aan: De eenheid van God houdt niet alleen in dat Hij één ‘ding’ is, maar ook dat hij één-voudig is.

Augustinus benadrukt dat de één-voud van God bewijst dat Hij geen lichaam heeft. Ik kan niet nalaten om te benadrukken dat wie de evolutie-theorie aanvaardt pas echt kan zeggen waarom Augustinus gelijk heeft: juist omdat God geen lichaam heeft, overtreft hij de logische ‘zijnswijze’. Wie geen lichaam heeft, heeft ook geen behoefte aan regels die zijn inzichten en denkbeelden zo bewerken dat deze uitvoerbaar zijn.

God is geen lichaam, geen vlees en bloed, geen toestel op wielen, maar God is eerder als het licht of als een geest, schrijft Johannes. Of: men kan zeggen dat God liefde is. En wie zegt dat God liefde is, verklaart dat God wezenlijk liefde is. Zijn liefde is niet beperkt tot een enkel ogenblik, maar beschrijft zijn essentie. 

Elke attribuut van God is essentieel. God is niet deels liefde, deels licht, deels geest, maar God is liefde, geest en licht. Augustinus verwoordt dit als volgt: In God is Zijn hetzelfde als machtig zijn, wijs zijn, rechtvaardig zijn, of wat men nog meer kan zeggen over de één-voudige meervoudigheid van God.

Deze theologische schets van God is niet coherent -éénvoudige meervoudigheid?- maar voor de gelovige wel adequaat: want de theoloog is er in geslaagd een beschrijving te geven van God die ons (1) in staat stelt om over Hem te spreken en (2) die recht doet aan onze intuitieve overtuiging dat God uitzonderlijk (bovennatuurlijk) is. 

De gelovige heeft God gevonden omdat hij in een natuurlijke, fatale wereld leeft. Wij hopen dat God de fatale aard van de werkelijkheid teniet kan doen (vandaar dat Jezus' kruisiging voor de gelovige zo belangrijk is). Het spreekt voor zich dat God daarom zelf niet onderworpen is aan de logische-natuurlijke wereld. We hebben voor ons geloof, per definitie, een bijzondere en uitzonderlijke ‘geest’ nodig. God moet bovennatuurlijk zijn. God kán uit de aard der zaak niet 'gekooid' worden door de logische wetten. De theologische beschrijving van God voldoet aan deze eis.

Wie de evolutietheorie aanvaardt kan met een gerust hart de theologische beschrijving van God aanvaarden en hoeft zich geen zorgen te maken over het feit dat hij God niet helemaal logisch kan analyseren. Zijn wereldbeeld, ondanks het feit dat hij de logische wetten niet beschouwt als universele wetten, is dankzij de evolutietheorie coherent en zeer goed te verdedigen tegen naturalistische kritiek.
------------
 [1] Zie het onlangs verschenen werk over Quine: Verhaegh, S, Working from within, the nature and development of Quines naturalism, Oxford, 2019.

[2] Vermoedelijk is dit idee afkomstig van Plotinus.

[3] Beeke & Smalley, Reformed Systematic Theology, vol.1, Crossway, 2019 (Deel 2: De doctrine van God.)