zondag 13 september 2026

De deviante ontoloog

Ontologie is mensenwerk. Wij, mensen, bepalen wat wel of niet bestaat. Zo is overigens alles mensenwerk. Zaken/dingen die wij niet kúnnen opmerken, en alle zaken/dingen die wij eenvoudigweg over het hoofd zien, kunnen we vanzelfsprekend niet opnemen in de inventaris van de werkelijkheid.

Hoe gaat dit in zijn werk? Wel, tamelijk simpel.

Je schrijft de naam van een bepaald ding op een klein briefje en doet dit briefje in één van twee boxen: de box met dingen die wel bestaan en de box met dingen die niet bestaan.

Waarom in een box met dingen die wel bestaan én een box met dingen die niet bestaan? 

Tja, daar is eigenlijk geen andere reden voor dan een natuurlijke/historische: in de dagen dat de klassieke logica (KL) werd opgesteld, door o.a. Frege en Russell, was men er van overtuigd dat de werkelijkheid zelf een 'binaire' architectuur had.

De belangrijkste logici waren platonist: zij meenden te kunnen 'zien' (intuïtief) dat beweringen 'waar' of 'onwaar' waren. De 'hoogste' werkelijkheid zelf is volgens hen een al-omvattend systeem van slechts twee boxen.

Vermoedelijk zijn er ook nog natuurlijke redenen om de werkelijkheid voor te stellen als een twee-boxen (binair) systeem: wij hebben nu eenmaal de grootste moeite om logische systemen die niet binair zijn te begrijpen. Onze denkwijze is, naar het schijnt, van nature exclusief: wat je zegt is wel of niet waar, je bent wel of niet in Eext, je gaat wel of niet op vakantie. Zulke binaire beweringen klinken ons 'normaal' in de oren. Je bent in Eext maar je bent ook niet in Eext klinkt 'absurd'. 

In de eerste jaren van de vorige eeuw, toen de klassieke logica werd ogesteld, begonnen -is het geen ironie?- de fysici met de afbreuk van de klassieke fysica. Met als gevolg dat het binaire systeem onder vuur kwam te liggen.

Je kunt dit natuurlijk het beste illustreren aan de hand van het beroemde gedachte-experiment van Schrödinger (alhoewel de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Einstein vermoedelijk de primeur had: hij bedacht hetzelfde experiment, en dan eerder, maar dan met buskruit): een kat zou volgens Schrödinger in een 'derde' toestand gebracht kunnen worden: deze kat was niet dood, niet levens, maar 'dood & levend'. Nadrukkelijk gezegd: de kan van Schrödinger is waarlijk levend en waarlijk dood.

Hoe moeten ontologen zulke dingen die in een 'derde toestand' verkeren indelen? Zij moeten de naam van het dier (='schrödingers kat') niet op twee briefjes schrijven en vervolgens het ene briefje in de box doen met dingen die bestaan en het andere briefje in de box met dingen die niet bestaan, want dat doet geen recht aan het unieke van de 'deviante toestand'. 

Volgens de logici van LP moet de ontoloog de werkelijkheid zelf aanpassen. De ontoloog heeft geen andere keus dan de werkelijkheid zelf aan te passen met een derde 'box'. In deze derde box komen alle deviante zaken/dingen. 

(Overigens verbinden de logici hier wel een voorwaarde aan: de derde box is paraconsistent. Zou dat niet zo zijn, dan zou je alle briefjes uit de andere twee dozen in de box met contradicties moeten doen. De werkelijkheid zou dan bestaan uit slechts één uitermate vreemde box waarin alles wat je maar kunt bedenken op paradoxale wijze te vinden is. Zelfs voor deviante logici is dat een beetje teveel van het goede. Ze zeggen: de werklijkheid is deviant, maar niet triviaal.)

De werkelijkheid bezien als een systeem met twee boxen of als een systeem met drie boxen: het maakt 'een wereld' van verschil. De deviante logici hebben de werkelijkheid ingrijpend verbouwd. Andere logica, andere werkelijkheid [dit is ook het inzicht dat Quine verdedigde in de jaren '50 van de vorige eeuw].

Uiteraard hebben de traditionele 'twee-boxers' geprobeerd om het systeem van de 'drie-boxers' te kraken en te herleiden tot KL, maar dat is een heilloze weg (gebleken). 

Het is zinloos/betekenisloos om de briefjes in LP te lozen in één van de twee traditionele boxen. Tenzij je een argument achter de hand hebt waaruit blijkt dat LP fout is en KL het enige juiste model is. Tot nu heeft geen logicus ook maar een flauw idee hoe een dergelijk argument -dat nota bene niet in KL taal mag worden opgesteld, anders is het circulair- moet luiden.

Kortom, zoals de zaken er nu voorstaan heb je te maken met een volstrekt andere logica. (Zulks is dan ook de 'fundamentele kracht' van logica: het zijn structuren die je hele wereldbeeld bepalen).

We hebben inmiddels goede fysische, evolutionaire en psychologische redenen om te denken dat een deviant systeem als LP te verkiezen is boven KL.

Wat is de betekenis van deze paleisrevolutie in de logica voor de theologie?

Gelovigen willen natuurlijk weten of God bestaat. Die vraag houdt ons al -pakweg- een paar eeuwen bezig. Het mooiste bewijs voor het bestaan van God is vermoedelijk Anselmus' godsbewijs. Volgens dit bewijs is God Zelfstandig, wat betekent dat hij van niets en niemand afhankelijk is ('zo groot is God!': niets en niemand is groter.) In een werkelijkheid die logisch niet gesloten is, kan God alleen 'groot' zijn als hij niet klassiek (van doen en denken) is, maar deviant. Immers, zou hij niet deviant zijn, maar klassiek, terwijl de werkelijkheid deviant is, dan zou hij de werkelijkheid niet eens begrijpen: maar dat is uiterst merkwaardig! [1]

God kan niet anders daarom dan een deviante persoon of kracht zijn. De ontoloog moet het papiertje met daarop het woord (en de definitie van) God in de derde box met deviante zaken/dingen werpen. 

Merk nu op dat je onmogelijk kunt zeggen dat God niet bestaat: in onze deviante werkelijkheid maakt God deel uit van de werkelijkheid: immers, de box met deviante concepten is bepalend voor de fundamentele structuur van de werkelijkheid. De inventaris bestaat volgens de 'deviante ontoloog' uit drie logische categorieën: deviante denkbeelden, klassieke denkbeelden en klassieke denkbeelden die niet 'echt' bestaan.

De enige manier om aannemelijk te maken dat God niet bestaat -dat het papiertje met 'God' in de box met zaken/dingen die niet 'echt' bestaan moet worden geworpen- is op grond van een argument dat God niet deviant is (in een deviante werkelijkheid). [2] 

-------

[1] Als God moet worden opgevat als een deviant denkbeeld, dan komt hij zondermeer in de box met deviante zaken terecht en kun je haar op geen enkele wijze uitsluiten van 'deelname aan de werkelijkheid'. Is het dan geen probleem dat God onbegrijpelijk is? Nee, vanzelfsprekend niet. Het is eerder eigenaardig om te geloven dat God een soort feilloze logische rekenmachine is: zeker de ontwikkeling van kunstmatige intelligentie maakt ons duidelijk wat God niet is. God is bij voorkeur deviant, een een persoon of kracht waar wij logisch geen greep op hebben. Mij lijkt dit inzicht 'gesneden koek'.

