maandag 13 juli 2026

Kindsdolheid

Er is geen groter voorbeeld van gerechtigheid dan Nietzsches dwaasheid. Ik verkneukel me als ik bedenk hoe hij, in één van de sombere kamers van Elizabeth's huis, als een kwijlend, jammerend dier de laatste dagen van zijn leven heeft gesleten. 

Had de mens een ziel en zou men deze ziel buiten het lichaam kunnen brengen, dan kan ik me geen groter genoegen voorstellen dan op de ziel van Nietzsche te trappen en te stampen, net zo lang totdat daar weinig anders van over is dan een droog, op de straatstenen uitgesmeerd mengsel van bloed en gal.

Het feit dat Nietzsche wordt beschouwd als een groot filosoof, alhoewel hij weinig meer was dan een verward, overgevoelig kind, is een van de ergste vernederingen die elke filosoof -althans, de filosoof die zijn ambt ernstig neemt- moet slikken.

Wie is Nietzsche, wat is Nietzsche? Een bangelijk mannetje dat de dood van zijn vader -een Luthers predikant- op wie hij zeer gesteld was, niet heeft kunnen verwerken; een mensje dat, belemmerd door zijn kinderlijke aard, niet heeft kunnen bevatten dat de mens een geëvolueerd dier is en niet door God geschapen; een ziekelijk geval van ongeneeslijke kindsheid (kindsdolheid).  

Heel zijn leven is deze mens -ecce homo- blijven klagen over het verlies van God, 'de vader'. Van de weeromstuit heeft hij de mens willen zien als een dier dat het leven bij de ballen grijpt en het leven ten volle leeft- maar ook dit Dionysische ideaal is niets minder dan een kinderlijke voorstelling, nauwelijks ernstig te nemen, en in het leven van alledag niet na te leven.

Hoe weinig samenhangend de gedachten van dit mensenkind waren is gemakkelijk vast te stellen: hij was niet in staat om proza te schrijven met een samenhang langer dan tien pagina's. Gedachten die deze lengte te boven gingen ontglipten hem; niets dan losse invallen kreeg deze eeuwige onvolwassene op het papier; elke nieuwe gedachte kwam uit zijn pen als de weerlegging van een vorige gedachte. Zijn oeuvre is doorspekt met tegenspraak. Bij sommige filosofen is de tegenspraak een stijlmiddel, dat diepzinnigheid suggereert, maar bij Nietzsche is het eenvoudigweg domheid, kortzichtigheid, het resultaat van een geëxalteerde geest die altijd heen en weer geslingerd wordt tussen pathologische angst en kinderlijke overmoed.

Het ligt eenvoudigweg in de lijn der verwachting dat iemand die kinderlijk is en kinderlijke gedachten heeft tenslotte eindigt als een kinds geworden volwassene: Nietzsche's dwaasheid is de verwezenlijking van het ideaal waar Nietzsche zo dwangmatig naar zocht, namelijk de terugkeer naar zijn kindertijd, toen vader God nog regeerde vanuit de hemel- en zag dat alles goed was.

zondag 12 juli 2026

Evocatief

Het existentialisme van Simone en Jean-Paul -althans, dat vermoed ik- is zo populair geworden omdat ze hun filosofie aanboden als romans en toneelstukken. Niet omdat Jean-Paul stierf als een dwaas, de luiers volgepoept (het gevolg van royaal drank'gebruik').

Amerikaanse non-fictie schrijvers weten goed dat je elk hoofdstuk moet openen met een geschiedenis of anecdote over opmerkelijke mensen. Wie een lezing geeft over de boekhouding van een fabriek die wc-papier produceert, moet openen met een anekdote over iemand die op akelige wijze stierf bij gebrek aan wc-papier.

Existentiële wijsheden moet je verpakken in verhalen: alleen dan komen ze over; alleen dan worden je inzichten aanvaard.

Als er één groep filosofen is die uitstekend begrepen heeft dat je gedachten en wijsheden door middel van verhalen onder de aandacht moet brengen, dan zijn dat wel de taoisten.

Ik heb een willekeurig verhaaltje uit hun enorme voorraad narratieve wijsheden gevist.

"De wijze Tan zat voor zijn grot. Hao, die er dagenlang over deed om de steile wand van de berg te beklimmen, kwam voor hem staan.
'Meester', zei Hao, 'leer me wat wijsheid is.'
'Verdwijn', zei de wijze Tan. 'Klauter langs de bergwand weer naar beneden.'
'Meester', zei Hao, die zich niet liet wegjagen, 'zeg mij eerst wat wijsheid is.'
Maar Tan deed er het zwijgen toe.
Na drie dagen kreeg Hao dorst en honger en hij begreep dat hij dan terug moest naar het dal.
Meester Tan is inmiddels gestorven; hij werd precies honderd-en-één jaar oud.
Gisteren kwam ik Hao tegen- zijn zwarte haar is grijs en zijn ogen zijn zwak.
'Hao', vroeg ik, 'wat heeft meester Tan je geleerd?'
'Meester Tan', zei de oude Hao, 'leerde mij mijn levensles: wijsheid vind je in je eigen levenswandel: je krijgt haar van geen ander, ook niet van de wijzen.'

Een wijsheidsnarratief heeft een kwaliteit die onmiddellijk overtuigt. In ieder geval zetten deze verhaaltjes je aan het denken. 

