Wider utsjoch
Zou het denken (...) gepaard gaan met luid geratel en zwaar gestamp, zodat tijdens het denken steeds ons hoofd heftig schudt en de kaken luid klapperen, dan zouden we goed doorhebben dat onze gedachten producten van het brein zijn. Het brein is echter een stil apparaat, dat zijn werk fluisterend verricht. We hebben van z'n denkwerk geen idee. En daarom vinden we het lastig om te geloven dat ons beeld van de wereld wordt bepaald door de werking van deze 'denkmachine'.
donderdag 10 september 2026
Theologische opmerkingen
zaterdag 5 september 2026
Logisch anti-exceptionalisme
In de filosofie van de logica richt het onderzoek zich vooral op de vraag 'hoe kunnen we logische stelsels en wetten rechtvaardigen'?
Je hebt nu -ze zijn in onze eeuw ontstaan- twee 'smaken' of 'stromingen: het exceptionalisme en het anti-exceptionalisme.
Volgens de exceptionalist zijn logische stelsels en wetten fundamenteel. Onze kennis berust op een 'fundament' van logica. Het exceptionalisme maakt het echter moeilijk om de logica te rechtvaardigen, want je kunt haar (i) niet afleiden uit kennis die nóg fundamenteler is (sterkere kennis) en je kunt haar (ii) niet afleiden uit andere vormen van kennis, want die zijn minder fundamenteel (zwakkere kennis). Je kunt logica dus niet empirisch bewijzen: logica laat zich niet 'waar nemen' (bovendien: waarnemen is een cognitieve taak, uitgevoerd door een logisch geordend verstand: het is een circulaire procedure zijn).
De exceptionalist moet daarom op zoek naar 'exceptionele' kennis/inzicht om de logica te rechtvaardigen. De rationalist meent nu dat we 'intuïtief' kunnen weten dat de bewering 'contradicties zijn onmogelijk' waar is; de semanticist denkt dat de waarheid van logische uitdrukkingen semantisch wordt bepaald (voorbeeld: het is onmogelijk dat p waar en onwaar is, want dat volgt uit de betekenis van de woorden 'onmogelijk', 'en', 'waar' en 'onwaar'). De semanticist meent dat logica een matrix is waarin de betekenissen keurig bij elkaar passen (merk op: 'keurig bij elkaar passen' is zelf al een logische notie!).
De anti-exceptionalist vindt dat de exceptionalist de lat te hoog legt. De anti-exceptionalist stelt voor om de logica op te vatten als een 'gewone' wetenschap. Logici zijn wetenschappers die de meest algemene eigenschappen van de werkelijkheid onderzoeken [Williamson, Sher]. Je kunt de verschillende logische stelsels, klassiek en deviant, opvatten als theorieën die de meest algemene kenmerken van de werkelijkheid proberen te verklaren (dat kan 'abductief' en 'predictief'; abductie wil zeggen dat je logische stelsel de wereld begrijpelijk maakt, predictief wil zeggen dat je logische stelsel bepaalde inzichten op betrouwbare wijze afleidt uit aannames (als x het geval is, dan kun je y verwachten)).
De anti-exceptionalist wil de logica in ieder geval bevrijden van haar transcendente, universele karakter. Het beeld dat de werkelijkheid een universele logische structuur heeft, waar later de empirische feiten overheen gedrapeerd zijn, is hem al te 'esoterisch'.
Het naturalisme van Penelope Maddy past goed in dit anti-exceptionele 'sentiment'. Zij meent dat,
"logic is grounded in the structure of our contingent world, our cognitive machinery is tuned by evolutionary pressure to detect that structure where it occurs (Maddy, The Logical Must)" / Lees ook: a plea for natural philosophy: a second philosophy of logic).