[2] Het argument dat het bestaan van God eerst 'echt' moet worden vastgesteld, voordat je weet of het papiertje door de ontoloog in een van de drie boxen moet worden gestopt, getuigt niet van realisme, maar van een geest die de materie nog niet helemaal begrijpt: de term 'echt' krijgt in een deviante logische werkelijkheid immers een andere inhoud: contradicties zijn niet langer 'echt' of 'onecht', maar zowel 'echt' als 'onecht'.Ik merk dat mensen grote moeite hebben om dit te begrijpen: bedenk goed: een nieuwe logische structuur is een fundamenteel andere structuur en moet daarom toegepast worden op al je termen. De deviante werkelijkheid (en deviante denkbeelden) is uitermate lastig te doorgronden.

zaterdag 12 september 2026

Probeersel

Wat te denken van het volgende gedachte-experiment:

stel je een toekomst voor waarin alle machines die mogelijkerwijs bedacht en geconstrueerd kunnen worden vervaardigd zijn.

Welke menselijke faculteit is dan niet gemechaniseerd/geautomatiseerd? De opzet van dit experiment is om te achterhalen welke vermogens essentieel zijn voor de mens: dat zijn de taken die niet door een machine kunnen worden uitgevoerd. 

Mijn vermoeden is dat machines één taak niet zullen kunnen verrichten en dat is: ethisch handelen. Zwaarden, machinegeweren en drones kunnen mensen gruwelijke wonden toebrengen, maar ze kunnen niet oordelen over het kwaad dat ze aanrichten.

Begrip voor ethisch handelen vereist 'n organisch lichaam, 'n bepaald verstand, bewustzijn en emoties: je moet gebouwd zijn als een mens, je moet vatbaar zijn voor fijne, gelukkige omstandigheden én voor kwade, akelige omstandigheden (je kunt alleen een ethisch wezen zijn in een wereld van goed én kwaad).

Stel je voor dat je een robot bouwt met een kunstmatig idee van pijn en verdriet: dan nog is er geen sprake van een ethisch wezen. Zoals wij ons niet kunnen verplaatsen in een dier dat de wereld 'ziet' dankzij echolocatie, zo kan een machine zich niet verplaatsen in de ethische beleving van een mens.

Het (reken-) werk van ons verstand en de arbeid van onze noeste handen zullen echter op termijn wel worden vervangen door machines.

donderdag 10 september 2026

Theologische opmerkingen

Religie is uiteindelijk geen theorie, maar een praktijk: het gaat om de vraag hoe men handelt, hoe men 'in het leven staat'. 

Hoe je in het leven staat is een ethische kwestie: het draait om de vraag welke handelingen je afkeurt en welke je goedkeurt. 

Het is niet lastig te verdedigen dat de mens een ethisch wezen is, een 'dier' dat 'ontworpen' is om zijn lichaam te bedienen: van kruin tot hiel, van logica tot emotie, alle faculteiten zijn aangelegd om succesrijk of gewetensvol te kunnen acteren (dat, althans, volgt uit een tamelijk eenvoudig [evolutionair] betoog). [3]

Het maakt in die zin ook niet zoveel uit of je atheïst of theïst bent of een metafysica van andere gading aanhangt, het is een feit dat elk mens op een bepaalde manier in het leven staat en dat zij al doende haar sporen nalaat. Je kunt onmogelijk niet handelen. Je bent, bijvoorbeeld, door je lijfelijke tegenwoordigheid op aarde altijd in staat om andere mensen schade toe te brengen.

Waarom is dit zo? Wie verklaart ons waarom de werkelijkheid déze inrichting heeft?

Verwacht voor het beantwoorden van de vragen die er werkelijk toe doen geen heil van kunstmatige intelligentie. Tsjetdzjiepiedie is voor de theoloog geen bedreiging.

Kunstmatige intelligentie mag dan -dankzij rekenkracht, niet dankzij vernuft- veel wiskundige en andere technische problemen oplossen, religieuze en ethische kwesties liggen buiten haar bereik. Het is jammer voor de wiskundigen en de schakers, maar anderzijds: we zijn schijnbaar niet op de wereld om wiskunde te bedrijven en schaak te spelen. Een goed mens proberen te zijn is al een opdracht die ons (mij) lastig genoeg valt. Alle taken die kunstmatige intelligentie op zich neemt en kan uitvoeren bewijzen hooguit dat déze taken schijnbaar niet gerekend moeten worden tot de zaken die werkelijk 'zinvol' zijn.

Wiskundige berekeningen uitvoeren en schaakwedstrijden winnen worden vermoedelijk door God, de oude, wijze man met de baard, die ons vanaf de wolken gadeslaat en onze handelingen beoordeelt, niet meegewogen als verdiensten die van ons een goed mens maken.

De woorden van Jezus geven in dit opzicht te denken: de weduwe, zelf niet rijk, gaf relatief veel geld voor de armen (ze was vermoedelijk te dom om wiskundige sommen uit te rekenen: in onze ogen was het een overtollig mens, een nutteloos wezen, dat gelukkig spoedig zal worden geruimd door de natuur). AI is een zegen voor de theologie: steeds maken zulke technische revoluties duidelijk waar het bestaan niet om begonnen is.

Staat er niet in de Bijbel: "eert niet uw Einsteins, uw Gödels en uw Capablanca's, maar de mensen die het (ethisch) goede doen?" (Nou ja, ik kan het niet terugvinden, maar ik meende het ooit ergens te hebben zien staan).

Als we met een theologische (religieuze) blik naar onze eigen omstandigheden kijken, dan beginnen we misschien te beseffen welke kwaliteit(en) ons werkelijk tot mens maakt. Alle gewervelde dieren kunnen logisch denken en vermoedelijk overtreffen machines ooit ons intellect. Maar welke machine overtreft ons ethisch inzicht en welke machine zal ons overtreffen in ethisch handelen? Zolang het machines niet werkelijk deert dat je de stekker uit het stopcontact trekt kúnnen ze niet eens ethisch zijn. (Het lijkt me overigens wel toe dat machines handig kunnen zijn bij het bepalen van ons oordeel: als we begrijpen dat een handeling van ons andere mensen schaadt, dan hebben we de keus om deze handeling na te laten- we kunnen ons dan niet beroepen op 'onwetendheid').

Vanzelfsprekend hebben we wel een metafysisch beginsel nodig dat het belang van ethisch handelen constitueert. Het is echter niet lastig om te begrijpen dat een dergelijk beginsel wel moet bestaan: als we een denkwijze hebben die 'ontworpen' is om effectief  te handelen en die ons in staat stelt om de 'waarde' van die handeling te beoordelen, dan is ons verstand -noodzakelijkerwijs- niet geschikt om de werkelijkheid te begrijpen (en ook dat is een inzicht dat door onderzoek wordt bevestigd: naarmate wetenschappers de werkelijkheid verder onderzoeken wordt het beeld van de werkelijkheid in toenemende mate 'ongrijpbaar' en 'tegen-intuïtief'). Zaken die de grondslagen van onze denkwijze te boven gaan, kunnen we niet uitsluiten (probeer het maar eens: je houdt als resultaat dat sommige zaken niet kunnen worden begrepen maar -juist omdat ze niet kunnen worden begrepen- niet kunnen worden geëlimineerd). [1]

Aangezien religieuze metafysische beginselen per definitie nogal vreemd zijn en ongrijpbaar kunnen ze -logisch- niet worden geëlimineerd. Je weet dat zulke zaken onmogelijk niet tot de werkelijkheid kunnen worden gerekend. Met andere woorden: je weet dat God bestaat, ook al is het uitermate lastig om over dit metafysische beginsel te spreken.