De oude Peter zat voor zijn kleine huis en rookte een sigaret. Jansen kwam langs rijden en stopte. Hij opende het portier.
'Zeg Peter', zei Jansen, 'is dat nu wijs wat je doet. Je bent een leraar, maar rookt een sigaret en alle kinderen kunnen het zien. Zullen ze dan niet denken: als de leraar rookt, dan kan roken geen kwaad?'
Peter gaf geen antwoord. Tevreden rookte hij zijn sigaret. Hij keek naar Jansen niet om.
Jansen, geërgerd door Peters zwijgen, sloot het portier en reed weg.
Peter is inmiddels gestorven. Hij werd precies honderd-en-één jaar oud.
In het dorp kwam ik onlangs Jansen tegen.
'Peter was een wijs man', zei Jansen, 'hij deed alsof ik lucht voor hem was. Maar nu, jaren later, begrijp ik hem: laat roken wie roken wil. Ieder mens heeft zijn eigen levenswandel.'

Tot slot nog één verhaaltje.

'Over tien jaar hebben we kennis van de hele wereld!', zei Jonas.
'Zo', zei Peter.
'Ons verstand', zei Jonas. 'brengt ons naar de verste sterren, draagt ons over de grootste afstanden, tilt ons over de hoogste drempel.'
'Oh', zei Peter, 'ik zie het...'
Peter schudde noten in een schaal; walnoten, hazelnoten, tal van soorten.
Jonas schoof een hazelnoot in de bek van de notenkraker. De harde schil kraakte en brak overdwars.
Vervolgens brak Jonas een walnoot; daarna een paranoot.
Toen gaf Peter hem een kiezelsteen.
'Kraak deze steen', zei Peter.
Verwonderd keek Jonas hem aan.
'Nee', zei hij, 'met een notenkraker kun je geen stenen kraken. Geen gerei is er waarmee ja elk karwei kunt klaren.'
Peter keek hem aan.
'Waarom', vroeg Peter, 'denk je dan dat ons verstand gerei is waarmee je alles kunt begrijpen?'

Ach, het schiet me nu zo te binnen: is het niet zo dat Plato al zijn inzichten opschreef als toneelstukjes, dialogen?

maandag 6 juli 2026

Evolutionaire archeologie

Patricia en Paul Churchland hebben een tamelijk eenvoudige kijk op cognitie: alles wat je denkt is te herleiden tot wat de hersenen kunnen denken. Vermoedelijk ben jij niet in staat om het lineair A te lezen- en daar is een goede reden voor: je hebt het lineair A nooit leren schrijven. Het lineair A kwam nooit in je brein terecht. 

'Breinologen' hebben modellen ontwikkeld die hen in staat stellen om aan de hand van de bouw en de grootte van een brein af te leiden welke vaardigheden een dier heeft. Als bijvoorbeeld de voorkant van een brein ('prefrontale cortex') niet sterk ontwikkeld is, dan zal een dier niet goed kunnen 'plannen' (organiseren). 

In het boek 'an introduction to evolutionary cognitive archeology', van Wynn en Coolidge, wordt het verband tussen vaardigheden en breinen grondig onderzocht. Aan de hand van gevonden schedelresten kunnen deze evolutionair archeologen min of meer afleiden wat voor brein er in een schedel heeft gelegen. Vervolgens zijn ze in staat om de vaardigheden van bijvoorbeeld de eerste mensachtigen in kaart te brengen.

Voor een filosoof is dit natuurlijk uitermate interessant. Het lijkt het inzicht te onderschrijven dat de wereld waarin je leeft -je beeld van de wereld- wordt bepaald door de eigenschappen van het brein. Zonder 'kennis-verwerkende-machine' (brein) is het überhaupt zinloos om te spreken over het bestaan van 'de werkelijkheid'. Dit betekent niet dat de werkelijkheid niet bestaat, maar wel dat het brein bepaalt wat je kan weten van de werkelijkheid. Als nu het brein ons beeld van de werkelijkheid bepaalt, dan is een beeld dat onze kennis overtreft eigenlijk niet mogelijk. 

(Vergelijk het met het probleem dat een regisseur heeft als hij een film over de toekomst wil maken: aangezien de toekomstige uitvindingen van de mens nog niet in het brein van de regisseur zitten, kan hij de film niet maken).  

Het betekent dat een organisme met een bepaald brein een bepaald beeld van de wereld heeft. Naarmate het brein evolueert, evolueert ook het beeld van de wereld. Je kunt je daarom de volgende uitspraak wel veroorloven: ander brein, andere wereld. 

Hoe bijvoorbeeld was de wereld van de eerste bipedale mensachtige? 

In zijn wereld kwamen geen virussen, bacteriën, atomen, planeten, sterrenstelsels, irrationele getallen, enz. voor. We kunnen deze lijst met honderdduizenden dingen uitbreiden.

Wil dit zeggen dat irrationele getallen vroeger niet bestonden? Als wij het mogen zeggen, in retrospectief, dan is het antwoord op deze vraag natuurlijk: nee. De irrationele getallen bestonden ook al toen de wereld alleen bezien werd door de ogen van onze verre voorouders. (Maar let wel: niet iedereen zal dit antwoord vanzelfsprekend vinden).

Van de weeromstuit roept dit de vraag op welke zaken wij niet kunnen zien. Welke geheimen en inzichten komen niet in ons wereldbeeld voor? En in hoeverre zijn dit zaken die wij principieel niet kunnen 'zien'? Zaken die ons verstand eenvoudigweg, vanwege de structuur van het brein zelf, niet kan bevatten?

Om daar iets over te kunnen zeggen, moet je de structuur van het brein bestuderen. Ook moet je een model/theorie opstellen van de (vroegste) ontwikkeling van het brein. Wat was de eerste functie van het brein; waarom hadden dieren een brein nodig?

