donderdag 20 augustus 2026

De Steen (versie 1) [2]

(1) Op een plein in een Drents dorpje ligt een enorme steen. In deze steen zijn twee ijzeren haken/ogen geslagen waar je touwen aan kunt vastknopen (één oog aan de voorkant, één aan de achterkant). Aan deze ogen kun je paarden binden om de steen te verplaatsen (tegenwoordig -althans dat vermoed ik- verplaatsen ze de steen met een tractor.)

Om de steen te verplaatsen had je -zo heb ik me laten vertellen- minimaal twee paarden nodig (=één tweespan); gemakkelijker gaat het verplaatsen van de steen echter met vier paarden, dat is tweemaal een tweespan.

De mannen die de paarden mennen -stoere kerels in een blauwe overall- hadden nu de volgende mogelijkheden:

-ze konden de paarden aan één van de twee ogen binden: óf aan het voorste oog óf aan het achterste oog; zo ingespannen kan de steen verplaatst worden (= samenwerking).

-ze kunnen het natuurlijk ook nalaten om de paarden aan een van de twee ogen te binden: zo ingespannen kan de steen niet verplaatst worden (= nulwerking);

-ze kunnen ook één tweespan aan het voorste oog en één tweespan aan het achterste oog binden: nu zullen de twee tweespannen elkaars krachten opheffen en zal de steen per saldo de steen niet verplaatst worden (= tegenwerking).

Je kunt deze vier mogelijkheden weergeven in een schema. In het schema staat P voor paarden ingespannen aan het voorste oog, ¬P voor paarden ingespannen aan het achterste oog; 1 betekent dat de paarden door de menners daadwerkelijk worden aangespoord om te sjorren en te trekken, 0 betekent dat de paarden niet worden aangespoord om te sjorren en te trekken (en paarden zijn niet gek: als je ze niet tot werken aanspoort, dan blijven ze rustig staan): 

P=1, ¬P=1, dan: 0 [steen niet verplaatst: tegenwerking]
P=1, ¬P=0, dan: 1 [steen wel verplaatst: samenwerking]
P=0, ¬P=1, dan: 1 [steen niet verplaatst: samenwerking]
P=0, ¬P=0, dan: 0 [steen niet verplaatst: nulwerking].

Eigenlijk is dit niets anders dan newtoniaanse mechanica. Je kunt in dit schema de P (paarden) dan ook vervangen door F (krachten) zonder dat dit ten koste gaat van de structuur:

F=1, ¬F=1, dan: 0 [steen niet verplaatst: tegenwerking]
F=1, ¬F=0, dan: 1 [steen wel verplaatst: samenwerking]
F=0, ¬F=1, dan: 1 [steen niet verplaatst: samenwerking]
F=0, ¬F=0, dan: 0 [steen niet verplaatst: nulwerking].

We geven de krachten hier aan met een F en een ¬F (negatie van F). De reden hiervoor is dat de krachten die je genereert om de steen te verplaatsen ofwel meewerken ofwel tegenwerken (F of ¬F). Wie wel eens met een groep schoolkinderen heeft geprobeerd om een boerenkar te verrijden, weet dat ze in hun tomeloze enthousiasme willekeurig aan de kar beginnen te sjorren. Sommige leerlingen werken de verplaatsing dan tegen (overigens zonder dat ze dit in de gaten hebben, grappig genoeg). Je kunt de kinderen verdelen in twee groepen: kinderen die wel en die niet meewerken aan het verplaatsen van de kar. 

(2) Een logicus ziet vermoedelijk snel welke logische operator de verdeling van de krachten (paarden) en de verplaatsing van de steen beschrijft: het is de exclusieve disjunctie [1]:

p=1, ¬p=1, dan: p v ¬p= 0
p=1, ¬p=0, dan: p v ¬p= 1
p=0, ¬p=1, dan: p v ¬p= 1
p=0, ¬p=0, dan: p v ¬p= 0

Het is geen toeval dat déze operator de 'orde' van de krachten en de verplaatsing van de steen beschrijft: het verplaatsen van een steen is namelijk een exclusieve handeling. De steen kan slechts langs één traject verplaatst worden. Je kunt dit traject beschrijven als een vector met een bepaalde oriëntatie. Als je weet dat de steen verplaatst is langs traject a, kun je uitsluiten dat de steen verplaatst is langs traject b, c, d, e enz. Ken je traject a, dan weet je ook wat traject ¬a is. 

Exclusiviteit is natuurlijk niet voorbehouden aan de steen in Drenthe; exclusiviteit geldt voor alle 'vaste/rigide' objecten: messen, vorken, beelden, stoelen, bomen, mensen, enz.

Exclusiviteit is in de praktijk een handige eigenschap. Zo kun je deze eigenschap gebruiken om jokkebrokken te ontmaskeren. Inbreker Grijpgraag is een voorbeeld van een exclusief object: daarom kan inspecteur Wijsneus uitsluiten dat Grijpgraag tijdens de diefstal zowel thuis was als in de Juwelierszaak. Want Wijsneus weet dat exclusieve objecten niet op twee plaatsen tegelijk kunnen zijn.

Terzijde: het feit dat rigide/vaste objecten exclusief zijn is een contingente eigenschap. Het is geen noodzakelijke eigenschap. 

(3) Lichamen van dieren en mensen zijn -evenals de Drentse steen- objecten. Ook lichamen hebben exclusiviteit. De spieren moeten de krachten bundelen (=samenwerken) om het lichaam te verplaatsen.

In het voorbeeld van de Drentse steen werden de paarden ingespannen en tot sjorren aangespoord door mensen. In het lichaam worden de spieren aan- en uitgezet door zenuwweefsel (brein). Neurobiologen hebben het 'brein' (zenuwweefsel) van C.elegans, een klein wormpje, volledig in kaart gebracht. De zenuwen bedienen de spieren als volgt:

“The execution of one action [in C'elegans] at a time is coördinated by specific command neurons that, when activated, initiate one of the possible movements. Importantly, once the command neurons activate, the motor sequence (e.g., for moving forward) happens by itself. It does not need to be centrally directed because it is already wired into the neuromuscular circuitry: it simply has to be released (while all other possible actions are inhibited). The worm’s brain (a condensation of interneurons in the head) just has to ask the motor system to do something; it doesn’t have to tell it how.” [Mitchell, Free Agents, ch.4]


De architectuur van spier- en zenuwweefsel in C.elegans vertoont overeenkomst met het verplaatsen van de steen: de menners hoeven de paarden niet te zeggen hoe ze hun spieren moeten spannen en hun poten schrap moeten zeggen. Het is voldoende als ze de paarden aansporen. Voorwaarde is wel dat de paarden op de juiste wijze worden ingespannen. In de tabel zie je dat het geen zin heeft om de paarden aan te sporen als er sprake is van nul- of tegenwerking.


Hetzelfde geldt voor de spieren en het zenuwweefsel. In de loop van de evolutie hebben de spieren en zenuwen zich functioneel ontwikkeld. In het begin echter, toen de natuur organismen voorzag van spier- en zenuwweefsel, zal de werking van deze weefsels meer geleken hebben op mijn schoolklasje dat een boerenkar probeert te verplaatsen. 