Het lijkt mij toe dat we ons met al onze uitvindingen 'in een hoekje geverfd hebben': maar dan wel de theologische religieuze hoek en dat lijkt mij zo'n beroerde uitkomst niet. 

Ik zie daarom de uitvinding van ai als een soort vooruitgang. Het brengt ons dichter bij het inzicht dat wij niet het 'wetende' en 'kennende' dier zijn, maar het 'ethische' en 'handelende' dier.[2]

Wees een goed mens, dat is al lastig genoeg. Je vindt deze (en soortgelijke gedachten) terug in alle religies. Wel bitter dan, dat mensen elkaar om strijdige religieuze inzichten af en toe tot bloedens toe op de kop slaan.
-------
[1] De mens schept zich een beeld van de gehele wereld dat is samengesteld uit een selectie van contingente eigenschappen geput uit diezelfde wereld.

[2] Filosofen herkennen vermoedelijk onmiddellijk in het bovenstaande het Aristoteliaanse ideaal van de integere filosoof, die al zijn tijd gebruikt om zo hoogstaand te handelen dat hij het ideaal van de rechtvaardige mens benadert. De aristoteliaanse 'heer' nu had slaven die de was deden en het land bewerkten: wij hebben machines die het praktische werk voor ons verrichten, tot de wiskundige en andere wetenschappelijke klusjes aan toe, zodat we alle tijd hebben om ons te bekwamen in de leer van het rechtvaardige handelen.

[3] Was het niet Ikhebnogaltamelijkveelgeleden die schreef: de taak van de mens is om mens te zijn?

zaterdag 5 september 2026

Logisch anti-exceptionalisme

In de filosofie van de logica richt het onderzoek zich vooral op de vraag 'hoe kunnen we logische stelsels en wetten rechtvaardigen'?

Je hebt nu -ze zijn in onze eeuw ontstaan- twee 'smaken' of 'stromingen: het exceptionalisme en het anti-exceptionalisme.

Volgens de exceptionalist zijn logische stelsels en wetten fundamenteel. Onze kennis berust op een 'fundament' van logica. Het exceptionalisme maakt het echter moeilijk om de logica te rechtvaardigen, want je kunt haar (i) niet afleiden uit kennis die nóg fundamenteler is (sterkere kennis) en je kunt haar (ii) niet afleiden uit andere vormen van kennis, want die zijn minder fundamenteel (zwakkere kennis). Je kunt logica dus niet empirisch bewijzen: logica laat zich niet 'waar nemen' (bovendien: waarnemen is een cognitieve taak, uitgevoerd door een logisch geordend verstand: het is een circulaire procedure zijn).

De exceptionalist moet daarom op zoek naar 'exceptionele' kennis/inzicht om de logica te rechtvaardigen. De rationalist meent nu dat we 'intuïtief' kunnen weten dat de bewering 'contradicties zijn onmogelijk' waar is; de semanticist denkt dat de waarheid van logische uitdrukkingen semantisch wordt bepaald (voorbeeld: het is onmogelijk dat p waar en onwaar is, want dat volgt uit de betekenis van de woorden 'onmogelijk', 'en', 'waar' en 'onwaar'). De semanticist meent dat logica een matrix is waarin de betekenissen keurig bij elkaar passen (merk op: 'keurig bij elkaar passen' is zelf al een logische notie!).

De anti-exceptionalist vindt dat de exceptionalist de lat te hoog legt. De anti-exceptionalist stelt voor om de logica op te vatten als een 'gewone' wetenschap. Logici zijn wetenschappers die de meest algemene eigenschappen van de werkelijkheid onderzoeken [Williamson, Sher]. Je kunt de verschillende logische stelsels, klassiek en deviant, opvatten als theorieën die de meest algemene kenmerken van de werkelijkheid proberen te verklaren (dat kan 'abductief' en 'predictief'; abductie wil zeggen dat je logische stelsel de wereld begrijpelijk maakt, predictief wil zeggen dat je logische stelsel bepaalde inzichten op betrouwbare wijze afleidt uit aannames (als x het geval is, dan kun je y verwachten)).

De anti-exceptionalist wil de logica in ieder geval bevrijden van haar transcendente, universele karakter. Het beeld dat de werkelijkheid een universele logische structuur heeft, waar later de empirische feiten overheen gedrapeerd zijn, is hem al te 'esoterisch'. 

Het naturalisme van Penelope Maddy past goed in dit anti-exceptionele 'sentiment'. Zij meent dat,

"logic is grounded in the structure of our contingent world, our cognitive machinery is tuned by evolutionary pressure to detect that structure where it occurs (Maddy, The Logical Must)" / Lees ook: a plea for natural philosophy: a second philosophy of logic).

Dus: logica is niet de fundamentele, noodzakelijke grondslag van de contingente werkelijkheid, maar -omgekeerd- logica is de structuur die stoelt op de contingente structuur van de werkelijkheid (met andere woorden: logica is niet noodzakelijk, maar contingent). Bovendien merken we de logische structuur alleen op 'where it occurs'. Het voordeel van dit anti-exceptionalisme is dat het beter past bij de evolutie van de mens/verstand. Het exceptionalisme daarentegen is maar lastig te rijmen met darwins gedachtegoed. Want hoe is het inzicht dat wij over buitengewone cognitieve vermogens beschikken die het mogelijk maken om 'zomaar' -op magische wijze- de structuur van de gehele werkelijkheid te doorgronden te rijmen met de evolutie van het verstand?

Het logische gevolg van het anti-exceptionele standpunt is dat we moeten toegeven dat de werkelijkheid niet klassiek geordend is: we hebben daarom een andere logica nodig om de gehele werkelijkheid te beschrijven. Deviante logische stelsels voorzien hier in.

Het probleem is echter dat de werkelijkheid in onze 'cognitieve binnenkamer' wel logisch geordend is (our cognitive machinery is tuned by evolutionary pressure to detect that structure where it occurs). Wij hebben noodzakelijkerwijs vooral oog voor de klassieke structuur van de werkelijkheid. 

De verklaring voor onze pre-occupatie met klassieke logica is simpel: ons lichaam is een logisch werkend apparaat en ons verstand heeft zich ontwikkeld om dit apparaat te bedienen. Een lichaam is een object en moet als een object opereren- en het verstand moet al deze operaties op 'objectieve' wijze beurtelings aan- en uitzetten: een andere werking is niet vruchtbaar.

Maddy noemt als belangrijkste contingente eigenschappen die onze logische denkwijze gevormd hebben: (1) een object kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn; (2) twee objecten kunnen niet tegelijk op één plaats zijn; (3) een object dat zich verplaatst beweegt langs één continu traject. De twee formele klassieke wetten geven inderdaad precies dit soort simpele inzichten weer (je lichaam kan niet handeling p én handeling niet-p verrichten; je moet óf handeling p kiezen of handeling niet-p). [Nota bene: natuurlijk heeft de natuur ons niet uitgerust met een formele logica: de formele logische wetten zijn constructies achteraf van pre- of protologische neurale structuren.]

Klassieke logica is in essentie weinig meer dan een soort primitief besturingssysteem. Het is bovendien een systeem dat ons gehele wereldbeeld bepaalt (en ons het zicht op andere mogelijkheden grotendeels ontneemt). De overtuiging dat er één gesloten werkelijkheid is, is één van de krachtigste 'illusies' van dit denksysteem (ironie: zelfs de gedachte dat er 'illusies' en 'waarheden' bestaan is een klassieke constructie).