Langzamerhand helt het oordeel van de onderzoekers over naar de overtuiging dat we een brein nodig hadden om ons lichaam te kunnen 'besturen'. Het brein laat de spieren in bepaalde ritmes en patronen (patterning) samentrekken, zodat de spieren het lichaam kunnen verplaatsen (en, in een later stadium, het lichaam verschillende vormen (houdingen) kunnen geven).

Om een ingewikkelde handeling uit te voeren, moet het brein een reeks patronen achter elkaar 'aan- en uit' kunnen zetten, in de juiste volgorde: alleen dan zal een dier het gewenste doel bereiken. 

Redeneren kan nu zijn begonnen als een reeks handelingen die door het brein in de juiste 'als-dan' volgorde geplaatst werden (als ik handeling a doe, dan kan ik handeling b doen). Het spreekt voor zich dat dieren die effectief moeten bewegen handelingen in een bepaalde volgorde moeten uitvoeren.

Wie kan handelen moet iig zijn handelingen rangordelijk kunnen schikken. Het einddoel van de handeling staat hoog in de rangorde van handelingen, terwijl een tussenstap lager staat; het einddoel zal een hogere 'waarde' hebben dan een tussenstap.

Bewegen is dan ook pas effectief als je je handelingen rangordelijk -aan de hand van waarden- en in de juiste volgorde kunt 'plaatsen'. Een vogel die eerst een duikvlucht uitvoert en dan pas kijkt of er ook een prooi is, zal geen succesvolle jager zijn.

We hebben, evenals de mus en de krokodil, het brein van een 'beweger'. We hebben altijd gedacht dat we het brein van een 'denker' hadden, een dier dat altijd waarheid van onwaarheid wil scheiden, maar studie opent ons de ogen en leert ons dat wij niet waarheid van onwaarheid scheiden, maar uitvoerbaarheid van onuitvoerbaarheid.

Een ware, doelmatige redenering is in feite een -voor het lichaam- uitvoerbaar plan. Een redenering die niet consistent is, is ook per definitie niet uitvoerbaar: je kunt zelfs je linkerpink niet tegelijkertijd wel en niet krommen. Het brein kan het lichaam niet zo aan-en-uitzetten ('patterning') dat de pink twee 'vormen' (gestrekt en gebogen) kan hebben. Vandaar dat het brein alle plannen die niet consistent zijn bij voorbaat verwerpt. 

Ach en dat roept de diepzinnige vraag op hoe een geest, een intellect, dat niet ontworpen is om effectief te bewegen, de wereld ziet... 

Of is het onzinnig om je het bestaan van een geest zonder lichaam voor te stellen? Alleen al om vat te krijgen op zulke metafysische vragen is het interessant om ons te verdiepen in het geestesleven van 'transcendente personen': hoe ziet een geest zonder lichaam de werkelijkheid? Kunnen we achterhalen dat een geest zonder lichaam wel/niet kan bestaan? 

Het heeft geen zin om ons zelf als voorbeeld te nemen (maar wel als uitgangspunt): de evolutionair archeoloog kan je zeggen dat wij niet alwetend zijn en dat we niet kunnen bepalen wat de bovengrens van cognitie is.

Het is dan ook paradoxaal: naarmate een stel hersenen geleerder wordt, is het des te reëler dat haar beeld van de werkelijkheid, voor wat betreft inhoud en complexiteit, haar eigen voorstellingsvermogen gaat overtreffen (transcendeert). Een brein moet tot een bepaald peil ontwikkeld zijn om te kunnen zien dat de werkelijkheid zelf 'groter' en 'vreemder' is dan zij kan bevatten.

Om het sjiek en plechtig te zeggen: met haar vermogen om haar eigen denkkracht te betwijfelen overtreft het brein zichzelf.
-----
Kennis is niet altijd een stapeling van steeds dezelfde 'goederen': soms is nieuwe kennis kwalitatief beter. 

Zijn irrationele getallen niet werkelijk kwalitatief anders dan de natuurlijke getallen?

Is het feit dat het brein in staat is om 'tweede orde gedachten' te ontwikkelen niet kwalitatief anders? (Het brein kan zichzelf tot onderwerp nemen). 

donderdag 2 juli 2026

Uitgebeend

"Zoo beent ons vernuft de werkelijkheid naar heure voege uyt", pseudo-Vondel 

Als onze klassieke logische denkwijze 'de wereld niet naar heure voege uytbeent', dan is alles actueel.

Waarom?

1. Filosofen construeren een modale werkelijkheid die bestaat uit mogelijke en onmogelijke werelden;

2. dat wil zeggen: sommige werelden zijn mogelijk en sommige werelden zijn onmogelijk. De overtuiging is dat de werkelijkheid daarmee 'naar haar voegen is uitgebeend'.

3. De verzameling mogelijke werelden verdeel je voorts in een actuele (mogelijke) wereld en alle overige mogelijke werelden.

4. Het is nu van tweeën één:

a. De klassieke logische wetten zijn universeel geldig: je hebt de wereld naar haar voegen uitgebeend.

4b. De klassieke logische wetten zijn niet universeel geldig: je hebt de wereld niet naar haar voegen uitgebeend.

5. Indien 4b: dan vervalt het geconstrueerde onderscheid tussen mogelijke en onmogelijke werelden.

6. Je zult de schade moeten herstellen. Welke mogelijkheden heb je?

(i) ALT. Je gaat zoeken naar een alternatieve indeling, zodat je een nieuwe verdeling kunt maken tussen mogelijke en onmogelijke werelden (je zoekt een verdeling die de werkelijkheid wel naar haar voegen uitbeent).

