Zou het denken (...) gepaard gaan met luid geratel en zwaar gestamp, zodat tijdens het denken steeds ons hoofd heftig schudt en de kaken luid klapperen, dan zouden we goed doorhebben dat onze gedachten producten van het brein zijn. Het brein is echter een stil apparaat, dat zijn werk fluisterend verricht. We hebben van z'n denkwerk geen idee. En daarom vinden we het lastig om te geloven dat ons beeld van de wereld wordt bepaald door de werking van deze 'denkmachine'.
zondag 2 augustus 2026
Levenskunst
donderdag 30 juli 2026
Gelovig leven
We kiezen het volgende uitgangspunt: we zijn dieren en we hebben een natuurlijke oorsprong (let wel: hiermee is niets gezegd over de metafysische vraag of de natuur eventueel een herkomst heeft).
We weten dat we een verstand hebben dat -in volledige afzondering- probeert de wereld te begrijpen. Het krijgt elektrische en chemische signalen binnen langs de zintuigen en heeft de lastige taak om op grond van deze signalen een 'stafkaart' (model) van de wereld op te stellen. Deze stafkaart is het enige instrument waarover het verstand beschikt om het lichaam veilig langs tal van obstakels te leiden.
Voorts weten we dat het verstand een klassieke logische grondslag heeft: de twee basiswetten bepalen onze denkwijze. Al onze plannen en inzichten zijn consistent en coherent (zo goed en zo kwaad als dit gaat). Vanzelfsprekend is ook onze stafkaart van de wereld consistent. Het verstand vergelijkt voortdurend de waarneming met ons model van de wereld. Zodra het verstand een afwijking opmerkt -dat is een inconsistentie- tussen model en waarneming is het extra alert en probeert het de inconsistentie op te lossen.
Waarom werden consistentie en coherentie zo belangrijk? We weten dat spier- en zenuwweefsel ontstaan zijn in het cambrium (misschien zelfs eerder). Je hebt niets aan spieren als je deze niet kunt coördineren (patterning). De zenuwen moeten het spierweefsel zo prikkelen (patterning) dat deze gericht samenwerken. Laat je dat na dan komt het lichaam -het lichaam is een object, een ding- niet in beweging (en dan heb je geen evolutionair voordeel van spierweefsel). Een lichaam moet tenminste kunnen naderen en wijken.
De rest is natuurkunde. Het zenuwweefsel moet in de spieren één welbepaalde kracht (Fn) opwekken om het lichaam te laten naderen en een welbepaalde kracht (Fw) om het lichaam te laten wijken. Als het zenuwweefsel Fn en Fw gezamenlijk aanzet dan is het lichaam onbestuurbaar. De krachten kunnen alleen doeltreffend zijn als ze exclusief worden aan- en uitgezet. Dit is een eenvoudige rekensom. De fysica van het bewegende lichaam en de biologische noodzaak om doelmatig te bewegen leiden zo tot een zeer eenvoudig brein met twee eerste representaties: een 'pattern' dat 'naderen' representeert en een 'pattern' dat 'wijken' representeert.
De eerste structuur van het zenuwweefsel dient als 'basisstructuur' voor alle andere cognities en representaties waarmee organismen later worden verrijkt. Ook daar is een verklaring voor: zo lang de representaties/functies exclusief (logisch) geordend worden, kan een organisme de nieuwe functies fysiek uitvoeren.
Het hele cognitieve domein -onze percepties, onze redeneringen, onze plannen, onze concepten- is daarom vermoedelijk klassiek. De vraag of een nieuwe functie het vermogen om doeltreffend te handelen al dan niet belemmert is natuurlijk bepalend voor de vraag of een mutatie blijvend is.
Het bovenstaande -in een notendop- is de geschiedenis van ons klassieke verstand. Wij hebben een denksysteem dat gericht is op overleven en voortplanten.
Van de weeromstuit kunnen we niet buiten ons denksysteem om naar de wereld kijken (nogmaals, denk aan de metafoor: de wereld is voor het brein een stafkaart, die opgesteld wordt aan de hand van de eigen denkwijze en concepten en die wordt bijgesteld door de waarneming).