Ons logische besturingssysteem maakt het lastig, zo niet onmogelijk, om stelselmatig on-logisch (deviant) te redeneren. Greep op een andere werkelijkheid dan die ons voorgespiegeld wordt door ons klassieke verstand zullen wij daarom wel niet krijgen. Maar we kunnen wel een glimp van de wijde, deviant geordende werkelijkheid opvangen door de logische wetten -dit is zelf een klassieke logische operatie- te ontkennen. Een ware contradictie proberen te doorgronden is voor ons klassieke brein al een groot avontuur...

vrijdag 4 september 2026

Het alogon (3.0) [explicatie toegevoegd]

Alogon is een enigszins in onbruik geraakt woord (ouderwets) voor 'het ongerijmde'. 

Het alogon is de verzameling (oneindig groot) van zaken waar het verstand niet bij kan, waar het verstand geen greep op krijgt.

Het is een interessant begrip, omdat het een minder negatieve connotatie heeft dan 'het absurde'. Het alogon is eenvoudigweg de verzameling van alle zaken die buiten het bereik van ons verstand vallen.

Je kunt handig gebruik maken van deze term als je het over zaken als het bewustzijn, brein, verstand, ratio, ziel of geest hebt. Immers, het brein zou een alogon kunnen zijn: het brein produceert rationele theorieën, maar haar 'zijnswijze' hoeft zelf helemaal niet rationeel en verklaarbaar te zijn.

Graag willen mensen dat in het brein een onstoffelijke geest huist. Het verraderlijk is dat de voorstelling van een onstoffelijke geest door het rationele brein zelf is opgesteld. De onstoffelijke geest heeft namelijk alle kenmerken van een normaal, begrijpelijk object: het heeft een bepaalde plaats in tijd en ruimte, het heeft een bepaalde functie en het werkt samen met de logisch geordende wereld (met het logisch geordende lichaam).

De geest heeft de constructie van een logisch object, met dit verschil dat het niet stoffelijk is. Het is een schoenendoos die niet bestaat uit 'spul': een soort denkbeeldige schoenendoos, een echt object dat echter niet tastbaar is. De geest is gewoon het brein, maar dan niet tastbaar: geen neuroloog kan dit 'onstoffelijke brein' scannen. 

Het idee van een onstoffelijke ziel, een onstoffelijke geest, is niets anders dan een beschrijving die voldoet aan de logische opmaak/inrichting van onze geordende, stoffelijke wereld, maar dan ontdaan van haar 'bestendigheid, tastbaarheid'.

Is het in gedachten wegnemen van alles wat tastbaar is voldoende om te spreken van een 'alogon': behoort de onstoffelijke geest tot het alogon? Vermoedelijk niet. De ziel behoort pas werkelijk tot het alogon (de verzameling onbegrijpelijke zaken) als je geen idee hebt hoe de ziel werkt of waar ze is. De ziel behoort tot het alogon als ze het volstrekt onbegrijpelijke is: je kunt de ziel misschien ervaren, maar niet mechanisch of functioneel ontleden.

Vandaar dat het geen probleem is om de mens te beschrijven als een brein: als we redenen hebben om te geloven dat er meer is dan wij kunnen weten -en dat weten we [2]- dan betekent dit dat we niet kunnen achterhalen en onderzoeken wat de aard is van dit 'alogon'. De werkelijkheid is in dat geval eindeloos wonderlijk. Niets is uitgesloten. Het stoffelijke brein, het wonderbaarlijke brein, waar wij mee denken en dat ons aardse bestaan constitueert, is een eiland in een wonderlijk, mysterieus water (een eindeloos grote oceaan: want we beschikken immers niet over het cognitieve gereedschap om er de grenzen van te bepalen). 

Alleen door het brein minutieus te bestuderen en zo goed en zo kwaad als het gaat in kaart te brengen, krijg je een scherper oog voor de indrukwekkende en schier onbevattelijke compositie van de werkelijkheid.

Het kenmerk van het alogon is immers dat het niet te ordenen, niet te categoriseren is- dat het onbepaald is, een toestand waarin het ene ongelijk is aan zichzelf en waarin het andere niet te onderscheiden is van het derde: alles is mogelijk, niets kan er werkelijk worden ontward door ons verstand. In het alogon zijn onze categorieën onbruikbaar en vervallen onze oordeelsvormen. Slordig gezegd: het alogon is dat waar het verstand werkelijk niets mee kan aanvangen.

Je komt het alogon juist op het spoor door de wereld wetenschappelijk te onderzoeken.

Zo kunnen wij achterhalen of wij goede redenen hebben om te geloven dat het alogon -het onbegrijpelijke domein- inderdaad bestaat. Het antwoord is 'ja' (onomwonden, zonder voorbehoud).

Voor ons betekent de erkenning van het alogon dat het hek van de dam is: dan zie je in dat je het onbegrijpelijke niet kunt beperken, niet kunt uitsluiten. De enige rationele houding die een mens, gegeven zijn logische denkwijze, kan aannemen is: ik weet zeker -ik kan bewijzen- dat er meer is dan ik kan weten: dus wéét ik dat ik niets kan uitsluiten.  

Zal ik de dood overleven, zelfs als mijn brein vergaat? Wel, als het alogon bestaat, dan ben je wel en niet je brein. Immers, je kunt deze onbegrijpelijke zienswijze niet uitsluiten: dus is ze -afgaande op onze rationele denkwijze- waar. Uit de 'logica' van het alogon volgt dat het onmogelijk is om je dood niet te overleven. 

Maar hoe werkt dat dan? Op die vraag is geen antwoord. Alle verklaringen waarbij je een beroep doet op 'onstoffelijke radiosignalen', op 'onstoffelijke lichamen', op 'parapsychologische' zaken en denkbeelden, zijn juist te 'redelijk': we kunnen ze zodoende 'falsifiëren'; ons verstand heeft er nog greep op. De poging om onze denkbeelden, die betrekking hebben op het alogon, tóch begrijpelijk te maken en onder te brengen in een stelsel, maakt ze vatbaar voor weerlegging. 

Wel, zo leren we iets over de 'toverkracht' van woorden: als je de tem 'het absurde' vervangt door de term 'het alogon', plaatst dat onze zienswijze in ander licht.
-------
[1] Wie thuis is in de godsdienstwijsbegeerte begrijpt/ziet dat dit de uitwerking is van John Hick's programma: God is een onbegrijpelijk 'wezen' waar we vrijwel niets over kunnen zeggen; we kunnen God, als alogon, wel beschrijven ('een masker opzetten'): we kunnen God zien als een 'persoon' of als een 'kracht'. Bestaat God? Uiteraard, als het alogon bestaat kun je het bestaan van God niet uitsluiten. [Zie: Hick, John, An Interpretation of Religion; ook: Hick, John, Who or what is God). Merk ten slotte op: aangezien het alogon bestaat, bestaat God- en kun je hem een 'masker' opzetten (want God 'benoemen' hoeft niet persé afbreuk te doen aan zijn onbegrijpelijke staat) [=dit is een studie op zich: hoe te spreken over God].

[2] Wie nog steeds niet gelooft dat logisch denken een rationele, evolutionaire beperking is, kan het werk van Penelope Maddy raadplegen. 