(ii) LEEG. Je stelt dat geen enkele wereld mogelijk is, ook de actuele wereld niet (jij bestaat niet).

(iii) VOL. Je stelt dat alle werelden mogelijk zijn- en omdat het onderscheid tussen onmogelijke, mogelijke werelden en de actuele wereld vervalt (bij gebrek aan universele wetten), betekent dit dat alle werelden actueel zijn. De wereld heeft geen voegen en kan -door ons- niet worden uitgebeend (jij bestaat wel). 

7. Afweging: ALT is niet mogelijk: je beschikt niet over alternatieve logische wetten: het is onmogelijk om de wereld naar haar voegen uit te benen; LEEG lijkt me onjuist: is het zinnig om te betogen dat jij zelf niet bestaat?; VOL is vreemd, maar aanvaardbaar: dit namelijk is de optie die het best te verenigen is met het biologische/evolutionaire feit dat ons verstand beperkt is (wie de werkelijkheid niet kan snappen, ziet de ware voegen in de wereld niet [zulke voegen bestaan voor hem niet]; dientengevolge is de wereld absurd en bizar; de waarheid is echter dat de wereld niet absurd en bizar is, maar dat jij haar ziet als absurd en bizar,- moedertje natuur gaf je te weinig 'harses' om alles te snappen).

<8. Eerste bezwaar tegen 'Afweging (7)': het is toch mogelijk dat er een verborgen alternatieve verdeling is tussen mogelijke en onmogelijke werelden, ongeacht of wij deze verdeling kunnen construeren? Pas als je deze mogelijkheid kunt uitsluiten, mag je concluderen dat VOL de beste optie is.>

<9. Bezwaar tegen 'Bezwaar (8)': hoe bepaal je of er wellicht een verborgen alternatieve verdeling mogelijk is tussen mogelijke en onmogelijke werelden? Zo lang je niet beschikt over de juiste universele instrumenten (wetten) heb je geen idee welke ordening ALT kan waar maken: het is dan niet zinvol om de suggestie dat er wel een verdeling tussen mogelijke en onmogelijke werelden is ernstig te nemen.>

<10. Tweede bezwaar tegen 'Afweging (7)': misschien kunnen we het onderscheid tussen mogelijke en onmogelijke werelden niet maken, maar we kunnen wel het onderscheid maken tussen de actuele (mogelijke) wereld en de overige mogelijke werelden: de actuele wereld is de wereld die wij ervaren en onderzoeken.>

<11. Bezwaar tegen 'Tweede Bezwaar tegen 'Afweging (7)': feitelijk is dit een herhaling van het eerste bezwaar: de weerlegging is dan ook een herhaling: als je niet weet wat een 'mogelijke wereld' onderscheidt van een 'onmogelijke wereld', dan is het niet mogelijk om te zeggen wat de actuele wereld onderscheidt van alle andere werelden.>

12. Als alle werelden actueel zijn, dan bestaat God.

woensdag 1 juli 2026

God, per definitie

Wie of wat God is hoeft voor de filosoof geen probleem te zijn: je mag God eenvoudigweg definiëren. 

Ik aanvaard de volgende, klassieke definitie: God is een Zelfstandig persoon. 

God heeft niets en niemand nodig om te bestaan. Feitelijk impliceert dit dat God niet bestaat uit 'onderdelen', maar dat hij kwalitatief zelfstandig is ('God' is de zuivere, goddelijke 'substantie' zelve); voorts impliceert dit dat God geen begin en einde kent, God erodeert niet.

Vanzelfsprekend -dat is eigen aan definities- kun je deze definitie vervangen door je eigen definitie. Ook kun je de definitie aanvullen. Je kunt bijvoorbeeld toevoegen dat God het 'goede' is of dat God 'liefde' is.

Vervolgens wil een filosoof graag weten of God bestaat.

Nu is de vraag of God bestaat lastig te beantwoorden. Sinds Kripke -vorig jaar overleden- zijn modale semantiek heeft opgesteld, stellen filosofen een andere vraag: maakt God deel uit van de actuele wereld (@a). 

Kripke maakt onderscheid tussen @a en talloze overige werelden (@o). Vervolgens deelt hij de verzameling overige wereld in tweeën: sommige overige werelden zijn 'mogelijk' (@m) en andere overige werelden zijn 'onmogelijk' (@¬m). 

God kan dus voorkomen in @a, in @m en in @¬m.

Als God voorkomt in @¬m dan zal God nooit voorkomen in @a. 

Kripkes model veronderstelt dat je werelden streng van elkaar kunt scheiden. De instrumenten die je gebruikt om @a, @m en @¬m van elkaar te scheiden zijn de twee klassieke wetten. 

Werelden die klassiek geordend zijn kunnen mogelijkerwijs actueel worden en werelden die niet klassiek zijn kunnen onmogelijk ooit actueel worden.

Deze scheiding tussen @a, @m en @¬m vervalt echter als de klassieke wetten niet universeel gelden: onze @a moet dan worden opgevat als één enorme werkelijkheid (@w) waarin alles wat de klassieke logische wetten verbieden kan gebeuren en voorkomen.

Voor ons is @w een 'chaos' een 'absurditeit'. Maar dit is slechts het gejammer van een beperkt dier. 

We zullen de orde niet kunnen herstellen, want we beschikken niet over een universeel alternatief voor de klassieke wetten.

De vraag of God bestaat is daarom eenvoudig te beantwoorden: ja, hij bestaat, want je kunt zijn bestaan eenvoudigweg niet uitsluiten: er is geen universele scheiding tussen @a, @m en @¬m. Er is uitsluitend @w, de werkelijkheid die je niet (logisch) kunt ordenen.