Dus: logica is niet de fundamentele, noodzakelijke grondslag van de contingente werkelijkheid, maar -omgekeerd- logica is de structuur die stoelt op de contingente structuur van de werkelijkheid (met andere woorden: logica is niet noodzakelijk, maar contingent). Bovendien merken we de logische structuur alleen op 'where it occurs'. Het voordeel van dit anti-exceptionalisme is dat het beter past bij de evolutie van de mens/verstand. Het exceptionalisme daarentegen is maar lastig te rijmen met darwins gedachtegoed. Want hoe is het inzicht dat wij over buitengewone cognitieve vermogens beschikken die het mogelijk maken om 'zomaar' -op magische wijze- de structuur van de gehele werkelijkheid te doorgronden te rijmen met de evolutie van het verstand?
Het logische gevolg van het anti-exceptionele standpunt is dat we moeten toegeven dat de werkelijkheid niet klassiek geordend is: we hebben daarom een andere logica nodig om de gehele werkelijkheid te beschrijven. Deviante logische stelsels voorzien hier in.
Het probleem is echter dat de werkelijkheid in onze 'cognitieve binnenkamer' wel logisch geordend is (our cognitive machinery is tuned by evolutionary pressure to detect that structure where it occurs). Wij hebben noodzakelijkerwijs vooral oog voor de klassieke structuur van de werkelijkheid.
De verklaring voor onze pre-occupatie met klassieke logica is simpel: ons lichaam is een logisch werkend apparaat en ons verstand heeft zich ontwikkeld om dit apparaat te bedienen. Een lichaam is een object en moet als een object opereren- en het verstand moet al deze operaties op 'objectieve' wijze beurtelings aan- en uitzetten: een andere werking is niet vruchtbaar.
Maddy noemt als belangrijkste contingente eigenschappen die onze logische denkwijze gevormd hebben: (1) een object kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn; (2) twee objecten kunnen niet tegelijk op één plaats zijn; (3) een object dat zich verplaatst beweegt langs één continu traject. De twee formele klassieke wetten geven inderdaad precies dit soort simpele inzichten weer (je lichaam kan niet handeling p én handeling niet-p verrichten; je moet óf handeling p kiezen of handeling niet-p). [Nota bene: natuurlijk heeft de natuur ons niet uitgerust met een formele logica: de formele logische wetten zijn constructies achteraf van pre- of protologische neurale structuren.]
Klassieke logica is in essentie weinig meer dan een soort primitief besturingssysteem. Het is bovendien een systeem dat ons gehele wereldbeeld bepaalt (en ons het zicht op andere mogelijkheden grotendeels ontneemt). De overtuiging dat er één gesloten werkelijkheid is, is één van de krachtigste 'illusies' van dit denksysteem (ironie: zelfs de gedachte dat er 'illusies' en 'waarheden' bestaan is een klassieke constructie).
Ons logische besturingssysteem maakt het lastig, zo niet onmogelijk, om stelselmatig on-logisch (deviant) te redeneren. Greep op een andere werkelijkheid dan die ons voorgespiegeld wordt door ons klassieke verstand zullen wij daarom wel niet krijgen. Maar we kunnen wel een glimp van de wijde, deviant geordende werkelijkheid opvangen door de logische wetten -dit is zelf een klassieke logische operatie- te ontkennen. Een ware contradictie proberen te doorgronden is voor ons klassieke brein al een groot avontuur...
vrijdag 4 september 2026
Het alogon (3.0) [explicatie toegevoegd]
dinsdag 1 september 2026
Schaakmat
Het schaakspel is niet eerlijk: altijd mag een van de twee spelers het eerst een zet doen (meestal is dat de speler die de witte stukken heeft).
Je zou de regels daarom kunnen veranderen. Bijvoorbeeld het invoeren van een 'simultaan-regel': om de twee minuten klinkt er een belletje en dan moeten de spelers gelijktijdig zetten.
Of je zou, ter compensatie, de speler die steeds één zet achterloopt, het recht kunnen geven op een 'twee-zet': hij mag op een willekeurig ogenblik twee zetten achter elkaar doen. Dit maakt het spel voor de wit-speler overigens buitengewoon complex.
Je kunt de twee spelers ook elk het recht op één twee-zet geven: van dit recht mogen ze dan op een willekeurig ogenblik in het spel gebruik maken.