Ons denksysteem is een systeem dat in zichzelf besloten is. We bezien de wereld alsof deze uit objecten bestaat en we ordenen alle zaken alsof het objecten zijn (dit ding hoort bij de rode dingen in dit bakje, dat ding hoort bij de blauwe dingen in dat bakje). Interessant is het werk van ontwikkelingspsychologen: zij hebben vastgesteld dat prelinguistische baby's (niet mijn term) al goed begrijpen hoe objecten zich gedragen. Ze zijn ingesteld/afgesteld op een 'object(ieve) wereld'.
We zitten 'opgesloten' in onze denkwijze. Het is niet anders. Dit is al bedacht door veel filosofen, met name door Sartre en Wittgenstein (die dit elk op hun eigen manier hebben verwoord: we kunnen niet buiten onze taal treden; we kunnen niet buiten ons 'aandachtsveld' stappen). We zijn hoe dan ook beperkt.
Je kunt nu het volgende argument opstellen. Het is -volgens onze eigen klassieke denkwijze- van tweeën één: onze denkwijze is wel of niet volledig.
Veronderstel eens dat onze denkwijze de wereld niet 'uitbeent naar haar eigenlijke structuur': dan is onze denkwijze niet volledig (dit is de meest waarschijnlijke optie gezien ons uitgangspunt: we zijn geëvolueerde dieren).
De wereld zal dan voor ons in twee delen uiteen vallen: de wereld die wel conform onze denkwijze is en de wereld die niet conform onze denkwijze is.
Als onze 'objectieve voorstelling' van de werkelijkheid niet volledig is, dan weet je dat de aspecten van de werkelijkheid die niet conform onze denkwijze zijn, door ons niet worden begrepen. Laten we dit domein dat buiten ons gezichtsveld valt 'domein x' noemen.
(stelling:) We weten wat x niet is, maar we weten niet wat x wel is.
(modale bepaling van de stelling:) We weten wat x niet kan zijn, maar we weten niet wat x mogelijkerwijs wel is.
Hoe groot, vreemd, ingewikkeld, onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk, duister, bizar of absurd kan x mogelijkerwijs zijn? Hoe trekken we de universele grens tussen het het mogelijke en het onmogelijke? We weten het niet.
We kunnen daarom geen beschrijving uitsluiten (niets is te dol, niets is te gek, geen voorstelling is zóó vreemd dat wij voorhands kunnen zeggen: dit is altijd en overal onmogelijk).
Per saldo betekent dit dat de mens géén beschrijving van x kan uitsluiten.
En omdat de mens de maat van alle dingen is (we kunnen niet buiten onze eigen denkwijze om kijken), geldt:
De mens kan te x niets uitsluiten <=> Er kan te x niets worden uitgesloten (*)
Waaruit je dan zondermeer kunt afleiden: het bestaan van God kan onmogelijk worden uitgesloten.
-----
[*]. Het <=> teken staat voor: ... is equivalent aan...
Nazorg: één van mijn lezers wordt niet helemaal goed van deze redenering, want zijn verstand kan de vreemdheid van de werkelijkheid niet bevatten: en dat dát precies de crux van de redenering is kan hij ook al niet bevatten. Wellicht zijn er nog andere lezers die dit ook niet bevatten. Aan hen de volgende raad: dat de wereld vreemd is en dat ons verstand niet 'volledig' is, betekent dat je de vrijheid hebt om op een praktische wijze met de vreemdheid van de werkelijkheid om te gaan. Instrumenteel. Zie je in dat een leven met God uiteindelijk troostrijker is dan een wereld zonder God? Omarm dan de afleiding hierboven. Je kunt echter ook anders doen: de non-existentie van God kan onmogelijk worden uitgesloten. En dit bevestigt dat de werkelijkheid vreemd is. Wat wil je dat ik er tegen doe? Ik ben niet almachtig. Leer er mee leven. Accepteer dat je een beperkt verstand hebt.