<merk op: in @w mag ik dus zeggen dat ik 'weet' dat God bestaat: hoe zou God niet kunnen bestaan in @w?>  

Hoe God zich dan in de praktijk manifesteert is een geheel andere vraag. 

<Ik denk persoonlijk dat mensen die zeggen dat ze God kunnen ervaren -dankzij misschien de specifieke denkbeelden die ze van God hebben (je 'ziet' de wereld met je denkbeelden!)- ernstig genomen moeten worden. Evenwel, neem deze opinie maar voor kennisgeving aan.>

<Hieronder staat een bijdrage met de titel 'goed en kwaad'. Je moet 'God, per definitie' in samenhang zien met 'Goed en kwaad'. De mens zien als een ethische wezen staat in ander licht -krijgt betekenis/is betekenisvol- als je inziet dat God bestaat.>

zondag 28 juni 2026

Goed en kwaad

De wet van het uitgesloten derde is de belangrijkste logische wet (niet de wet van non-contradictie). 

Volgens de wet van het uitgesloten derde hebben wij een schakelaar in ons verstand die slechts kan staan in twee standen: waar of onwaar (kwaad of goed).

Je ziet intuïtief hoe goed dat past bij onze basale manier van denken. Je leest bijvoorbeeld de stukjes die ik op deze webzuil plak en denkt: wat een onzin! En vervolgens moet je een besluit nemen: wel of niet reageren. Half reageren is niet mogelijk. Je kunt wel reageren door een halve reactie te schrijven, maar dan toch heb je 'helemaal' gereageerd.

Ach, hoe graag zou een mens ontslagen zijn van de plicht om wel of niet te moeten handelen. Sartre gaf het voorbeeld van de jongeman die moest kiezen tussen vechten voor de vrijheid van Frankrijk of thuis blijven om moeder te verzorgen; Camus gaf de mens de keus tussen blijven leven of zelfmoord plegen.

Onze existentie lijkt hier op te stoelen: welke keuze maak je? Het komt er op aan...! (Behalve als je 'Ondraaglijk Licht' leeft,- zie: Kundera). De wet van het uitgesloten derde is het hoge podium waarop wij onze ethische inzichten uitdragen. Onze basale logische denkwijze opent voor ons een wereld van goed en kwaad, een ethische wereld.

Je kunt leven 'in overeenstemming met de tienduizend dingen', je kunt christelijk zijn, het achtvoudige pad volgen, je kunt afkerig zijn van religie, je kunt het leven 'nemen zoals het komt', enz., maar je kunt een levenswijze over het algemeen lastig verenigen met meedere andere levenswijzen. Je moet een exclusieve keus maken.

Het leven is als een verkiezing: je mag slechts één hokje op het stembiljet rood maken.

De basale logische inrichting van je brein is dan ook geen structuur die je toegang verschaft tot 'de waarheid omtrent de werkelijkheid', het is geen 'kennismachine', maar je logische brein is een ethische constructie/installatie, bedoeld om de goede handeling en levenswandel te onderscheiden van de kwade handeling en levenswandel.

Je bent een ethisch 'dier'- ten voeten uit.

Eigenlijk kan ik me geen visie indenken die betekenisvoller en zinvoller is dan deze: je bent een 'ontwerp' van vlees en bloed dat zich op geen enkele wijze onttrekken kan aan de architectuur van goed en kwaad, die heel de natuurlijke werkelijkheid tekent. We worden bovendien overkoepeld door een transcendente metafysische werkelijkheid. 

Een ethisch dier in een transcendente werkelijkheid: dat is religie. Uiteindelijk kleurt het licht van de ethiek -en niet het licht van de [op kennis gerichte] rede- onze wereld.

zaterdag 27 juni 2026

Misverstanden 2.0 (aanvulling)

1. Je bent een fundamentalist als je mensen met een ander geloof graag de kop afsnijdt.

In de filosofie ben je een 'foundationalist' als je verdedigt dat er inzichten of feiten zijn waar je absoluut zeker van bent. Descartes is het archetype van een foundationalist: het is onbetwijfelbaar dat je twijfelt (of iets dergelijks).

In de filosofie van de logica verdedigen foundationalisten dat de waarheid van logische uitdrukkingen evident (onbetwijfelbaar) is. Zulke filosofen menen bijvoorbeeld (Gödel) dat ze in de 'platoonse hemel' kunnen schouwen dat logische uitdrukkingen evident zijn.

Helaas is het foundationalism vandaag de dag niet populair. Eenvoudigweg omdat de pogingen om te laten zien dat bepaalde kennis onbetwijfelbaar is niet zo goed uit de verf komen.

Je bent geen 'fundamentalist' als je een betoog begint met een paar veronderstellingen of aannames. Wie bijvoorbeeld een betoog begint met de aanname dat onze ervaringen betrouwbaar zijn of dat de logische wetten betrouwbaar zijn of dat de evolutietheorie de feiten het best verklaart, is geen fundamentalist. Het is immers onmogelijk om een betoog te beginnen zonder vooronderstellingen? 

2. Alhoewel mensen geloven dat de werkelijkheid op een of andere wijze consistent is, is deze zienswijze een 'metafysica': niemand heeft kunnen aantonen dat de werkelijkheid consistent is. Het is een praktijk om theorieën logisch te ordenen; het is iets wat we eenvoudigweg doen. Maar niemand kan deze gewoonte, dit gebruik, verantwoorden. Het enige wat je kunt aanvoeren is dat we een inconsistente theorie niet goed begrijpen. Maar dat is geen uitspraak over de werkelijkheid, maar over de werking van ons verstand. Met stelligheid beweren dat de werkelijkheid consistent is, is daarom kletskoek. Je mag natuurlijk wel betogen dat de werkelijkheid consistent of inconsistent is. Dat wordt zelfs van je gevraagd. Filosofen verstrekken immers argumenten: zo en niet anders hoor je te doen.