[3] Explicatie: aan de bovenstaande bijdrage moet een uitleg worden toegevoegd, want anders is het wellicht een al te exotische vertelling. Terwijl ik meen dat het hier louter en alleen om een strenge, logische ontleding van de zaak gaat. (1) Onze logische denkwijze is de basis van ons wereldbeeld: wij bezien alle zaken 'exclusief' of 'consistent'. Consistentie verwijst naar een algemene formele structuur, als volgt te definiëren: een ding kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn, twee dingen kunnen niet op één plaats tegelijk zijn en dingen verplaatsen zich langs één niet onderbroken traject. Deze formele structuur kun je ook toepassen op onze denkbeelden, theorieën en modellen: een denkbeeld is uitsluitend waar als de subject-predikaat structuur exclusief (consistent) is en als de structuur van de samengevoegde zinnen consistent is. (2) Volgens een van onze consistente theorieën (evolutie) hebben wij een exclusieve denkwijze omdat wij ons lichaam willen kunnen verplaatsen (dat was biologisch zeer voordelig). Het is echter duidelijk dat de werkelijkheid niet uitsluitend exclusief van aard is. Om maar wat te noemen: wind, regen, vloeistoffen, gassen, producten in superpositie, zaken die leiden tot sorites-paradoxen, zijn niet exclusief. Wie hier op een exclusieve denkwijze over nadenkt, komt tot de conclusie dat de exclusieve denkwijze niet universeel is. (3) Als de exclusieve denkwijze niet universeel is, dan betekent dit dat alles mogelijk is (dat is een eenvoudige 'optelsom'). Maar als alles mogelijk is, dan kun je de volgende twee beweringen rechtvaardigen: i. 'Als alles waar is, dan betekent dit in ieder geval niet, in exclusieve zin, dat God niet bestaat.' ii. 'Als alles waar is, dan betekent dit in ieder geval niet, in exclusieve zin, dat God wél bestaat.' En wat betekent dit? Wel, dat God bestaat, maar dat we ons in exclusieve zin, geen voorstelling/beschrijving van hem of van zijn bestaanswijze kunnen maken. -Het zij zo: waarom zouden we überhaupt in een God willen geloven die we kunnen betrappen op logische fouten, rekenfouten en op ontwerpfouten? Wie heeft er moeite mee om te geloven dat God, in exclusieve zin, een mysterie is?

dinsdag 1 september 2026

Schaakmat

Het schaakspel is niet eerlijk: altijd mag een van de twee spelers het eerst een zet doen (meestal is dat de speler die de witte stukken heeft).

Je zou de regels daarom kunnen veranderen. Bijvoorbeeld het invoeren van een 'simultaan-regel': om de twee minuten klinkt er een belletje en dan moeten de spelers gelijktijdig zetten.

Of je zou, ter compensatie, de speler die steeds één zet achterloopt, het recht kunnen geven op een 'twee-zet': hij mag op een willekeurig ogenblik twee zetten achter elkaar doen. Dit maakt het spel voor de wit-speler overigens buitengewoon complex. 

Je kunt de twee spelers ook elk het recht op één twee-zet geven: van dit recht mogen ze dan op een willekeurig ogenblik in het spel gebruik maken. 

Je kunt de spelers ook uitsluitend twee zetten per keer laten doen (dus: niet omdebeurt één zet, maar omdebeurt twee zetten). En dan begin je als volgt: wit mag eerst één zet doen (=de openingszet) en daarna mag zwart twee zetten doen, wit vervolgens twee zetten, zwart vervolgens twee zetten, enz.

Je kunt ook de loop van de stukken veranderen. Nu mag bijvoorbeeld een loper alle velden schuinwaarts bestrijken, maar je zou dit kunnen beperken tot drie (of vier of vijf). Hetzelfde geldt voor de toren. Of je zou de loper ('de raadsheer') drie velden schuin mogen spelen en dan één veld recht. De lopers zouden dan tenminste niet gebonden zijn aan de kleuren van de velden.

Kortom, de regels van het schaakspel kunnen aangepast worden. Ze zijn niet 'in beton gegoten'. 

Het aantal variaties is eindeloos. Je kunt zelfs nieuwe stukken introduceren, zoals 'de nar': je moet de nar op de tiende zet opeens uit je mouw schudden en ergens op het bord plaatsen (naar keuze): de nar moet springen als een dwaas paard (recht, schuin, recht, schuin); bij de twintigste zet moet je de nar weer van het bord nemen; bij de dertigste zet mag je hem weer op het bord plaatsen, enz.

Onherroepelijk doet zich nu de vraag voor 'wat is het echte schaakspel'? Waarom zouden de oorspronkelijke regels beter zijn dan de nieuwe regels? Waarom wordt de nar -toch een leuke variatie- niet aan het spel toegevoegd?

Wel, omdat het 'klassieke' schaak zich van oudsher een vaste plek veroverd heeft in onze 'geestesgesteldheid' (cultuur). Wie al jarenlang klassiek-schaak speelt, heeft weinig zin om het spel ingrijpend aan te passen. Het betekent dat zijn immense voorraad kennis van het schaak moet worden vertimmerd/verbouwd: miljoenen 'schaak-neuronen', en een groot aantal 'schaak-netwerken', moeten worden weggesneden en worden vervangen door nieuwe neuronen en netwerken. 

Het brein van de klassieke grootmeester is vergroeid met -'geworteld in'- het traditionele schaakspel.

Precies dít is een van de redenen waarom jongere mensen oudere mensen 'koppig' vinden: juist omdat oudere breinen beschikken over een enorme voorraad uitgebreide en goed uitgewerkte neurale netwerken, is het vervangen van deze netwerken tenslotte ondoenlijk. Teveel werk: alsof je alle boeken uit een zorgvuldig aangelegde verzameling moet wegdoen (of, erger nog: regel voor regel moet herschrijven!).

Kinderen daarentegen, die nog niet beschikken over een hoofd vol kennis, zullen het narren-schaak gemakkelijk kunnen leren (de nieuwe kennis heeft geen concurrentie van 'oude' kennis). Bovendien zullen ze misschien veel meer plezier beleven aan narren-schaak dan aan klassiek-schaak. 

Laten we de bovenstaande inzichten eens vertalen in evolutie-biologische termen: in een niche (maatschappij) waar klassiek schaak de norm is, functioneert het oudere brein goed: het is helemaal aangepast aan de omstandigheden; in een niche (maatschappij) waar het klassiek-schaak verdrongen wordt door narren-schaak, is het leervermogen van een kind onmisbaar: het verstand van de jongere moet nog rijp gemaakt worden voor de niche (maatschappij) waarin zij zich, als ze volwassen is, moet handhaven. 

Ik vermoed dat iedereen dit proces wel begrijpt (en in zichzelf werkzaam weet: welke oudere voelt zich nog volledig betrokken en begrepen in de huidige wereld?). Het kost zoveel moeite om een wereldbeeld op te bouwen en je zelf een plaats te verwerven in de wereld. De maatschappij verandert echter, vooral technologische vernieuwingen dwingen tot aanpassing. 

Het zou me niet verbazen als de schaakregels over niet al te lange tijd worden aangepast, want de computer heeft het spel inmiddels volledig ontleed. (Er is eigenlijk geen klap meer aan.) 

En niet alleen schakers, zelfs wiskundigen maken zich zorgen: want ze vrezen dat AI aanstonds de ene na de andere belangrijke wiskundige rekening zal genereren. Wiskundigen zijn dan overbodig.

Op de dag dat het narren-schaak het klassiek-schaak vervangt, is de klassieke grootmeester 'oud' geworden.

Onwillekeurig gaan mijn gedachten hierbij uit naar de klassieke grootmeesters van de natuurkunde, die moeite hadden met de nieuwe ontwikkelingen in hun vakgebied. Wie een definitie van het begrip 'tragiek' zoekt: het feit dat mensen overbodig worden, niet meer meetellen, terwijl ze in hun eigen tijdsgewricht briljant waren, dát is tragiek.