Je kunt de spelers ook uitsluitend twee zetten per keer laten doen (dus: niet omdebeurt één zet, maar omdebeurt twee zetten). En dan begin je als volgt: wit mag eerst één zet doen (=de openingszet) en daarna mag zwart twee zetten doen, wit vervolgens twee zetten, zwart vervolgens twee zetten, enz.
Je kunt ook de loop van de stukken veranderen. Nu mag bijvoorbeeld een loper alle velden schuinwaarts bestrijken, maar je zou dit kunnen beperken tot drie (of vier of vijf). Hetzelfde geldt voor de toren. Of je zou de loper ('de raadsheer') drie velden schuin mogen spelen en dan één veld recht. De lopers zouden dan tenminste niet gebonden zijn aan de kleuren van de velden.
Kortom, de regels van het schaakspel kunnen aangepast worden. Ze zijn niet 'in beton gegoten'.
Onherroepelijk doet zich nu de vraag voor 'wat is het echte schaakspel'? Waarom zouden de oorspronkelijke regels beter zijn dan de nieuwe regels? Waarom wordt de nar -toch een leuke variatie- niet aan het spel toegevoegd?
Wel, omdat het 'klassieke' schaak zich van oudsher een vaste plek veroverd heeft in onze 'geestesgesteldheid' (cultuur). Wie al jarenlang klassiek-schaak speelt, heeft weinig zin om het spel ingrijpend aan te passen. Het betekent dat zijn immense voorraad kennis van het schaak moet worden vertimmerd/verbouwd: miljoenen 'schaak-neuronen', en een groot aantal 'schaak-netwerken', moeten worden weggesneden en worden vervangen door nieuwe neuronen en netwerken.
Het brein van de klassieke grootmeester is vergroeid met -'geworteld in'- het traditionele schaakspel.
Precies dít is een van de redenen waarom jongere mensen oudere mensen 'koppig' vinden: juist omdat oudere breinen beschikken over een enorme voorraad uitgebreide en goed uitgewerkte neurale netwerken, is het vervangen van deze netwerken tenslotte ondoenlijk. Teveel werk: alsof je alle boeken uit een zorgvuldig aangelegde verzameling moet wegdoen (of, erger nog: regel voor regel moet herschrijven!).
Kinderen daarentegen, die nog niet beschikken over een hoofd vol kennis, zullen het narren-schaak gemakkelijk kunnen leren (de nieuwe kennis heeft geen concurrentie van 'oude' kennis). Bovendien zullen ze misschien veel meer plezier beleven aan narren-schaak dan aan klassiek-schaak.
Laten we de bovenstaande inzichten eens vertalen in evolutie-biologische termen: in een niche (maatschappij) waar klassiek schaak de norm is, functioneert het oudere brein goed: het is helemaal aangepast aan de omstandigheden; in een niche (maatschappij) waar het klassiek-schaak verdrongen wordt door narren-schaak, is het leervermogen van een kind onmisbaar: het verstand van de jongere moet nog rijp gemaakt worden voor de niche (maatschappij) waarin zij zich, als ze volwassen is, moet handhaven.
Ik vermoed dat iedereen dit proces wel begrijpt (en in zichzelf werkzaam weet: welke oudere voelt zich nog volledig betrokken en begrepen in de huidige wereld?). Het kost zoveel moeite om een wereldbeeld op te bouwen en je zelf een plaats te verwerven in de wereld. De maatschappij verandert echter, vooral technologische vernieuwingen dwingen tot aanpassing.
Het zou me niet verbazen als de schaakregels over niet al te lange tijd worden aangepast, want de computer heeft het spel inmiddels volledig ontleed. (Er is eigenlijk geen klap meer aan.)
En niet alleen schakers, zelfs wiskundigen maken zich zorgen: want ze vrezen dat AI aanstonds de ene na de andere belangrijke wiskundige rekening zal genereren. Wiskundigen zijn dan overbodig.
Op de dag dat het narren-schaak het klassiek-schaak vervangt, is de klassieke grootmeester 'oud' geworden.
