Wider utsjoch
Zou het denken (...) gepaard gaan met luid geratel en zwaar gestamp, zodat tijdens het denken steeds ons hoofd heftig schudt en de kaken luid klapperen, dan zouden we goed doorhebben dat onze gedachten producten van het brein zijn. Het brein is echter een stil apparaat, dat zijn werk fluisterend verricht. We hebben van z'n denkwerk geen idee. En daarom vinden we het lastig om te geloven dat ons beeld van de wereld wordt bepaald door de werking van deze 'denkmachine'.
zaterdag 28 maart 2026
Het parkeervak 2.0
donderdag 12 maart 2026
Gros, Frederic, Wandelen (nieuwe editie)
In de etalage van boekhandel/uitgeverij Bijleveld, gelegen aan het st.Jans Kerkhof hier te Utrecht, zag ik dat het boekje 'Wandelen' van Frederic Gros opnieuw is uitgegeven. Ik moet zeggen dat dat een goede zaak is. Het boekje werd 13 jaar eerder al vertaald en uitgegeven.
'Wandelen' is werkelijk een van de aardigste, meest onderhoudende en meest vermakelijke werkjes over filosofie die ik ken. In korte hoofdstukjes beschrijft Gros de voordelen van het wandelen, een bezigheid die het denken stimuleert, en die de wandelaar, voor de duur van de wandeling althans, los maakt van al zijn verplichtingen en zorgen.
Geweldig ('sieraden') zijn de hoofdstukjes over Nietzsche en Kant. Nietzsche schreef en dacht met de voet, Kant wandelde uit plicht.
'(...) bij Nietzsche is [wandelen] een lofzang op de voet. Hij schrijft niet met de hand alleen. 'Mijn voet is schrijflustig als geen een.' (Gros, Wandelen, editie 2013, p.28)
'De boeken van schrijvers die gevangen zitten tussen muren (...) zijn onverteerbaar en log. (...) Het zijn net ganzen: met citaten vetgemest, met verwijzingen volgepropt, met noten log gemaakt. Ze zijn lijvig, zwaarwichtig en worden langzaam, verveeld en met moeite gelezen. Ze bestaan uit andere boeken, omdat ze zinnen vergelijken met andere zinnen, herhalen wat andere boeken al hebben gezegd over wat nog weer andere boeken verteld hebben./ De man die al wandelend een boek schept, is daarentegen vrij van banden, zijn gedachtegang is geen slaaf van andere boekdelen, niet log geworden door verificaties, niet overladen met gedachten van anderen. Geen rekenschap af hoeven leggen, aan niemand. Slechts denken (...) (idem, p27)
Het is lang geleden dat ik 'Wandelen' heb aangeschaft en gelezen; het is sindsdien één van die boekjes waar je geen afscheid van wilt nemen en dat je graag in een verloren ogenblik uit de kast pakt om er weer een enkele bladzijde in te lezen.
In de nieuwe uitgave zijn illustraties opgenomen -geen idee of deze illustraties mooi zijn, ik moet het, zoals gezegd, stellen met de editie van 2013- en een aantal nieuwe hoofdstukjes. Ik heb het vermoeden dat in ieder geval een paar mensen, net als ik, opgewekt zullen worden door het lezen van dit uiterst onderhoudende en wijze boekje
(De prijs van het boek is 24 euro: dat is niet goedkoop; je kunt eens kijken naar een tweedehands exemplaar op 'boekwinkeltjes' of anders kun je eerst even het exemplaar uit de openbare bibliotheek lenen; als je de editie van 2013 op de kop kunt tikken heeft dat wel een voordeel: het is een klein boekje dat gemakkelijk meekan in de wandeltas; de nieuwe uitgave leek mij groter en (dus) zwaarder; overigens ook te krijgen als ebook).
dinsdag 10 maart 2026
Een stout idee
Filosofen gebruiken tegenwoordig (mondjesmaat) de dialetheïstische logica -of een aanverwant deviant logisch systeem- om te berekenen of je daarmee nieuw licht kunt werpen op oude, 'onoplosbare' filosofische problemen.