Het geloof wordt hier des te interessanter door. Want de vraag waar het geloof om draait verschuift: de vraag of God bestaat staat niet in het midden (want de mens kan het bestaan van God niet ontkennen/uitsluiten), maar de vraag 'wat kies je?' staat nu in het midden. De vraag is of je gelovig wilt zijn en -wel zo indringend!- hoe je gelovig moet zijn. Je beantwoordt de vraag of God bestaat niet theoretisch, maar praktisch, namelijk door een bepaalde praktijk te kiezen (een bepaalde manier van leven).
Het volledige gewicht van de religieuze kwestie komt te liggen op je doen en laten. Dat past goed bij het inzicht dat de mens van nature een ethisch wezen is in een wereld van goed en kwaad. In alle religies wordt de mens bezien als een 'ethisch wezen (dier)' (gelukkig zijn dan vaak de religieuze leiders zo geslepen dat ze zichzelf verrijken en het geloof van hun volgelingen cynisch misbruiken: Marx en Nietzsche hebben een punt. Verwar God daarom niet met de kerk! Kierkegaard zag het geloof als een vehikel voor de eenling: dat is geen domme gedachte.)
Modernisering: de wereld is vreemd en de mens is beperkt. Wie of wat God is wordt niet bepaald door de regels van de fysica, enz. De fysica van tegenwoordig is zo anders dan die van honderd jaar geleden. De epistemologische moeilijkheden zijn groot. De gedachte dat God -de schepper van dit immense, onbegrijpelijke heelal- onbegrijpelijk is zal voor ons zo onwennig niet zijn. We hoeven ons dan ook niet af te vragen hoe God handelt, hoe God 'mee-lijdt', enz. Zolang we inzien dat het bestaan van God, volgens de meest rationele en naturalistische benadering van dit 'vraagstuk' (zie boven) niet kan worden uitgesloten, ervaren we dat de klassieke theologische vragen minder belangrijk zijn. Waar het om draait is welke keuzes je maakt: zie je je leven als een religieuze praktijk?
Je bent van nature een eenling die zelf de verantwoording voor zijn daden (keuzes) -voor zijn doen en laten- draagt. Hoe leid je als eenling een 'leven voor God en voor de mens'? Wat betekent het dat je een ethisch dier bent? Want je existeert altijd als eenling: een mens staat tegenover zichzelf bij het vestigen van een levenspraktijk gestoeld op ethische beginselen. Dát is de kern van een religieus leven, van een gelovige praktijk (=Kierkegaard).
dinsdag 28 juli 2026
Zwaargewonde dames
Mocht je mij vragen welk boek je deze vakantie (eens) moet lezen, dan zou ik -zonder aarzeling- zeggen: Yon, Daniel, Een truc van de geest.
Overigens ook verplichte kost voor filosofen. Je leert van dit boek hoe filosofisch onderzoek stap voor stap wordt overgenomen door wetenschap (overigens betekent dit niet dat filosofisch onderzoek overbodig wordt).
Yon beschrijft dat cognitiewetenschappers langzamerhand beginnen te geloven dat het brein de wereld beoordeelt op grond van een intern 'wereldbeeld' (een soort 'stafkaart' van de wereld om je heen). Hij noemt het brein daarom een 'bayes machine'. Ik zal dit uitleggen.
Het brein beoordeelt alle fysische en chemische signalen die het van de zintuigen ontvangt op grond van het interne wereldbeeld.
Een voorbeeld van de wijze waarop het verstand waarnemingen vergelijkt met haar kennis van de wereld: Ik zag eens een mevrouw voor mij fietsen met een enorme hoofdwond: iemand had haar een pen in het hoofd gestoken en rondom de wond zat een dikke plak geronnen bloed. Ik begreep niet dat iemand die zo toegetakeld was nog in staat was om te fietsen.
Ik werd geplaagd door een 'anomalie': mijn waarneming botste met mijn wereldbeeld (mijn kennis van de wereld).
Een zwaargewonde mevrouw behoort zich niet te gedragen als een zeer vitale mevrouw.
Pas toen ik haar naderde zag ik dat ze een grote houten pen door een (bloed-)rode speld gestoken had om heur dikke bos haar in het gareel te houden.
Je kunt Bayes theorema niet beter uitleggen dan met een dergelijk voorbeeld.
