Wider utsjoch
Zou het denken (...) gepaard gaan met luid geratel en zwaar gestamp, zodat tijdens het denken steeds ons hoofd heftig schudt en de kaken luid klapperen, dan zouden we goed doorhebben dat onze gedachten producten van het brein zijn. Het brein is echter een stil apparaat, dat zijn werk fluisterend verricht. We hebben van z'n denkwerk geen idee. En daarom vinden we het lastig om te geloven dat ons beeld van de wereld wordt bepaald door de werking van deze 'denkmachine'.
donderdag 2 juli 2026
Uitgebeend
woensdag 1 juli 2026
God, per definitie
zondag 28 juni 2026
Goed en kwaad
zaterdag 27 juni 2026
Misverstanden 2.0 (aanvulling)
Regelmaat
Een van de quantum-raadsels is dat deeltjes, als je ze meet, zich voordoen als kogeltjes (Robert Dijkgraaf noemt het geen kogeltjes, maar pingpongballetjes, zie: zijpaneel); maar als je ze niet meet worden ze stroperig.
Vaak wordt het woordje 'meten' vervangen door 'kijken'. Dus: als je wel kijkt zijn het deeltjes, als je niet kijkt is het stroop.
Hoe is dat mogelijk?
Een kogeltje/pingpongballetje is unilokaal (het is een ding), stroop is multilokaal (het is een dikke vloeistof).
Een atomair deeltje kan dus unilokaal of multilokaal zijn (waarbij multilokaal betekent: schijnbaar op meerdere plaatsen tegelijktertijd).
Schijnbaar? Ja, schijnbaar. Want het hangt van je interpretatie/lezing af of het deeltje inderdaad multilokaal is. Je hebt onder de natuurkundigen realisten en niet-realisten.
Volgens Bohr en Heisenberg is een niet-realistische opvatting de beste: de quantum-formules zijn niets anders dan instrumenten die hun werk doen. Wie met een zeis de grasmat maait kan niets zeggen over de samenstelling van de grasmat: de zeis zegt ons niet of er klaver, paardebloem, raaigras of brandnetel gemaaid wordt, de zeis maait slechts- en dat doet de zeis uitstekend. Zo zeggen de qm-formules ons niets over de werkelijkheid, ze voorspellen slechts hoe de meting zal uitpakken. En dat doen de qm-formules uitstekend.
Bohr is inmiddels gestorven, Heisenberg is gestorven en ook alle andere 'kopenhaagse' fysici zijn dood.
Hedendaagse fysici kunnen niet zo goed uit de voeten met de 'kopenhaagse' interpretatie. Wat heb je aan een natuurkundige theorie als deze je niets zegt over de werkelijkheid? Je wilt toch weten hoe de 'echte' wereld in elkaar steekt?
Geen enkele 'realistische' lezing echter maakt begrijpelijk hoe de werkelijkheid 'echt' in elkaar steekt. We begrijpen eenvoudigweg niet hoe een 'iets' zowel unilokaal als multilokaal kan zijn. (Letterlijk zeggen fysici dan ook dat qm ons idee van 'lokaliteit' op losse schroeven zet).
Welnu, wat je wel zeker weet is dat de natuur regelmatig is (zou ze dat niet zijn, dan zou je helemaal geen vergelijkingen waarmee je kunt rekenen kunnen opstellen). Je weet -het is een regelmatigheid- dat deeltjes unilokaal zijn als je kijkt en multilokaal als je niet kijkt. Je snapt niet waarom dit zo is, maar je weet wel dát dit zo is (je hoort het Dijkgraaf verschillende malen zeggen: we snappen het niet, maar we kunnen er wel mee werken).
Waarom stel je je dan niet tevreden met het inzicht dat de werkelijkheid bestaat uit een verzameling wetmatigheden?
In het dagelijkse leven weet je dat bepaalde mensen een 'gebruiksaanwijzing' hebben (je slaat in de klas tegen de ene leerling een andere toon aan dan tegen de andere leerling). Je weet niet precies hoe het toegaat in het brein van deze mensen, maar je weet wel dat ze van slag raken als je te streng of juist niet streng genoeg bent. Het punt is dat we aan de gebruiksaanwijzing genoeg hebben om te weten wat we moeten doen.