Voorbeelden van dergelijk werk zijn Bealls boeken over Jezus en God, waarin hij verdedigt dat God zowel God als mens is.
Het is nu wachten op het werk van de filosoof die verdedigt dat de 'geest' zowel onstoffelijk als stoffelijk is (let wel: bedoeld wordt dat de geest helemaal stoffelijk is en helemaal onstoffelijk).
Kijk eens naar de (enigszins ingewikkelde) wijze waarop Williamson het dualisme karakteriseert in 4 stappen:
(1) alles is ofwel mentaal ofwel fysisch
(2) niets is zowel mentaal als fysisch
(3) sommige dingen zijn mentaal
(4) sommige dingen zijn fysisch
(merk op: premisse 1 en 2 zijn uitwerkingen van de basiswetten van de klassieke logica)
Een dialetheïst zou nu kunnen proberen om met zijn 'gekke logica' premisse (2) te verdedigen.
Stel dat dat lukt: wat is dan het voordeel? Wat is het nut er van om een kwestie die we niet goed doorgronden te presenteren als een contradictie?
In eerste instantie ben je het probleem kwijt dat het dualisme al vanaf de dag dat Descartes dit inzicht verdedigde heeft geplaagd, namelijk hoe lichaam en geest samenwerken: als het mentale samenvalt met het fysische hoef je je het hoofd niet te breken over de vraag hoe ze samenwerken.
In tweede instantie heb je begrijpelijk gemaakt waarom het feit dat wij mentale én fysische wezens zijn voor ons zo lastig te conceptualiseren/begrijpen is: ons verstand heeft, om begrijpelijke instrumentele redenen, een klassieke werking en is dus blind voor bepaalde constructies.
De natuur is slimmer en stoutmoediger dan wij zijn, zo althans hoor je het de mensen -geleerden- wel eens zeggen. Als wij niet in staat zijn om constructies te bedenken die de klassieke logica schenden, wil dit nog niet zeggen dat de natuur dit niet zou kunnen.
Laten we het daar, voor wat betreft dit 'stoute' idee, voorlopig maar bij laten.
------
Beall, J.C., Contradictory Christ, Oxford
Bassford, God and Logic, Cambridge
Williamson, T, De filosofische methode, Bijleveld (p.90)
(voor dialetheïsm: zie Stanford Enc.)
zaterdag 7 maart 2026
Dooremalen & de Regt: Metaforen (2.0)
zondag 1 maart 2026
Over het eten van boerenkool (1.5)
woensdag 18 februari 2026
Voege en geleding
vrijdag 13 februari 2026
Het restaurant van Kant (1.5)
De mens is te gast in zijn eigen brein. We zijn te vergelijken met de clientèle van een restaurant. We krijgen gerechten opgediend die we met smaak (of tegenzin) verorberen.
Het is opvallend dat we uit het gerecht niet kunnen afleiden welke ingrediënten de kok gebruikt heeft. De vis is gefileerd, de groente gesneden en gekleurd met een bijzondere saus; de witte schijfjes (venkel?) zijn knapperig en bestrooid met zwarte korrels (stukjes noot?).
De kok heeft de oorspronkelijke ingrediënten zo sterk bewerkt dat je niet goed weet wat je op je bord hebt liggen.
In de keuken zijn de ingrediënten gewassen, gesneden, gekookt, geweckt, versierd, gemengd en op talloze andere manieren bewerkt.
De gast in het restaurant heeft geen weet van het werk van de kok: dat wil zeggen, hij begrijpt wel dat de kok de ingrediënten sterk bewerkt heeft, maar welke kunsten de chef heeft uitgevoerd kan hij niet bepalen.
Ook van de ingrediënten die de toeleverancier van het restaurant heeft aangeleverd heeft de gast geen benul. Hij krijgt uiteindelijk een gerecht geserveerd waar hij met smaak van kan genieten.
