Als je snel wilt weten hoe goed iemand is ingevoerd in de filosofie, dan moet je hem, zo tussen neus en lippen door, eens wat vragen stellen over Quine: beslist één van de belangrijkste filosofen van de vorige eeuw.
De kans is groot echter dat je gesprekspartner de vragen over Quine niet naar behoren kan beantwoorden.
Eén van de meest ingenieuze lezingen over het belang van de basiswetten is van zijn hand.
Quine beredeneerde dat het onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen niet te verdedigen is. Het onderscheid tussen logische en empirische (noodzakelijke en contingente) oordelen is kunstmatig. Al onze oordelen (overtuigingen, inzichten, meningen, 'proposities') worden op één en dezelfde manier gerechtvaardigd.
[Iets technischer gezegd: men meende dat logische en wiskundige beweringen 'a priori' worden gerechtvaardigd en empirische (psychologische en fysische) oordelen 'a posteriori'. Volgens Quine echter wordt de geloofwaardigheid van de gehele theorie, dat wil zeggen: het weefsel van alle overtuigingen, in de praktijk (dat is 'a posteriori') op de proef gesteld].
Hoe rechtvaardig je je oordelen volgens Quine? Wel, je maakt van je overtuigingen een samenhangend verhaal. Je verhaal is een amalgaam van logische, theoretische en praktische overtuigingen: je plakt al deze oordelen van verschillende kwaliteit zo aan elkaar dat het geheel voor jou acceptabel/bruikbaar is.
Vergelijk het met voetbal. Hoe stelt een trainer zijn beste elftal samen? Door de beste verdedigers, de beste middenvelders en de beste aanvallers in het veld te brengen. Het is echter niet noodzakelijk om verdedigers, aanvallers en middenvelders strikt gescheiden taken en opdrachten te geven: een aanvaller kan ook meeverdedigen en een middenvelder of verdediger kan ook aanvallen. De trainer zoekt naar de beste balans in het elftal.
Hoe ontdek je wat de beste balans is: wel, dat zijn de elf spelers én hun speelwijze die de test -een wedstrijd of een competitie- goed doorstaan.
De trainer kan experimenteren: hij zou de aanvallers eens in de verdediging kunnen zetten en de verdedigers op het middenveld en de middenvelders in de aanval. De kans is groot echter dat hij dan wedstrijden verliest. De 'test' zal uitwijzen hoe verstandig het is om het elftal 'om te gooien'.
De trainer zou zelfs eens kunnen proberen om zonder keeper te spelen. Wellicht dat een troep van elf woest aanvallende spelers de tegenstander kan overrompelen. De kans dat hij dan wedstrijden verliest is echter groot: zelfs de minste tegenstanders weten wel raad met een leeg doel. Het is dus niet verboden om zonder keeper aan te treden, maar deze ingreep is te riskant: geen elftal zal zonder keeper spelen.
Je spits kun je wel vervangen door een verdediger: als je een voorsprong wilt verdedigen is dat misschien verstandig.
Op soortgelijke manier denkt Quine over theorieën. Je mag alle overtuigingen in een theorie veranderen. Je mag de logische wetten wegsnijden, je mag onze ideeën over de zwaartekracht in de wind slaan, je mag het bestaan van de Olympische goden invoeren, zolang je 'verhaal' maar niet in de problemen komt. In de wetenschappelijke (en praktische) praktijk is het niet zo verstandig om de zwaartekracht af te schaffen en het bestaan van de Olympische goden in te voeren. Een dergelijke stoutmoedige theorie past niet goed in het huidige wetenschappelijke raamwerk. Maar in theorie heeft een wetenschapper de vrijheid om dat wel te doen. (Wellicht is Paul Feyerabend na lezing van Quine op het idee gekomen dat wetenschap een 'anarchistische' bezigheid behoort te zijn: alle inzichten kunnen van belang zijn, van astronomie tot astrologie).
