zondag 28 juni 2026

Goed en kwaad

De wet van het uitgesloten derde is de belangrijkste logische wet (niet de wet van non-contradictie). 

Volgens de wet van het uitgesloten derde hebben wij een schakelaar in ons verstand die slechts kan staan in twee standen: waar of onwaar (kwaad of goed).

Je ziet intuïtief hoe goed dat past bij onze basale manier van denken. Je leest bijvoorbeeld de stukjes die ik op deze webzuil plak en denkt: wat een onzin! En vervolgens moet je een besluit nemen: wel of niet reageren. Half reageren is niet mogelijk. Je kunt wel reageren door een halve reactie te schrijven, maar dan toch heb je 'helemaal' gereageerd.

Ach, hoe graag zou een mens ontslagen zijn van de plicht om wel of niet te moeten handelen. Sartre gaf het voorbeeld van de jongeman die moest kiezen tussen vechten voor de vrijheid van Frankrijk of thuis blijven om moeder te verzorgen; Camus gaf de mens de keus tussen blijven leven of zelfmoord plegen.

Onze existentie lijkt hier op te stoelen: welke keuze maak je? Het komt er op aan...! (Behalve als je 'Ondraaglijk Licht' leeft,- zie: Kundera). De wet van het uitgesloten derde is het hoge podium waarop wij onze ethische inzichten uitdragen. Onze basale logische denkwijze opent voor ons een wereld van goed en kwaad, een ethische wereld.

Je kunt leven 'in overeenstemming met de tienduizend dingen', je kunt christelijk zijn, het achtvoudige pad volgen, je kunt afkerig zijn van religie, je kunt het leven 'nemen zoals het komt', enz., maar je kunt een levenswijze over het algemeen lastig verenigen met meedere andere levenswijzen. Je moet een exclusieve keus maken.

Het leven is als een verkiezing: je mag slechts één hokje op het stembiljet rood maken.

De basale logische inrichting van je brein is dan ook geen structuur die je toegang verschaft tot 'de waarheid omtrent de werkelijkheid', het is geen 'kennismachine', maar je logische brein is een ethische constructie/installatie, bedoeld om de goede handeling en levenswandel te onderscheiden van de kwade handeling en levenswandel.

Je bent een ethisch 'dier'- ten voeten uit.

Eigenlijk kan ik me geen visie indenken die betekenisvoller en zinvoller is dan deze: je bent een 'ontwerp' van vlees en bloed dat zich op geen enkele wijze onttrekken kan aan de architectuur van goed en kwaad, die heel de natuurlijke werkelijkheid tekent. We worden bovendien overkoepeld door een transcendente metafysische werkelijkheid. 

Een ethisch dier in een transcendente werkelijkheid: dat is religie. Uiteindelijk kleurt het licht van de ethiek -en niet het licht van de [op kennis gerichte] rede- onze wereld.

zaterdag 27 juni 2026

Misverstanden 2.0 (aanvulling)

1. Je bent een fundamentalist als je mensen met een ander geloof graag de kop afsnijdt.

In de filosofie ben je een 'foundationalist' als je verdedigt dat er inzichten of feiten zijn waar je absoluut zeker van bent. Descartes is het archetype van een foundationalist: het is onbetwijfelbaar dat je twijfelt (of iets dergelijks).

In de filosofie van de logica verdedigen foundationalisten dat de waarheid van logische uitdrukkingen evident (onbetwijfelbaar) is. Zulke filosofen menen bijvoorbeeld (Gödel) dat ze in de 'platoonse hemel' kunnen schouwen dat logische uitdrukkingen evident zijn.

Helaas is het foundationalism vandaag de dag niet populair. Eenvoudigweg omdat de pogingen om te laten zien dat bepaalde kennis onbetwijfelbaar is niet zo goed uit de verf komen.

Je bent geen 'fundamentalist' als je een betoog begint met een paar veronderstellingen of aannames. Wie bijvoorbeeld een betoog begint met de aanname dat onze ervaringen betrouwbaar zijn of dat de logische wetten betrouwbaar zijn of dat de evolutietheorie de feiten het best verklaart, is geen fundamentalist. Het is immers onmogelijk om een betoog te beginnen zonder vooronderstellingen? 

2. Alhoewel mensen geloven dat de werkelijkheid op een of andere wijze consistent is, is deze zienswijze een 'metafysica': niemand heeft kunnen aantonen dat de werkelijkheid consistent is. Het is een praktijk om theorieën logisch te ordenen; het is iets wat we eenvoudigweg doen. Maar niemand kan deze gewoonte, dit gebruik, verantwoorden. Het enige wat je kunt aanvoeren is dat we een inconsistente theorie niet goed begrijpen. Maar dat is geen uitspraak over de werkelijkheid, maar over de werking van ons verstand. Met stelligheid beweren dat de werkelijkheid consistent is, is daarom kletskoek. Je mag natuurlijk wel betogen dat de werkelijkheid consistent of inconsistent is. Dat wordt zelfs van je gevraagd. Filosofen verstrekken immers argumenten: zo en niet anders hoor je te doen.

3. De evolutietheorie is een schitterende theorie: ze verklaart buitengewoon veel. De theorie verklaart onder andere onze cognitie en onze denkwijze. Dennett noemde de theorie een zuur dat alles doordringt en betoogde dat je deze theorie moet gebruiken. Het is de meest vruchtbare theorie waar we -willen we ons zelf begrijpen en onze positie in de wereld- uberhaupt over beschikken. Je bent dus nalatig als je een zeer goed instrument niet gebruikt. 

Wie iets wil zeggen over de werking van ons verstand, kan de beste theorie over het ontstaan en de functie van ons verstand natuurlijk niet negeren. Je kunt de evolutietheorie niet zomaar verwerpen: voel je je daar wel toe geroepen -omdat je het niet zo op hebt met deze theorie- dan moet je met een beter alternatief komen. Je kunt mensen niet wijsmaken dat ze er verkeerd aan doen om met de trein te reizen als je alternatief de hondenkar is. <Overigens: verwar dit niet met de 'evolutionaire psychologie', een stroming die aangevoerd werd door oa. Cosmides. Ik heb geen idee of ons brein modulair is. Ik kijk naar het brein als een 'machine' die primair logisch gestructureerd is.>

4. Bayes theorema is een handige rekenmethode. Je kunt eigenlijk alles wel 'aanpakken' met deze simpele formule, onder andere sommige kennistheoretische problemen (Douven, de Nederlandse filosoof, heeft die taak op zich genomen; maar ik geloof niet dat dat tot grote doorbraken heeft geleid). Maar een fomule is natuurlijk niet 'primitief'. Het is een instrument, geen natuurlijk proces. Het feit dat je deze berekening overal op los kunt laten maakt hem niet 'primitief'. Bovendien verklaart Bayes theorie niets. Je leert iig niet hoe de dingen werken (soms wil je echt begrijpen hoe de radartjes en veren van een verschijnsel in elkaar grijpen). 