3. De evolutietheorie is een schitterende theorie: ze verklaart buitengewoon veel. De theorie verklaart onder andere onze cognitie en onze denkwijze. Dennett noemde de theorie een zuur dat alles doordringt en betoogde dat je deze theorie moet gebruiken. Het is de meest vruchtbare theorie waar we -willen we ons zelf begrijpen en onze positie in de wereld- uberhaupt over beschikken. Je bent dus nalatig als je een zeer goed instrument niet gebruikt. 

Wie iets wil zeggen over de werking van ons verstand, kan de beste theorie over het ontstaan en de functie van ons verstand natuurlijk niet negeren. Je kunt de evolutietheorie niet zomaar verwerpen: voel je je daar wel toe geroepen -omdat je het niet zo op hebt met deze theorie- dan moet je met een beter alternatief komen. Je kunt mensen niet wijsmaken dat ze er verkeerd aan doen om met de trein te reizen als je alternatief de hondenkar is. <Overigens: verwar dit niet met de 'evolutionaire psychologie', een stroming die aangevoerd werd door oa. Cosmides. Ik heb geen idee of ons brein modulair is. Ik kijk naar het brein als een 'machine' die primair logisch gestructureerd is.>

4. Bayes theorema is een handige rekenmethode. Je kunt eigenlijk alles wel 'aanpakken' met deze simpele formule, onder andere sommige kennistheoretische problemen (Douven, de Nederlandse filosoof, heeft die taak op zich genomen; maar ik geloof niet dat dat tot grote doorbraken heeft geleid). Maar een fomule is natuurlijk niet 'primitief'. Het is een instrument, geen natuurlijk proces. Het feit dat je deze berekening overal op los kunt laten maakt hem niet 'primitief'. Bovendien verklaart Bayes theorie niets. Je leert iig niet hoe de dingen werken (soms wil je echt begrijpen hoe de radartjes en veren van een verschijnsel in elkaar grijpen). 

5. Als je betoogt dat de evolutie ons een bepaalde denkwijze heeft opgedrongen, louter en alleen om haar 'survival value', dan heb je goede redenen om te twijfelen aan de waarheid van je denkwijze <deze simpele gedachte vind je al in Quine, Epistemology Naturalized>. In sommige opzichten is een dergelijke denkwijze dan betrouwbaar, in andere opzichten is ze niet betrouwbaar (immers, was ze 100% onbetrouwbaar, dan had ze geen 'survival value') <vandaar dat ik altijd twee domeinen heb ingesteld: het domein waarin ons verstand uitstekend werkt, het domein waar ze niet werkt>

Ons verstand is goed genoeg om te bepalen welke onmiddellijke gevaren of voordelen er zijn en hoe je -gegeven de gevaren of voordelen- moet handelen. In metafysisch opzicht echter is ze zwak omdat ze slechts geschikt is voor het produceren van de juiste handeling. Onze denkwijze is sterk exclusief, terwijl de werkelijkheid dat -aantoonbaar- niet is <zie bijvoorbeeld het werk van Penelope Maddy en Gila Sher>.

En bedenk: een werkelijkheid die overeenstemt met onze logica zou systematisch beschreven moeten kunnen worden en volledig moeten kunnen worden begrepen. Het tegendeel is echter waar: wetenschap is niet de uitvoering van een logisch stappenplan, maar eerder een dwaaltocht, waarbij onder andere het toeval een belangrijke rol speelt.  

Logica gaat niet over de wereld -pace Williamson, Russell, Sher- en dus zelfs niet over de meest algemene kenmerken van de wereld, maar over de vraag welke patronen [patterning] in het brein van ogenblik tot ogenblik moet worden uitgezet en aangezet. (De gedachte dat wij een 'predictive brain' hebben past daar netjes bij: voortdurend inspecteren wij de omgeving om te zien of deze nog wel overeenstemt met ons interne beeld (onze verwachting) van de werkelijkheid; wij hebben van nature een scherp oog voor zaken die niet overeenstemmen met 'onze wereld' (ons wereldbeeld)- de zaken die niet kloppen zijn met namde 'tekens'/'knoppen' die ons aanzetten tot een reactie.)

De rest van het verhaal is werkelijk elementair en simpel: als onze denkwijze 'survival value' heeft, dan is ze ongeschikt om de gehele werkelijkheid in kaart te brengen. Dit zegt -luid en duidelijk!- iets over de werkelijkheid: de werkelijkheid zelf is niet logisch. Vervolgens kun je je dan afvragen hoe groot de 'schade' is: is een paraconsistente, een sceptische of een triviale houding de meest redelijke? Dat is de kern van het debat. <Hoe moet je dan zo'n debat voeren? Wel, met goede argumenten. Je voert bijvoorbeeld aan dat wij, als onze enige denkwijze onbruikbaar is, niet langer in staat zijn om metafysische inzichten uit te sluiten: we hebben geen middelen tot onze beschikking waarmee wij de gehele werkelijkheid kunnen verdelen in dingen (toestanden) die echt/waar en dingen die onecht/onwaar zijn; de werkelijkheid is nu verdeeld in twee domeinen: één domein waarin ons verstand uitstekend werkt en een domein waarin ons verstand het laat afweten en waar geen modale drempels bestaan. Scepticisme lijkt me onhoudbaar: je kunt niet zinvol twijfelen aan de waarheid van al je inzichten: ik weet zeker dat als wederom -het gebeurt dagelijks- een brugklasser mij wil aanvallen met een machinegeweer, het verstandig is om weg te rennen. Paraconsistentie is wellicht een redelijke positie: het is de middenweg; je accepteert sommige onbegrijpelijke zaken, maar alleen als je kunt aantonen dat deze belangrijk genoeg zijn. Het lijkt er overigens op dat het twee-domeinen model en paraconsistentie verenigbaar zijn met het trivialisme.>

