Wider utsjoch
Zou het denken (...) gepaard gaan met luid geratel en zwaar gestamp, zodat tijdens het denken steeds ons hoofd heftig schudt en de kaken luid klapperen, dan zouden we goed doorhebben dat onze gedachten producten van het brein zijn. Het brein is echter een stil apparaat, dat zijn werk fluisterend verricht. We hebben van z'n denkwerk geen idee. En daarom vinden we het lastig om te geloven dat ons beeld van de wereld wordt bepaald door de werking van deze 'denkmachine'.
zaterdag 25 juli 2026
Altruïsme
vrijdag 17 juli 2026
Existentialisme 3 punt nul (versie 2.0)
Je wordt bij het lezen van deze en andere passages bevangen door nostalgie. De mens maakt de wereld tot een betekenisvol domein. Of, als het Dasein een andere keus maakt, maakt de mens van de wereld juist een betekenisloze, landerige, lome opeenvolging van zinloze ogenblikken: het Dasein schept uit de vele mogelijkheden zijn eigen wereld.
Ook Heidegger die het intentionele 'zijn' van de mens in een 'wereld-van-mogelijkheden' het Dasein noemt is in feite een romanticus.
Je hart smelt bij het lezen van deze filosofische teksten. Het is de romantische kijk op de mens zoals die ook verklankt is in de muziek van Mahler, 'Oh mensch! Gib acht!, bimmbamm...' Het bestaan van de mens is een 'tragedie', we hebben de hoofdrol in ons eigen toneelstuk.
Het leven is niets minder dan een (menselijk) drama: dat is onontkoombaar zo omdat je existeert als een 'ervarend subject' (tja, dat soort voorstellingen krijg je als toneelschrijvers zich opwerpen als filosoof).
Je moet de existentialisten nageven dat ze het voor wat betreft één inzicht bij het rechte eind hadden: je bent inderdaad in staat om de wereld te ervaren. Maar of daar uit volgt dat je een 'existerend subject' bent of een 'Dasein' lijkt mij geen uitgemaakte zaak.
Psychologen -zij werken tenminste systematisch, iets wat je van de existentie-filosofen niet kunt zeggen- bezien de mens als een ingewikkelde plant die is gaan bewegen. Zodra een plant gaat bewegen, heeft zij enige tegenwoordigheid van geest nodig, anders weet ze niet hoe of wat te doen: de omgeving verandert immers voortdurend voor wie zich verplaatst. Wie vliegt of zwemt of loopt moet oppassen dat zij zich niet stoot.
Het existerende subject wordt in de huidige psychologie gereduceerd tot een handelend wezen, met een brein dat in een donker kistje van been wordt bewaard -als een mummie in de spelonken van een pyramide- waar slechts de elektrische en chemische signalen van het oog, oor, neus en tast kunnen doordringen [4]. Deze signalen worden voortdurend, routineus, vergeleken met de signalen die voordien -van jongsaf- verwerkt zijn door het brein. Als de externe signalen overeenstemmen met de interne signalen (=model van de wereld) dan merkt het subject -laten we zeggen: een grazende koe of een lezende mens- niets van dit proces. Het dier kan gewoon verder gaan met grazen.
Uitsluitend als de externe signalen afwijken van het interne model heeft het organisme een 'tegenwoordige geest' nodig: die moet dan waakzaam zijn en bepalen of de afwijking misschien betrekking heeft op naderend gevaar: als dat het geval is moet het dier ophouden met grazen en de benen nemen.
Je kunt dit nieuwe, zakelijke (biologische) model het derde stadium van het existentialisme noemen [2]: de eerste existentialisten waren Augustinus, Kierkegaard en Nietzsche; tot de tweede generatie behoorden o.a. Heidegger, Sartre, Marcel, Jaspers (merk op: allemaal zeer evocatieve filosofen: stuk voor stuk uitmuntende schrijvers) [1]; de volgende generatie -het existentialisme 3.0- zal het romantische existentialisme herleiden tot een zakelijke, wetenschappelijke beschrijving van de 'subjectieve' mens, waarin de nadruk ligt op het feit dat de mens weinig anders is dan een onderdeel (product van) van de natuur.