Het zenuwweefsel zal niet alle spieren hebben kunnen aan- en uitzetten; en een aantal van de spieren die aangezet werden, zal de verplaatsing hebben tegengewerkt (zie: het werk van Chris Pantin, Fred Keijzer). 


Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat zenuw- en spierweefsel uiteindelijk -gradueel, stap voor stap- zo verfijnd en functioneel als in C.elegans zijn gaan samenwerken. Toch is dit evolutionair vrij eenvoudig te verklaren. 


We zien aan de tabel dat tegenwerking en nulwerking moeten worden vermeden. Het zenuwweefsel moest de spieren dus bij voorkeur (1) wél aanzetten, maar zo dat (2) tegenwerking werd vermeden. Bij dieren waar dit niet lukte was het bezit van deze weefsel eerder na- dan voordelig: het zijn dure kostgangers, die veel energie nodig hebben. De mutanten die er in slaagden om het spierweefsel te activeren en tegenwerking te verkleinen, hadden een enorm voordeel: ze konden, in een wereld waar beweging (motiliteit) nauwelijks voorkwam, zonder gevaar alle overige organismen naderen en verorberen. Niet voor niets noemt Nick Lane motiliteit een van de belangrijkste biologische 'innovaties'.


Het eerste zenuwweefsel had, gezien het enorme voordeel van motiliteit, een exclusieve functie. We kunnen de logica die deze functionaliteit kenmerkt in een paar regels uitwerken.


Spieren werken optimaal als uitsluitend de meewerkende krachten worden geactiveerd; we leiden nu uit de bovenstaande tabellen af dat: 


-je daarom het spierweefsel wel moet activeren (=geen nulwerking), maar

-je moet tegenwerking vermijden (=geen tegenwerking);


In feite zijn dit protologische wetten; 


-geen nulwerking kun je noteren als: niet (p noch niet-p);

-geen tegenwerking kun je noteren als: niet (p en ¬p).


Zo heb je de twee formele klassieke wetten afgeleid (want geen nulwerking is natuurlijk de wet van het uitgesloten derde).


Tenslotte is de exclusieve operator een conjunctie van de twee klassieke wetten:


(p v ¬p) & niet (p & ¬p) <=> (p v ¬p) [3].


Ook dit is gemakkelijk te begrijpen:


De disjunctie stelt dat 'ofwel p of niet-p of zowel p als niet-p'. Maar 'geen tegenwerking' verbiedt 'zowel p als niet-p'.

Je houdt dan de exclusieve disjunct over. 


(4) De exclusieve disjunctie beschrijft de optimale activering van onze spiergroepen. Wie begrijpt dat je de Drentse steen niet kunt verplaatsen als je paarden niet aanspoort tot trekken en sjorren of als je de paarden tegen elkaar in laat werken, begrijpt ook waarom wij een basale exclusieve denkwijze hebben.


Wij zijn een object en verplaatsen ons als een object, dat wil zeggen op exclusieve wijze. We hebben daar een exclusieve denkwijze bij nodig, anders zouden we ons eigen lichaam niet kunnen bedienen. 


Aangezien exclusiviteit een contingente eigenschap is, die slechts betrekking heeft op objecten, is ook onze denkwijze contingent. Onze denkwijze is niet noodzakelijk, niet algemeen en niet universeel. Voorts is het niet lastig om vast te stellen dat de werkelijkheid niet exclusief is (maar dit is een uitstapje in de metafysica dat we hier laten rusten) [3].


Je kunt alle metafysische en bovennatuurlijke verklaring van de logica nu vergeten: het zijn geen magische wetten die de gehele werkelijkheid beschrijven en die door een bovennatuurlijke alwetende persoon zijn gebruikt om de schepping te ordenen. Het zijn praktische wetten die ons helpen om snel en doelmatig van a naar b te lopen.


Onze logische denkwijze is toegesneden op 'handelen': we zijn ethische dieren.

---------

[1] Ik laat de vraag -en aanverwante vragen- bij welk logisch model deze afleiding hoort hier rusten: deze is niet van wezenlijk belang voor het betoog

[2] DIt is een bewerking van een eerdere bijdrage (die ik destijds schreef voor De Lachende Theoloog). 

[3] Zie bijvoorbeeld de laatste hoofdstukken van Maddy's hoofdwerk, Second Philosophy, waarin zij betoogt dat de wereld geen KF-wereld is (geen Kant-Frege wereld): sorites-paradoxen en andere onbepaaldheden maken dat duidelijke. Zij voert aan dat ook kwantummechanica geen KF-wereld is (geen klassieke logische wereld).

woensdag 19 augustus 2026

De strop om de nek van de ethiek

Ik ken geen filosoof die mooier/beter schrijft dan Nietzsche of Schopenhauer. 

Hoe prachtig zijn deze zinnen: 

"De kritiek op de moraal is zelf van een hoog zedelijk gehalte." - "De zin voor waarheid zelf een van de machtigste bloeivormen van de moraliteitszin." [En daarmee heeft de moraal] "zichzelf de strop om de hals gelegd waarmee ze geworgd kan worden - de zelfmoord van de moraal is haar eigen morele eis."

Nietzsche lijkt te willen zeggen dat wie werkelijk bewogen wordt door de moraal de moraal moet afschaffen. De tegenspraak in deze opmerkelijke zin maakt de morele handeling die Nietzsche ons oplegt niet uitvoerbaar. Want als je de moraal afschaft -waartoe de zin ons oproept- dan maal je niet om de moraal en hoef je haar niet af te schaffen; maar als je haar niet afschaft, dan wil je wel voldoen aan de moraal en moet je haar afschaffen.

Merk nu op dat een dergelijke 'knoop' in de uitvoering ook de mensen parten speelt die menen dat ze God moreel verantwoordelijk kunnen houden voor het kwaad in de wereld.

Wie bijvoorbeeld moreel verontwaardigd is over het kwaad in de wereld -ik vind het immoreel dat God kanker geeft aan mensen (denk aan de hartverscheurende strijd van Lieke Marsman)- stelt impliciet dat de moraal 'een groot goed is': zo belangrijk zelfs dat het een (zeer) sterk argument is tegen het geloof in God.

Echter als God mensen heeft geschapen die kanker kunnen krijgen, dan schiep hij ook mensen die deze ziekte moreel kunnen veroordelen. En dat laatste is dan weer een groot goed. Wie wil werkelijk onze zin voor goed en kwaad opgeven?

Stel echter dat God luistert naar onze klacht en de zin voor goed en kwaad inderdaad wegneemt uit ons gemoed/verstand. Het gevolg van die ingreep is dat de kanker die mensen doodt geen kwaad meer is. Je zult een moreel besef moeten hebben om kanker te kunnen veroordelen/beoordelen als een kwaad. 

Mensen sterven in deze van de moraal beroofde/bevrijde wereld nog steeds een pijnlijke dood, maar het is dan een dood die we God moreel niet kunnen verwijten: eenvoudigweg omdat we er geen weet van hebben. We zijn blind voor goed en kwaad, we ontberen de nodige ethische concepten ('wat niet weet wat niet deert').