5. Als je betoogt dat de evolutie ons een bepaalde denkwijze heeft opgedrongen, louter en alleen om haar 'survival value', dan heb je goede redenen om te twijfelen aan de waarheid van je denkwijze <deze simpele gedachte vind je al in Quine, Epistemology Naturalized>. In sommige opzichten is een dergelijke denkwijze dan betrouwbaar, in andere opzichten is ze niet betrouwbaar (immers, was ze 100% onbetrouwbaar, dan had ze geen 'survival value') <vandaar dat ik altijd twee domeinen heb ingesteld: het domein waarin ons verstand uitstekend werkt, het domein waar ze niet werkt>

Ons verstand is goed genoeg om te bepalen welke onmiddellijke gevaren of voordelen er zijn en hoe je -gegeven de gevaren of voordelen- moet handelen. In metafysisch opzicht echter is ze zwak omdat ze slechts geschikt is voor het produceren van de juiste handeling. Onze denkwijze is sterk exclusief, terwijl de werkelijkheid dat -aantoonbaar- niet is <zie bijvoorbeeld het werk van Penelope Maddy en Gila Sher>.

En bedenk: een werkelijkheid die overeenstemt met onze logica zou systematisch beschreven moeten kunnen worden en volledig moeten kunnen worden begrepen. Het tegendeel is echter waar: wetenschap is niet de uitvoering van een logisch stappenplan, maar eerder een dwaaltocht, waarbij onder andere het toeval een belangrijke rol speelt.  

Logica gaat niet over de wereld -pace Williamson, Russell, Sher- en dus zelfs niet over de meest algemene kenmerken van de wereld, maar over de vraag welke patronen [patterning] in het brein van ogenblik tot ogenblik moet worden uitgezet en aangezet. (De gedachte dat wij een 'predictive brain' hebben past daar netjes bij: voortdurend inspecteren wij de omgeving om te zien of deze nog wel overeenstemt met ons interne beeld (onze verwachting) van de werkelijkheid; wij hebben van nature een scherp oog voor zaken die niet overeenstemmen met 'onze wereld' (ons wereldbeeld)- de zaken die niet kloppen zijn met namde 'tekens'/'knoppen' die ons aanzetten tot een reactie.)

De rest van het verhaal is werkelijk elementair en simpel: als onze denkwijze 'survival value' heeft, dan is ze ongeschikt om de gehele werkelijkheid in kaart te brengen. Dit zegt -luid en duidelijk!- iets over de werkelijkheid: de werkelijkheid zelf is niet logisch. Vervolgens kun je je dan afvragen hoe groot de 'schade' is: is een paraconsistente, een sceptische of een triviale houding de meest redelijke? Dat is de kern van het debat. <Hoe moet je dan zo'n debat voeren? Wel, met goede argumenten. Je voert bijvoorbeeld aan dat wij, als onze enige denkwijze onbruikbaar is, niet langer in staat zijn om metafysische inzichten uit te sluiten: we hebben geen middelen tot onze beschikking waarmee wij de gehele werkelijkheid kunnen verdelen in dingen (toestanden) die echt/waar en dingen die onecht/onwaar zijn; de werkelijkheid is nu verdeeld in twee domeinen: één domein waarin ons verstand uitstekend werkt en een domein waarin ons verstand het laat afweten en waar geen modale drempels bestaan. Scepticisme lijkt me onhoudbaar: je kunt niet zinvol twijfelen aan de waarheid van al je inzichten: ik weet zeker dat als wederom -het gebeurt dagelijks- een brugklasser mij wil aanvallen met een machinegeweer, het verstandig is om weg te rennen. Paraconsistentie is wellicht een redelijke positie: het is de middenweg; je accepteert sommige onbegrijpelijke zaken, maar alleen als je kunt aantonen dat deze belangrijk genoeg zijn. Het lijkt er overigens op dat het twee-domeinen model en paraconsistentie verenigbaar zijn met het trivialisme.>

Regelmaat

Een van de quantum-raadsels is dat deeltjes, als je ze meet, zich voordoen als kogeltjes (Robert Dijkgraaf noemt het geen kogeltjes, maar pingpongballetjes, zie: zijpaneel); maar als je ze niet meet worden ze stroperig.

Vaak wordt het woordje 'meten' vervangen door 'kijken'. Dus: als je wel kijkt zijn het deeltjes, als je niet kijkt is het stroop.

Hoe is dat mogelijk? 

Een kogeltje/pingpongballetje is unilokaal (het is een ding), stroop is multilokaal (het is een dikke vloeistof).

Een atomair deeltje kan dus unilokaal of multilokaal zijn (waarbij multilokaal betekent: schijnbaar op meerdere plaatsen tegelijktertijd). 

Schijnbaar? Ja, schijnbaar. Want het hangt van je interpretatie/lezing af of het deeltje inderdaad multilokaal is. Je hebt onder de natuurkundigen realisten en niet-realisten.

Volgens Bohr en Heisenberg is een niet-realistische opvatting de beste: de quantum-formules zijn niets anders dan instrumenten die hun werk doen. Wie met een zeis de grasmat maait kan niets zeggen over de samenstelling van de grasmat: de zeis zegt ons niet of er klaver, paardebloem, raaigras of brandnetel gemaaid wordt, de zeis maait slechts- en dat doet de zeis uitstekend. Zo zeggen de qm-formules ons niets over de werkelijkheid, ze voorspellen slechts hoe de meting zal uitpakken. En dat doen de qm-formules uitstekend.

Bohr is inmiddels gestorven, Heisenberg is gestorven en ook alle andere 'kopenhaagse' fysici zijn dood.

Hedendaagse fysici kunnen niet zo goed uit de voeten met de 'kopenhaagse' interpretatie. Wat heb je aan een natuurkundige theorie als deze je niets zegt over de werkelijkheid? Je wilt toch weten hoe de 'echte' wereld in elkaar steekt?

Geen enkele 'realistische' lezing echter maakt begrijpelijk hoe de werkelijkheid 'echt' in elkaar steekt. We begrijpen eenvoudigweg niet hoe een 'iets' zowel unilokaal als multilokaal kan zijn. (Letterlijk zeggen fysici dan ook dat qm ons idee van 'lokaliteit' op losse schroeven zet). 