Zo krijgen ook wij een volledig bereid beeld van de wereld voorgezet, waar wij onmiddellijk gebruik van kunnen maken. De ingrediënten die ons gebracht zijn door de zintuigen worden door de 'chef' (=het brein) zo bewerkt dat wij de dingen in ruimte en tijd zien en verbanden en samenhang kunnen herkennen.
De kok heeft de lichtgolven en de geluidsgolven die de ogen en de oren hebben aangevoerd (=de toe-leveranciers) sterk bewerkt. Hij heeft ruimte en tijd toegevoegd, causaliteit, samenhang, opeenvolging, onderscheid, kleur, enz. Het beeld van de wereld (=het gerecht) dat wij uiteindelijk opgediend krijgen is sterk bewerkt en kan daarom onmiddellijk worden genoten (=omgezet in een handeling).
Omdat de oorspronkelijke ingrediënten zo sterk bewerkt zijn door de keuken is het voor ons ondoenlijk om vast te stellen hoe de buitenwereld (=de oorspronkelijke ingrediënten die door het oog en het oor zijn geregistreerd) is. De gast in het restaurant van Kant heeft geen onmiddellijke toegang tot de buitenwereld.
Zo komt Kant dan aan zijn (beroemde) tweedeling tussen de fenomenale wereld (=het beeld van de wereld dat de keuken uiteindelijk aan ons bewustzijn opdient, dat wil zeggen: het gerecht) en de noumenale wereld (=de wereld zoals een 'alziend' oog haar waarneemt: merk op dat wij niet eens kunnen weten wat ons oog 'echt' ziet).
Wij zullen nooit in staat zijn om de wereld te zien anders dan nadat het oog het licht heeft opgevangen en nadat het brein deze visuele signalen bewerkt heeft. De werkelijkheid is eigenlijk een product van vlees en bloed, dat wil zeggen: een product van het oog en het brein.
Uiteraard heb je altijd wijsneuzen die niet geloven dat we te gast zijn in het restaurant van Kant; zij geloven niet dat de chef het menu bepaalt.
Schopenhauer is een voorbeeld van een metafysicus die meende dat we wél tenminste één van de oorspronkelijke ingrediënten uit de buitenwereld onbewerkt op ons bordje krijgen: de WereldWil.
Wetenschappelijk onderzoek echter stelt Kant in het gelijk en Schopenhauer in het ongelijk: alles wat we bewust waarnemen lijkt sterk bewerkt te zijn door de keuken. (Maar Schopenhauer is 'by far' de betere schrijver en dat doet de bekendheid van zijn inzichten goed: ook filosofen willen graag héél beroemd worden en moeten het hebben van reclame).
De idee van Kant -een omwenteling in het denken!, dat is niet te weinig gezegd- dat we te gast zijn in ons eigen brein is niet bezijden de waarheid, integendeel.
------
[1] In het restaurant van Kant is -zoals Roger Scruton opmerkt- het volgende erg merkwaardig: causaliteit is een specialiteit van de chef, maar de zintuigen worden 'causaal' beinvloed door licht en geluid! Het is de vraag of dit wel met elkaar rijmt. (Immers: de chef bewerkt de ingredienten pas nadat ze door de toeleverancier binnen gebracht zijn: causalitiet kan dus niet voordien al 'bereid' worden door de chef.]
vrijdag 30 januari 2026
De ontmoeting tussen Nap en Max
Berlijn is door de geallieerden volledig in de as gelegd: het doel heiligde de middelen (of heiligden de middelen het doel?). Het beroemde operagebouw aan het Unter der Linden is één van de gebouwen die door de explosieve kracht van de bommen stuk geslagen werd. Wie de foto's ziet van de 'Linden', enkele dagen na het beëindigen van de oorlog, kan alleen maar zwijgen.
Het operagebouw is echter later weer opgebouwd (door Poolse arbeiders- het werk is zeer vakkundig uitgevoerd; ze hebben alle historische gebouwen aan Unter der Linden hersteld in oude luister).