Regelmaat

Een van de quantum-raadsels is dat deeltjes, als je ze meet, zich voordoen als kogeltjes (Robert Dijkgraaf noemt het geen kogeltjes, maar pingpongballetjes, zie: zijpaneel); maar als je ze niet meet worden ze stroperig.

Vaak wordt het woordje 'meten' vervangen door 'kijken'. Dus: als je wel kijkt zijn het deeltjes, als je niet kijkt is het stroop.

Hoe is dat mogelijk? 

Een kogeltje/pingpongballetje is unilokaal (het is een ding), stroop is multilokaal (het is een dikke vloeistof).

Een atomair deeltje kan dus unilokaal of multilokaal zijn (waarbij multilokaal betekent: schijnbaar op meerdere plaatsen tegelijktertijd). 

Schijnbaar? Ja, schijnbaar. Want het hangt van je interpretatie/lezing af of het deeltje inderdaad multilokaal is. Je hebt onder de natuurkundigen realisten en niet-realisten.

Volgens Bohr en Heisenberg is een niet-realistische opvatting de beste: de quantum-formules zijn niets anders dan instrumenten die hun werk doen. Wie met een zeis de grasmat maait kan niets zeggen over de samenstelling van de grasmat: de zeis zegt ons niet of er klaver, paardebloem, raaigras of brandnetel gemaaid wordt, de zeis maait slechts- en dat doet de zeis uitstekend. Zo zeggen de qm-formules ons niets over de werkelijkheid, ze voorspellen slechts hoe de meting zal uitpakken. En dat doen de qm-formules uitstekend.

Bohr is inmiddels gestorven, Heisenberg is gestorven en ook alle andere 'kopenhaagse' fysici zijn dood.

Hedendaagse fysici kunnen niet zo goed uit de voeten met de 'kopenhaagse' interpretatie. Wat heb je aan een natuurkundige theorie als deze je niets zegt over de werkelijkheid? Je wilt toch weten hoe de 'echte' wereld in elkaar steekt?

Geen enkele 'realistische' lezing echter maakt begrijpelijk hoe de werkelijkheid 'echt' in elkaar steekt. We begrijpen eenvoudigweg niet hoe een 'iets' zowel unilokaal als multilokaal kan zijn. (Letterlijk zeggen fysici dan ook dat qm ons idee van 'lokaliteit' op losse schroeven zet). 

Welnu, wat je wel zeker weet is dat de natuur regelmatig is (zou ze dat niet zijn, dan zou je helemaal geen vergelijkingen waarmee je kunt rekenen kunnen opstellen). Je weet -het is een regelmatigheid- dat deeltjes unilokaal zijn als je kijkt en multilokaal als je niet kijkt. Je snapt niet waarom dit zo is, maar je weet wel dát dit zo is (je hoort het Dijkgraaf verschillende malen zeggen: we snappen het niet, maar we kunnen er wel mee werken).

Waarom stel je je dan niet tevreden met het inzicht dat de werkelijkheid bestaat uit een verzameling wetmatigheden? 

In het dagelijkse leven weet je dat bepaalde mensen een 'gebruiksaanwijzing' hebben (je slaat in de klas tegen de ene leerling een andere toon aan dan tegen de andere leerling). Je weet niet precies hoe het toegaat in het brein van deze mensen, maar je weet wel dat ze van slag raken als je te streng of juist niet streng genoeg bent. Het punt is dat we aan de gebruiksaanwijzing genoeg hebben om te weten wat we moeten doen.

Waarom zouden we dan aan de formules van qm (gebruiksaanwijzing) niet genoeg hebben om te weten hoe we met de werkelijkheid moeten omgaan?

Uiteindelijk heeft de evolutie ons zo ingericht dat we ons, dankzij onze vaardigheid om de juiste handeling uit te voeren op het juiste ogenblik [waarbij geldt: better safe than sorry]), kunnen handhaven in een wereld van fatbikes, opgevoerde e-bikes, obese-auto's (die nauwelijks nog door de straatjes van Utrecht kunnen rijden), getergde gemotoriseerde bakfiets vaders-en-moeders, electrische stepjes, brommers en één zwoegende, oudgeworden filosoof op een gewone ouderwetse trap-fiets (de arme ziel: het mannetje draagt notabene een helm in het verkeer). 

In deze melee van gevaren heb je alleen de regelmaat van de verkeersregels om je op de been te houden.

Waarom zou het dan voor wat betreft onze omgang met de natuur anders zijn: het enige wat we hoeven 'op te pikken' is de regelmaat, want die stelt ons in staat om te weten hoe we moeten handelen. 

De natuur zelf is een metafysische toestand die ons ruimschoots boven de pet gaat.

Ik geloof zelfs niet dat de verzameling wetmatigheden die we bijeengaren volledig (compleet) is. Het is een willekeurige verzameling en wel omdat onze denkwijze op zich al berust op twee willekeurige wetten (of principes).

vrijdag 26 juni 2026

Gnosis Oost en West

Zojuist verschenen Gnosis Oost en West, uitgeverij Damon, auteur: Andre van der Braak.