Kun je -dat is nu de filosofische vraag- God werkelijk (redelijkerwijs) verwijten dat de wereld een ethische wereld is van goed én kwaad

Religieus licht

Het bestaan van de mens is niet absurd, zelfs niet inherent zinloos.

Het kan niet lastig zijn om onze toestand -aan onszelf- te beschrijven: we zijn natuurlijke wezens in een natuurlijke wereld. We hebben geen lichaam maar we zijn een lichaam. 

Ons lichaam is gevoelig voor plezier en pijn. We zijn, als wezens van vlees en bloed, aan elkaars goedheid/slechtheid overgeleverd. We zijn aanraakbaar, zichtbaar,- we zijn elkaar 'gegeven'. We zijn juist door onze lichamelijke, natuurlijke gesteldheid verantwoordelijk voor elkaar. 

De natuurlijke wereld is een ethische schepping: het is een menging van kwaad en goed. Je kunt niet verdedigen dat de wereld louter goed is, je kunt niet verdedigen dat de wereld louter slecht is. 

Alles wat we doen en alles wat we laten draait om de vraag: brengt mijn handelen schade toe aan een ander (belichaamd) mens. De vraag die je dientengevolge aan je zelf moet stellen bij al je plannen: hoe vermijd ik dat ik anderen pijn doe, hoe versterk ik hun geluk. Elke handeling is ethisch, alles wat je zegt en doet kan/zal een ander schaden of zalven. Loop voorzichtig, trap de ander niet op de ziel.

Niemand kan zich onttrekken aan de natuurlijke, menselijke zedelijke gesteldheid. Heel de wereld is zo gebouwd dat alles in het licht staat van goed en kwaad.

De grondslag van onze denkwijze is geheel gericht op het beoordelen van andermans en eigen handelingen. Onze denkwijze is zo bemeten dat we onze handelingen kunnen bepalen en de gevolgen van onze handelingen kunnen beoordelen. We denken om te handelen, we zijn 'ontworpen' om te handelen: en elke handeling beïnvloedt 'aarde en medemens'. Want de natuur is zo aangelegd dat wij haar kunnen 'raken': we zijn als lichaam opgenomen in een fysisch weefsel van oorzaak en gevolg [1].

Het is onmogelijk om te ontkennen dat je gedrag ethisch geladen is. Zelfs als je onverschillig wilt leven en slechts je eigen -ook al is het op bescheiden schaal- beperkte leven wilt leiden, zijn je daden van invloed op de wereld en op anderen.

Objectief, neutraal leven is uitgesloten. Het is uitgesloten dat iemand een niet-ethisch leven zal beginnen. Alle mensen zijn gevangen in de 'ethische tredmolen van het bestaan'. 

Wie de werkelijkheid beziet in 'religieus' licht heeft een beter beeld van de werkelijkheid -in die zin dat dit inzicht rationeel goed te verdedigen is- dan wie haar hoopt te kunnen reduceren tot een zelfstandige fysische structuur: een cognitief beperkt dier kan dit fysicalisme niet verdedigen (wie weet dat zijn ogen slechts (bij wijze van spreken) de halve wereld zien, kan deze halve waarneming niet versterken tot het beeld van de hele werkelijkheid. Uit een halve waarneming volgt geen volledig wereldbeeld.)

[1] Mijn verhaal over de ethische gesteldheid van de mens is allesbehalve origineel: je vindt dit inzicht bij tal van filosofen, uit de periode van de oudheid tot de periode van de 'nieuwste nieuwheid'. Wel zal elke filosoof dit inzicht op zijn eigen wijze 'kruiden' (je brengt het inzicht op smaak). Dat doe ik ook. Ik benadruk dat zelfs onze cognitie/ratio op 'ethische' leest geschoeid is: zelfs onze meest basale logica is bedoeld om te handelen, om het lichaam -dat ethische vehikel- te bedienen. Uitgesloten derde en non-contradictie bepalen onze denkwijze omdat wij onze plannen moeten uitvoeren (en het uitvoeren van plannen is dan weer een ethische activiteit).
-----
Tenslotte: we moeten het nog even hebben over de scherpe randjes van de bovenstaande bijdrage.

Je zou het volgende kunnen tegenwerpen: onze ethische gesteldheid -die niet kan worden ontkend- is zelf een product van de natuur. Je mag haar daarom niet in verband brengen met metafysisch/religieus gedachtegoed.

Ik ben het zeker eens met het inzicht dat wij een product van de natuur zijn en dat -ipso facto- ook onze ethische gesteldheid een product is van de natuur. Ik ben het echter niet eens met de conclusie dat wij uitsluitend het product zijn van de natuur.

Wie zegt dat onze ethische gesteldheid uitsluitend het product is van de natuur heeft een universele modale regel nodig die hem zegt hoe de modale orde de werkelijkheid beperkt. Onze klassieke denkwijze is ongeschikt om te dienen als universele modale regel en een alternatief is niet voorhanden. Het gevolg is dat onze klassieke 'modale kaart' van de werkelijkheid explodeert en wij letterlijk alles voor waar moeten houden. Ook al gaat dit ons begrip te boven. (Ons begrip is slechts zo rijk als noodzakelijk is om verantwoord en ethisch te handelen).

zondag 16 augustus 2026

Compleet (versie 1.5)

Als iemand je een verhaal vertelt, dan moet dit verhaal 'compleet' zijn.

Je kunt het verhaal niet volgen als passages verwarrend of nietszeggend zijn.

Een toehoorder kan de verhaallijn niet achterhalen als (a) de spreker strijdige uitspraken doet [dit is verwarrend] of als (b) de spreker in raadselen spreekt [dit is nietszeggend].

Feitelijk zijn dit de tegenpolen van de twee logische vormen die Aristoteles aanprijst als 'de meest zekere van alle principes' (Metafysica, boek gamma), namelijk de contradictie en de anadictie.

Over het algemeen vinden wij een contradictie schadelijker dan een anadictie. In de praktijk doen ze echter niet voor elkaar onder.

De rechter die bij gebrek aan bewijs gelooft dat een verdachte schuldig noch onschuldig is zit in een even lastig parket als de fysicus die niet begrijpt dat een deeltje wel en niet 'hier' is.

De soldaat die het contact met de legerleiding verliest en niet weet of hij terug of vooruit moet bevindt zich in een even lastige positie als de soldaat die door een fout van de legerleiding de opdracht kreeg om zowel terug als vooruit te gaan.

Een verdachte kan onmogelijk 'wel noch niet schuldig' zijn of 'wel en niet schuldig'. 

We hebben voor deze twee onmogelijke vormen aparte termen:
-anadicties tonen aan dat een verhaal incoherent is;
-contradicties tonen aan dat een verhaal inconsistent is.

Aristoteles betoogt dat anadicties 'lege waarheden' zijn (niets is waar) en dat contradicties 'overvloedige waarheden' zijn (alles is waar). 

[Misschien zou een moderne filosoof de voorkeur geven aan de termen 'incompleet' en 'overcompleet'.]