Onwillekeurig gaan mijn gedachten hierbij uit naar de klassieke grootmeesters van de natuurkunde, die moeite hadden met de nieuwe ontwikkelingen in hun vakgebied. Wie een definitie van het begrip 'tragiek' zoekt: het feit dat mensen overbodig worden, niet meer meetellen, terwijl ze in hun eigen tijdsgewricht briljant waren, dát is tragiek.
Is er een spel, een bezigheid, dat nooit zal veranderen en dat blijft gelden in elke maatschappij, zelfs in de verre toekomst? Een 'iets' dat jonge en oude mensen verenigt? Een zaak waar iedereen zich bij betrokken voelt?
Wellicht dat ethische kwesties -onze hang naar rechtvaardigheid- van blijvend belang zijn voor alle mensen, jong en oud. (De filosofe Christine Korsgaard betoogt iets dergelijks).
donderdag 20 augustus 2026
De Steen (versie 1) [2]
“The execution of one action [in C'elegans] at a time is coördinated by specific command neurons that, when activated, initiate one of the possible movements. Importantly, once the command neurons activate, the motor sequence (e.g., for moving forward) happens by itself. It does not need to be centrally directed because it is already wired into the neuromuscular circuitry: it simply has to be released (while all other possible actions are inhibited). The worm’s brain (a condensation of interneurons in the head) just has to ask the motor system to do something; it doesn’t have to tell it how.” [Mitchell, Free Agents, ch.4]
De architectuur van spier- en zenuwweefsel in C.elegans vertoont overeenkomst met het verplaatsen van de steen: de menners hoeven de paarden niet te zeggen hoe ze hun spieren moeten spannen en hun poten schrap moeten zeggen. Het is voldoende als ze de paarden aansporen. Voorwaarde is wel dat de paarden op de juiste wijze worden ingespannen. In de tabel zie je dat het geen zin heeft om de paarden aan te sporen als er sprake is van nul- of tegenwerking.
Hetzelfde geldt voor de spieren en het zenuwweefsel. In de loop van de evolutie hebben de spieren en zenuwen zich functioneel ontwikkeld. In het begin echter, toen de natuur organismen voorzag van spier- en zenuwweefsel, zal de werking van deze weefsels meer geleken hebben op mijn schoolklasje dat een boerenkar probeert te verplaatsen.
Het zenuwweefsel zal niet alle spieren hebben kunnen aan- en uitzetten; en een aantal van de spieren die aangezet werden, zal de verplaatsing hebben tegengewerkt (zie: het werk van Chris Pantin, Fred Keijzer).
Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat zenuw- en spierweefsel uiteindelijk -gradueel, stap voor stap- zo verfijnd en functioneel als in C.elegans zijn gaan samenwerken. Toch is dit evolutionair vrij eenvoudig te verklaren.
We zien aan de tabel dat tegenwerking en nulwerking moeten worden vermeden. Het zenuwweefsel moest de spieren dus bij voorkeur (1) wél aanzetten, maar zo dat (2) tegenwerking werd vermeden. Bij dieren waar dit niet lukte was het bezit van deze weefsel eerder na- dan voordelig: het zijn dure kostgangers, die veel energie nodig hebben. De mutanten die er in slaagden om het spierweefsel te activeren en tegenwerking te verkleinen, hadden een enorm voordeel: ze konden, in een wereld waar beweging (motiliteit) nauwelijks voorkwam, zonder gevaar alle overige organismen naderen en verorberen. Niet voor niets noemt Nick Lane motiliteit een van de belangrijkste biologische 'innovaties'.
Het eerste zenuwweefsel had, gezien het enorme voordeel van motiliteit, een exclusieve functie. We kunnen de logica die deze functionaliteit kenmerkt in een paar regels uitwerken.
Spieren werken optimaal als uitsluitend de meewerkende krachten worden geactiveerd; we leiden nu uit de bovenstaande tabellen af dat:
-je daarom het spierweefsel wel moet activeren (=geen nulwerking), maar
-je moet tegenwerking vermijden (=geen tegenwerking);
In feite zijn dit protologische wetten;
-geen nulwerking kun je noteren als: niet (p noch niet-p);
-geen tegenwerking kun je noteren als: niet (p en ¬p).