Het inzicht van Bayes was dat je elke 'nieuwe' waarneming moet vergelijken met je 'oude' wereldbeeld (verwarrend genoeg noem je je 'oude' wereldbeeld de 'prior': dat wat je vóór de waarneming al weet en denkt over de wereld).
Mijn prior was dus: zwaargewonde dames kunnen zich niet gedragen als vitale dames.
Door de dame beter te observeren en te denken dat de kans dat zwaargewonde dames nog vitaal kunnen fietsen zeer klein is, kon ik de anomalie oplossen: ik moest niet mijn wereldbeeld, maar mijn observatie 'her-interpreteren' (in gewone taal: ik moest beter 'uit me doppe kijke').
Je prior is, kortom, meestal bepalend voor je oordeel.
Het brein kan niet anders dan de waarneming beoordelen op grond van haar wereldbeeld, want het brein heeft -letterlijk- geen toegang tot de wereld. Het brein zelf is doof, blind en gevoelloos.
De zintuigen voeren slechts chemische en fysische signalen aan. Het brein zal deze chemische en fysische signalen zelf moeten ontleden en beoordelen. Dat is een zeer ingewikkeld proces waar je een ingewikkelde machinerie van patronen en concepten voor nodig hebt.
Swaab vergeleek het brein met een militaire commandopost die zich ver achter het front bevindt. De staf ziet niet wat er op het slagveld gebeurt. Ze stellen zich op de hoogte door de berichten over de situatie aan het front weer te geven op een stafkaart. Aan de hand van het 'model' (stafkaart) van het front voeren ze het commando.
De situatie op de stafkaart is de 'prior'; de berichten zijn de 'waarneming'. Als de berichten betrouwbaar zijn, dan wordt de stafkaart aangepast; als de berichten niet betrouwbaar zijn dan blijft de stafkaart ongewijzigd.
Het brein wordt door Yon een 'Bayes machine' genoemd omdat het een model (prior) gebruikt om waarnemingen te interpreteren (maar dat was je inmiddels al duidelijk).
Hoe waarschijnlijk is het dat een zwaargewonde dame kan fietsen? Het bayesiaanse brein zegt: niet erg waarschijnlijk.
Laten we de vragen die mij op deze webzuil al zo lang bezig houden eens omzetten in de taal van Bayes...
Hoe waarschijnlijk is het dat wij de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden?
Hoe waarschijnlijk is het dat wij de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden als we weten dat we Darwin-machines zijn?
Hoe waarschijnlijk is het dat God bestaat?
Hoe waarschijnlijk is het dat God bestaat gegeven het feit dat wij Darwin-machines zijn en daarom waarschijnlijk niet de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden?
Hoe waarschijnlijk is het dat de gehele werkelijkheid een structuur heeft die wij kunnen 'verwerken/begrijpen' gegeven het feit dat wij Darwin-machines zijn en daarom waarschijnlijk niet de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden?
Hoe waarschijnlijk is het dat God bestaat gegeven de waarneming (ontdekking) dat wij ethische wezens zijn en gegeven het feit dat wij Darwin-machines zijn enz.?
De antwoorden op zulke vragen worden sterk bepaald door je prior: je wereldbeeld.
Iemand als Dawkins heeft een 'prior' die elke waarneming zal bezien als een natuurlijk fenomeen: religieuze ervaringen zal hij a priori beschouwen als zeer onwaarschijnlijk.
Uiteindelijk blijven we steken op de vraag -een vraag die we helaas principieel niet met Bayes theorema kunnen beantwoorden- welk wereldbeeld de beste prior is.
De vrijheid in het kiezen van een prior is echter tamelijk groot.
(Trouwens: je kunt je 'prior' altijd bijstellen (als je je 'stafkaart' grondig aanpast, dan 'val je van je geloof'). Dat zou als volgt kunnen werken. Als we Darwin-machines zijn dan is het waarschijnlijk zo dat we structureel (kwalitatief) de werkelijkheid niet kunnen doorgronden. We zijn dan niet in staat om stelselmatig te bepalen wat mogelijk of onmogelijk is. Hoe waarschijnlijk is dan het bestaan van God? Of: hoe waarschijnlijk is dan het bestaan van God gegeven de waarneming dat onze wereld 'ethisch' is? Iemand die eerst dacht dat de werkelijkheid logisch en natuurlijk gesloten is en dat we Darwin machines zijn, zou op grond van deze 'waarneming' kunnen gaan 'zien' dat de werkelijkheid niet logisch en natuurlijk gesloten is.)