Als we nu een model hebben en het domein van dit model kunnen bepalen, dan kunnen we testen of dit model incompleet of overcompleet is. Leiden we een contradictie af, dan is het model overcompleet; leiden we een anadictie af, dan is het model incompleet.

Hoe werkt dit? Neem een kralenwinkel: omdat een klant een doos met kralen laat vallen, moet het winkelpersoneel alle kralen oprapen en opnieuw sorteren: rode kralen moeten bij rode kralen, blauwe bij blauwe, enz. Het model is dus simpel: 'kleur moet bij kleur' en het domein van het model is: alle kralen die gevallen zijn. Zwarte kralen echter hebben -strikt genomen- geen kleur en kunnen daarom niet worden ingedeeld: het model is incompleet; witte kralen bevatten -strikt genomen- alle kleuren en moeten daarom bij alle kleuren: het model is overcompleet.

Zo kun je nagaan of modellen compleet zijn. Beide logische vormen zijn even urgent: een incompleet model is al even afkeurenswaardig als een overcompleet model.

Desondanks vinden we om een reden die mij onbekend is overcomplete modellen slechter dan incomplete modellen.

zondag 2 augustus 2026

Levenskunst

Een kunstschilder besluit twee schilderijen te maken. Hij wil laten zien dat hij alle stijlen beheerst. Hij fabriceert een abstract werk en een figuratief werk. Het abstracte stuk bestaat uit spetters streepjes blokjes en kleuren; het fugaratieve stuk is hyperrealistisch: een portret van Diogenes de cynicus.

Welk schilderij geeft nu de werkelijkheid naar waarheid weer?

Uiteraard geen van beide: zowel het abstracte als het figuratieve schilderij zijn 'maaksels' van de schilder. Ze hebben evenveel kunstzinnige waarde.  

Onze neiging om te geloven dat het figuratieve schilderij de werkelijkheid beter benadert en daarom knapper of kunstzinniger is dan het abstracte schilderij is niet te verdedigen. Is het werk van Helmantel kunstzinniger dan het werk van Appel omdat het de werkelijkheid zoals wij die zien getrouw weergeeft?

Kunstenaars zeggen graag dat alle mensen kunstenaar zijn. In zekere zin is dat ook zo. Wij moeten, om te kunnen overleven, voorstellingen maken van de werkelijkheid.

Het dier mens maakt een figuratieve/realistsiche constructie/voorstelling van de werkelijkheid. Het is een 'logische' constructie voor eigen gebruik. 

De constructie voor eigen gebruik is niet volledig: de gehele werkelijkheid kan niet geschikt gemaakt worden voor eigen gebruik. De werkelijkheid is voor het dier mens daarom -tel het zelf maar even op je vingers na- deels geschikt (logisch, begrijpelijk) en deels ongeschikt (absurd) voor eigen gebruik.

De volledige werkelijkheid bestaat voor het dier mens welgeteld uit een logisch én een absurd domein. 

Let nu goed op!: beide domeinen zijn constructies van het mensdierlijke verstand! Het ene domein is de logische constructie voor eigen gebruik en het andere domein is daarvan het residu: het is de 'anti-constructie' van de logische constructie (zoals het negatief de anti-foto is van het origineel).[*] 

Heeft nu het absurde deel van de werkelijkheid (het anti-construct) meer ontologische/epistemologische waarde dan het logische construct? Of heeft het logische construct meer waarde dan het absurde anti-construct? Nee, want beide constructies zijn contingent en benen de werkelijkheid niet naar haar voegen uit. 

De delen van het twee-luik moeten samen worden gezien als 'de beste beschrijving die de mens kan geven van de werkelijkheid'.

Als daarom uit het anti-logische deel volgt dat alles mogelijk is -je beschikt niet over de juiste wetten om zaken uit te sluiten- dan is ook letterlijk alles mogelijk.

Het abstracte schilderij is geen mislukte weergave van de werkelijkheid en het figuratieve schilderij is niet de juiste weergave van de werkelijkheid: ze zijn in gelijke mate al dan niet dienstbaar als kunstwerk. 

Zo zijn ook construct en anti-construct op eigen wijze al dan niet dienstbaar als weergave van de werkelijkheid.

Zó en niet anders is onze werkelijkheid.
----
[*] Dit is belangrijk. Het betekent dat ook het absurde deel van de werkelijkheid ons informatie verschaft over de werkelijkheid. De waarde van de informatie die beide aspecten van de werkelijkheid ons verschaffen doet niet voor elkaar onder. De absurde werkelijkheid is geen achtergrondruis bij onze instrumentele constructie/vertekening van de werkelijkheid.

donderdag 30 juli 2026

Gelovig leven

We kiezen het volgende uitgangspunt: we zijn dieren en we hebben een natuurlijke oorsprong (let wel: hiermee is niets gezegd over de metafysische vraag of de natuur eventueel een herkomst heeft).

We weten dat we een verstand hebben dat -in volledige afzondering- probeert de wereld te begrijpen. Het krijgt elektrische en chemische signalen binnen langs de zintuigen en heeft de lastige taak om op grond van deze signalen een 'stafkaart' (model) van de wereld op te stellen. Deze stafkaart is het enige instrument waarover het verstand beschikt om het lichaam veilig langs tal van obstakels te leiden.

Voorts weten we dat het verstand een klassieke logische grondslag heeft: de twee basiswetten bepalen onze denkwijze. Al onze plannen en inzichten zijn consistent en coherent (zo goed en zo kwaad als dit gaat). Vanzelfsprekend is ook onze stafkaart van de wereld consistent. Het verstand vergelijkt voortdurend de waarneming met ons model van de wereld. Zodra het verstand een afwijking opmerkt -dat is een inconsistentie- tussen model en waarneming is het extra alert en probeert het de inconsistentie op te lossen.

Waarom werden consistentie en coherentie zo belangrijk? We weten dat spier- en zenuwweefsel ontstaan zijn in het cambrium (misschien zelfs eerder). Je hebt niets aan spieren als je deze niet kunt coördineren (patterning). De zenuwen moeten het spierweefsel zo prikkelen (patterning) dat deze gericht samenwerken. Laat je dat na dan komt het lichaam -het lichaam is een object, een ding- niet in beweging (en dan heb je geen evolutionair voordeel van spierweefsel). Een lichaam moet tenminste kunnen naderen en wijken.

De rest is natuurkunde. Het zenuwweefsel moet in de spieren één welbepaalde kracht (Fn) opwekken om het lichaam te laten naderen en een welbepaalde kracht (Fw) om het lichaam te laten wijken. Als het zenuwweefsel Fen Fw gezamenlijk aanzet dan is het lichaam onbestuurbaar. De krachten kunnen alleen doeltreffend zijn als ze exclusief worden aan- en uitgezet. Dit is een eenvoudige rekensom. De fysica van het bewegende lichaam en de biologische noodzaak om doelmatig te bewegen leiden zo tot een zeer eenvoudig brein met twee eerste representaties: een 'pattern' dat 'naderen' representeert en een 'pattern' dat 'wijken' representeert.