[Iets technischer gezegd: dit is de beroemde Quine-Duhem stelling: je kunt een theorie uitsluitend als 'volledig verhaal' testen: alle praktische, theoretische en logische inzichten tellen mee. Dat rijke palet aan verschillende soorten inzichten maakt het vrijwel altijd mogelijk om een theorie te verdedigen. Immers, een wetenschapper kan, na een mislukte experiment, de 'schuld' toeschrijven aan een minder belangrijk inzicht in de theorie: dan blijven de belangrijke inzichten van de theorie behouden. Je hoort ook trainers deze Quine-Duhem stelling toepassen: dat de wedstrijd verloren is lag aan de scheidsrechter, aan de VAR, aan de afwezigheid van de sterspeler, aan de keeper die zijn dag niet had, maar niet aan het elftal als zodanig: het elftal als geheel blijft een goed team- de trainer ziet daarom geen noodzaak om drastische maatregelen te nemen na het verlies. Je begrijpt nu ook waarom Poppers 'falsificationisme' niet werkt: een wetenschapper hoeft zijn theorie niet af te schaffen na één cruciaal experiment.]
Waarom staan nu de twee basiswetten van de logica nog steeds in elke fysische theorie? Om de eenvoudige reden dat je 'de wedstrijd' geheid verliest als je de basiswetten weglaat. Zoals je ook geheid verliest als je geen keeper opstelt. We weten niet of deze basiswetten 'absoluut' waar zijn, we weten niet of ze door 'God' zijn ingesteld, we weten niet of ze 'neurologisch' noodzakelijk zijn, maar we weten wel dat we cognitief in de problemen raken als we onze verhalen over de werkelijkheid niet logisch ordenen.
Een trainer die een sterk elftal heeft is dwaas als hij dit elftal volledig 'omgooit'. Hij zou uitsluitend de speler die een blessure heeft moeten vervangen; ook kan hij eens proberen om een jonge veelbelovende speler het veld in te sturen. De 'basis-elf' echter laat je in principe staan. Quine geeft soortgelijke raad aan wetenschappers: het principe van 'minimal mutilation' zegt dat je een verhaal, als je redenen hebt om er aan te sleutelen, zo zuinig (minimaal) mogelijk moet aanpassen. Het principe van 'minimal mutilation' maakt duidelijk waarom we de basiswetten blijven opnemen in onze verhalen en theorieën over de werkelijkheid: wie ze weglaat verandert de orde van het hele verhaal, je haalt er de hele theorie mee overhoop.
De ideeën van Quine zijn de aanleiding geweest in de filosofie van de logica om de logische wetten op een volstrekt nieuwe manier te bekijken (het huidige debat tussen de 'exceptionalisten en anti-exceptionalisten' is de vrucht van Quine's werk: ik zal hier in een eventuele volgende bijdrage wel eens over berichten). Als we daar dan ook bij optellen dat Quine de 'godfather' is van het naturalisme, inmiddels de meest invloedrijke stroming in de epistemologie, dan zie je vermoedelijk wel in waarom zijn werk -onder filosofen- hoog in aanzien staat.
----
Helaas zijn er geen goede Nederlandstalige inleidingen over het werk van Quine. Het werk van Quine wordt eenvoudigweg niet gemakkelijk begrepen. Hij komt ook niet voor in de schoolboeken- terwijl zijn werk niet van minder belang is (vermoedelijk zelfs van groter belang) dan dat van Kuhn en Popper (het werk van Popper is deels achterhaald; Kuhn heeft overduidelijk leentjebuur gespeeld bij Quine). Quine heeft eigenlijk alleen maar artikelen geschreven- en nooit een toegankelijk boek voor het grote publiek. Hij schreef één boek (Word and Object), maar dat is dan juist weer een tamelijk technisch werk. Zijn bekendste artikel is 'Two dogma's of empiricism'.