Als het water voortdurend tegen de dijken slaat, de ene dag hard, de andere dag harder, dan eens krachteloos, en soms met stormachtige drift, waar zou de dijk dan uiteindelijk breken?
Op de plekken waar de dijk zwak is- dat spreekt vanzelf.
Zo breekt ook een ketting bij de zwakste schakel.
Als je één slecht en één goed oog hebt, welk oog zal dan de wereld helder zien?
Als je een machine hebt, die een stapel van tien vellen papier kan versnipperen, wanneer dan zal deze machine dienst weigeren?
Als een kind blokken op elkaar kan stapelen, maar bollen niet, van welke vormen dan zal hij een huis bouwen en van welke vormen niet?
Als je een denkmachine hebt die exclusieve structuren kan verwerken, maar niet-exclusieve structuren niet... welke structuren zal de denkmachine dan niet kunnen verwerken?
Als zaken in de werkelijkheid onbegrijpelijk zijn, welke vorm hebben deze zaken dan? Inderdaad, de vorm die onze 'denkmachine' niet kan verwerken...
Alle zaken die we niet begrijpen doen zich aan ons voor als een tegenspraak.
Met een brein als het onze heb je ook geen andere keus. Kijk eens naar de logica van het parkeren:
(1) Een parkeervak is bezet als een voertuig keurig binnen de lijnen van het vak staat;Je ziet dat (3) wel uitvoerbaar is, maar dat deze wijze van parkeren onmogelijk 'juist' kan zijn: het voertuig staat niet binnen en ook niet buiten het vak; en je ziet dat (4) niet eens uitvoerbaar is. Je 'logica' doet je begrijpen dat je niet eens hoeft te proberen om je voertuig te parkeren buiten en binnen het vak. Stel nu eens dat het brein zichzelf de opdracht gaf om 'het lichaam' zowel binnen als buiten het vak te parkeren: het zou dan sterven van uitputting na eindeloos te hebben geprobeerd om zowel binnen als buiten het vak te staan. De opdracht is schier onbegrijpelijk.
De logica van het parkeervak is wezenlijk: het brein van de mens is ontwikkeld om door middel van doelgericht handelen te overleven op aarde- een mens is een effectieve 'beweger' [Goldsmith, 2025; Mars, 2020].
Bewegen heeft zo zijn biomechanische beperkingen; het brein zal rekening moeten houden met deze biomechanische beperkingen als het effectief wil bijdragen aan het bereiken van doelen (door handelen).
Het brein kan wel proberen om het lichaam twee verschillende handelingen tegelijk uit te laten voeren, maar de opdracht zal altijd resulteren in een halfslachtige optreden [Badre, 2020].
De evolutie, altijd in voor de zuinigste en meest doeltreffende oplossing, heeft ons zo ingericht dat we beter volledige handelingen kunnen uitvoeren: dat wil zeggen, we zullen bij voorkeur één doel per keer moeten bereiken (=exclusief handelen). En daar hebben we alle middelen die de natuur ons gegeven heeft voor nodig.
Wil je twee taken uitvoeren tegelijkertijd, dan heb je of twee lichamen nodig -en die heb je niet- of je moet gaan rommelen met de vingers, handen, armen, benen en overige attributen waar je over beschikt: je zult bijvoorbeeld de ene hand moeten gebruiken voor de ene handeling en de andere hand voor de andere handeling. De twee handelingen zullen dan echter niet uit de verf komen.
De andere mogelijkheid, namelijk twee volledige handelingen tegelijk uitvoeren is onmogelijk. Je hoeft er niet eens aan te beginnen. Het lichaam kan een dubbele opdracht niet uitvoeren- en van lieverlee heeft het brein aanvaard dat zulke handelingen 'absurd' zijn. Je moet ze niet eens in overweging nemen. De enige goede manier om met zulke absurde plannen om te gaan is door ze onmiddellijk weg te doen. Absurde plannen worden niet aanvaard, niet overwogen, niet behandeld, niet verwerkt, maar weggewerkt. Zoals het afweersysteem schadelijke virussen onschadelijk maakt, zo maakt onze denkwijze schadelijke denkstructuren onschadelijk. Zo voegt het brein zich naar de biomechanische 'logica' van het lichaam.
Het is daarom te begrijpen dat wij een brein hebben dat 'vastzit' in de 'parkeerlogica'. We houden het voor onmogelijk om de ene volledige handeling én de andere volledige handeling uit te voeren. Een lichaam kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn, een lichaam kan maar één handeling uitvoeren, het kan maar één houding per keer aannemen. Een brein dat waarlijk voor het lichaam denkt rekent daarom alleen in exclusieve handelingen (mogelijkheden).
Welke vorm nemen dus de dingen aan die wij met onze parkeerlogica niet kunnen begrijpen: de vorm van 'twee voertuigen die tegelijk wel en niet binnen de lijnen geparkeerd staan'- de vorm van het onmogelijke.
Als we de verhouding tussen stof en geest niet kunnen begrijpen, welke vorm heeft dan de geest: de vorm van een 'substantie' die wel en niet stoffelijk is.
Als we de verhouding tussen de bepaalde en onbepaalde wil niet kunnen begrijpen, welke vorm heeft dan de onbepaalde wil: de vorm van een handeling die wel en niet bepaald is.
Als we de verhouding tussen realisme en idealisme niet kunnen begrijpen, welke aard heeft de 'realiteit' dan: de werkelijkheid is dan wel en niet 'idealistisch'.
Als we de verhouding tussen het sacrale en het seculiere niet begrijpen, wat is dan het sacrale: het sacrale is dan wel en niet seculier.
Het absurde aanzien van de werkelijkheid is de vrucht van onze eigen denkwijze. Als de wereld te verdelen is in begrijpelijke en onbegrijpelijke structuren -zoals ze ook te verdelen is in objecten die wel en niet in één hand passen-, dan maakt ons verstand daar noodgedwongen twee groepen van, die van de 'logische' en die van de 'absurde' structuren.
Dat objecten absurd zijn zegt initieel niets over de vraag of ze wel of niet kunnen voorkomen (in de werkelijkheid); het zegt wel iets over de vraag hoe ons brein werkt. Ook kun je er niet uit afleiden dat absurde zaken niet bestaan: integendeel, zaken die niet logisch kunnen worden beschreven -de zaken die absurd zijn- kunnen niet uitgesloten worden van de werkelijkheid: het is immers logisch onmogelijk om ze uit te sluiten?
------
Aantekening: Je kunt God niet op zinvolle wijze anders definiëren dan als een 'persoon/kracht/entiteit' die ons begrip overtreft. God is dus 'absurd'. Wij kunnen 'absurde' zaken niet uitsluiten van de werkelijkheid. Onze denkwijze is immers zo dat begrepen zaken exclusief zijn (waar of niet waar), maar absurde zaken inclusief (waar en niet waar). Kortom, als God absurd is, dan bestaat God.