De mens is een wandelende tak, met een veel te groot brein, wiens kijk op de werkelijkheid volledig bepaald wordt door zijn natuurlijke gesteldheid. Je bent als organisme ter wereld gekomen, als een onnavolgbaar ingewikkeld systeem van miljoenen samenwerkende minuscule fabriekjes, en je moet er maar op vertrouwen dat al die onderdeeltjes en stofjes en prikkels de komende jaren goed blijven werken. Worden op een goede dag de eiwitten niet langer linksom gevouwen, maar rechtsom, dan zul je dwaas worden. Daar helpt geen wilskracht tegen.
Ook hoe wij de wereld beschrijven (zien) wordt sterk bepaald door onze natuurlijke gesteldheid. Je ordent je wereldbeeld logisch omdat je moet handelen. Voor een belichaamd wezen is alleen een logisch plan in een logische wereld uitvoerbaar. Wie een onlogische denkwijze heeft zal plannen opstellen die het eigen lichaam radeloos maken. Het lichaam kan met de beste wil van de wereld geen onlogische instructies uitvoeren.
Als wetenschappers en filosofen de wereld consistent beschrijven, dan laten ze zien dat ze naar de wereld kijken zoals het een wandelende tak betaamt: namelijk alsof we in een terrarium verblijven waarin we te allen tijde moeten kunnen handelen. Vanzelfsprekend: wandelende takken moeten eerst en vooral weten hoe ze moeten wandelen.
Als 'handelende existentie' -wij zijn een biologisch systeem- verblijven wij op aarde. [3]
-----
[1] De eerste en tweede generatie existentialisten waren sterk beïnvloed door het christendom en beslist niet rijp voor het existentialisme 3.0. De gedachte dat de mens niets anders is dan een organisme joeg hen schrik aan (zie: Sartre: Walging, en Nietzsche: "[Het christendom] is toch de beste vorm van leven naar een ideaal die ik heb leren kennen: van kindsbeen af heb ik het nagestreefd en ik geloof dat ik er in mijn hart nooit onverschillig tegenover ben geweest"; om over Augustinus en Kierkegaard maar te zwijgen).
[2] De indeling in een eerste en tweede cohort van existentialisten heb ik uit: Casewell, Deborah, Monotheism and Existentialism, Cambridge, 2022.
[3] Voor nogal wat mensen is dit existentialisme 3.0 onverteerbaar. Het is -zeker als je het vergelijkt met het al dan niet verholen christelijke optimisme van eerdere existentialisten- een soort nihilisme naar de letter. Zo zie ik het echter niet: ik zie dit existentieel naturalisme juist als een uitstekend uitgangspunt voor het bouwen van een optimistische visie. Ons verstand is beperkt en 'voorgevormd' door de natuur, waaruit -volgens ditzelfde verstand- volgt dat in abstracto alles mogelijk is. Wij kunnen immers in dat geval aan de werkelijkheid geen beperkingen opleggen (want ons verstand is ten opzichte van de werkelijkheid beperkt). De uitdrukking 'dit kan onmogelijk waar zijn!' verliest haar betekenis in het domein van de (gehele) werkelijkheid (maar natuurlijk niet in het terrarium waar de wandelende tak resideert).
[4] Zie: Yon, D., Een truc van de geest, atlas contact, 2025.
maandag 13 juli 2026
Kindsdolheid (naschrift)
Er is geen groter voorbeeld van gerechtigheid dan Nietzsches dwaasheid. Ik verkneukel me als ik bedenk hoe hij, in één van de sombere kamers van Elizabeth's huis, als een kwijlend, jammerend dier de laatste dagen van zijn leven heeft gesleten.
Had de mens een ziel en zou men deze ziel buiten het lichaam kunnen brengen, dan kan ik me geen groter genoegen voorstellen dan op de ziel van Nietzsche te trappen en te stampen, net zo lang totdat daar weinig anders van over is dan een droog, op de straatstenen uitgesmeerd mengsel van bloed en gal.
Het feit dat Nietzsche wordt beschouwd als een groot filosoof, alhoewel hij weinig meer was dan een verward, overgevoelig kind, is een van de ergste vernederingen die elke filosoof -althans, de filosoof die zijn ambt ernstig neemt- moet slikken.