Welnu, wat je wel zeker weet is dat de natuur regelmatig is (zou ze dat niet zijn, dan zou je helemaal geen vergelijkingen waarmee je kunt rekenen kunnen opstellen). Je weet -het is een regelmatigheid- dat deeltjes unilokaal zijn als je kijkt en multilokaal als je niet kijkt. Je snapt niet waarom dit zo is, maar je weet wel dát dit zo is (je hoort het Dijkgraaf verschillende malen zeggen: we snappen het niet, maar we kunnen er wel mee werken).

Waarom stel je je dan niet tevreden met het inzicht dat de werkelijkheid bestaat uit een verzameling wetmatigheden? 

In het dagelijkse leven weet je dat bepaalde mensen een 'gebruiksaanwijzing' hebben (je slaat in de klas tegen de ene leerling een andere toon aan dan tegen de andere leerling). Je weet niet precies hoe het toegaat in het brein van deze mensen, maar je weet wel dat ze van slag raken als je te streng of juist niet streng genoeg bent. Het punt is dat we aan de gebruiksaanwijzing genoeg hebben om te weten wat we moeten doen.

Waarom zouden we dan aan de formules van qm (gebruiksaanwijzing) niet genoeg hebben om te weten hoe we met de werkelijkheid moeten omgaan?

Uiteindelijk heeft de evolutie ons zo ingericht dat we ons, dankzij onze vaardigheid om de juiste handeling uit te voeren op het juiste ogenblik [waarbij geldt: better safe than sorry]), kunnen handhaven in een wereld van fatbikes, opgevoerde e-bikes, obese-auto's (die nauwelijks nog door de straatjes van Utrecht kunnen rijden), getergde gemotoriseerde bakfiets vaders-en-moeders, electrische stepjes, brommers en één zwoegende, oudgeworden filosoof op een gewone ouderwetse trap-fiets (de arme ziel: het mannetje draagt notabene een helm in het verkeer). 

In deze melee van gevaren heb je alleen de regelmaat van de verkeersregels om je op de been te houden.

Waarom zou het dan voor wat betreft onze omgang met de natuur anders zijn: het enige wat we hoeven 'op te pikken' is de regelmaat, want die stelt ons in staat om te weten hoe we moeten handelen. 

De natuur zelf is een metafysische toestand die ons ruimschoots boven de pet gaat.

Ik geloof zelfs niet dat de verzameling wetmatigheden die we bijeengaren volledig (compleet) is. Het is een willekeurige verzameling en wel omdat onze denkwijze op zich al berust op twee willekeurige wetten (of principes).

vrijdag 26 juni 2026

Gnosis Oost en West

Zojuist verschenen Gnosis Oost en West, uitgeverij Damon, auteur: Andre van der Braak.

Tekst van de uitgever:

"We leven in een tijd waarin wijsheid uit alle tradities binnen handbereik lijkt: van antieke mysteriën en gnostische geschriften tot zen, advaita vedanta en kabbala. Maar hoe vind je richting in deze overvloed? Hoe ontdek je wat werkelijk tot inzicht leidt? In 'Gnosis Oost en West' onderzoekt André van der Braak hoe mensen door de eeuwen heen hebben gezocht naar een vorm van weten die niet louter verstandelijk is, maar ook het hart raakt. Hij laat zien hoe deze zoektocht gestalte kreeg bij Plato, Plotinus en Iamblichus, in het vroege christendom, in Indiase en Chinese filosofieën, bij moderne denkers als Spinoza en Nietzsche en nu ook rondom de Zuid-Amerikaanse ayahuascathee. Zo ontvouwt zich een rijke traditie waarin gnosis – bevrijdend inzicht – telkens opnieuw verschijnt als een universeel menselijk verlangen. Dit boek biedt een oriëntatie in het woud van spirituele en filosofische wegen en nodigt uit tot reflectie en zelfonderzoek: een inwijding in het weten dat niet geleerd, maar ervaren wordt."

Voor wie nieuwsgierig is naar deze stroming...

Woordspelletje

Filosofie is in zekere zin een 'taalspel'- of, platter gezegd, een woordspelletje.

We gaan, voor de aardigheid, een woordspelletje spelen.

Een eigenschap van dingen is dat ze uni-lokaal zijn. Unilokaal is een mooi woord. Het betekent: dat een 'ding' maar op één plaats per keer kan zijn.

Een andere eigenschap van dingen is dat ze uni-form zijn. Uniform is ook een mooi woord. Het betekent dat een 'ding' maar één vorm per keer kan hebben.

Een stuk klei is unilokaal en uniform. Daarmee is niet alles gezegd: een stuk klei is ook 'veranderlijk'. Je kunt een brok klei meenemen naar de draaischijf en er een vaas van maken. 

Denk nu eens aan de rivier van Herakleitos, de presocraat die schreef dat de dingen 'voortdurend veranderen'. Is zijn inzicht waar?

Laten we zeggen dat de nijvere handen van de pottenbakker het stuk klei voortdurend bewerken; hij snijdt daarbij randjes van de klei af en gooit deze restjes op de grond.

Is de klei tijdens dit 'proces' uniform en unilokaal (de vorm verandert voortdurend en de klei draait alsmaar rond)? 

Als je de tijd in hele kleine stukjes verdeelt -nanoseconden- zou je dan de 'veranderende werking' van de handen van de  pottenbakker binnen dit tijdsbestek kunnen meten? Zou je de omwentelingen van de draaischijf kunnen meten?

We zullen er maar geen 'gedachten-experiment' van maken, maar het idee zal 'intuïtief duidelijk zijn: als je de tijd in kleine stukjes verdeelt, zullen de handen van de pottenbakker op een gegeven ogenblik niet snel genoeg werken: de handen van een mens kunnen binnen zo'n duizelingwekkend kort tijdsbestek de unilokaliteit en de uniformiteit van de klei niet veranderen.

Als je de tijd maar klein genoeg maakt is de klei uniform en unilokaal.

Toch mag je hier niet uit afleiden dat de pottenbakker de unilokaliteit en de uniformiteit van de klei niet verandert: want dat doet hij zichtbaar wél.

Feitelijk is dit een voorbeeld van de paradoxen die Zeno opstelde om aan te tonen dat verandering onmogelijk is [1]. Je ziet vermoedelijk wel in waarom we hier op het verkeerde been worden gezet (is dat geen prachtige uitdrukking): de termen unilokaal en uniform zijn van toepassing op de wereld waarin wij ons bewegen. 

De traagheid waarmee we handelen bepaalt de concepten waarmee we onze wereld 'benoemen', 'indelen', 'begrijpen' enz.