Een gebouw kan schijnbaar eerst 'existent' zijn (en 'concreet': echt, aanraakbaar) en daarna 'non-existent' (niet concreet: niet echt, niet aanraakbaar) en daarna weer 'existent', enz. De restauratie van het operagebouw was mogelijk omdat het na de vernietigende bombardementen nog bestond: namelijk als (de oorspronkelijke) bouwtekening: het gebouw was dan weliswaar geen 'concreet existerend object' maar het 'bestond' nog wel: als ontwerp.
Nu kun je de volgende vraag opwerpen: wat is eigenlijk het 'echte' Berlijnse operagebouw: het object dat gebombardeerd is en dat weer is gerestaureerd of het ontwerp van het operagebouw? Wanneer 'bestaat' een gebouw, flat, huis of hut? Waarom is de 'concrete' vorm van het gebouw 'echter' dan het 'ontwerp'?
Dezelfde vraag kun je stellen als het om een muziekstuk gaat. Is Dichterliebe van Schumann een compositie op papier of bestaat de Dichterliebe pas 'echt' als deze ten gehore wordt gebracht? Als je zegt dat Dichterliebe alleen bestaat als deze liederen verklankt worden, dan is het een muziekstuk dat 'echt' kan bestaan -tegelijkertijd- op verschillende plekken in de wereld; soms echter -als geen enkele zanger en pianist het stuk spelen- existeert de Dichterliebe dagenlang niet (immers, wordt de cyclus niet uitgevoerd dan is ze niet 'concreet').
Als je naar een recital gaat -of naar een opname luistert- dan zingt de uitvoerende kunstenaar één lied uit Dichterliebe per keer. Feitelijk betekent dit dat de liedcyclus als deze alleen bestaat zolang de uitvoering duurt, dan existeert ze slechts als een 'kortdurend fragment' en is voor het overige deel non-existent. Je hebt toch intuïtief de indruk dat we de woordjes 'echt' en 'niet echt' hier niet kunnen gebruiken zoals we deze woordjes gebruiken voor gebouwen en schilderijen: je hebt de indruk dat de liedcyclus op papier 'echter' is dan in haar 'concrete' vorm.
Nog verstandiger is het misschien dat je, afgaande op de bovenstaande voorbeelden, inziet dat het woordje 'echt' nogal complex is.
Het boerenverstand (common sense) zit ons in de weg als we spreken over 'echte' en 'niet echte' dingen. We gebruiken het woordje 'echt' in het dagelijkse leven op een tamelijk zorgeloze wijze. Deze zorgeloze wijze is evenwel niet geschikt voor filosofisch gebruik.
Wat is een mogelijkheid: spreek je van een 'mogelijkheid' als deze concreet kan worden (ik kan jouw een pak slaag geven!) of spreek je van een mogelijkheid als we het hebben over een 'idee'/'scenario' (ik kan Napoleon een pak slaag geven).
Filosofen hebben als oplossing voor dit vraagstuk bedacht dat een 'mogelijkheid' 'echt' is als deze 'actueel' is (dit is formeel beschreven in de semantiek van de modale logica). Het ontwerp van het operagebouw is volgens dit modale criterium 'echt': het ontwerp van het operagebouw maakt deel uit van onze 'actuele' wereld. Ik mag het ontwerp van het opera-gebouw daarom opnemen/toelaten in de 'ontologie' van de actuele wereld (immers, de tekeningen liggen ergens in een la of ze staan ergens op een schijf).
Zijn er ook mogelijkheden die ik niet mag toelaten in onze actuele ontologie?Jawel: de mogelijkheid dat Napoleon morgen koningin Maxima bezoekt lijkt geen deel uit te maken van onze actuele wereld. Alhoewel: kan ik geen 'ontwerp','voorstelling' maken van het bezoek dat Napoleon aflegt aan de koningin?