Zo heb je de twee formele klassieke wetten afgeleid (want geen nulwerking is natuurlijk de wet van het uitgesloten derde).
Tenslotte is de exclusieve operator een conjunctie van de twee klassieke wetten:
(p v ¬p) & niet (p & ¬p) <=> (p v ¬p) [3].
Ook dit is gemakkelijk te begrijpen:
De disjunctie stelt dat 'ofwel p of niet-p of zowel p als niet-p'. Maar 'geen tegenwerking' verbiedt 'zowel p als niet-p'.
Je houdt dan de exclusieve disjunct over.
(4) De exclusieve disjunctie beschrijft de optimale activering van onze spiergroepen. Wie begrijpt dat je de Drentse steen niet kunt verplaatsen als je paarden niet aanspoort tot trekken en sjorren of als je de paarden tegen elkaar in laat werken, begrijpt ook waarom wij een basale exclusieve denkwijze hebben.
Wij zijn een object en verplaatsen ons als een object, dat wil zeggen op exclusieve wijze. We hebben daar een exclusieve denkwijze bij nodig, anders zouden we ons eigen lichaam niet kunnen bedienen.
Aangezien exclusiviteit een contingente eigenschap is, die slechts betrekking heeft op objecten, is ook onze denkwijze contingent. Onze denkwijze is niet noodzakelijk, niet algemeen en niet universeel. Voorts is het niet lastig om vast te stellen dat de werkelijkheid niet exclusief is (maar dit is een uitstapje in de metafysica dat we hier laten rusten) [3].
Je kunt alle metafysische en bovennatuurlijke verklaring van de logica nu vergeten: het zijn geen magische wetten die de gehele werkelijkheid beschrijven en die door een bovennatuurlijke alwetende persoon zijn gebruikt om de schepping te ordenen. Het zijn praktische wetten die ons helpen om snel en doelmatig van a naar b te lopen.
Onze logische denkwijze is toegesneden op 'handelen': we zijn ethische dieren.
---------
woensdag 19 augustus 2026
De strop om de nek van de ethiek
Religieus licht
zondag 16 augustus 2026
Compleet (versie 1.5)
zondag 2 augustus 2026
Levenskunst
donderdag 30 juli 2026
Gelovig leven
We kiezen het volgende uitgangspunt: we zijn dieren en we hebben een natuurlijke oorsprong (let wel: hiermee is niets gezegd over de metafysische vraag of de natuur eventueel een herkomst heeft).
We weten dat we een verstand hebben dat -in volledige afzondering- probeert de wereld te begrijpen. Het krijgt elektrische en chemische signalen binnen langs de zintuigen en heeft de lastige taak om op grond van deze signalen een 'stafkaart' (model) van de wereld op te stellen. Deze stafkaart is het enige instrument waarover het verstand beschikt om het lichaam veilig langs tal van obstakels te leiden.
Voorts weten we dat het verstand een klassieke logische grondslag heeft: de twee basiswetten bepalen onze denkwijze. Al onze plannen en inzichten zijn consistent en coherent (zo goed en zo kwaad als dit gaat). Vanzelfsprekend is ook onze stafkaart van de wereld consistent. Het verstand vergelijkt voortdurend de waarneming met ons model van de wereld. Zodra het verstand een afwijking opmerkt -dat is een inconsistentie- tussen model en waarneming is het extra alert en probeert het de inconsistentie op te lossen.
Waarom werden consistentie en coherentie zo belangrijk? We weten dat spier- en zenuwweefsel ontstaan zijn in het cambrium (misschien zelfs eerder). Je hebt niets aan spieren als je deze niet kunt coördineren (patterning). De zenuwen moeten het spierweefsel zo prikkelen (patterning) dat deze gericht samenwerken. Laat je dat na dan komt het lichaam -het lichaam is een object, een ding- niet in beweging (en dan heb je geen evolutionair voordeel van spierweefsel). Een lichaam moet tenminste kunnen naderen en wijken.