Wie is Nietzsche, wat is Nietzsche? Een bangelijk mannetje dat de dood van zijn vader -een Luthers predikant- op wie hij zeer gesteld was, niet heeft kunnen verwerken; een mensje dat, belemmerd door zijn kinderlijke aard, niet heeft kunnen bevatten dat de mens een geëvolueerd dier is en niet door God geschapen; een ziekelijk geval van ongeneeslijke kindsheid (kindsdolheid).
Heel zijn leven is deze mens -ecce homo- blijven klagen over het verlies van God, 'de vader'. Van de weeromstuit heeft hij de mens willen zien als een dier dat het leven bij de ballen grijpt en het leven ten volle leeft- maar ook dit Dionysische ideaal is niets minder dan een kinderlijke voorstelling, nauwelijks ernstig te nemen, en in het leven van alledag niet na te leven.
Hoe weinig samenhangend de gedachten van dit mensenkind waren is gemakkelijk vast te stellen: hij was niet in staat om proza te schrijven met een samenhang langer dan tien pagina's. Gedachten die deze lengte te boven gingen ontglipten hem; niets dan losse invallen kreeg deze eeuwige onvolwassene op het papier; elke nieuwe gedachte kwam uit zijn pen als de weerlegging van een vorige gedachte. Zijn oeuvre is doorspekt met tegenspraak. Bij sommige filosofen is de tegenspraak een stijlmiddel, dat diepzinnigheid suggereert, maar bij Nietzsche is het eenvoudigweg domheid, kortzichtigheid, het resultaat van een geëxalteerde geest die altijd heen en weer geslingerd wordt tussen pathologische angst en kinderlijke overmoed.
Het ligt eenvoudigweg in de lijn der verwachting dat iemand die kinderlijk is en kinderlijke gedachten heeft tenslotte eindigt als een kinds geworden volwassene: Nietzsche's dwaasheid is de verwezenlijking van het ideaal waar Nietzsche zo dwangmatig naar zocht, namelijk de terugkeer naar zijn kindertijd, toen vader God nog regeerde vanuit de hemel- en zag dat alles goed was.
------
Naschrift: Nietzsche is het toonbeeld van een 'evocatief' filosoof. Hij is een uitmuntend schrijver die mensen voornamelijk overhaalt naar zijn standpunt door zijn stilistische kwaliteit. Hij bespeelt alle toonaarden van de taal. Hij schuwt zelfs de tirade en scheldkannonade niet. Het is echter de vraag of we hier niet sterker te maken hebben met een filosoferende literator dan met een filosoof die goed schrijven kan. Hoe dan ook, wie zijn inzichten met de brille van een schrijver over het voetlicht kan brengen, spreekt de mensen gemakkelijk aan en dringt beter tot hen door. De evocatieve kracht van de taoisten, van Plato, van Nietzsche, van Schopenhauer is zelf part en deel van de argumenten die ze aanvoeren. Je kunt je afvragen of dit vals spel.
zondag 12 juli 2026
Evocatief
maandag 6 juli 2026
Evolutionaire archeologie
donderdag 2 juli 2026
Uitgebeend
woensdag 1 juli 2026
God, per definitie
zondag 28 juni 2026
Goed en kwaad
zaterdag 27 juni 2026
Misverstanden 2.0 (aanvulling)
Regelmaat
Een van de quantum-raadsels is dat deeltjes, als je ze meet, zich voordoen als kogeltjes (Robert Dijkgraaf noemt het geen kogeltjes, maar pingpongballetjes, zie: zijpaneel); maar als je ze niet meet worden ze stroperig.
Vaak wordt het woordje 'meten' vervangen door 'kijken'. Dus: als je wel kijkt zijn het deeltjes, als je niet kijkt is het stroop.
Hoe is dat mogelijk?
Een kogeltje/pingpongballetje is unilokaal (het is een ding), stroop is multilokaal (het is een dikke vloeistof).
Een atomair deeltje kan dus unilokaal of multilokaal zijn (waarbij multilokaal betekent: schijnbaar op meerdere plaatsen tegelijktertijd).