Wij vinden dat een vliegtuig snel is en dat een tel heel kort duurt. In onze ogen is de klei als ze bewerkt wordt (inderdaad) voortdurend aan het veranderen: de begrippen unilokaal en uniform zijn zolang de pottenbakker bezig is niet zo goed bruikbaar.

Je moet -laat dat de conclusie zijn- weten wanneer je woorden wel en niet bruikbaar zijn. Ik meen ook te begrijpen dat Wittgenstein op deze manier alle logische puzzels wilde oplossen. De wereld zelf is niet logisch of onlogisch, maar de manier waarop wij over de wereld spreken is 'onhandig' en zelfs 'onbeholpen'. Ze behekst ons. 

In het ene geval is de klei uniform en unilokaal, maar als ze bewerkt wordt is ze dat -voor een 'tijdje'- niet. Aangezien echter deze ongerijmdheid strijdig is met de wijze waarop wij de wereld ordenen, noemen we de ene toestand 'juist' en de andere 'onjuist'. Wij hebben de sterke neiging om steeds één lezing van de gebeurtenissen in de wereld aan te houden, zelfs al zeggen onze ogen dat dit in de praktijk lastig is.

Wat we hier van leren? Wel, wie een woordspel speelt moet de regels van het spel goed in de gaten houden (en heeft een filosoof als Wittgenstein nodig om deze 'gebruiksregels' te achterhalen) [2].
------
[1] De paradoxen van Zeno zijn opgelost: slordig gezegd, je kunt wiskundig beschrijven hoe kleine, schijnbaar onveranderlijke stapjes overgaan in grotere, veranderlijke stappen.

zondag 21 juni 2026

De juiste keus?

Mensen willen best in God geloven, maar dan moet hij wel voldoen aan een aantal eisen: hij moet onder andere rationeel zijn. Een onbegrijpelijke God, waar we geen greep op krijgen, die hoeven we niet. Want over een dergelijke God kunnen we niets zeggen en we kunnen niets van Hem weten (en wat blijft er dan nog over van je geloof?). 

Misschien hebben gelovigen altijd gedacht dat het redelijk is om God op te vatten als een rationeel wezen: immers, de ratio is altijd beschouwd als de belangrijkste eigenschap van de mens. De mens lijkt geschapen (ontworpen) als 'het rationele dier'. 

Tegenwoordig beginnen we te vrezen dat onze ratio niet zo bijzonder is (wel uitzonderlijk misschien, want geen dier kan een boek schrijven of een betoog houden, maar geen eigenschap die zo wonderlijk is dat ze buiten de natuurlijke orde valt). 

Mijn mobieltje staat inmiddels vol met denkmachines. Ze weten binnen een oogwenk op bestelling -de prompt- de juiste kennis in de juiste volgorde te presenteren. Ik las laatst dat wiskundigen beginnen te vrezen dat ze aanstonds overbodig zijn, want het ziet er naar uit dat denkmachines uitstekend mathematisch kunnen 'denken'. (Ik denk eerlijk gezegd dat het zo'n vaart niet zal lopen: het is mijn ervaring dat deze machines het laten afweten als je het naadje van de kous wilt weten- net als je denkt: zo, dit begint werkelijk interessant te worden, geven ze geen sensationeel antwoord, maar verschaffen ze ons slechts kennis waar we al over beschikken. De 'denkmachine' is daarom vooralsnog een 'zoekmachine'- maar wel een erg goede zoekmachine).

Ik herinner mij nog goed de opwinding die het internet in het begin meebracht. Filosofen hielden oraties over "een nieuwe wereld, waarin informatie voor iedereen beschikbaar zal zijn: en dat is de grondslag voor een nieuwe, humane open maatschappij: dictators zullen geen greep meer hebben op het verstand van hun onderdanen." 

Inmiddels zijn we dertig jaar verder en zijn er nog steeds dictators- en de wereld wordt geregeerd door de algoritmen van Bikteg. Internet is verworden tot tiktok, insta en feesboek. Ik moet daarom nog zien wat uiteindelijk de meerwaarde zal zijn van generatieve ai (ai, ai?, zei de ezel, iaa, iaa!). 

Zou God rationeel zijn? Ik heb steeds sterker de overtuiging dat het bestaan niet draait om 'waarheid', 'ratio', 'logica', enz, maar om 'ethiek': de belangrijkste vraag is niet 'wat is de ware theorie van de werkelijkheid', 'wat is het juiste logische model' 'wat is betrouwbare kennis', maar 'hoe handel ik goed', 'wat moet ik doen', 'wat is voor mij de juiste weg'?

God is eerder een ethicus dan een logicus: we leven dan ook in een wereld van goed en kwaad. De wereld is een menging van zowel het goede als het kwade- en het kwaad is zo gruwelijk en verschrikkelijk als 'kwaad' maar kan zijn; en het goede is zo licht en onschuldig en weerloos als 'goed' maar kan zijn.

Deze visie past ook veel beter bij onze natuurlijke 'staat': we zijn namelijk belichaamde wezens die helemaal 'af-gemonteerd' zijn om te handelen: ons logische verstand, ons waardensysteem, ons vermogen tot cognitieve controle, kortom, alle radar-systemen die we aan boord hebben dienen om onze handelingen te plannen, te beoordelen (overdenken) en uit te voeren.  

In essentie zijn wij het dier dat zich bij elke straathoek moet afvragen: wat zal ik doen, waarheen zal ik gaan, hoe doe ik het goede en hoe vermijd ik het slechte?

Wat dat betreft is het existentialisme een interessante filosofische stroming: het is inhoudelijk een eenvoudige leer, maar daarom niet minder krachtig; het existentialisme geeft goed weer hoe lastig het bestaan is voor een mens die geen vast programma heeft: de dwang, de verplichting om steeds opnieuw te kiezen, ligt de existentialist zwaar op de schouders. Volgens de existentialist ben je het product van de keuzes die je gemaakt hebt in het verleden. 

JanPaul en Simone benadrukten dat de ergste zonde voor de weifelende mens 'de kwade trouw' is, dat wil zeggen: dat je huichelt, niet echt achter je keus staat. Jammer dat die twee zoveel dronken: bedwelmd door het leven gaan lijkt mij nou niet direct een blijk van goede trouw; maar hun manier van leven demonstreert dan wel weer hoe zwaar het bestaan van de existentialist is: goed leven, voortdurend bevangen zijn door uiteenlopende opties, is een bijkans ondraaglijke last- vandaar dat we misschien zoveel respect hebben voor 'heiligen en wijzen', mensen die wel zonder kleerscheuren -dus: zonder kwade trouw- hun leven leiden (ongeacht of deze wijzen uit het Oosten of het Westen komen).