Is er een spel, een bezigheid, dat nooit zal veranderen en dat blijft gelden in elke maatschappij, zelfs in de verre toekomst? Een 'iets' dat jonge en oude mensen verenigt? Een zaak waar iedereen zich bij betrokken voelt?

Wellicht dat ethische kwesties -onze hang naar rechtvaardigheid- van blijvend belang zijn voor alle mensen, jong en oud. (De filosofe Christine Korsgaard betoogt iets dergelijks).

donderdag 20 augustus 2026

De Steen (versie 1) [2]

(1) Op een plein in een Drents dorpje ligt een enorme steen. In deze steen zijn twee ijzeren haken/ogen geslagen waar je touwen aan kunt vastknopen (één oog aan de voorkant, één aan de achterkant). Aan deze ogen kun je paarden binden om de steen te verplaatsen (tegenwoordig -althans dat vermoed ik- verplaatsen ze de steen met een tractor.)

Om de steen te verplaatsen had je -zo heb ik me laten vertellen- minimaal twee paarden nodig (=één tweespan); gemakkelijker gaat het verplaatsen van de steen echter met vier paarden, dat is tweemaal een tweespan.

De mannen die de paarden mennen -stoere kerels in een blauwe overall- hadden nu de volgende mogelijkheden:

-ze konden de paarden aan één van de twee ogen binden: óf aan het voorste oog óf aan het achterste oog; zo ingespannen kan de steen verplaatst worden (= samenwerking).

-ze kunnen het natuurlijk ook nalaten om de paarden aan een van de twee ogen te binden: zo ingespannen kan de steen niet verplaatst worden (= nulwerking);

-ze kunnen ook één tweespan aan het voorste oog en één tweespan aan het achterste oog binden: nu zullen de twee tweespannen elkaars krachten opheffen en zal de steen per saldo de steen niet verplaatst worden (= tegenwerking).

Je kunt deze vier mogelijkheden weergeven in een schema. In het schema staat P voor paarden ingespannen aan het voorste oog, ¬P voor paarden ingespannen aan het achterste oog; 1 betekent dat de paarden door de menners daadwerkelijk worden aangespoord om te sjorren en te trekken, 0 betekent dat de paarden niet worden aangespoord om te sjorren en te trekken (en paarden zijn niet gek: als je ze niet tot werken aanspoort, dan blijven ze rustig staan): 

P=1, ¬P=1, dan: 0 [steen niet verplaatst: tegenwerking]
P=1, ¬P=0, dan: 1 [steen wel verplaatst: samenwerking]
P=0, ¬P=1, dan: 1 [steen niet verplaatst: samenwerking]
P=0, ¬P=0, dan: 0 [steen niet verplaatst: nulwerking].

Eigenlijk is dit niets anders dan newtoniaanse mechanica. Je kunt in dit schema de P (paarden) dan ook vervangen door F (krachten) zonder dat dit ten koste gaat van de structuur:

F=1, ¬F=1, dan: 0 [steen niet verplaatst: tegenwerking]
F=1, ¬F=0, dan: 1 [steen wel verplaatst: samenwerking]
F=0, ¬F=1, dan: 1 [steen niet verplaatst: samenwerking]
F=0, ¬F=0, dan: 0 [steen niet verplaatst: nulwerking].

We geven de krachten hier aan met een F en een ¬F (negatie van F). De reden hiervoor is dat de krachten die je genereert om de steen te verplaatsen ofwel meewerken ofwel tegenwerken (F of ¬F). Wie wel eens met een groep schoolkinderen heeft geprobeerd om een boerenkar te verrijden, weet dat ze in hun tomeloze enthousiasme willekeurig aan de kar beginnen te sjorren. Sommige leerlingen werken de verplaatsing dan tegen (overigens zonder dat ze dit in de gaten hebben, grappig genoeg). Je kunt de kinderen verdelen in twee groepen: kinderen die wel en die niet meewerken aan het verplaatsen van de kar. 

(2) Een logicus ziet vermoedelijk snel welke logische operator de verdeling van de krachten (paarden) en de verplaatsing van de steen beschrijft: het is de exclusieve disjunctie [1]:

p=1, ¬p=1, dan: p v ¬p= 0
p=1, ¬p=0, dan: p v ¬p= 1
p=0, ¬p=1, dan: p v ¬p= 1
p=0, ¬p=0, dan: p v ¬p= 0

Het is geen toeval dat déze operator de 'orde' van de krachten en de verplaatsing van de steen beschrijft: het verplaatsen van een steen is namelijk een exclusieve handeling. De steen kan slechts langs één traject verplaatst worden. Je kunt dit traject beschrijven als een vector met een bepaalde oriëntatie. Als je weet dat de steen verplaatst is langs traject a, kun je uitsluiten dat de steen verplaatst is langs traject b, c, d, e enz. Ken je traject a, dan weet je ook wat traject ¬a is. 

Exclusiviteit is natuurlijk niet voorbehouden aan de steen in Drenthe; exclusiviteit geldt voor alle 'vaste/rigide' objecten: messen, vorken, beelden, stoelen, bomen, mensen, enz.

Exclusiviteit is in de praktijk een handige eigenschap. Zo kun je deze eigenschap gebruiken om jokkebrokken te ontmaskeren. Inbreker Grijpgraag is een voorbeeld van een exclusief object: daarom kan inspecteur Wijsneus uitsluiten dat Grijpgraag tijdens de diefstal zowel thuis was als in de Juwelierszaak. Want Wijsneus weet dat exclusieve objecten niet op twee plaatsen tegelijk kunnen zijn.

Terzijde: het feit dat rigide/vaste objecten exclusief zijn is een contingente eigenschap. Het is geen noodzakelijke eigenschap. 

(3) Lichamen van dieren en mensen zijn -evenals de Drentse steen- objecten. Ook lichamen hebben exclusiviteit. De spieren moeten de krachten bundelen (=samenwerken) om het lichaam te verplaatsen.

In het voorbeeld van de Drentse steen werden de paarden ingespannen en tot sjorren aangespoord door mensen. In het lichaam worden de spieren aan- en uitgezet door zenuwweefsel (brein). Neurobiologen hebben het 'brein' (zenuwweefsel) van C.elegans, een klein wormpje, volledig in kaart gebracht. De zenuwen bedienen de spieren als volgt:

“The execution of one action [in C'elegans] at a time is coördinated by specific command neurons that, when activated, initiate one of the possible movements. Importantly, once the command neurons activate, the motor sequence (e.g., for moving forward) happens by itself. It does not need to be centrally directed because it is already wired into the neuromuscular circuitry: it simply has to be released (while all other possible actions are inhibited). The worm’s brain (a condensation of interneurons in the head) just has to ask the motor system to do something; it doesn’t have to tell it how.” [Mitchell, Free Agents, ch.4]


De architectuur van spier- en zenuwweefsel in C.elegans vertoont overeenkomst met het verplaatsen van de steen: de menners hoeven de paarden niet te zeggen hoe ze hun spieren moeten spannen en hun poten schrap moeten zeggen. Het is voldoende als ze de paarden aansporen. Voorwaarde is wel dat de paarden op de juiste wijze worden ingespannen. In de tabel zie je dat het geen zin heeft om de paarden aan te sporen als er sprake is van nul- of tegenwerking.


Hetzelfde geldt voor de spieren en het zenuwweefsel. In de loop van de evolutie hebben de spieren en zenuwen zich functioneel ontwikkeld. In het begin echter, toen de natuur organismen voorzag van spier- en zenuwweefsel, zal de werking van deze weefsels meer geleken hebben op mijn schoolklasje dat een boerenkar probeert te verplaatsen. 


