Het is vrijwel onmogelijk voor ons om te bepalen wat we niet kunnen weten: we zijn blind voor onze eigen blindheid.
Ons brein is niet ingericht door de natuur met tal van faculteiten die ons leren wat we niet weten, maar juist met faculteiten die de nabije wereld in kaart brengen en ons -gegeven een bepaald inzicht- aansporen om zus of zo te handelen.
Weten dat je niet alles weet is een cognitieve vaardigheid van de tweede orde.
We weten bijvoorbeeld dat er een tijd was dat mensen niet wisten dat microben bestaan. Maar wetenschap en techniek hebben aangetoond dat microben wél bestaan (en dat de bouw van deze onzichtbare diertjes verbluffend is: zo kunnen deze 'levende eiwitten' over een echte rotatie-motor beschikken).
We geloven daarom dat we onze onwetendheid systematisch kunnen verkleinen. We weten inmiddels veel meer over de wereld dan pakweg vijftig jaar geleden; we vermoeden daarom dat we over pakweg vijftig jaar meer zullen weten dan vandaag.
De onwetendheid omtrent zeer grote en zeer kleine zaken is praktisch: met nieuwe technieken kun je steeds grotere en steeds kleinere dingen bekijken en meten.
De vraag die filosofen bezig houdt is of er behalve praktische grenzen ook een principiële grens is aan wat wij kunnen weten.
Is er een principiële grens, dan weten we niet slechts dat we niet alles weten, maar dan weten we dat we niet alles kunnen weten.
Je kunt de zaken die je principieel niet kunt weten niet even helder en duidelijk achter elkaar op een rijtje zetten. Alleen een machine of wezen dat ons kwalitatief in kennis overtreft zou daar toe in staat zijn.
Als je veronderstelt dat ons brein een machine is, met een bepaalde werking, dan zou je uit de manier waarop de machine werkt kunnen afleiden wat de machine niet zal kunnen. Vergelijk dit met ons oog: je kunt uit de werking van ons oog afleiden wat we niet kunnen zien (maar wel kunnen meten). Over de werking van het brein kunnen we pas met zekerheid iets zeggen als de breinologen hun onderzoek hebben afgerond.
Nu is de mens op aarde misschien geen 'blijvertje'. We maken ons zelf het bestaan onmogelijk. De gedachte dat mensen ooit op vreedzame wijze zullen samenleven is een utopie. We kunnen op dit ogenblik niet in de verre toekomst kijken (dit is een vorm van praktische onwetendheid, niet van principiële onwetendheid), maar we zijn nu goed in staat om de mogelijke toekomst van de mens in modellen weer te geven; we kunnen bovendien aan deze modellen een bepaalde waarschijnlijkheid toekennen; we kunnen bovenal met grote zekerheid bepaalde modellen uitsluiten. (Modale logici zeggen dan: er zijn geen 'wegen' vanuit onze wereld naar die 'toekomst').
Van principiële onwetendheid ten aanzien van een toestand, structuur of object spreken we als we zelfs niet in staat zijn om te zeggen welke mogelijkheden uitgesloten zijn. Anders gezegd: als we weten dat we ten aanzien van bepaalde toestanden, structuren of objecten principieel onwetend zijn, dan is elke bewering over een bepaald principieel onkenbaar object zo goed als elke andere bewering.
Stel nu dat er tenminste één principieel onkenbaar object bestaat (merk op: we kunnen principieel niet weten of dit object voorkomt in de werkelijkheid): dan kun je afleiden dat het Goede bestaat: want de ene bewering over een principieel onkenbaar object is zo goed als de andere [1].
Kortom, louter en alleen uit het feit dat het mogelijk is dat wij principieel onwetend zijn, kun je afleiden dat het geloof in het Goede (het geloof in een goede God) gegrond is.
Waarom is dit zo? Wel, als je principieel onwetend bent, dan is de werkelijkheid principieel vreemder dan je kunt beseffen: er is dan in de werkelijkheid méér te beleven dan jij kunt uitsluiten en dat rechtvaardigt de introductie van God (of het Goede) [2] [3].
-------
[1] Dit is, heel eenvoudig, een variatie op het bewijs uit het ongerijmde. Intuïtief is het zo dat als je principieel niet kunt bepalen wat er aan de hand is, dat je dan letterlijk rekening moet houden met 'alles': je kunt de werkelijkheid niet overzichtelijk maken door bepaalde zaken weg te strepen. De wereld is dan vreemder zelfs dan wij kunnen bevatten. (Ons brein houdt de wereld logisch en overzichtelijk door verbindingen te snoeien: de verbindingen die vaak aanstaan, blijven behouden ('use it or loose it', dit is een variatie op de zogenaamde Hebb-regel), de verbindingen die meest uitstaan gaan (tenslotte) verloren. Als je heerlijk diep slaapt, dan worden de 'zwakke' verbindingen weggeknipt en opgeruimd (het snoeiafval wordt letterlijk weggespoeld: daarom kun je de volgende dag weer helder denken). Een principieel onkenbare realiteit laat zich echter niet beknotten door ons geordende, rationele brein. Het is een realiteit waarin alle absurde en vreemde objecten voor ons verstand 'te grabbel' liggen: je kunt het object dat je goed kunt gebruiken in je wereldbeeld opnemen- en alle andere objecten laat je liggen: die spelen dan in jouw beeld van de wereld geen rol).
[2] Je kunt hier ook uit afleiden dat er een kwaadaardige God bestaat of dat God een (principieel onkenbaar) kaneelstokje is. Het punt is dat zulke afleidingen de principiële vreemdheid van de werkelijkheid erkennen en niet ontkennen: ze gelden daarom niet als een weerlegging voor het geloof in God. Bovendien draagt de overtuiging dat God bestaat bij aan ons welbevinden; de overtuiging dat God een kaneelstokje is evenwel heeft weinig tot geen nut (hooguit is deze afleiding geschikt voor iemand die er persé op uit is om theïsten te plagen).
[3] De wereld is principieel onkenbaar; God is een principieel onkenbaar 'object'; je kunt het bestaan van principieel onkenbare objecten niet uitsluiten; je kunt elk principieel onkenbaar object opnemen in je wereldbeeld (zo lang dit geen conflicten oplevert).
[4] Dezelfde redenering voor kinderen tot 16 jaar: stel je voor dat je in een toverpaleis bent; in het paleis zijn veel kamers; van sommige kamers kun je de deur openen en naar binnen gaan; van andere kamers kun je de deur niet openen (het is dus niet mogelijk om alle kamers te bezoeken); stel je nu voor dat je één kamer ontdekt in het paleis die toegang geeft tot alle kamers: dan is elke kamer tóch toegankelijk; vanuit die kamer kun je dan ook de deur van een kamer openen waarin God verblijft.