Schijnbaar? Ja, schijnbaar. Want het hangt van je interpretatie/lezing af of het deeltje inderdaad multilokaal is. Je hebt onder de natuurkundigen realisten en niet-realisten.
Volgens Bohr en Heisenberg is een niet-realistische opvatting de beste: de quantum-formules zijn niets anders dan instrumenten die hun werk doen. Wie met een zeis de grasmat maait kan niets zeggen over de samenstelling van de grasmat: de zeis zegt ons niet of er klaver, paardebloem, raaigras of brandnetel gemaaid wordt, de zeis maait slechts- en dat doet de zeis uitstekend. Zo zeggen de qm-formules ons niets over de werkelijkheid, ze voorspellen slechts hoe de meting zal uitpakken. En dat doen de qm-formules uitstekend.
Bohr is inmiddels gestorven, Heisenberg is gestorven en ook alle andere 'kopenhaagse' fysici zijn dood.
Hedendaagse fysici kunnen niet zo goed uit de voeten met de 'kopenhaagse' interpretatie. Wat heb je aan een natuurkundige theorie als deze je niets zegt over de werkelijkheid? Je wilt toch weten hoe de 'echte' wereld in elkaar steekt?
Geen enkele 'realistische' lezing echter maakt begrijpelijk hoe de werkelijkheid 'echt' in elkaar steekt. We begrijpen eenvoudigweg niet hoe een 'iets' zowel unilokaal als multilokaal kan zijn. (Letterlijk zeggen fysici dan ook dat qm ons idee van 'lokaliteit' op losse schroeven zet).
Welnu, wat je wel zeker weet is dat de natuur regelmatig is (zou ze dat niet zijn, dan zou je helemaal geen vergelijkingen waarmee je kunt rekenen kunnen opstellen). Je weet -het is een regelmatigheid- dat deeltjes unilokaal zijn als je kijkt en multilokaal als je niet kijkt. Je snapt niet waarom dit zo is, maar je weet wel dát dit zo is (je hoort het Dijkgraaf verschillende malen zeggen: we snappen het niet, maar we kunnen er wel mee werken).
Waarom stel je je dan niet tevreden met het inzicht dat de werkelijkheid bestaat uit een verzameling wetmatigheden?
In het dagelijkse leven weet je dat bepaalde mensen een 'gebruiksaanwijzing' hebben (je slaat in de klas tegen de ene leerling een andere toon aan dan tegen de andere leerling). Je weet niet precies hoe het toegaat in het brein van deze mensen, maar je weet wel dat ze van slag raken als je te streng of juist niet streng genoeg bent. Het punt is dat we aan de gebruiksaanwijzing genoeg hebben om te weten wat we moeten doen.
Waarom zouden we dan aan de formules van qm (gebruiksaanwijzing) niet genoeg hebben om te weten hoe we met de werkelijkheid moeten omgaan?
Uiteindelijk heeft de evolutie ons zo ingericht dat we ons, dankzij onze vaardigheid om de juiste handeling uit te voeren op het juiste ogenblik [waarbij geldt: better safe than sorry]), kunnen handhaven in een wereld van fatbikes, opgevoerde e-bikes, obese-auto's (die nauwelijks nog door de straatjes van Utrecht kunnen rijden), getergde gemotoriseerde bakfiets vaders-en-moeders, electrische stepjes, brommers en één zwoegende, oudgeworden filosoof op een gewone ouderwetse trap-fiets (de arme ziel: het mannetje draagt notabene een helm in het verkeer).
In deze melee van gevaren heb je alleen de regelmaat van de verkeersregels om je op de been te houden.
Waarom zou het dan voor wat betreft onze omgang met de natuur anders zijn: het enige wat we hoeven 'op te pikken' is de regelmaat, want die stelt ons in staat om te weten hoe we moeten handelen.
De natuur zelf is een metafysische toestand die ons ruimschoots boven de pet gaat.
Ik geloof zelfs niet dat de verzameling wetmatigheden die we bijeengaren volledig (compleet) is. Het is een willekeurige verzameling en wel omdat onze denkwijze op zich al berust op twee willekeurige wetten (of principes).