Ik geloof dat het existentialisme zo aansprekend is omdat ieder mens wel voelt dat deze visie 'raak' is: inderdaad, steeds opnieuw ziet elke mens zich gesteld voor de vraag: wat zal ik aanvangen, deed ik het goede, had ik anders moeten doen?

Het leven is absurd, een paradox en de mens zoekt al weifelend zijn weg; en van het concert des levens krijgt niemand een program; en alles is ijdelheid en najagen van wind... maar van jou wordt verwacht dat je in een wereld zonder houvast de juiste weg vindt. Ga er maar aan staan...

zaterdag 20 juni 2026

Het slaapmiddel

Een argument voor de consistentie van de werkelijkheid is dat wij uitsluitend 'ware' theorieën kunnen opstellen als de werkelijkheid 'waarlijk' consistent is. 

Volgens mij is er iets mis met dit argument. In ieder geval is dit argument verenigbaar met de volgende bewering:

Wij kunnen ware, consistente theorieën opstellen als de werkelijkheid triviaal is (want als elke bewering waar is, dan is het mogelijk om ware, consistente theorieën op te stellen).

Het probleem met het trivialisme is echter dat het dan onmogelijk is om onware theorieën op te stellen: in een wereld waarin alles mogelijk is is alles waar: waarom is het dan niet mogelijk om op een vliegend tapijt naar mars te reizen? Of kanker te genezen middels een knipoogje?

Dit tegenargument slaat echter de plank mis. Als alles mogelijk is, is het ook mogelijk dat er een wereld is waarin je niet op een vliegend tapijt naar mars kunt en waarin je kanker niet kunt genezen met een knipoog.

Wij worden met een bepaalde denkwijze geboren: het is mijn overtuiging dat onze denkmachine, het brein, een klassiek-logische werking heeft. Een klassiek-logisch brein is exclusief: we houden één antwoord voor waar en alle andere antwoorden voor onwaar. In een triviale wereld schept een exclusief werkend brein zo één pad van ware, consistente antwoorden; alle antwoorden buiten dit pad worden voor onwaar gehouden (terwijl ze, vanuit het perspectief van de trivialist, wél waar zijn: hij ziet de werkelijkheid als één groot 'bad' van waarheden).

Nu is het trivialisme een formele theorie. We begrijpen wel wat het trivialisme is en hoe we het moeten definiëren. Feitelijk is het trivialisme een variatie op de klassieke logica.

Het is ook mogelijk dat de werkelijkheid zelf niet consistent is, niet triviaal, maar onbevattelijk. Als we ons afvragen hoe de werkelijkheid zelf geordend is, dan is 'onbevattelijk' bovendien de meest voor de hand liggen verklaring. Het enige wat je hoeft te doen om te mogen concluderen dat de werkelijkheid onbevattelijk is, is vaststellen dat onze denkwijze 'structureel' is maar beperkt.

Tenslotte: het argument dat wij alleen ware, consistente theorieën kunnen opstellen in een consistente werkelijkheid lijkt mij -zeker gegeven de mogelijke alternatieven- ongeldig. Wezens met een klassieke denkwijze zullen [noodgedwongen] consistente theorieën opstellen; als je dan poneert dat deze consistente theorieën betrouwbaar zijn omdat de werkelijkheid zelf consistent is, dan is je verklaring niet beter dan de beroemde verklaring van Pangloss: een slaapmiddel werkt omdat ze een slaapverwekkende werking heeft.

dinsdag 12 mei 2026

Kijken met je denkbeelden

Wie les geeft over Kant -de filosoof die de wereld verdeelde in het noumenale en het fenomenale- stuit altijd, bij jonge mensen, op het probleem dat ze zich bij de noumenale wereld niets kunnen voorstellen.

We leven immers 'volop' in de wereld die we kunnen waarnemen en begrijpen. Een wereld die buiten onze waarneming staat is non-existent.

Mensen vinden het ook lastig om te begrijpen dat je kijkt met je 'verbeelding': je beziet de wereld met je denkbeelden. Je bent ziende blind voor de dingen die je niet begrijpt.

De hersenen zijn grofweg te verdelen in drie grote 'blokken'. Het motorische systeem, het waarnemingssysteem en het controlesysteem.

Het waarnemingssysteem bestaat uit je zintuigen én uit je denkbeelden. Je kijkt naar de wereld met je 'wereldbeeld'. Alle zaken die niet op begrepen wijze in je wereldbeeld -je georganiseerde verzameling denkbeelden- voorkomen, worden door jou niet 'gezien'.

Je noemt dit fenomeen de theorie-geladenheid van de waarneming.

Een mooi voorbeeld van de wijze waarop je blind kunt zijn voor de dingen die je niet begrijpt wordt gedemonstreerd door het egeltje.

Het egeltje is blind voor het denkbeeld 'auto'. Het weet niet dat een auto een groot, zwaar object is, dat een vast traject volgt -en dit met hoge snelheid aflegt- en dat alles wat haar voor de wielen komt platwalst.

Steekt het egeltje de weg over en hoort het een ongebruikelijk geluid, dan rolt het zich op tot een schattig bolletje met stekels. Omdat het beestje letterlijk blind is voor het concept auto, hoort ze wel geluiden, maar weet ze niet wát ze hoort- en daarom reageert ze niet adequaat. Ze 'ziet' het gevaar niet. Ze doet juist het domste wat je in een dergelijke situatie kunt doen: ze rolt zich op en gaat stil op de weg zitten, precies voor de wielen van de auto.

Zo kun je 'blind' zijn voor dingen die bestaan. Je neemt zaken wel zintuigelijk waar, maar je begrip is blind voor de echte betekenis van het object dat je waarneemt.

Het fenomenale voertuig wordt wel waargenomen door het egeltje, maar het noumenale voertuig niet. 

Hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Kent echter je verstand absolute grenzen, dan zul je nooit de wereld in haar geheel doorgronden. 

Zo dacht Kant dat de mens door de beperkte werking van zijn eigen verstand blijvend 'blind' is voor de werkelijkheid.

vrijdag 24 april 2026

Aleman, A., De Ziel van het Brein (2.5)

Steeds als ik in de spiegel kijk zie ik hetzelfde gezicht. Het is een gezicht van huid, vlees, been en bloed (=rode koontjes). Het is niet anders. Schijnbaar ben ik geen doorschijnend wezen. Zo heeft God mij 'geschapen'. Ik ben een stoffelijk dier.