Waarom zouden we dan aan de formules van qm (gebruiksaanwijzing) niet genoeg hebben om te weten hoe we met de werkelijkheid moeten omgaan?
Uiteindelijk heeft de evolutie ons zo ingericht dat we ons, dankzij onze vaardigheid om de juiste handeling uit te voeren op het juiste ogenblik [waarbij geldt: better safe than sorry]), kunnen handhaven in een wereld van fatbikes, opgevoerde e-bikes, obese-auto's (die nauwelijks nog door de straatjes van Utrecht kunnen rijden), getergde gemotoriseerde bakfiets vaders-en-moeders, electrische stepjes, brommers en één zwoegende, oudgeworden filosoof op een gewone ouderwetse trap-fiets (de arme ziel: het mannetje draagt notabene een helm in het verkeer).
In deze melee van gevaren heb je alleen de regelmaat van de verkeersregels om je op de been te houden.
Waarom zou het dan voor wat betreft onze omgang met de natuur anders zijn: het enige wat we hoeven 'op te pikken' is de regelmaat, want die stelt ons in staat om te weten hoe we moeten handelen.
De natuur zelf is een metafysische toestand die ons ruimschoots boven de pet gaat.
Ik geloof zelfs niet dat de verzameling wetmatigheden die we bijeengaren volledig (compleet) is. Het is een willekeurige verzameling en wel omdat onze denkwijze op zich al berust op twee willekeurige wetten (of principes).
vrijdag 26 juni 2026
Gnosis Oost en West
Woordspelletje
zondag 21 juni 2026
De juiste keus?
zaterdag 20 juni 2026
Het slaapmiddel
dinsdag 12 mei 2026
Kijken met je denkbeelden
Wie les geeft over Kant -de filosoof die de wereld verdeelde in het noumenale en het fenomenale- stuit altijd, bij jonge mensen, op het probleem dat ze zich bij de noumenale wereld niets kunnen voorstellen.
We leven immers 'volop' in de wereld die we kunnen waarnemen en begrijpen. Een wereld die buiten onze waarneming staat is non-existent.
Mensen vinden het ook lastig om te begrijpen dat je kijkt met je 'verbeelding': je beziet de wereld met je denkbeelden. Je bent ziende blind voor de dingen die je niet begrijpt.
De hersenen zijn grofweg te verdelen in drie grote 'blokken'. Het motorische systeem, het waarnemingssysteem en het controlesysteem.
Het waarnemingssysteem bestaat uit je zintuigen én uit je denkbeelden. Je kijkt naar de wereld met je 'wereldbeeld'. Alle zaken die niet op begrepen wijze in je wereldbeeld -je georganiseerde verzameling denkbeelden- voorkomen, worden door jou niet 'gezien'.
Je noemt dit fenomeen de theorie-geladenheid van de waarneming.
Een mooi voorbeeld van de wijze waarop je blind kunt zijn voor de dingen die je niet begrijpt wordt gedemonstreerd door het egeltje.
Het egeltje is blind voor het denkbeeld 'auto'. Het weet niet dat een auto een groot, zwaar object is, dat een vast traject volgt -en dit met hoge snelheid aflegt- en dat alles wat haar voor de wielen komt platwalst.
Steekt het egeltje de weg over en hoort het een ongebruikelijk geluid, dan rolt het zich op tot een schattig bolletje met stekels. Omdat het beestje letterlijk blind is voor het concept auto, hoort ze wel geluiden, maar weet ze niet wát ze hoort- en daarom reageert ze niet adequaat. Ze 'ziet' het gevaar niet. Ze doet juist het domste wat je in een dergelijke situatie kunt doen: ze rolt zich op en gaat stil op de weg zitten, precies voor de wielen van de auto.
Zo kun je 'blind' zijn voor dingen die bestaan. Je neemt zaken wel zintuigelijk waar, maar je begrip is blind voor de echte betekenis van het object dat je waarneemt.
Het fenomenale voertuig wordt wel waargenomen door het egeltje, maar het noumenale voertuig niet.
Hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Kent echter je verstand absolute grenzen, dan zul je nooit de wereld in haar geheel doorgronden.
Zo dacht Kant dat de mens door de beperkte werking van zijn eigen verstand blijvend 'blind' is voor de werkelijkheid.