De rest is natuurkunde. Het zenuwweefsel moet in de spieren één welbepaalde kracht (Fn) opwekken om het lichaam te laten naderen en een welbepaalde kracht (Fw) om het lichaam te laten wijken. Als het zenuwweefsel Fn en Fw gezamenlijk aanzet dan is het lichaam onbestuurbaar. De krachten kunnen alleen doeltreffend zijn als ze exclusief worden aan- en uitgezet. Dit is een eenvoudige rekensom. De fysica van het bewegende lichaam en de biologische noodzaak om doelmatig te bewegen leiden zo tot een zeer eenvoudig brein met twee eerste representaties: een 'pattern' dat 'naderen' representeert en een 'pattern' dat 'wijken' representeert.
De eerste structuur van het zenuwweefsel dient als 'basisstructuur' voor alle andere cognities en representaties waarmee organismen later worden verrijkt. Ook daar is een verklaring voor: zo lang de representaties/functies exclusief (logisch) geordend worden, kan een organisme de nieuwe functies fysiek uitvoeren.
Het hele cognitieve domein -onze percepties, onze redeneringen, onze plannen, onze concepten- is daarom vermoedelijk klassiek. De vraag of een nieuwe functie het vermogen om doeltreffend te handelen al dan niet belemmert is natuurlijk bepalend voor de vraag of een mutatie blijvend is.
Het bovenstaande -in een notendop- is de geschiedenis van ons klassieke verstand. Wij hebben een denksysteem dat gericht is op overleven en voortplanten.
Van de weeromstuit kunnen we niet buiten ons denksysteem om naar de wereld kijken (nogmaals, denk aan de metafoor: de wereld is voor het brein een stafkaart, die opgesteld wordt aan de hand van de eigen denkwijze en concepten en die wordt bijgesteld door de waarneming).
Ons denksysteem is een systeem dat in zichzelf besloten is. We bezien de wereld alsof deze uit objecten bestaat en we ordenen alle zaken alsof het objecten zijn (dit ding hoort bij de rode dingen in dit bakje, dat ding hoort bij de blauwe dingen in dat bakje). Interessant is het werk van ontwikkelingspsychologen: zij hebben vastgesteld dat prelinguistische baby's (niet mijn term) al goed begrijpen hoe objecten zich gedragen. Ze zijn ingesteld/afgesteld op een 'object(ieve) wereld'.
We zitten 'opgesloten' in onze denkwijze. Het is niet anders. Dit is al bedacht door veel filosofen, met name door Sartre en Wittgenstein (die dit elk op hun eigen manier hebben verwoord: we kunnen niet buiten onze taal treden; we kunnen niet buiten ons 'aandachtsveld' stappen). We zijn hoe dan ook beperkt.
Je kunt nu het volgende argument opstellen. Het is -volgens onze eigen klassieke denkwijze- van tweeën één: onze denkwijze is wel of niet volledig.
Veronderstel eens dat onze denkwijze de wereld niet 'uitbeent naar haar eigenlijke structuur': dan is onze denkwijze niet volledig (dit is de meest waarschijnlijke optie gezien ons uitgangspunt: we zijn geëvolueerde dieren).
De wereld zal dan voor ons in twee delen uiteen vallen: de wereld die wel conform onze denkwijze is en de wereld die niet conform onze denkwijze is.
Als onze 'objectieve voorstelling' van de werkelijkheid niet volledig is, dan weet je dat de aspecten van de werkelijkheid die niet conform onze denkwijze zijn, door ons niet worden begrepen. Laten we dit domein dat buiten ons gezichtsveld valt 'domein x' noemen.
(stelling:) We weten wat x niet is, maar we weten niet wat x wel is.
(modale bepaling van de stelling:) We weten wat x niet kan zijn, maar we weten niet wat x mogelijkerwijs wel is.
Hoe groot, vreemd, ingewikkeld, onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk, duister, bizar of absurd kan x mogelijkerwijs zijn? Hoe trekken we de universele grens tussen het het mogelijke en het onmogelijke? We weten het niet.
We kunnen daarom geen beschrijving uitsluiten (niets is te dol, niets is te gek, geen voorstelling is zóó vreemd dat wij voorhands kunnen zeggen: dit is altijd en overal onmogelijk).