Vragen te over.
Hoe dan ook: lees eerst dat boek van Yon. Het beste populair-wetenschappelijke boek van het afgelopen jaar.
zaterdag 25 juli 2026
Altruïsme
vrijdag 17 juli 2026
Existentialisme 3 punt nul (versie 2.0)
Je wordt bij het lezen van deze en andere passages bevangen door nostalgie. De mens maakt de wereld tot een betekenisvol domein. Of, als het Dasein een andere keus maakt, maakt de mens van de wereld juist een betekenisloze, landerige, lome opeenvolging van zinloze ogenblikken: het Dasein schept uit de vele mogelijkheden zijn eigen wereld.
Ook Heidegger die het intentionele 'zijn' van de mens in een 'wereld-van-mogelijkheden' het Dasein noemt is in feite een romanticus.
Je hart smelt bij het lezen van deze filosofische teksten. Het is de romantische kijk op de mens zoals die ook verklankt is in de muziek van Mahler, 'Oh mensch! Gib acht!, bimmbamm...' Het bestaan van de mens is een 'tragedie', we hebben de hoofdrol in ons eigen toneelstuk.
Het leven is niets minder dan een (menselijk) drama: dat is onontkoombaar zo omdat je existeert als een 'ervarend subject' (tja, dat soort voorstellingen krijg je als toneelschrijvers zich opwerpen als filosoof).
Je moet de existentialisten nageven dat ze het voor wat betreft één inzicht bij het rechte eind hadden: je bent inderdaad in staat om de wereld te ervaren. Maar of daar uit volgt dat je een 'existerend subject' bent of een 'Dasein' lijkt mij geen uitgemaakte zaak.
Psychologen -zij werken tenminste systematisch, iets wat je van de existentie-filosofen niet kunt zeggen- bezien de mens als een ingewikkelde plant die is gaan bewegen. Zodra een plant gaat bewegen, heeft zij enige tegenwoordigheid van geest nodig, anders weet ze niet hoe of wat te doen: de omgeving verandert immers voortdurend voor wie zich verplaatst. Wie vliegt of zwemt of loopt moet oppassen dat zij zich niet stoot.
Het existerende subject wordt in de huidige psychologie gereduceerd tot een handelend wezen, met een brein dat in een donker kistje van been wordt bewaard -als een mummie in de spelonken van een pyramide- waar slechts de elektrische en chemische signalen van het oog, oor, neus en tast kunnen doordringen [4]. Deze signalen worden voortdurend, routineus, vergeleken met de signalen die voordien -van jongsaf- verwerkt zijn door het brein. Als de externe signalen overeenstemmen met de interne signalen (=model van de wereld) dan merkt het subject -laten we zeggen: een grazende koe of een lezende mens- niets van dit proces. Het dier kan gewoon verder gaan met grazen.
Uitsluitend als de externe signalen afwijken van het interne model heeft het organisme een 'tegenwoordige geest' nodig: die moet dan waakzaam zijn en bepalen of de afwijking misschien betrekking heeft op naderend gevaar: als dat het geval is moet het dier ophouden met grazen en de benen nemen.
Je kunt dit nieuwe, zakelijke (biologische) model het derde stadium van het existentialisme noemen [2]: de eerste existentialisten waren Augustinus, Kierkegaard en Nietzsche; tot de tweede generatie behoorden o.a. Heidegger, Sartre, Marcel, Jaspers (merk op: allemaal zeer evocatieve filosofen: stuk voor stuk uitmuntende schrijvers) [1]; de volgende generatie -het existentialisme 3.0- zal het romantische existentialisme herleiden tot een zakelijke, wetenschappelijke beschrijving van de 'subjectieve' mens, waarin de nadruk ligt op het feit dat de mens weinig anders is dan een onderdeel (product van) van de natuur.