De eerste structuur van het zenuwweefsel dient als 'basisstructuur' voor alle andere cognities en representaties waarmee organismen later worden verrijkt. Ook daar is een verklaring voor: zo lang de representaties/functies exclusief (logisch) geordend worden, kan een organisme de nieuwe functies fysiek uitvoeren. 

Het hele cognitieve domein -onze percepties, onze redeneringen, onze plannen, onze concepten- is daarom vermoedelijk klassiek. De vraag of een nieuwe functie het vermogen om doeltreffend te handelen al dan niet belemmert is natuurlijk bepalend voor de vraag of een mutatie blijvend is.

Het bovenstaande -in een notendop- is de geschiedenis van ons klassieke verstand. Wij hebben een denksysteem dat gericht is op overleven en voortplanten. 

Van de weeromstuit kunnen we niet buiten ons denksysteem om naar de wereld kijken (nogmaals, denk aan de metafoor: de wereld is voor het brein een stafkaart, die opgesteld wordt aan de hand van de eigen denkwijze en concepten en die wordt bijgesteld door de waarneming).

Ons denksysteem is een systeem dat in zichzelf besloten is. We bezien de wereld alsof deze uit objecten bestaat en we ordenen alle zaken alsof het objecten zijn (dit ding hoort bij de rode dingen in dit bakje, dat ding hoort bij de blauwe dingen in dat bakje). Interessant is het werk van ontwikkelingspsychologen: zij hebben vastgesteld dat prelinguistische baby's (niet mijn term) al goed begrijpen hoe objecten zich gedragen. Ze zijn ingesteld/afgesteld op een 'object(ieve) wereld'.

We zitten 'opgesloten' in onze denkwijze. Het is niet anders. Dit is al bedacht door veel filosofen, met name door Sartre en Wittgenstein (die dit elk op hun eigen manier hebben verwoord: we kunnen niet buiten onze taal treden; we kunnen niet buiten ons 'aandachtsveld' stappen). We zijn hoe dan ook beperkt.

Je kunt nu het volgende argument opstellen. Het is -volgens onze eigen klassieke denkwijze- van tweeën één: onze denkwijze is wel of niet volledig.

Veronderstel eens dat onze denkwijze de wereld niet 'uitbeent naar haar eigenlijke structuur': dan is onze denkwijze niet volledig (dit is de meest waarschijnlijke optie gezien ons uitgangspunt: we zijn geëvolueerde dieren).

De wereld zal dan voor ons in twee delen uiteen vallen: de wereld die wel conform onze denkwijze is en de wereld die niet conform onze denkwijze is.

Als onze 'objectieve voorstelling' van de werkelijkheid niet volledig is, dan weet je dat de aspecten van de werkelijkheid die niet conform onze denkwijze zijn, door ons niet worden begrepen. Laten we dit domein dat buiten ons gezichtsveld valt 'domein x' noemen.

(stelling:) We weten wat x niet is, maar we weten niet wat x wel is.

(modale bepaling van de stelling:) We weten wat x niet kan zijn, maar we weten niet wat x mogelijkerwijs wel is.

Hoe groot, vreemd, ingewikkeld, onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk, duister, bizar of absurd kan x mogelijkerwijs zijn? Hoe trekken we de universele grens tussen het het mogelijke en het onmogelijke? We weten het niet.

We kunnen daarom geen beschrijving uitsluiten (niets is te dol, niets is te gek, geen voorstelling is zóó vreemd dat wij voorhands kunnen zeggen: dit is altijd en overal onmogelijk).

Per saldo betekent dit dat de mens géén beschrijving van x kan uitsluiten.

En omdat de mens de maat van alle dingen is (we kunnen niet buiten onze eigen denkwijze om kijken), geldt:

De mens kan te x niets uitsluiten <=> Er kan te x niets worden uitgesloten (*)

Waaruit je dan zondermeer kunt afleiden: het bestaan van God kan onmogelijk worden uitgesloten.

-----

[*]. Het <=> teken staat voor: ... is equivalent aan...

Nazorg: één van mijn lezers wordt niet helemaal goed van deze redenering, want zijn verstand kan de vreemdheid van de werkelijkheid niet bevatten: en dat dát precies de crux van de redenering is kan hij ook al niet bevatten. Wellicht zijn er nog andere lezers die dit ook niet bevatten. Aan hen de volgende raad: dat de wereld vreemd is en dat ons verstand niet 'volledig' is, betekent dat je de vrijheid hebt om op een praktische wijze met de vreemdheid van de werkelijkheid om te gaan. Instrumenteel. Zie je in dat een leven met God uiteindelijk troostrijker is dan een wereld zonder God? Omarm dan de afleiding hierboven. Je kunt echter ook anders doen: de non-existentie van God kan onmogelijk worden uitgesloten. En dit bevestigt dat de werkelijkheid vreemd is. Wat wil je dat ik er tegen doe? Ik ben niet almachtig. Leer er mee leven. Accepteer dat je een beperkt verstand hebt.

Het geloof wordt hier des te interessanter door. Want de vraag waar het geloof om draait verschuift: de vraag of God bestaat staat niet in het midden (want de mens kan het bestaan van God niet ontkennen/uitsluiten), maar de vraag 'wat kies je?' staat nu in het midden. De vraag is of je gelovig wilt zijn en -wel zo indringend!- hoe je gelovig moet zijn. Je beantwoordt de vraag of God bestaat niet theoretisch, maar praktisch, namelijk door een bepaalde praktijk te kiezen (een bepaalde manier van leven). 

Het volledige gewicht van de religieuze kwestie komt te liggen op je doen en laten. Dat past goed bij het inzicht dat de mens van nature een ethisch wezen is in een wereld van goed en kwaad. In alle religies wordt de mens bezien als een 'ethisch wezen (dier)' (gelukkig zijn dan vaak de religieuze leiders zo geslepen dat ze zichzelf verrijken en het geloof van hun volgelingen cynisch misbruiken: Marx en Nietzsche hebben een punt. Verwar God daarom niet met de kerk! Kierkegaard zag het geloof als een vehikel voor de eenling: dat is geen domme gedachte.)

Modernisering: de wereld is vreemd en de mens is beperkt. Wie of wat God is wordt niet bepaald door de regels van de fysica, enz. De fysica van tegenwoordig is zo anders dan die van honderd jaar geleden. De epistemologische moeilijkheden zijn groot. De gedachte dat God -de schepper van dit immense, onbegrijpelijke heelal- onbegrijpelijk is zal voor ons zo onwennig niet zijn. We hoeven ons dan ook niet af te vragen hoe God handelt, hoe God 'mee-lijdt', enz. Zolang we inzien dat het bestaan van God, volgens de meest rationele en naturalistische benadering van dit 'vraagstuk' (zie boven) niet kan worden uitgesloten, ervaren we dat de klassieke theologische vragen minder belangrijk zijn. Waar het om draait is welke keuzes je maakt: zie je je leven als een religieuze praktijk? 