Het zenuwweefsel zal niet alle spieren hebben kunnen aan- en uitzetten; en een aantal van de spieren die aangezet werden, zal de verplaatsing hebben tegengewerkt (zie: het werk van Chris Pantin, Fred Keijzer). 


Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat zenuw- en spierweefsel uiteindelijk -gradueel, stap voor stap- zo verfijnd en functioneel als in C.elegans zijn gaan samenwerken. Toch is dit evolutionair vrij eenvoudig te verklaren. 


We zien aan de tabel dat tegenwerking en nulwerking moeten worden vermeden. Het zenuwweefsel moest de spieren dus bij voorkeur (1) wél aanzetten, maar zo dat (2) tegenwerking werd vermeden. Bij dieren waar dit niet lukte was het bezit van deze weefsel eerder na- dan voordelig: het zijn dure kostgangers, die veel energie nodig hebben. De mutanten die er in slaagden om het spierweefsel te activeren en tegenwerking te verkleinen, hadden een enorm voordeel: ze konden, in een wereld waar beweging (motiliteit) nauwelijks voorkwam, zonder gevaar alle overige organismen naderen en verorberen. Niet voor niets noemt Nick Lane motiliteit een van de belangrijkste biologische 'innovaties'.


Het eerste zenuwweefsel had, gezien het enorme voordeel van motiliteit, een exclusieve functie. We kunnen de logica die deze functionaliteit kenmerkt in een paar regels uitwerken.


Spieren werken optimaal als uitsluitend de meewerkende krachten worden geactiveerd; we leiden nu uit de bovenstaande tabellen af dat: 


-je daarom het spierweefsel wel moet activeren (=geen nulwerking), maar

-je moet tegenwerking vermijden (=geen tegenwerking);


In feite zijn dit protologische wetten; 


-geen nulwerking kun je noteren als: niet (p noch niet-p);

-geen tegenwerking kun je noteren als: niet (p en ¬p).


Zo heb je de twee formele klassieke wetten afgeleid (want geen nulwerking is natuurlijk de wet van het uitgesloten derde).


Tenslotte is de exclusieve operator een conjunctie van de twee klassieke wetten:


(p v ¬p) & niet (p & ¬p) <=> (p v ¬p) [3].


Ook dit is gemakkelijk te begrijpen:


De disjunctie stelt dat 'ofwel p of niet-p of zowel p als niet-p'. Maar 'geen tegenwerking' verbiedt 'zowel p als niet-p'.

Je houdt dan de exclusieve disjunct over. 


(4) De exclusieve disjunctie beschrijft de optimale activering van onze spiergroepen. Wie begrijpt dat je de Drentse steen niet kunt verplaatsen als je paarden niet aanspoort tot trekken en sjorren of als je de paarden tegen elkaar in laat werken, begrijpt ook waarom wij een basale exclusieve denkwijze hebben.


Wij zijn een object en verplaatsen ons als een object, dat wil zeggen op exclusieve wijze. We hebben daar een exclusieve denkwijze bij nodig, anders zouden we ons eigen lichaam niet kunnen bedienen. 


Aangezien exclusiviteit een contingente eigenschap is, die slechts betrekking heeft op objecten, is ook onze denkwijze contingent. Onze denkwijze is niet noodzakelijk, niet algemeen en niet universeel. Voorts is het niet lastig om vast te stellen dat de werkelijkheid niet exclusief is (maar dit is een uitstapje in de metafysica dat we hier laten rusten) [3].


Je kunt alle metafysische en bovennatuurlijke verklaring van de logica nu vergeten: het zijn geen magische wetten die de gehele werkelijkheid beschrijven en die door een bovennatuurlijke alwetende persoon zijn gebruikt om de schepping te ordenen. Het zijn praktische wetten die ons helpen om snel en doelmatig van a naar b te lopen.


Onze logische denkwijze is toegesneden op 'handelen': we zijn ethische dieren.

---------

[1] Ik laat de vraag -en aanverwante vragen- bij welk logisch model deze afleiding hoort hier rusten: deze is niet van wezenlijk belang voor het betoog

[2] DIt is een bewerking van een eerdere bijdrage (die ik destijds schreef voor De Lachende Theoloog). 

[3] Zie bijvoorbeeld de laatste hoofdstukken van Maddy's hoofdwerk, Second Philosophy, waarin zij betoogt dat de wereld geen KF-wereld is (geen Kant-Frege wereld): sorites-paradoxen en andere onbepaaldheden maken dat duidelijke. Zij voert aan dat ook kwantummechanica geen KF-wereld is (geen klassieke logische wereld).

woensdag 19 augustus 2026

De strop om de nek van de ethiek

Ik ken geen filosoof die mooier/beter schrijft dan Nietzsche of Schopenhauer. 

Hoe prachtig zijn deze zinnen: 

"De kritiek op de moraal is zelf van een hoog zedelijk gehalte." - "De zin voor waarheid zelf een van de machtigste bloeivormen van de moraliteitszin." [En daarmee heeft de moraal] "zichzelf de strop om de hals gelegd waarmee ze geworgd kan worden - de zelfmoord van de moraal is haar eigen morele eis."

Nietzsche lijkt te willen zeggen dat wie werkelijk bewogen wordt door de moraal de moraal moet afschaffen. De tegenspraak in deze opmerkelijke zin maakt de morele handeling die Nietzsche ons oplegt niet uitvoerbaar. Want als je de moraal afschaft -waartoe de zin ons oproept- dan maal je niet om de moraal en hoef je haar niet af te schaffen; maar als je haar niet afschaft, dan wil je wel voldoen aan de moraal en moet je haar afschaffen.

Merk nu op dat een dergelijke 'knoop' in de uitvoering ook de mensen parten speelt die menen dat ze God moreel verantwoordelijk kunnen houden voor het kwaad in de wereld.

Wie bijvoorbeeld moreel verontwaardigd is over het kwaad in de wereld -ik vind het immoreel dat God kanker geeft aan mensen (denk aan de hartverscheurende strijd van Lieke Marsman)- stelt impliciet dat de moraal 'een groot goed is': zo belangrijk zelfs dat het een (zeer) sterk argument is tegen het geloof in God.

Echter als God mensen heeft geschapen die kanker kunnen krijgen, dan schiep hij ook mensen die deze ziekte moreel kunnen veroordelen. En dat laatste is dan weer een groot goed. Wie wil werkelijk onze zin voor goed en kwaad opgeven?

Stel echter dat God luistert naar onze klacht en de zin voor goed en kwaad inderdaad wegneemt uit ons gemoed/verstand. Het gevolg van die ingreep is dat de kanker die mensen doodt geen kwaad meer is. Je zult een moreel besef moeten hebben om kanker te kunnen veroordelen/beoordelen als een kwaad. 

Mensen sterven in deze van de moraal beroofde/bevrijde wereld nog steeds een pijnlijke dood, maar het is dan een dood die we God moreel niet kunnen verwijten: eenvoudigweg omdat we er geen weet van hebben. We zijn blind voor goed en kwaad, we ontberen de nodige ethische concepten ('wat niet weet wat niet deert').

Kun je -dat is nu de filosofische vraag- God werkelijk (redelijkerwijs) verwijten dat de wereld een ethische wereld is van goed én kwaad

Religieus licht

Het bestaan van de mens is niet absurd, zelfs niet inherent zinloos.

Het kan niet lastig zijn om onze toestand -aan onszelf- te beschrijven: we zijn natuurlijke wezens in een natuurlijke wereld. We hebben geen lichaam maar we zijn een lichaam. 