De mens is een wandelende tak, met een veel te groot brein, wiens kijk op de werkelijkheid volledig bepaald wordt door zijn natuurlijke gesteldheid. Je bent als organisme ter wereld gekomen, als een onnavolgbaar ingewikkeld systeem van miljoenen samenwerkende minuscule fabriekjes, en je moet er maar op vertrouwen dat al die onderdeeltjes en stofjes en prikkels de komende jaren goed blijven werken. Worden op een goede dag de eiwitten niet langer linksom gevouwen, maar rechtsom, dan zul je dwaas worden. Daar helpt geen wilskracht tegen.
Ook hoe wij de wereld beschrijven (zien) wordt sterk bepaald door onze natuurlijke gesteldheid. Je ordent je wereldbeeld logisch omdat je moet handelen. Voor een belichaamd wezen is alleen een logisch plan in een logische wereld uitvoerbaar. Wie een onlogische denkwijze heeft zal plannen opstellen die het eigen lichaam radeloos maken. Het lichaam kan met de beste wil van de wereld geen onlogische instructies uitvoeren.
Als wetenschappers en filosofen de wereld consistent beschrijven, dan laten ze zien dat ze naar de wereld kijken zoals het een wandelende tak betaamt: namelijk alsof we in een terrarium verblijven waarin we te allen tijde moeten kunnen handelen. Vanzelfsprekend: wandelende takken moeten eerst en vooral weten hoe ze moeten wandelen.
Als 'handelende existentie' -wij zijn een biologisch systeem- verblijven wij op aarde. [3]
-----
[1] De eerste en tweede generatie existentialisten waren sterk beïnvloed door het christendom en beslist niet rijp voor het existentialisme 3.0. De gedachte dat de mens niets anders is dan een organisme joeg hen schrik aan (zie: Sartre: Walging, en Nietzsche: "[Het christendom] is toch de beste vorm van leven naar een ideaal die ik heb leren kennen: van kindsbeen af heb ik het nagestreefd en ik geloof dat ik er in mijn hart nooit onverschillig tegenover ben geweest"; om over Augustinus en Kierkegaard maar te zwijgen).
[2] De indeling in een eerste en tweede cohort van existentialisten heb ik uit: Casewell, Deborah, Monotheism and Existentialism, Cambridge, 2022.
[3] Voor nogal wat mensen is dit existentialisme 3.0 onverteerbaar. Het is -zeker als je het vergelijkt met het al dan niet verholen christelijke optimisme van eerdere existentialisten- een soort nihilisme naar de letter. Zo zie ik het echter niet: ik zie dit existentieel naturalisme juist als een uitstekend uitgangspunt voor het bouwen van een optimistische visie. Ons verstand is beperkt en 'voorgevormd' door de natuur, waaruit -volgens ditzelfde verstand- volgt dat in abstracto alles mogelijk is. Wij kunnen immers in dat geval aan de werkelijkheid geen beperkingen opleggen (want ons verstand is ten opzichte van de werkelijkheid beperkt). De uitdrukking 'dit kan onmogelijk waar zijn!' verliest haar betekenis in het domein van de (gehele) werkelijkheid (maar natuurlijk niet in het terrarium waar de wandelende tak resideert).
[4] Zie: Yon, D., Een truc van de geest, atlas contact, 2025.
maandag 13 juli 2026
Kindsdolheid (naschrift)
Er is geen groter voorbeeld van gerechtigheid dan Nietzsches dwaasheid. Ik verkneukel me als ik bedenk hoe hij, in één van de sombere kamers van Elizabeth's huis, als een kwijlend, jammerend dier de laatste dagen van zijn leven heeft gesleten.
Had de mens een ziel en zou men deze ziel buiten het lichaam kunnen brengen, dan kan ik me geen groter genoegen voorstellen dan op de ziel van Nietzsche te trappen en te stampen, net zo lang totdat daar weinig anders van over is dan een droog, op de straatstenen uitgesmeerd mengsel van bloed en gal.
Het feit dat Nietzsche wordt beschouwd als een groot filosoof, alhoewel hij weinig meer was dan een verward, overgevoelig kind, is een van de ergste vernederingen die elke filosoof -althans, de filosoof die zijn ambt ernstig neemt- moet slikken.
