In de filosofie van de logica richt het onderzoek zich vooral op de vraag 'hoe kunnen we logische stelsels en wetten rechtvaardigen'?
Je hebt nu -ze zijn in onze eeuw ontstaan- twee 'smaken' of 'stromingen: het exceptionalisme en het anti-exceptionalisme.
Volgens de exceptionalist zijn logische stelsels en wetten fundamenteel. Onze kennis berust op een 'fundament' van logica. Het exceptionalisme maakt het echter moeilijk om de logica te rechtvaardigen, want je kunt haar (i) niet afleiden uit kennis die nóg fundamenteler is (sterkere kennis) en je kunt haar (ii) niet afleiden uit andere vormen van kennis, want die zijn minder fundamenteel (zwakkere kennis). Je kunt logica dus niet empirisch bewijzen: logica laat zich niet 'waar nemen' (bovendien: waarnemen is een cognitieve taak, uitgevoerd door een logisch geordend verstand: het is een circulaire procedure zijn).
De exceptionalist moet daarom op zoek naar 'exceptionele' kennis/inzicht om de logica te rechtvaardigen. De rationalist meent nu dat we 'intuïtief' kunnen weten dat de bewering 'contradicties zijn onmogelijk' waar is; de semanticist denkt dat de waarheid van logische uitdrukkingen semantisch wordt bepaald (voorbeeld: het is onmogelijk dat p waar en onwaar is, want dat volgt uit de betekenis van de woorden 'onmogelijk', 'en', 'waar' en 'onwaar'). De semanticist meent dat logica een matrix is waarin de betekenissen keurig bij elkaar passen (merk op: 'keurig bij elkaar passen' is zelf al een logische notie!).
De anti-exceptionalist vindt dat de exceptionalist de lat te hoog legt. De anti-exceptionalist stelt voor om de logica op te vatten als een 'gewone' wetenschap. Logici zijn wetenschappers die de meest algemene eigenschappen van de werkelijkheid onderzoeken [Williamson, Sher]. Je kunt de verschillende logische stelsels, klassiek en deviant, opvatten als theorieën die de meest algemene kenmerken van de werkelijkheid proberen te verklaren (dat kan 'abductief' en 'predictief'; abductie wil zeggen dat je logische stelsel de wereld begrijpelijk maakt, predictief wil zeggen dat je logische stelsel bepaalde inzichten op betrouwbare wijze afleidt uit aannames (als x het geval is, dan kun je y verwachten)).
De anti-exceptionalist wil de logica in ieder geval bevrijden van haar transcendente, universele karakter. Het beeld dat de werkelijkheid een universele logische structuur heeft, waar later de empirische feiten overheen gedrapeerd zijn, is hem al te 'esoterisch'.
Het naturalisme van Penelope Maddy past goed in dit anti-exceptionele 'sentiment'. Zij meent dat,
"logic is grounded in the structure of our contingent world, our cognitive machinery is tuned by evolutionary pressure to detect that structure where it occurs (Maddy, The Logical Must)" / Lees ook: a plea for natural philosophy: a second philosophy of logic).
Dus: logica is niet de fundamentele, noodzakelijke grondslag van de contingente werkelijkheid, maar -omgekeerd- logica is de structuur die stoelt op de contingente structuur van de werkelijkheid (met andere woorden: logica is niet noodzakelijk, maar contingent). Bovendien merken we de logische structuur alleen op 'where it occurs'. Het voordeel van dit anti-exceptionalisme is dat het beter past bij de evolutie van de mens/verstand. Het exceptionalisme daarentegen is maar lastig te rijmen met darwins gedachtegoed. Want hoe is het inzicht dat wij over buitengewone cognitieve vermogens beschikken die het mogelijk maken om 'zomaar' -op magische wijze- de structuur van de gehele werkelijkheid te doorgronden te rijmen met de evolutie van het verstand?
Het logische gevolg van het anti-exceptionele standpunt is dat we moeten toegeven dat de werkelijkheid niet klassiek geordend is: we hebben daarom een andere logica nodig om de gehele werkelijkheid te beschrijven. Deviante logische stelsels voorzien hier in.
Het probleem is echter dat de werkelijkheid in onze 'cognitieve binnenkamer' wel logisch geordend is (our cognitive machinery is tuned by evolutionary pressure to detect that structure where it occurs). Wij hebben noodzakelijkerwijs vooral oog voor de klassieke structuur van de werkelijkheid.
De verklaring voor onze pre-occupatie met klassieke logica is simpel: ons lichaam is een logisch werkend apparaat en ons verstand heeft zich ontwikkeld om dit apparaat te bedienen. Een lichaam is een object en moet als een object opereren- en het verstand moet al deze operaties op 'objectieve' wijze beurtelings aan- en uitzetten: een andere werking is niet vruchtbaar.
Maddy noemt als belangrijkste contingente eigenschappen die onze logische denkwijze gevormd hebben: (1) een object kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn; (2) twee objecten kunnen niet tegelijk op één plaats zijn; (3) een object dat zich verplaatst beweegt langs één continu traject. De twee formele klassieke wetten geven inderdaad precies dit soort simpele inzichten weer (je lichaam kan niet handeling p én handeling niet-p verrichten; je moet óf handeling p kiezen of handeling niet-p). [Nota bene: natuurlijk heeft de natuur ons niet uitgerust met een formele logica: de formele logische wetten zijn constructies achteraf van pre- of protologische neurale structuren.]
Klassieke logica is in essentie weinig meer dan een soort primitief besturingssysteem. Het is bovendien een systeem dat ons gehele wereldbeeld bepaalt (en ons het zicht op andere mogelijkheden grotendeels ontneemt). De overtuiging dat er één gesloten werkelijkheid is, is één van de krachtigste 'illusies' van dit denksysteem (ironie: zelfs de gedachte dat er 'illusies' en 'waarheden' bestaan is een klassieke constructie).
Ons logische besturingssysteem maakt het lastig, zo niet onmogelijk, om stelselmatig on-logisch (deviant) te redeneren. Greep op een andere werkelijkheid dan die ons voorgespiegeld wordt door ons klassieke verstand zullen wij daarom wel niet krijgen. Maar we kunnen wel een glimp van de wijde, deviant geordende werkelijkheid opvangen door de logische wetten -dit is zelf een klassieke logische operatie- te ontkennen. Een ware contradictie proberen te doorgronden is voor ons klassieke brein al een groot avontuur...