Ons lichaam is gevoelig voor plezier en pijn. We zijn, als wezens van vlees en bloed, aan elkaars goedheid/slechtheid overgeleverd. We zijn aanraakbaar, zichtbaar,- we zijn elkaar 'gegeven'. We zijn juist door onze lichamelijke, natuurlijke gesteldheid verantwoordelijk voor elkaar. 

De natuurlijke wereld is een ethische schepping: het is een menging van kwaad en goed. Je kunt niet verdedigen dat de wereld louter goed is, je kunt niet verdedigen dat de wereld louter slecht is. 

Alles wat we doen en alles wat we laten draait om de vraag: brengt mijn handelen schade toe aan een ander (belichaamd) mens. De vraag die je dientengevolge aan je zelf moet stellen bij al je plannen: hoe vermijd ik dat ik anderen pijn doe, hoe versterk ik hun geluk. Elke handeling is ethisch, alles wat je zegt en doet kan/zal een ander schaden of zalven. Loop voorzichtig, trap de ander niet op de ziel.

Niemand kan zich onttrekken aan de natuurlijke, menselijke zedelijke gesteldheid. Heel de wereld is zo gebouwd dat alles in het licht staat van goed en kwaad.

De grondslag van onze denkwijze is geheel gericht op het beoordelen van andermans en eigen handelingen. Onze denkwijze is zo bemeten dat we onze handelingen kunnen bepalen en de gevolgen van onze handelingen kunnen beoordelen. We denken om te handelen, we zijn 'ontworpen' om te handelen: en elke handeling beïnvloedt 'aarde en medemens'. Want de natuur is zo aangelegd dat wij haar kunnen 'raken': we zijn als lichaam opgenomen in een fysisch weefsel van oorzaak en gevolg [1].

Het is onmogelijk om te ontkennen dat je gedrag ethisch geladen is. Zelfs als je onverschillig wilt leven en slechts je eigen -ook al is het op bescheiden schaal- beperkte leven wilt leiden, zijn je daden van invloed op de wereld en op anderen.

Objectief, neutraal leven is uitgesloten. Het is uitgesloten dat iemand een niet-ethisch leven zal beginnen. Alle mensen zijn gevangen in de 'ethische tredmolen van het bestaan'. 

Wie de werkelijkheid beziet in 'religieus' licht heeft een beter beeld van de werkelijkheid -in die zin dat dit inzicht rationeel goed te verdedigen is- dan wie haar hoopt te kunnen reduceren tot een zelfstandige fysische structuur: een cognitief beperkt dier kan dit fysicalisme niet verdedigen (wie weet dat zijn ogen slechts (bij wijze van spreken) de halve wereld zien, kan deze halve waarneming niet versterken tot het beeld van de hele werkelijkheid. Uit een halve waarneming volgt geen volledig wereldbeeld.)

[1] Mijn verhaal over de ethische gesteldheid van de mens is allesbehalve origineel: je vindt dit inzicht bij tal van filosofen, uit de periode van de oudheid tot de periode van de 'nieuwste nieuwheid'. Wel zal elke filosoof dit inzicht op zijn eigen wijze 'kruiden' (je brengt het inzicht op smaak). Dat doe ik ook. Ik benadruk dat zelfs onze cognitie/ratio op 'ethische' leest geschoeid is: zelfs onze meest basale logica is bedoeld om te handelen, om het lichaam -dat ethische vehikel- te bedienen. Uitgesloten derde en non-contradictie bepalen onze denkwijze omdat wij onze plannen moeten uitvoeren (en het uitvoeren van plannen is dan weer een ethische activiteit).
-----
Tenslotte: we moeten het nog even hebben over de scherpe randjes van de bovenstaande bijdrage.

Je zou het volgende kunnen tegenwerpen: onze ethische gesteldheid -die niet kan worden ontkend- is zelf een product van de natuur. Je mag haar daarom niet in verband brengen met metafysisch/religieus gedachtegoed.

Ik ben het zeker eens met het inzicht dat wij een product van de natuur zijn en dat -ipso facto- ook onze ethische gesteldheid een product is van de natuur. Ik ben het echter niet eens met de conclusie dat wij uitsluitend het product zijn van de natuur.

Wie zegt dat onze ethische gesteldheid uitsluitend het product is van de natuur heeft een universele modale regel nodig die hem zegt hoe de modale orde de werkelijkheid beperkt. Onze klassieke denkwijze is ongeschikt om te dienen als universele modale regel en een alternatief is niet voorhanden. Het gevolg is dat onze klassieke 'modale kaart' van de werkelijkheid explodeert en wij letterlijk alles voor waar moeten houden. Ook al gaat dit ons begrip te boven. (Ons begrip is slechts zo rijk als noodzakelijk is om verantwoord en ethisch te handelen).

zondag 16 augustus 2026

Compleet (versie 1.5)

Als iemand je een verhaal vertelt, dan moet dit verhaal 'compleet' zijn.

Je kunt het verhaal niet volgen als passages verwarrend of nietszeggend zijn.

Een toehoorder kan de verhaallijn niet achterhalen als (a) de spreker strijdige uitspraken doet [dit is verwarrend] of als (b) de spreker in raadselen spreekt [dit is nietszeggend].

Feitelijk zijn dit de tegenpolen van de twee logische vormen die Aristoteles aanprijst als 'de meest zekere van alle principes' (Metafysica, boek gamma), namelijk de contradictie en de anadictie.

Over het algemeen vinden wij een contradictie schadelijker dan een anadictie. In de praktijk doen ze echter niet voor elkaar onder.

De rechter die bij gebrek aan bewijs gelooft dat een verdachte schuldig noch onschuldig is zit in een even lastig parket als de fysicus die niet begrijpt dat een deeltje wel en niet 'hier' is.

De soldaat die het contact met de legerleiding verliest en niet weet of hij terug of vooruit moet bevindt zich in een even lastige positie als de soldaat die door een fout van de legerleiding de opdracht kreeg om zowel terug als vooruit te gaan.

Een verdachte kan onmogelijk 'wel noch niet schuldig' zijn of 'wel en niet schuldig'. 

We hebben voor deze twee onmogelijke vormen aparte termen:
-anadicties tonen aan dat een verhaal incoherent is;
-contradicties tonen aan dat een verhaal inconsistent is.

Aristoteles betoogt dat anadicties 'lege waarheden' zijn (niets is waar) en dat contradicties 'overvloedige waarheden' zijn (alles is waar). 

[Misschien zou een moderne filosoof de voorkeur geven aan de termen 'incompleet' en 'overcompleet'.]

Als we nu een model hebben en het domein van dit model kunnen bepalen, dan kunnen we testen of dit model incompleet of overcompleet is. Leiden we een contradictie af, dan is het model overcompleet; leiden we een anadictie af, dan is het model incompleet.

Hoe werkt dit? Neem een kralenwinkel: omdat een klant een doos met kralen laat vallen, moet het winkelpersoneel alle kralen oprapen en opnieuw sorteren: rode kralen moeten bij rode kralen, blauwe bij blauwe, enz. Het model is dus simpel: 'kleur moet bij kleur' en het domein van het model is: alle kralen die gevallen zijn. Zwarte kralen echter hebben -strikt genomen- geen kleur en kunnen daarom niet worden ingedeeld: het model is incompleet; witte kralen bevatten -strikt genomen- alle kleuren en moeten daarom bij alle kleuren: het model is overcompleet.

Zo kun je nagaan of modellen compleet zijn. Beide logische vormen zijn even urgent: een incompleet model is al even afkeurenswaardig als een overcompleet model.

Desondanks vinden we om een reden die mij onbekend is overcomplete modellen slechter dan incomplete modellen.