Je bent van nature een eenling die zelf de verantwoording voor zijn daden (keuzes) -voor zijn doen en laten- draagt. Hoe leid je als eenling een 'leven voor God en voor de mens'? Wat betekent het dat je een ethisch dier bent? Want je existeert altijd als eenling: een mens staat tegenover zichzelf bij het vestigen van een levenspraktijk gestoeld op ethische beginselen. Dát is de kern van een religieus leven, van een gelovige praktijk (=Kierkegaard).

dinsdag 28 juli 2026

Zwaargewonde dames

Mocht je mij vragen welk boek je deze vakantie (eens) moet lezen, dan zou ik -zonder aarzeling- zeggen: Yon, Daniel, Een truc van de geest.

Overigens ook verplichte kost voor filosofen. Je leert van dit boek hoe filosofisch onderzoek stap voor stap wordt overgenomen door wetenschap (overigens betekent dit niet dat filosofisch onderzoek overbodig wordt).

Yon beschrijft dat cognitiewetenschappers langzamerhand beginnen te geloven dat het brein de wereld beoordeelt op grond van een intern 'wereldbeeld' (een soort 'stafkaart' van de wereld om je heen). Hij noemt het brein daarom een 'bayes machine'. Ik zal dit uitleggen.

Het brein beoordeelt alle fysische en chemische signalen die het van de zintuigen ontvangt op grond van het interne wereldbeeld. 

Een voorbeeld van de wijze waarop het verstand waarnemingen vergelijkt met haar kennis van de wereld: Ik zag eens een mevrouw voor mij fietsen met een enorme hoofdwond: iemand had haar een pen in het hoofd gestoken en rondom de wond zat een dikke plak geronnen bloed. Ik begreep niet dat iemand die zo toegetakeld was nog in staat was om te fietsen. 

Ik werd geplaagd door een 'anomalie': mijn waarneming botste met mijn wereldbeeld (mijn kennis van de wereld). 

Een zwaargewonde mevrouw behoort zich niet te gedragen als een zeer vitale mevrouw. 

Pas toen ik haar naderde zag ik dat ze een grote houten pen door een (bloed-)rode speld gestoken had om heur dikke bos haar in het gareel te houden.

Je kunt Bayes theorema niet beter uitleggen dan met een dergelijk voorbeeld.

Het inzicht van Bayes was dat je elke 'nieuwe' waarneming moet vergelijken met je 'oude' wereldbeeld (verwarrend genoeg noem je je 'oude' wereldbeeld de 'prior': dat wat je vóór de waarneming al weet en denkt over de wereld). 

Mijn prior was dus: zwaargewonde dames kunnen zich niet gedragen als vitale dames. 

Door de dame beter te observeren en te denken dat de kans dat zwaargewonde dames nog vitaal kunnen fietsen zeer klein is, kon ik de anomalie oplossen: ik moest niet mijn wereldbeeld, maar mijn observatie 'her-interpreteren' (in gewone taal: ik moest beter 'uit me doppe kijke').

Je prior is, kortom, meestal bepalend voor je oordeel.

Het brein kan niet anders dan de waarneming beoordelen op grond van haar wereldbeeld, want het brein heeft -letterlijk- geen toegang tot de wereld. Het brein zelf is doof, blind en gevoelloos. 

De zintuigen voeren slechts chemische en fysische signalen aan. Het brein zal deze chemische en fysische signalen zelf moeten ontleden en beoordelen. Dat is een zeer ingewikkeld proces waar je een ingewikkelde machinerie van patronen en concepten voor nodig hebt. 

Swaab vergeleek het brein met een militaire commandopost die zich ver achter het front bevindt. De staf ziet niet wat er op het slagveld gebeurt. Ze stellen zich op de hoogte door de berichten over de situatie aan het front weer te geven op een stafkaart. Aan de hand van het 'model' (stafkaart) van het front voeren ze het commando. 

De situatie op de stafkaart is de 'prior'; de berichten zijn de 'waarneming'. Als de berichten betrouwbaar zijn, dan wordt de stafkaart aangepast; als de berichten niet betrouwbaar zijn dan blijft de stafkaart ongewijzigd.

Het brein wordt door Yon een 'Bayes machine' genoemd omdat het een model (prior) gebruikt om waarnemingen te interpreteren (maar dat was je inmiddels al duidelijk).

Hoe waarschijnlijk is het dat een zwaargewonde dame kan fietsen? Het bayesiaanse brein zegt: niet erg waarschijnlijk.

Laten we de vragen die mij op deze webzuil al zo lang bezig houden eens omzetten in de taal van Bayes...

Hoe waarschijnlijk is het dat wij de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden?

Hoe waarschijnlijk is het dat wij de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden als we weten dat we Darwin-machines zijn?

Hoe waarschijnlijk is het dat God bestaat?

Hoe waarschijnlijk is het dat God bestaat gegeven het feit dat wij Darwin-machines zijn en daarom waarschijnlijk niet de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden?

Hoe waarschijnlijk is het dat de gehele werkelijkheid een structuur heeft die wij kunnen 'verwerken/begrijpen' gegeven het feit dat wij Darwin-machines zijn en daarom waarschijnlijk niet de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden?

Hoe waarschijnlijk is het dat God bestaat gegeven de waarneming (ontdekking) dat wij ethische wezens zijn en gegeven het feit dat wij Darwin-machines zijn enz.?

De antwoorden op zulke vragen worden sterk bepaald door je prior: je wereldbeeld.

Iemand als Dawkins heeft een 'prior' die elke waarneming zal bezien als een natuurlijk fenomeen: religieuze ervaringen zal hij a priori beschouwen als zeer onwaarschijnlijk.

Uiteindelijk blijven we steken op de vraag -een vraag die we helaas principieel niet met Bayes theorema kunnen beantwoorden- welk wereldbeeld de beste prior is.

De vrijheid in het kiezen van een prior is echter tamelijk groot.

(Trouwens: je kunt je 'prior' altijd bijstellen (als je je 'stafkaart' grondig aanpast, dan 'val je van je geloof'). Dat zou als volgt kunnen werken. Als we Darwin-machines zijn dan is het waarschijnlijk zo dat we structureel (kwalitatief) de werkelijkheid niet kunnen doorgronden. We zijn dan niet in staat om stelselmatig te bepalen wat mogelijk of onmogelijk is. Hoe waarschijnlijk is dan het bestaan van God? Of: hoe waarschijnlijk is dan het bestaan van God gegeven de waarneming dat onze wereld 'ethisch' is? Iemand die eerst dacht dat de werkelijkheid logisch en natuurlijk gesloten is en dat we Darwin machines zijn, zou op grond van deze 'waarneming' kunnen gaan 'zien' dat de werkelijkheid niet logisch en natuurlijk gesloten is.)

Vragen te over.

Hoe dan ook: lees eerst dat boek van Yon. Het beste populair-wetenschappelijke boek van het afgelopen jaar.

zaterdag 25 juli 2026

Altruïsme

Vandaag draagt Mies een eenvoudige korte broek en een topje. 

Waarom zocht ze deze kleren uit: wat kan voor deze keus de juiste verklaring zijn?