Nogal wat mensen vinden het niet prettig dat ze 'stoffelijk' zijn. Ik vraag me af waarom dat zo is: wat is er mis met het feit dat de wereld stoffelijk is? Het maakt haar niet minder mysterieus, niet minder ondoorgrondelijk, raadselachtig. Zou je de stoffelijke wereld inruilen voor een onstoffelijke wereld, dan zou de aard van het 'geheel' evenmin begrijpelijk zijn: ook het bestaan van een onstoffelijke werkelijkheid zou precies zo mysterieus en raadselachtig zijn als ze nu is. Bovendien zou je misschien ook uitgekeken raken -geborneerd- op je onstoffelijke presentie (en van lieverlee verlangen naar een stoffelijke wereld).

Het is niet de stoffelijke aard van de werkelijkheid die haar 'onttovert'. Het probleem is de 'filosofie' van de mens: hij heeft de overtuiging dat hij een stoffelijke wereld volledig kan doorgronden. Het is een soort dedain voor 'het wonder van het bestaan'. Waar de overtuiging dat heel de wereld kan worden beschreven en begrepen op stoelt is mij overigens niet duidelijk. Want de meest zekere wetten waar hij over beschikt [Aristoteles, Metafysica, boek 'gamma'], blijken bij nader inzien helemaal zo zeker niet te zijn. Daarmee komt heel het onderzoeksprogramma van de mens op losse schroeven te staan. 

Deze lange inleiding is nodig om het boek van Aleman te verdedigen. In deze stoffelijke wereld treffen we ons zelf aan met een grote bundel zenuwweefsel in onze schedel, 'de zetel van de ziel'. Het brein van de mens is een uitermate vreemde machine: enerzijds zijn wij ons brein, anderzijds zijn onze gedachten door hun inhoud 'losgezongen' van de duizenden vonken en chemische regens waarmee immense aantallen neuronen elkaar voortdurend ontsteken en uitdoven. Niemand op aarde doorgrondt de werking van de hersenen. Ze zijn stoffelijk, dat wel: je kunt -als keek je naar de wolkenhemel- zien waar het bliksemt en dondert. Maar daar houdt het dan ook mee op.

Begrijpen hoe de hersenen werken is niet aan de orde. Zou het kunnen dat de hersenen een bepaalde, onbekende 'grondstof' verwerken, namelijk 'semantische velden', 'psychische eenheden' (panpsychisme), 'betekenissen' of 'intenties'? Of ontvangen de hersenen een bepaald signaal, zoals een rekenmachine het wifi signaal ontvangt? Ach, het heeft vooralsnog weinig zin om hier over te speculeren (te ontdekken hoe de hersenen werken vereist voorlopig dat neuropsychologen de netwerken, kwabben en kernen nauwkeurig in kaart brengen). Feit is dat ik, die gebruik maakt van dit brein, gemakkelijk kan profiteren van het werk dat de hersenen verrichten. 

Aleman heeft zeker oog voor de diepzinnige vraagstukken die het brein omgeven. Zo bespreekt hij de vele problemen en hoofdbrekens die het de breinen van filosofen kost om te begrijpen hoe de gebruiker -jij- op een zekere vertrouwde, vrije wijze gebruik kan maken van het brein. Hoe is het mogelijk dat ik de machine die ik ben -en aan welks werking ik in zekere zin onderworpen ben- kan gebruiken zoals ik het wil en op een wijze die recht doet aan mijn verlangens en wensen? Zodat ik over de machine waaraan ik onderworpen ben tegelijkertijd heer en meester ben? 

(Een ander boek van Aleman heet 'Je brein de baas': alleen die rake titel geeft al weer hoe mysterieus het brein is: je kunt niet harder lopen dan je lichaam, maar kun je wel meer willen dan je brein wil?)

Je kunt Aleman echt niet verwijten dat hij als een 'harde wetenschapper' spreekt over ziel, psyche en brein. Het is wel jammer dat de bespreking van de filosofische opvattingen nogal 'vluchtig' is. Hij stipt de zienswijzen op ziel, psyche en brein slechts aan. Nu ontgaat het een lezer misschien hoe raadselachtig de verhouding tussen ziel, psyche en brein is. De conceptuele ruimte tussen deze fenomenen is groot genoeg om recht te doen aan religieuze overtuigingen,- maar dat moet je wel goed uitleggen.

Aleman zelf verdedigt een 'genuanceerde vorm' van dualisme, het zogenaamde 'twee-aspecten monisme' (het brein is één munt met twee zijden: één orgaan (=monisme) dat zowel instrumenteel als persoonlijk (ervaring) kan worden begrepen en beschreven). Ook dit is natuurlijk een mysterieuze constructie (denk er maar eens diep over na).

De bedoeling van het boek is om ons een overzicht te geven van een specialisme in de neuropsychologie, namelijk die van de 'neuropsychologie van religie en spiritualiteit'. Aleman kwijt zich op een uiterst doelmatige wijze van zijn taak. Ik vind persoonlijk dat hij een prettige, zakelijke 'pen' heeft. Toegegeven: in sommige paragrafen werpt Aleman je wel erg veel technische termen -zonder duiding- voor de voeten; in andere paragrafen (zoals die over het onderzoek naar gebed) wordt de duiding echter wel verstrekt en is de tekst goed te volgen. [±] 

Inhoudelijk is het vakgebied zeer interessant. Zijn gelovige mensen bijvoorbeeld minder rationeel dan hun ongelovige tegenhangers? Nee, niet persé (zie: h3).

Is je brein actief bij spirituele ervaringen (hopelijk wel: en ook je hart klopt nog en ook je nieren en longen staken hun werking niet)? Jazeker. Aleman schrijft dat volgens Newberg zelfs 'het menselijk brein biologisch geprogrammeerd [is] om betekenis te zoeken en creëren, inclusief religieuze of spirituele overtuigingen. Dit bewijst of ontkracht de waarheid van religie niet, maar het suggereert dat geloofssystemen op natuurlijke wijze kunnen voortkomen uit de manier waarop hersenen functioneren'. [Ik kwam een soortgelijk inzicht tegen in het zojuist verschenen boek van Paul Goldsmith, The evolving brain: ons brein is van nature 'empathisch'].

En hoe zit het met het vaak aangehaalde inzicht dat religieuze ervaringen 'slechts' veroorzaakt worden door epileptisch toevallen? Wel, dat verhaal is onjuist (niet voldoende onderbouwd).

Ik weet dat sommige mensen afknappen op het feit dat een 'louter mentaal' proces een neurologisch correlaat heeft. Een dergelijke reactie zegt echter meer, vermoedelijk, over onze  vooroordelen ten aanzien van wetenschap en van de 'stoffelijke wereld', dan over de waarde van de spirituele ervaring. Een ervaring is net zo 'echt' -zeker in modale zin: de ervaringen die je hebt zijn 'mogelijk': dus maken ze deel uit van de werkelijkheid- als de neuronen die haar bewerkstelligen.