Ik kan best een kort verhaal schrijven -of zelfs laten schrijven, door AI, uiterst gedetailleerd- en zo het 'ontwerp' van dit bezoek actueel maken. Immers, ik maak deel uit van de actuele wereld, en in mijn hoofd beschik ik over het 'ontwerp' van dit bezoek, zodat -ipso facto- het 'ontwerp van het bezoek dat Napoleon aflegt bij de koningin' ook deel uitmaakt van de actuele wereld.
Wellicht vinden we het bezoek van Napoleon als 'ontwerp' niet 'echt' omdat wij -de mensheid- niet over de middelen beschikken om het 'concreet' te maken. We kunnen het ontwerp van het operagebouw wel concreet maken, we kunnen de compositie van Dichterliebe wel concreet maken, maar we kunnen het bezoek van Napoleon niet concreet maken: over die mogelijkheid beschikken we niet (onze techniek schiet hier te kort).
Geleerden zijn bevangen momenteel door de gedachte dat je uit het DNA van een 'dino' weer een volledige 'dino' kunt kweken. Fascinerend! Het DNA van de dino (=het ontwerp) zegt je hoe je alle eiwitten (proteïnen) waaruit de dino bestond moet vouwen en samenvoegen en zo kun je de dino tot leven wekken (een dino -en ook de mens- is immers weinig meer dan een legpuzzel van organische stoffen).
Stel dat we nu weten dat deze techniek, namelijk dat je uit het ontwerp van DNA volledige wezens kunt kweken, over drie-en-zeventig jaar kan worden gebruikt om inderdaad dino's en mensen en ... Napoleon en Maxima te laten 'existeren': mogen we dan nu zeggen dat het ontwerp van de ontmoeting tussen Napoleon en Maxima 'echt' is (omdat het -aanstonds- gerealiseerd kan worden)?
Ik zie zo één twee drie niet in waarom we in dat geval -als de kaarten zo geschud zijn- niet mogen zeggen waarom de beschrijving van de ontmoeting tussen Nap en Max niet 'echt' is.
Hoe kunnen wij ooit uitsluiten dat onze 'ontwerpen' -de zaken die wij kunnen beschrijven of conceptualiseren- en waar wij dus kennis van hebben, 'echt' zijn?
Een dergelijk intellectueel huzarenstuk is alleen mogelijk als je beschikt over universele wetten waarmee je bepaalde mogelijkheden in de werkelijkheid kunt uitsluiten. Eidoch, we beschikken niet eens over het ontwerp -idee, concept- van een welbepaalde universele wet (een welbepaalde universele wet is dus niet actueel: we hebben er -beperkt als we zijn- geen weet van).
------
Voetnoot 1: de bovenstaande tekst is een vorm van 'Meinongisme', dat is de gedachte dat we in de werkelijkheid verschillende 'echte' bestaansvormen kunnen/moeten onderscheiden: het ontwerp is echt en het gebouw van steen is echt en het intentionele gebouw (dat is het gebouw in het hoofd van de architect, toen hij bezig was om het gebouw te ontwerpen) is echt: neuronen, potlood of steen, al deze verschillende bestaansvormen zijn echt, maar ze hebben zo op het oog niets met elkaar gemeen. -Vraag: als het heelal bestaat en een bepaalde vorm heeft, moet er dan ook ergens een ontwerp zijn? Kan iets stoffelijk (steen, hout, marmer) zijn maar geen ontwerp hebben?
Voetnoot 2: als ik een portret van Rembrandt -laten we zeggen: het Joodse Bruidje- door de computer zo goed kan laten naschilderen dat het giclee (zjie-klee) eigenlijk van echt niet te onderscheiden is, dan mag ik zeggen dat ik over een 'echte' Rembrandt beschik. Het origineel is dan niets minder dan het ontwerp van het giclee, zoals de tekening van het operahuis te Berlijn niets minder dan het origineel is van het stenen operahuis.