1. Fysiek: het is net iets te koud om zonder kleding naar buiten te gaan

2. Cultureel: met deze kleding valt ze -in de zomer- niet uit de toon bij haar leeftijdgenoten (vriendinnen / peer group)

3. Authenticiteit: Mies vindt dat deze kleding goed past bij wie ze is (bij haar karakter)

4. Esthetiek: Mies vindt deze kleding mooi: ze zocht ze met de nodige zorgvuldigheid uit; de kleur past bij haar rossige haar

5. Afkomst/status: de kleding past goed bij haar maatschappelijke status: ze heeft het geld niet om uitzonderlijk dure kledingstukken te kopen; ze hoort dan ook niet bij de 'blije rijken'.

6. Evolutie: Mies is een meisje in de leeftijd waarop ze zich wil etaleren: uiteindelijk zal ze ook een lief, betrouwbaar vriendje willen ontmoeten (en uiteindelijk wil ze misschien met hem een gezin beginnen); de kleding maakt haar aantrekkelijk

Wat is nu de juiste verklaring? Een bioloog zal 1 t/m 5 herleiden tot 6. Als we het echter aan Mies zelf vragen, zal ze benadrukken dat 3 en 4 de eigenlijke reden zijn voor haar keus; als je het aan haar docenten vraagt zullen zij vermoedelijk zeggen dat 2 de eigenlijke reden is (leerlingen tussen de 12 en 18 jaar zijn als de dood om uitgesloten te worden).

Een kunsthistoricus zou vermoedelijk keus 2 en 4 als belangrijkste redenen opgeven. Immers, tweehonderd jaar her zou Mies een volstrekt andere smaak gehad hebben en nooit de kleding dragen die ze vandaag draagt. 

Hoe kun je nu systematisch bepalen welke reden 'waar' is. Wie heeft gelijk? 

Je kunt natuurlijk ook al deze redenen -een pakket- opgeven als de verklaring voor haar keus. Vind je dat redelijk? Of ben je van mening dat per definitie één reden juist is en dat alle andere redenen herleid moeten worden tot de 'eigenlijke' reden.

Neem nu het volgende. Wat verklaart de aard en het gedrag van de mens (homo sapiens)?

a. Biologie: de mens is een dier dat zich moet voortplanten (al zijn handelingen zijn te bezien in 'biologische licht', dat wil zeggen in termen van leven en overleven)

b. Ethiek: de mens is een dier dat ethisch handelt (al zijn handelingen zijn te bezien in 'ethisch licht', dat wil zeggen in termen van goed en kwaad)

Altruïsme is een biologische eigenschap. Luister eens naar de volgende podcast voor je een uitspraak doet over de vraag of de mens een biologisch of een ethisch wezen of zowel een biologisch als een ethisch wezen is.

"The Joy of Why: How did Altruisme evolve? (15-02-2024)" (gewoon zoeken in je 'favo' podcast app).

vrijdag 17 juli 2026

Existentialisme 3 punt nul (versie 2.0)

In de tijd dat ik studeerde was het boekje van W (Nico) Luijpen 'Inleiding in de Existentiele Fenomenologie' erg in trek. Het moet gezegd worden dat Luijpen het existentialisme op een aansprekende manier aan de man brengt. Wat vooral in het oog springt is de romantiek van deze stroming.

De mens is subjectieve ervaring. De wereld is dan ook een wereld-voor-de-mens. De menselijke ervaring bepaalt en kleurt alles:

"Als existentie kleeft het subject vast aan de wereld, zodat ook de wereld aan het subject vastkleeft. Ik kan nooit vragen of er een wereld zonder subject bestaat, of hoedanig haar aard is, want een wereld-zonder-subject veronderstelt dat de mens de vraag-aan-de-wereld die hij zelf is, uit de wereld zou terugtrekken of dat de mens buiten die vraag om een vraag zou kunnen stellen." (Luijpen,1976, p. 51).

Je wordt bij het lezen van deze en andere passages bevangen door nostalgie. De mens maakt de wereld tot een betekenisvol domein. Of, als het Dasein een andere keus maakt, maakt de mens van de wereld juist een betekenisloze, landerige, lome opeenvolging van zinloze ogenblikken: het Dasein schept uit de vele mogelijkheden zijn eigen wereld.

Ook Heidegger die het intentionele 'zijn' van de mens in een 'wereld-van-mogelijkheden' het Dasein noemt is in feite een romanticus.

Je hart smelt bij het lezen van deze filosofische teksten. Het is de romantische kijk op de mens zoals die ook verklankt is in de muziek van Mahler, 'Oh mensch! Gib acht!, bimmbamm...' Het bestaan van de mens is een 'tragedie', we hebben de hoofdrol in ons eigen toneelstuk.

Het leven is niets minder dan een (menselijk) drama: dat is onontkoombaar zo omdat je existeert als een 'ervarend subject' (tja, dat soort voorstellingen krijg je als toneelschrijvers zich opwerpen als filosoof).

Je moet de existentialisten nageven dat ze het voor wat betreft één inzicht bij het rechte eind hadden: je bent inderdaad in staat om de wereld te ervaren. Maar of daar uit volgt dat je een 'existerend subject' bent of een 'Dasein' lijkt mij geen uitgemaakte zaak.

Psychologen -zij werken tenminste systematisch, iets wat je van de existentie-filosofen niet kunt zeggen- bezien de mens als een ingewikkelde plant die is gaan bewegen. Zodra een plant gaat bewegen, heeft zij enige tegenwoordigheid van geest nodig, anders weet ze niet hoe of wat te doen: de omgeving verandert immers voortdurend voor wie zich verplaatst. Wie vliegt of zwemt of loopt moet oppassen dat zij zich niet stoot.

Het existerende subject wordt in de huidige psychologie gereduceerd tot een handelend wezen, met een brein dat in een donker kistje van been wordt bewaard -als een mummie in de spelonken van een pyramide- waar slechts de elektrische en chemische signalen van het oog, oor, neus en tast kunnen doordringen [4]. Deze signalen worden voortdurend, routineus, vergeleken met de signalen die voordien -van jongsaf- verwerkt zijn door het brein. Als de externe signalen overeenstemmen met de interne signalen (=model van de wereld) dan merkt het subject -laten we zeggen: een grazende koe of een lezende mens- niets van dit proces. Het dier kan gewoon verder gaan met grazen. 

Uitsluitend als de externe signalen afwijken van het interne model heeft het organisme een 'tegenwoordige geest' nodig: die moet dan waakzaam zijn en bepalen of de afwijking misschien betrekking heeft op naderend gevaar: als dat het geval is moet het dier ophouden met grazen en de benen nemen.

Je kunt dit nieuwe, zakelijke (biologische) model het derde stadium van het existentialisme noemen [2]: de eerste existentialisten waren Augustinus, Kierkegaard en Nietzsche; tot de tweede generatie behoorden o.a. Heidegger, Sartre, Marcel, Jaspers (merk op: allemaal zeer evocatieve filosofen: stuk voor stuk uitmuntende schrijvers) [1]; de volgende generatie -het existentialisme 3.0- zal het romantische existentialisme herleiden tot een zakelijke, wetenschappelijke beschrijving van de 'subjectieve' mens, waarin de nadruk ligt op het feit dat de mens weinig anders is dan een onderdeel (product van) van de natuur. 

