Je wordt bij het lezen van deze en andere passages bevangen door nostalgie. De mens maakt de wereld tot een betekenisvol domein. Of, als het Dasein een andere keus maakt, maakt de mens van de wereld juist een betekenisloze, landerige, lome opeenvolging van zinloze ogenblikken: het Dasein schept uit de vele mogelijkheden zijn eigen wereld.
Ook Heidegger die het intentionele 'zijn' van de mens in een 'wereld-van-mogelijkheden' het Dasein noemt is in feite een romanticus.
Je hart smelt bij het lezen van deze filosofische teksten. Het is de romantische kijk op de mens zoals die ook verklankt is in de muziek van Mahler, 'Oh mensch! Gib acht!, bimmbamm...' Het bestaan van de mens is een 'tragedie', we hebben de hoofdrol in ons eigen toneelstuk.
Het leven is niets minder dan een (menselijk) drama: dat is onontkoombaar zo omdat je existeert als een 'ervarend subject' (tja, dat soort voorstellingen krijg je als toneelschrijvers zich opwerpen als filosoof).
Je moet de existentialisten nageven dat ze het voor wat betreft één inzicht bij het rechte eind hadden: je bent inderdaad in staat om de wereld te ervaren. Maar of daar uit volgt dat je een 'existerend subject' bent of een 'Dasein' lijkt mij geen uitgemaakte zaak.
Psychologen -zij werken tenminste systematisch, iets wat je van de existentie-filosofen niet kunt zeggen- bezien de mens als een ingewikkelde plant die is gaan bewegen. Zodra een plant gaat bewegen, heeft het organisme enige tegenwoordigheid van geest nodig, anders weet hij niet hoe of wat te doen: de omgeving verandert immers voortdurend als je je verplaatst. Je zult wel even moeten uitkijken als je rent, vliegt of zwemt, want van tijd tot tijd moet je je gedrag aanpassen. Anders stoot je je teen of hoofd.
Het existerende subject wordt in de psychologie gereduceerd tot een handelend wezen, met een brein dat in een donker kistje van been wordt bewaard -als een mummie in de spelonken van een pyramide- waar slechts de elektrische en chemische signalen van het oog, oor, neus en tast kunnen doordringen. Deze signalen worden routineus en voortdurend vergeleken met de signalen die opgeslagen zijn in het brein. Als de externe signalen overeenstemmen met de interne signalen (=model van de wereld) dan merkt het subject -laten we zeggen: een grazende koe of een lezende mens- niets van dit proces. Het dier kan gewoon verder gaan met grazen.
Uitsluitend als de externe signalen afwijken van het interne model heeft het organisme een tegenwoordige geest nodig: die moet dan even waakzaam zijn en oordelen of de afwijking misschien betrekking heeft op naderend gevaar: als dat het geval is moet het dier ophouden met grazen en de benen nemen.
Je kunt dit nieuwe, zakelijke (biologische) model het derde stadium van het existentialisme noemen [2]: de eerste existentialisten waren Augustinus, Kierkegaard en Nietzsche; tot de tweede generatie behoorden o.a. Heidegger, Sartre, Marcel, Jaspers (merk op: allemaal zeer evocatieve filosofen: stuk voor stuk uitmuntende schrijvers) [1]; de volgende generatie -het existentialisme 3.0- zal het romantische existentialisme herleiden tot een zakelijke, wetenschappelijke beschrijving van de mens, waarin de nadruk ligt op het feit dat de mens weinig anders is dan een onderdeel (product van) van de natuur; een wandelende tak, met een veel te groot brein, wiens kijk op de werkelijkheid volledig bepaald wordt door zijn natuurlijke gesteldheid. Je bent als organisme ter wereld gekomen, als een onnavolgbaar ingewikkeld systeem van miljoenen samenwerkende minuscule fabriekjes, en je moet er maar op vertrouwen dat al die onderdeeltjes en stofjes en prikkels de komende jaren goed blijven werken. Worden op een goede dag de eiwitjes niet langer linksom gevouwen, dan zul je onherroepelijk dwaas worden.
Ook hoe wij de wereld beschrijven (zien) wordt volledig bepaald door onze natuurlijke gesteldheid. Je ordent je wereldbeeld logisch omdat je een logisch wereldbeeld nodig hebt als gids/recept om te weten hoe je moet handelen. Zou je een onlogisch wereldbeeld hebben, dan zou je de aanwijzingen in het recept niet kunnen uitvoeren. Je kunt met de beste wil van de wereld niet onlogisch handelen.
Als wetenschappers en filosofen de wereld consistent beschrijven, dan laten ze zien dat ze naar de wereld kijken zoals het een wandelende tak betaamt: namelijk alsof we in een terrarium verblijven waarin we te allen tijde moeten kunnen handelen. Vanzelfsprekend: wandelende takken moeten eerst en vooral weten hoe ze moeten wandelen.
Als 'handelende existentie' -wij zijn een biologisch systeem- verblijven wij op aarde. [3]
-----
[1] De eerste en tweede generatie existentialisten waren sterk beïnvloed door het christendom en beslist niet rijp voor het existentialisme 3.0. De gedachte dat de mens niets anders is dan een organisme joeg hen schrik aan (zie: Sartre: Walging, en Nietzsche: "[Het christendom] is toch de beste vorm van leven naar een ideaal die ik heb leren kennen: van kindsbeen af heb ik het nagestreefd en ik geloof dat ik er in mijn hart nooit onverschillig tegenover ben geweest"; om over Augustinus en Kierkegaard maar te zwijgen).
[2] De indeling in een eerste en tweede cohort van existentialisten heb ik uit: Casewell, Deborah, Monotheism and Existentialism, Cambridge, 2022.
[3] Voor nogal wat mensen is dit existentialisme 3.0 onverteerbaar. Het is -zeker als je het vergelijkt met het al dan niet verholen christelijke optimisme van eerdere existentialisten- een soort nihilisme naar de letter. Zo zie ik het echter niet: ik zie dit existentieel naturalisme juist als een uitstekend uitgangspunt voor het bouwen van een optimistische visie. Ons verstand is beperkt en 'voorgevormd' door de natuur, waaruit -volgens ditzelfde verstand- volgt dat in abstracto alles mogelijk is. Wij kunnen immers in dat geval aan de werkelijkheid geen beperkingen opleggen (want ons verstand is ten opzichte van de werkelijkheid beperkt). De uitdrukking 'dit kan onmogelijk waar zijn!' verliest haar betekenis in het domein van de (gehele) werkelijkheid (maar natuurlijk niet in het terrarium waar de wandelende tak resideert).