Wie is Nietzsche, wat is Nietzsche? Een bangelijk mannetje dat de dood van zijn vader -een Luthers predikant- op wie hij zeer gesteld was, niet heeft kunnen verwerken; een mensje dat, belemmerd door zijn kinderlijke aard, niet heeft kunnen bevatten dat de mens een geëvolueerd dier is en niet door God geschapen; een ziekelijk geval van ongeneeslijke kindsheid (kindsdolheid).
Heel zijn leven is deze mens -ecce homo- blijven klagen over het verlies van God, 'de vader'. Van de weeromstuit heeft hij de mens willen zien als een dier dat het leven bij de ballen grijpt en het leven ten volle leeft- maar ook dit Dionysische ideaal is niets minder dan een kinderlijke voorstelling, nauwelijks ernstig te nemen, en in het leven van alledag niet na te leven.
Hoe weinig samenhangend de gedachten van dit mensenkind waren is gemakkelijk vast te stellen: hij was niet in staat om proza te schrijven met een samenhang langer dan tien pagina's. Gedachten die deze lengte te boven gingen ontglipten hem; niets dan losse invallen kreeg deze eeuwige onvolwassene op het papier; elke nieuwe gedachte kwam uit zijn pen als de weerlegging van een vorige gedachte. Zijn oeuvre is doorspekt met tegenspraak. Bij sommige filosofen is de tegenspraak een stijlmiddel, dat diepzinnigheid suggereert, maar bij Nietzsche is het eenvoudigweg domheid, kortzichtigheid, het resultaat van een geëxalteerde geest die altijd heen en weer geslingerd wordt tussen pathologische angst en kinderlijke overmoed.
Het ligt eenvoudigweg in de lijn der verwachting dat iemand die kinderlijk is en kinderlijke gedachten heeft tenslotte eindigt als een kinds geworden volwassene: Nietzsche's dwaasheid is de verwezenlijking van het ideaal waar Nietzsche zo dwangmatig naar zocht, namelijk de terugkeer naar zijn kindertijd, toen vader God nog regeerde vanuit de hemel- en zag dat alles goed was.
------
Naschrift: Nietzsche is het toonbeeld van een 'evocatief' filosoof. Hij is een uitmuntend schrijver die mensen voornamelijk overhaalt naar zijn standpunt door zijn stilistische kwaliteit. Hij bespeelt alle toonaarden van de taal. Hij schuwt zelfs de tirade en scheldkannonade niet. Het is echter de vraag of we hier niet sterker te maken hebben met een filosoferende literator dan met een filosoof die goed schrijven kan. Hoe dan ook, wie zijn inzichten met de brille van een schrijver over het voetlicht kan brengen, spreekt de mensen gemakkelijk aan en dringt beter tot hen door. De evocatieve kracht van de taoisten, van Plato, van Nietzsche, van Schopenhauer is zelf part en deel van de argumenten die ze aanvoeren. Je kunt je afvragen of dit vals spel.
zondag 12 juli 2026
Evocatief
maandag 6 juli 2026
Evolutionaire archeologie
donderdag 2 juli 2026
Uitgebeend
woensdag 1 juli 2026
God, per definitie
zondag 28 juni 2026
Goed en kwaad
zaterdag 27 juni 2026
Misverstanden 2.0 (aanvulling)
Regelmaat
Een van de quantum-raadsels is dat deeltjes, als je ze meet, zich voordoen als kogeltjes (Robert Dijkgraaf noemt het geen kogeltjes, maar pingpongballetjes, zie: zijpaneel); maar als je ze niet meet worden ze stroperig.
Vaak wordt het woordje 'meten' vervangen door 'kijken'. Dus: als je wel kijkt zijn het deeltjes, als je niet kijkt is het stroop.
Hoe is dat mogelijk?
Een kogeltje/pingpongballetje is unilokaal (het is een ding), stroop is multilokaal (het is een dikke vloeistof).
Een atomair deeltje kan dus unilokaal of multilokaal zijn (waarbij multilokaal betekent: schijnbaar op meerdere plaatsen tegelijktertijd).