De mens is een wandelende tak, met een veel te groot brein, wiens kijk op de werkelijkheid volledig bepaald wordt door zijn natuurlijke gesteldheid. Je bent als organisme ter wereld gekomen, als een onnavolgbaar ingewikkeld systeem van miljoenen samenwerkende minuscule fabriekjes, en je moet er maar op vertrouwen dat al die onderdeeltjes en stofjes en prikkels de komende jaren goed blijven werken. Worden op een goede dag de eiwitten niet langer linksom gevouwen, maar rechtsom, dan zul je dwaas worden. Daar helpt geen wilskracht tegen.

Ook hoe wij de wereld beschrijven (zien) wordt sterk bepaald door onze natuurlijke gesteldheid. Je ordent je wereldbeeld logisch omdat je moet handelen. Voor een belichaamd wezen is alleen een logisch plan in een logische wereld uitvoerbaar. Wie een onlogische denkwijze heeft zal plannen opstellen die het eigen lichaam radeloos maken. Het lichaam kan met de beste wil van de wereld geen onlogische instructies uitvoeren. 

Als wetenschappers en filosofen de wereld consistent beschrijven, dan laten ze zien dat ze naar de wereld kijken zoals het een wandelende tak betaamt: namelijk alsof we in een terrarium verblijven waarin we te allen tijde moeten kunnen handelen. Vanzelfsprekend: wandelende takken moeten eerst en vooral weten hoe ze moeten wandelen. 

Als 'handelende existentie' -wij zijn een biologisch systeem- verblijven wij op aarde. [3]

-----

[1] De eerste en tweede generatie existentialisten waren sterk beïnvloed door het christendom en beslist niet rijp voor het existentialisme 3.0. De gedachte dat de mens niets anders is dan een organisme joeg hen schrik aan (zie: Sartre: Walging, en Nietzsche: "[Het christendom] is toch de beste vorm van leven naar een ideaal die ik heb leren kennen: van kindsbeen af heb ik het nagestreefd en ik geloof dat ik er in mijn hart nooit onverschillig tegenover ben geweest"; om over Augustinus en Kierkegaard maar te zwijgen).

[2] De indeling in een eerste en tweede cohort van existentialisten heb ik uit: Casewell, Deborah, Monotheism and Existentialism, Cambridge, 2022.

[3] Voor nogal wat mensen is dit existentialisme 3.0 onverteerbaar. Het is -zeker als je het vergelijkt met het al dan niet verholen christelijke optimisme van eerdere existentialisten- een soort nihilisme naar de letter. Zo zie ik het echter niet: ik zie dit existentieel naturalisme juist als een uitstekend uitgangspunt voor het bouwen van een optimistische visie. Ons verstand is beperkt en 'voorgevormd' door de natuur, waaruit -volgens ditzelfde verstand- volgt dat in abstracto alles mogelijk is. Wij kunnen immers in dat geval aan de werkelijkheid geen beperkingen opleggen (want ons verstand is ten opzichte van de werkelijkheid beperkt). De uitdrukking 'dit kan onmogelijk waar zijn!' verliest haar betekenis in het domein van de (gehele) werkelijkheid (maar natuurlijk niet in het terrarium waar de wandelende tak resideert).

[4] Zie: Yon, D., Een truc van de geest, atlas contact, 2025.

maandag 13 juli 2026

Kindsdolheid (naschrift)

Er is geen groter voorbeeld van gerechtigheid dan Nietzsches dwaasheid. Ik verkneukel me als ik bedenk hoe hij, in één van de sombere kamers van Elizabeth's huis, als een kwijlend, jammerend dier de laatste dagen van zijn leven heeft gesleten. 

Had de mens een ziel en zou men deze ziel buiten het lichaam kunnen brengen, dan kan ik me geen groter genoegen voorstellen dan op de ziel van Nietzsche te trappen en te stampen, net zo lang totdat daar weinig anders van over is dan een droog, op de straatstenen uitgesmeerd mengsel van bloed en gal.

Het feit dat Nietzsche wordt beschouwd als een groot filosoof, alhoewel hij weinig meer was dan een verward, overgevoelig kind, is een van de ergste vernederingen die elke filosoof -althans, de filosoof die zijn ambt ernstig neemt- moet slikken.

Wie is Nietzsche, wat is Nietzsche? Een bangelijk mannetje dat de dood van zijn vader -een Luthers predikant- op wie hij zeer gesteld was, niet heeft kunnen verwerken; een mensje dat, belemmerd door zijn kinderlijke aard, niet heeft kunnen bevatten dat de mens een geëvolueerd dier is en niet door God geschapen; een ziekelijk geval van ongeneeslijke kindsheid (kindsdolheid).  

Heel zijn leven is deze mens -ecce homo- blijven klagen over het verlies van God, 'de vader'. Van de weeromstuit heeft hij de mens willen zien als een dier dat het leven bij de ballen grijpt en het leven ten volle leeft- maar ook dit Dionysische ideaal is niets minder dan een kinderlijke voorstelling, nauwelijks ernstig te nemen, en in het leven van alledag niet na te leven.

Hoe weinig samenhangend de gedachten van dit mensenkind waren is gemakkelijk vast te stellen: hij was niet in staat om proza te schrijven met een samenhang langer dan tien pagina's. Gedachten die deze lengte te boven gingen ontglipten hem; niets dan losse invallen kreeg deze eeuwige onvolwassene op het papier; elke nieuwe gedachte kwam uit zijn pen als de weerlegging van een vorige gedachte. Zijn oeuvre is doorspekt met tegenspraak. Bij sommige filosofen is de tegenspraak een stijlmiddel, dat diepzinnigheid suggereert, maar bij Nietzsche is het eenvoudigweg domheid, kortzichtigheid, het resultaat van een geëxalteerde geest die altijd heen en weer geslingerd wordt tussen pathologische angst en kinderlijke overmoed.

Het ligt eenvoudigweg in de lijn der verwachting dat iemand die kinderlijk is en kinderlijke gedachten heeft tenslotte eindigt als een kinds geworden volwassene: Nietzsche's dwaasheid is de verwezenlijking van het ideaal waar Nietzsche zo dwangmatig naar zocht, namelijk de terugkeer naar zijn kindertijd, toen vader God nog regeerde vanuit de hemel- en zag dat alles goed was.

------

Naschrift: Nietzsche is het toonbeeld van een 'evocatief' filosoof. Hij is een uitmuntend schrijver die mensen voornamelijk overhaalt naar zijn standpunt door zijn stilistische kwaliteit. Hij bespeelt alle toonaarden van de taal. Hij schuwt zelfs de tirade en scheldkannonade niet. Het is echter de vraag of we hier niet sterker te maken hebben met een filosoferende literator dan met een filosoof die goed schrijven kan. Hoe dan ook, wie zijn inzichten met de brille van een schrijver over het voetlicht kan brengen, spreekt de mensen gemakkelijk aan en dringt beter tot hen door. De evocatieve kracht van de taoisten, van Plato, van Nietzsche, van Schopenhauer is zelf part en deel van de argumenten die ze aanvoeren. Je kunt je afvragen of dit vals spel.