Per saldo betekent dit dat de mens géén beschrijving van x kan uitsluiten.
En omdat de mens de maat van alle dingen is (we kunnen niet buiten onze eigen denkwijze om kijken), geldt:
De mens kan te x niets uitsluiten <=> Er kan te x niets worden uitgesloten (*)
Waaruit je dan zondermeer kunt afleiden: het bestaan van God kan onmogelijk worden uitgesloten.
-----
[*]. Het <=> teken staat voor: ... is equivalent aan...
Nazorg: één van mijn lezers wordt niet helemaal goed van deze redenering, want zijn verstand kan de vreemdheid van de werkelijkheid niet bevatten: en dat dát precies de crux van de redenering is kan hij ook al niet bevatten. Wellicht zijn er nog andere lezers die dit ook niet bevatten. Aan hen de volgende raad: dat de wereld vreemd is en dat ons verstand niet 'volledig' is, betekent dat je de vrijheid hebt om op een praktische wijze met de vreemdheid van de werkelijkheid om te gaan. Instrumenteel. Zie je in dat een leven met God uiteindelijk troostrijker is dan een wereld zonder God? Omarm dan de afleiding hierboven. Je kunt echter ook anders doen: de non-existentie van God kan onmogelijk worden uitgesloten. En dit bevestigt dat de werkelijkheid vreemd is. Wat wil je dat ik er tegen doe? Ik ben niet almachtig. Leer er mee leven. Accepteer dat je een beperkt verstand hebt.
Het geloof wordt hier des te interessanter door. Want de vraag waar het geloof om draait verschuift: de vraag of God bestaat staat niet in het midden (want de mens kan het bestaan van God niet ontkennen/uitsluiten), maar de vraag 'wat kies je?' staat nu in het midden. De vraag is of je gelovig wilt zijn en -wel zo indringend!- hoe je gelovig moet zijn. Je beantwoordt de vraag of God bestaat niet theoretisch, maar praktisch, namelijk door een bepaalde praktijk te kiezen (een bepaalde manier van leven).
Het volledige gewicht van de religieuze kwestie komt te liggen op je doen en laten. Dat past goed bij het inzicht dat de mens van nature een ethisch wezen is in een wereld van goed en kwaad. In alle religies wordt de mens bezien als een 'ethisch wezen (dier)' (gelukkig zijn dan vaak de religieuze leiders zo geslepen dat ze zichzelf verrijken en het geloof van hun volgelingen cynisch misbruiken: Marx en Nietzsche hebben een punt. Verwar God daarom niet met de kerk! Kierkegaard zag het geloof als een vehikel voor de eenling: dat is geen domme gedachte.)
Modernisering: de wereld is vreemd en de mens is beperkt. Wie of wat God is wordt niet bepaald door de regels van de fysica, enz. De fysica van tegenwoordig is zo anders dan die van honderd jaar geleden. De epistemologische moeilijkheden zijn groot. De gedachte dat God -de schepper van dit immense, onbegrijpelijke heelal- onbegrijpelijk is zal voor ons zo onwennig niet zijn. We hoeven ons dan ook niet af te vragen hoe God handelt, hoe God 'mee-lijdt', enz. Zolang we inzien dat het bestaan van God, volgens de meest rationele en naturalistische benadering van dit 'vraagstuk' (zie boven) niet kan worden uitgesloten, ervaren we dat de klassieke theologische vragen minder belangrijk zijn. Waar het om draait is welke keuzes je maakt: zie je je leven als een religieuze praktijk?
Je bent van nature een eenling die zelf de verantwoording voor zijn daden (keuzes) -voor zijn doen en laten- draagt. Hoe leid je als eenling een 'leven voor God en voor de mens'? Wat betekent het dat je een ethisch dier bent? Want je existeert altijd als eenling: een mens staat tegenover zichzelf bij het vestigen van een levenspraktijk gestoeld op ethische beginselen. Dát is de kern van een religieus leven, van een gelovige praktijk (=Kierkegaard).