Nogmaals, het doet er niet toe of de wereld stoffelijk of niet stoffelijk is. Dát is het punt niet als we ons buigen over religie en zingeving. Het punt is dat het een groot, onbevattelijk wonder is dat de werkelijkheid bestaat: de werkelijkheid is ondoorgrondelijk. Het feit dat je op aarde bent en je 'binnen-in' voortdurend kunt onderdompelen in een bad van kleuren en geluiden en tal van andere ervaringen, dát is opmerkelijk. 

Is het gezond om religieus te zijn? Jazeker! (Zie: h7). Zingeving kan een krachtig medicijn zijn (dit onderwerp was voor mij de 'trigger' om dit (e-)boek te kopen: mijn leerlingen hebben zo'n sterke behoefte aan zingeving, aan een verhaal dat iets verder reikt dan 'de mens kan de wereld samenvatten in een 'toe' van ongeveer vier, elegante formules'.) 

Je kunt, onder andere op grond van neurologisch onderzoek, een pleidooi houden voor het inzicht dat de mens van nature een ethisch dier is, 'ontworpen' om goed of kwaad te handelen (zoals een divi-divi boompje in de tropen is gaan staan naar de passaatwind, zo is onze 'constitutie' gaan staan naar de 'plicht' om sociaal/ethisch te handelen: aan alle voorwaarden daartoe is voldaan- en als je een ethisch leven kunt leiden, dan heeft je leven zin). Neurotheologie laat zien dat hersenonderzoek zeker niet uitvalt in het voordeel van de atheïst.

Al met al ben ik goed te spreken over dit boek. Het is helder geschreven -met als enige bezwaar dat Alemans weergave hier en daar wat al te beknopt en technisch is- en het biedt je de nodige aanknopingspunten om je verder te verdiepen in de besproken onderwerpen. Ik zelf vind vooral het nieuwe licht dat de schrijver werpt op vooroordelen ten aanzien van religieuze zielen -religieuze ervaring is geen epilepsie, religieuze mensen zijn niet lichtgelovig- bijzonder waardevol. Vooral atheisten, met hun lichtgelovige neiging om de minste wetenschappelijke verklaring voor religieuze gebruiken en overtuigingen voor waar te houden, zouden dit boek eens moeten lezen. 

De religieuze ziel, op haar beurt, zal moeten sleutelen aan haar vooroordelen ten aanzien van onze stoffelijke wereld, wil zij althans waardering voor het werk van neuropsychologen kunnen opbrengen. Je bent je brein én je hebt je brein. Waarom zou je dat ontkennen?

-----------------------------

Aleman, A, De ziel van het brein, (een neurowetenschappelijke zoektocht naar spiritualiteit), Kok (Utrecht), €22,- (eboek: €15,-).

Let op: het boek bevat een flap waarop je de bouw van de hersenen -en zodoende ook de vaktermen die Aleman gebruikt- kunt nakijken. Het eboek is daarin zo handig niet. Daarentegen is het gedrukte boek van een waardeloze kwaliteit: zelfs het papier van een kladblokje is kwalitatief nog beter. 

------------------------------

[±] Wellicht had Aleman, bij het schrijven van dit boek, twee verschillende doelgroepen in gedachten: de leek, die graag kennis wil nemen van dit onderzoeksgebied, en vakbroeders met een andere specialisatie. Het weglaten van de technische termen is in dat geval geen optie. Wordt echter steeds opnieuw uitgelegd welke vaardigheden en stemmingen aan de genoemde hersengebieden en -kernen toegeschreven kunnen worden, dan is de tekst ook voor de geïnteresseerde leek goed te volgen. In veel paragrafen gaat dit trouwens goed en is de tekst, lijkt mij, inderdaad interessant voor zowel leek als vakbroeder.

Persoonlijk heb ik mij niet gestoord aan de vaktermen die Aleman gebruikt: zo schrijven eigenlijk alle neuropsychologen: ze verwijzen onophoudelijk naar bepaalde hersengebieden. Misschien is het probleem dat neuropsychologen wel kunnen zeggen welke kernen en gebieden actief zijn bij bepaalde ervaringen en handelingen, maar dat hen de samenhang tussen alle kernen en gebieden niet bekend is. Het is daarom -dit is een vermoeden- lastig om een 'vanzelfsprekend' eensluidend verhaal te smeden van alle losstaande onderzoeken en gegevens. Voor de leek is een sluitend verhaal echter begrijpelijker, omdat zij de rijke context mist van de specialist.

------------------------------

Voor een kritische recensie -misschien vind je die van mij te welwillend- zie: Smedes, Taede (met wat googlen vind je zijn recensie wel).

Overigens bevielen mij ook andere boeken goed die Aleman schreef, waaronder 'het seniorenbrein', 'hersenspinsels' en 'het brein de baas'; (van het seniorenbrein is onlangs een nieuwe editie uitgebracht met een lelijk omslag: jammer, ik vond het omslag van de eerste editie erg mooi; bovendien is er tekst toegevoegd: dat vind ik 'gemeen', want nu is mijn eerste editie opeens 'onvolledig'.)

Wil je meer weten over 'neurotheologie' (de term is gemunt door Andrew Newberg, de bekendste vertegenwoordiger van het neuropsychologisch onderzoek naar religie), zie:

https://youtu.be/nDah0kvo1uY?si=O0LTtrrMD61jkjLY

maandag 13 april 2026

Kwain en de keeper (1.5: enkele aanpassingen)

Als je snel wilt weten hoe goed iemand is ingevoerd in de filosofie, dan moet je hem, zo tussen neus en lippen door, eens wat vragen stellen over Quine: beslist één van de belangrijkste filosofen van de vorige eeuw.

De kans is groot echter dat je gesprekspartner de vragen over Quine niet naar behoren kan beantwoorden.

Eén van de meest ingenieuze lezingen over het belang van de basiswetten is van zijn hand.

Quine beredeneerde dat het onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen niet te verdedigen is. Het onderscheid tussen logische en empirische (noodzakelijke en contingente) oordelen is kunstmatig. Al onze oordelen (overtuigingen, inzichten, meningen, 'proposities') worden op één en dezelfde manier gerechtvaardigd. 

[Iets technischer gezegd: men meende dat logische en wiskundige beweringen 'a priori' worden gerechtvaardigd en empirische (psychologische en fysische) oordelen 'a posteriori'. Volgens Quine echter wordt de geloofwaardigheid van de gehele theorie, dat wil zeggen: het weefsel van alle overtuigingen, in de praktijk (dat is 'a posteriori') op de proef gesteld].