Voetnoot 3: ik beschik over het ontwerp van een Zelfstandig 'ding'; omdat dit ding Zelfstandig is, kan het zichzelf -per definitie en zonder hulp van mens of buitenaards wezen- manifesteren in de werkelijkheid: maar dan heb ik geen goede reden om dat 'ding' uit te sluiten van de actuele wereld (=modale variant op 'Anselmus'). [Vergelijk: (1) ik beschik over de tekeningen van een antiek schuurtje; ik ben zelf niet in staat om dit schuurtje te bouwen; ik kan echter Polen inhuren om mijn schuurtje te bouwen: dan is het schuurtje dus 'actueel'; (2) variant: ik beschik over het ontwerp van een computer die zichzelf kan programmeren: dan zijn de programma's die de computer kan maken -maar nog niet gemaakt heeft- actueel; (3) variant: ik beschik over het ontwerp van een 'ding' dat zichzelf kan ontwerpen/concretiseren: ik heb geen idee hoe dat ding zichzelf ontwerpt/concretiseert (maar bedenk: ik weet ook niet hoe de computer die zichzelf programmeert werkt) maar ik weet dat het zichzelf kan ontwerpen/concretiseren: dan is dat ding actueel. Eventueel bezwaar: het verschil tussen een gedetailleerde bouwtekening en een definitie is in dit geval significant.
donderdag 29 januari 2026
Antwoord aan JanD
(Beste JanD, in de reacties verwerken de mensen die op dit blog reageren vaak in enkele regels zeer ingewikkelde filosofische concepten. Ik laat dan vaak een antwoord maar achterwege, want het is zoveel werk om recht te doen aan alle termen en vooronderstellingen. Vaak gebruikt men onschuldig lijkende woordjes zoals 'echt', 'mogelijk waar/onwaar' en is men zich er niet van bewust dat achter deze termen een wereld van moeilijkheden schuil gaat. De zaken die jij aan de orde stelt in je laatste reacties zijn hier een goed voorbeeld van. Omdat ik mijn antwoord dit maal niet kort wil houden, plaats ik het antwoord hier, als een klein opstel. Het is te groot voor het reactie-venster. Omdat het in 'uitleg-taal' is geschreven en niet als een dichtgetimmerd filosofisch essay, zal ik deze bijdrage over een paar dagen verwijderen: ik denk echter dat je het dan wel gelezen en -hopelijk- begrepen hebt.)
JanD, je had mij, toen we hier te Utrecht een kopje thee dronken, al eens verteld wat je werk inhield. Ik vind het buitengewoon interessant -en natuurlijk wilden je proefpersonen jouw techniek niet meer kwijt! Tegenwoordig is deze techniek verder ontwikkeld en kunnen mensen hun technische extensies zelfs bedienen met hun 'gedachten' (=brein). Super! Het is buitengewoon zinvol werk.
Filosofische vraagstukken worden helaas niet met techniek opgelost (het zou fijn zijn als dat zou kunnen). Filosofen richten zich op een bepaald vraagstuk en proberen dit op te lossen door nieuwe concepten op te stellen. Zulke nieuwe concepten werpen dan een bepaald licht op de zaak.
Filosofen worstelen al lang met vragen zoals 'wat is existentie', 'wat is 'een wereld'', 'wat is 'echt'', 'wat is een mogelijke wereld', 'wat is het heden', enz. Het antwoord op zulke vragen is bepalend voor je ontologie, voor de vraag of God bestaat, enz enz. Het zijn vaak hondsmoeilijke debatten. Je raakt er maar langzaam echt in thuis. Je moet je eerst alle posities van de filosofen die actief zijn in deze debatten eigen maken. En daarna moet je zien of er voor jouw ideeën een kleine 'niche' is (of is het gras al voor je voeten weggemaaid?). Wat al deze debatten met elkaar gemeen hebben is dat de twee basis-wetten van de logica voor alle deelnemers gelden: wie iets beweert wat niet consistent of coherent is moet zijn inzichten opgeven (of hij moet ze opnieuw optuigen). Voor de rest is vrijwel alles toegestaan.