Schijnbaar? Ja, schijnbaar. Want het hangt van je interpretatie/lezing af of het deeltje inderdaad multilokaal is. Je hebt onder de natuurkundigen realisten en niet-realisten.
Volgens Bohr en Heisenberg is een niet-realistische opvatting de beste: de quantum-formules zijn niets anders dan instrumenten die hun werk doen. Wie met een zeis de grasmat maait kan niets zeggen over de samenstelling van de grasmat: de zeis zegt ons niet of er klaver, paardebloem, raaigras of brandnetel gemaaid wordt, de zeis maait slechts- en dat doet de zeis uitstekend. Zo zeggen de qm-formules ons niets over de werkelijkheid, ze voorspellen slechts hoe de meting zal uitpakken. En dat doen de qm-formules uitstekend.
Bohr is inmiddels gestorven, Heisenberg is gestorven en ook alle andere 'kopenhaagse' fysici zijn dood.
Hedendaagse fysici kunnen niet zo goed uit de voeten met de 'kopenhaagse' interpretatie. Wat heb je aan een natuurkundige theorie als deze je niets zegt over de werkelijkheid? Je wilt toch weten hoe de 'echte' wereld in elkaar steekt?
Geen enkele 'realistische' lezing echter maakt begrijpelijk hoe de werkelijkheid 'echt' in elkaar steekt. We begrijpen eenvoudigweg niet hoe een 'iets' zowel unilokaal als multilokaal kan zijn. (Letterlijk zeggen fysici dan ook dat qm ons idee van 'lokaliteit' op losse schroeven zet).
Welnu, wat je wel zeker weet is dat de natuur regelmatig is (zou ze dat niet zijn, dan zou je helemaal geen vergelijkingen waarmee je kunt rekenen kunnen opstellen). Je weet -het is een regelmatigheid- dat deeltjes unilokaal zijn als je kijkt en multilokaal als je niet kijkt. Je snapt niet waarom dit zo is, maar je weet wel dát dit zo is (je hoort het Dijkgraaf verschillende malen zeggen: we snappen het niet, maar we kunnen er wel mee werken).
Waarom stel je je dan niet tevreden met het inzicht dat de werkelijkheid bestaat uit een verzameling wetmatigheden?
In het dagelijkse leven weet je dat bepaalde mensen een 'gebruiksaanwijzing' hebben (je slaat in de klas tegen de ene leerling een andere toon aan dan tegen de andere leerling). Je weet niet precies hoe het toegaat in het brein van deze mensen, maar je weet wel dat ze van slag raken als je te streng of juist niet streng genoeg bent. Het punt is dat we aan de gebruiksaanwijzing genoeg hebben om te weten wat we moeten doen.
Waarom zouden we dan aan de formules van qm (gebruiksaanwijzing) niet genoeg hebben om te weten hoe we met de werkelijkheid moeten omgaan?
Uiteindelijk heeft de evolutie ons zo ingericht dat we ons, dankzij onze vaardigheid om de juiste handeling uit te voeren op het juiste ogenblik [waarbij geldt: better safe than sorry]), kunnen handhaven in een wereld van fatbikes, opgevoerde e-bikes, obese-auto's (die nauwelijks nog door de straatjes van Utrecht kunnen rijden), getergde gemotoriseerde bakfiets vaders-en-moeders, electrische stepjes, brommers en één zwoegende, oudgeworden filosoof op een gewone ouderwetse trap-fiets (de arme ziel: het mannetje draagt notabene een helm in het verkeer).
In deze melee van gevaren heb je alleen de regelmaat van de verkeersregels om je op de been te houden.
Waarom zou het dan voor wat betreft onze omgang met de natuur anders zijn: het enige wat we hoeven 'op te pikken' is de regelmaat, want die stelt ons in staat om te weten hoe we moeten handelen.
De natuur zelf is een metafysische toestand die ons ruimschoots boven de pet gaat.
Ik geloof zelfs niet dat de verzameling wetmatigheden die we bijeengaren volledig (compleet) is. Het is een willekeurige verzameling en wel omdat onze denkwijze op zich al berust op twee willekeurige wetten (of principes).