Tekst van de uitgever:

"We leven in een tijd waarin wijsheid uit alle tradities binnen handbereik lijkt: van antieke mysteriën en gnostische geschriften tot zen, advaita vedanta en kabbala. Maar hoe vind je richting in deze overvloed? Hoe ontdek je wat werkelijk tot inzicht leidt? In 'Gnosis Oost en West' onderzoekt André van der Braak hoe mensen door de eeuwen heen hebben gezocht naar een vorm van weten die niet louter verstandelijk is, maar ook het hart raakt. Hij laat zien hoe deze zoektocht gestalte kreeg bij Plato, Plotinus en Iamblichus, in het vroege christendom, in Indiase en Chinese filosofieën, bij moderne denkers als Spinoza en Nietzsche en nu ook rondom de Zuid-Amerikaanse ayahuascathee. Zo ontvouwt zich een rijke traditie waarin gnosis – bevrijdend inzicht – telkens opnieuw verschijnt als een universeel menselijk verlangen. Dit boek biedt een oriëntatie in het woud van spirituele en filosofische wegen en nodigt uit tot reflectie en zelfonderzoek: een inwijding in het weten dat niet geleerd, maar ervaren wordt."

Voor wie nieuwsgierig is naar deze stroming...

Woordspelletje

Filosofie is in zekere zin een 'taalspel'- of, platter gezegd, een woordspelletje.

We gaan, voor de aardigheid, een woordspelletje spelen.

Een eigenschap van dingen is dat ze uni-lokaal zijn. Unilokaal is een mooi woord. Het betekent: dat een 'ding' maar op één plaats per keer kan zijn.

Een andere eigenschap van dingen is dat ze uni-form zijn. Uniform is ook een mooi woord. Het betekent dat een 'ding' maar één vorm per keer kan hebben.

Een stuk klei is unilokaal en uniform. Daarmee is niet alles gezegd: een stuk klei is ook 'veranderlijk'. Je kunt een brok klei meenemen naar de draaischijf en er een vaas van maken. 

Denk nu eens aan de rivier van Herakleitos, de presocraat die schreef dat de dingen 'voortdurend veranderen'. Is zijn inzicht waar?

Laten we zeggen dat de nijvere handen van de pottenbakker het stuk klei voortdurend bewerken; hij snijdt daarbij randjes van de klei af en gooit deze restjes op de grond.

Is de klei tijdens dit 'proces' uniform en unilokaal (de vorm verandert voortdurend en de klei draait alsmaar rond)? 

Als je de tijd in hele kleine stukjes verdeelt -nanoseconden- zou je dan de 'veranderende werking' van de handen van de  pottenbakker binnen dit tijdsbestek kunnen meten? Zou je de omwentelingen van de draaischijf kunnen meten?

We zullen er maar geen 'gedachten-experiment' van maken, maar het idee zal 'intuïtief duidelijk zijn: als je de tijd in kleine stukjes verdeelt, zullen de handen van de pottenbakker op een gegeven ogenblik niet snel genoeg werken: de handen van een mens kunnen binnen zo'n duizelingwekkend kort tijdsbestek de unilokaliteit en de uniformiteit van de klei niet veranderen.

Als je de tijd maar klein genoeg maakt is de klei uniform en unilokaal.

Toch mag je hier niet uit afleiden dat de pottenbakker de unilokaliteit en de uniformiteit van de klei niet verandert: want dat doet hij zichtbaar wél.

Feitelijk is dit een voorbeeld van de paradoxen die Zeno opstelde om aan te tonen dat verandering onmogelijk is [1]. Je ziet vermoedelijk wel in waarom we hier op het verkeerde been worden gezet (is dat geen prachtige uitdrukking): de termen unilokaal en uniform zijn van toepassing op de wereld waarin wij ons bewegen. 

De traagheid waarmee we handelen bepaalt de concepten waarmee we onze wereld 'benoemen', 'indelen', 'begrijpen' enz.

Wij vinden dat een vliegtuig snel is en dat een tel heel kort duurt. In onze ogen is de klei als ze bewerkt wordt (inderdaad) voortdurend aan het veranderen: de begrippen unilokaal en uniform zijn zolang de pottenbakker bezig is niet zo goed bruikbaar.

Je moet -laat dat de conclusie zijn- weten wanneer je woorden wel en niet bruikbaar zijn. Ik meen ook te begrijpen dat Wittgenstein op deze manier alle logische puzzels wilde oplossen. De wereld zelf is niet logisch of onlogisch, maar de manier waarop wij over de wereld spreken is 'onhandig' en zelfs 'onbeholpen'. Ze behekst ons. 

In het ene geval is de klei uniform en unilokaal, maar als ze bewerkt wordt is ze dat -voor een 'tijdje'- niet. Aangezien echter deze ongerijmdheid strijdig is met de wijze waarop wij de wereld ordenen, noemen we de ene toestand 'juist' en de andere 'onjuist'. Wij hebben de sterke neiging om steeds één lezing van de gebeurtenissen in de wereld aan te houden, zelfs al zeggen onze ogen dat dit in de praktijk lastig is.

Wat we hier van leren? Wel, wie een woordspel speelt moet de regels van het spel goed in de gaten houden (en heeft een filosoof als Wittgenstein nodig om deze 'gebruiksregels' te achterhalen) [2].
------
[1] De paradoxen van Zeno zijn opgelost: slordig gezegd, je kunt wiskundig beschrijven hoe kleine, schijnbaar onveranderlijke stapjes overgaan in grotere, veranderlijke stappen.