Hoe rechtvaardig je je oordelen volgens Quine? Wel, je maakt van je overtuigingen een samenhangend verhaal. Je verhaal is een amalgaam van logische, theoretische en praktische overtuigingen: je plakt al deze oordelen van verschillende kwaliteit zo aan elkaar dat het geheel voor jou acceptabel/bruikbaar is.

Vergelijk het met voetbal. Hoe stelt een trainer zijn beste elftal samen? Door de beste verdedigers, de beste middenvelders en de beste aanvallers in het veld te brengen. Het is echter niet noodzakelijk om verdedigers, aanvallers en middenvelders strikt gescheiden taken en opdrachten te geven: een aanvaller kan ook meeverdedigen en een middenvelder of verdediger kan ook aanvallen. De trainer zoekt naar de beste balans in het elftal.

Hoe ontdek je wat de beste balans is: wel, dat zijn de elf spelers én hun speelwijze die de test -een wedstrijd of een competitie- goed doorstaan.

De trainer kan experimenteren: hij zou de aanvallers eens in de verdediging kunnen zetten en de verdedigers op het middenveld en de middenvelders in de aanval. De kans is groot echter dat hij dan wedstrijden verliest. De 'test' zal uitwijzen hoe verstandig het is om het elftal 'om te gooien'.

De trainer zou zelfs eens kunnen proberen om zonder keeper te spelen. Wellicht dat een troep van elf woest aanvallende spelers de tegenstander kan overrompelen. De kans dat hij dan wedstrijden verliest is echter groot: zelfs de minste tegenstanders weten wel raad met een leeg doel. Het is dus niet verboden om zonder keeper aan te treden, maar deze ingreep is te riskant: geen elftal zal zonder keeper spelen.

Je spits kun je wel vervangen door een verdediger: als je een voorsprong wilt verdedigen is dat misschien verstandig. 

Op soortgelijke manier denkt Quine over theorieën. Je mag alle overtuigingen in een theorie veranderen. Je mag de logische wetten wegsnijden, je mag onze ideeën over de zwaartekracht in de wind slaan, je mag het bestaan van de Olympische goden invoeren, zolang je 'verhaal' maar niet in de problemen komt. In de wetenschappelijke (en praktische) praktijk is het niet zo verstandig om de zwaartekracht af te schaffen en het bestaan van de Olympische goden in te voeren. Een dergelijke stoutmoedige theorie past niet goed in het huidige wetenschappelijke raamwerk. Maar in theorie heeft een wetenschapper de vrijheid om dat wel te doen. (Wellicht is Paul Feyerabend na lezing van Quine op het idee gekomen dat wetenschap een 'anarchistische' bezigheid behoort te zijn: alle inzichten kunnen van belang zijn, van astronomie tot astrologie).

[Iets technischer gezegd: dit is de beroemde Quine-Duhem stelling: je kunt een theorie uitsluitend als 'volledig verhaal' testen: alle praktische, theoretische en logische inzichten tellen mee. Dat rijke palet aan verschillende soorten inzichten maakt het vrijwel altijd mogelijk om een theorie te verdedigen. Immers, een wetenschapper kan, na een mislukte experiment, de 'schuld' toeschrijven aan een minder belangrijk inzicht in de theorie: dan blijven de belangrijke inzichten van de theorie behouden. Je hoort ook trainers deze Quine-Duhem stelling toepassen: dat de wedstrijd verloren is lag aan de scheidsrechter, aan de VAR, aan de afwezigheid van de sterspeler, aan de keeper die zijn dag niet had, maar niet aan het elftal als zodanig: het elftal als geheel blijft een goed team- de trainer ziet daarom geen noodzaak om drastische maatregelen te nemen na het verlies. Je begrijpt nu ook waarom Poppers 'falsificationisme' niet werkt: een wetenschapper hoeft zijn theorie niet af te schaffen na één cruciaal experiment.]

Waarom staan nu de twee basiswetten van de logica nog steeds in elke fysische theorie? Om de eenvoudige reden dat je 'de wedstrijd' geheid verliest als je de basiswetten weglaat. Zoals je ook geheid verliest als je geen keeper opstelt. We weten niet of deze basiswetten 'absoluut' waar zijn, we weten niet of ze door 'God' zijn ingesteld, we weten niet of ze 'neurologisch' noodzakelijk zijn, maar we weten wel dat we cognitief in de problemen raken als we onze verhalen over de werkelijkheid niet logisch ordenen.

Een trainer die een sterk elftal heeft is dwaas als hij dit elftal volledig 'omgooit'. Hij zou uitsluitend de speler die een blessure heeft moeten vervangen; ook kan hij eens proberen om een jonge veelbelovende speler het veld in te sturen. De 'basis-elf' echter laat je in principe staan. Quine geeft soortgelijke raad aan wetenschappers: het principe van 'minimal mutilation' zegt dat je een verhaal, als je redenen hebt om er aan te sleutelen, zo zuinig (minimaal) mogelijk moet aanpassen. Het principe van 'minimal mutilation' maakt duidelijk waarom we de basiswetten blijven opnemen in onze verhalen en theorieën over de werkelijkheid: wie ze weglaat verandert de orde van het hele verhaal, je haalt er de hele theorie mee overhoop.

De ideeën van Quine zijn de aanleiding geweest in de filosofie van de logica om de logische wetten op een volstrekt nieuwe manier te bekijken (het huidige debat tussen de 'exceptionalisten en anti-exceptionalisten' is de vrucht van Quine's werk: ik zal hier in een eventuele volgende bijdrage wel eens over berichten). Als we daar dan ook bij optellen dat Quine de 'godfather' is van het naturalisme, inmiddels de meest invloedrijke stroming in de epistemologie, dan zie je vermoedelijk wel in waarom zijn werk -onder filosofen- hoog in aanzien staat.

----

Helaas zijn er geen goede Nederlandstalige inleidingen over het werk van Quine. Het werk van Quine wordt eenvoudigweg niet gemakkelijk begrepen. Hij komt ook niet voor in de schoolboeken- terwijl zijn werk niet van minder belang is (vermoedelijk zelfs van groter belang) dan dat van Kuhn en Popper (het werk van Popper is deels achterhaald; Kuhn heeft overduidelijk leentjebuur gespeeld bij Quine). Quine heeft eigenlijk alleen maar artikelen geschreven- en nooit een toegankelijk boek voor het grote publiek. Hij schreef één boek (Word and Object), maar dat is dan juist weer een tamelijk technisch werk. Zijn bekendste artikel is 'Two dogma's of empiricism'.