Volgens Gödel hebben alle filosofische problemen -van technische aard- te maken met de tijd. Vooruit, laten we eens veronderstellen dat hij gelijk heeft. Jouw inzicht dat een andere conceptie van de tijd tot een volstrekt ander wereldbeeld leidt is dan ook goed bedacht. Immers, als je de driedeling tussen heden, verleden en toekomst verdedigt -een voorstelling die jij afwijst- dan heeft dit gevolgen voor je logica omtrent 'mogelijke werelden': heeft de actuele wereld een verleden of is ze beperkt tot het heden? Hoe lang duurt dan dit heden: 3 tellen (ik noem maar wat)? Ontstaat er dan om de 3 tellen een nieuwe wereld?
Dit zijn stuk voor stuk vragen die je moet proberen op te lossen door elke situatie consistent en redelijk (je moet je definities zodanig verdedigen dat deze passen bij onze intuïties) te beschrijven. Stel dat dit lukt (en nee: tot nu toe is dit niemand gelukt- althans niet op een voor iedereen bevredigende manier) dan raak je verstrikt in de volgende reeks vragen: als het heden maar drie tellen duurt (nogmaals: dit is willekeurig) ben ik dan ook onderworpen aan dit 'presentisme'? Maar dan sterf ik in zekere zin om de drie tellen! Bepaalt dan de loop van de tijd wat er bestaat en wat er niet bestaat? En hoe kan een zo algemene toestand als de gehele werkelijkheid (=de actuele wereld) in zijn geheel om de drie tellen verdwijnen en weer opduiken als een volstrekt nieuwe actuele wereld?
Is dit allemaal nog consistent te definiëren? Hoe krijg je alle stukjes van deze metafysische puzzel zo gelegd dat er één plaatje ontstaat?
(Bedenk: als je zulke vragen niet eens kunt definiëren, dan kun je er ook geen wiskunde van maken- en als je er geen wiskunde van kunt maken, dan kun je er geen wetenschap van maken en kom je aan praktisch onderzoek niet toe).
Filosofen proberen allerlei definities en invalshoeken uit om een enigszins consistent beeld van onze wereld te krijgen. Je kunt bijvoorbeeld het begrip bestaan op verschillende manieren definiëren: je maakt een conceptuele scheiding tussen 'existense' en 'subsistence' of tussen 'existence (concrete)' en 'being' (existence is een eigenschap van toestanden die je kunt aanraken, being is een eigenschap van toestanden die een rol spelen in je wereldbeeld: mijn schoolgebouw heeft existence, mijn toekomstige klassen hebben being; in sommige theorieën hebben straatstenen existence en God heeft being- je ziet aan dit voorbeeld hoe filosofen (moeten!) werken).
Een andere mogelijke conceptuele voorstelling is dat je de werkelijkheid beziet als een enorme landkaart van 'toestanden' (denk aan Einsteins voorstelling van het heelal) die één voor één belicht worden: de tijd is dan de factor die steeds van de ene naar de andere toestand springt.
Zo hebben filosofen tientallen (misschien wel honderden) conceptuele voorstellingen opgesteld- en (helaas) geen van deze voorstellingen is consistent. In elke voorstelling is wel een manco aan te wijzen. Wel, dit stemt moedeloos en noopt (sommige) filosofen er toe om te geloven dat de werkelijkheid niet consistent is: als het niet (eens) lukt om een consistent basaal beeld van de werkelijkheid op te stellen, dan mag je uiteindelijk twijfelen aan de vraag of consistentie wel een eigenschap van de werkelijkheid is.
Merk op: ook langs empirische weg lukt het vooralsnog niet om een consistent verhaal over de werkelijkheid op te stellen- erger: in qm zijn we de werkelijkheid zelfs, in zeker zin, kwijtgeraakt (niet mijn woorden, maar die van hedendaagse fysici!)). Ik persoonlijk vind snaartheorie ideaal. Een mooiere verklaring voor de bouw van de werkelijkheid is niet bedacht. Het is een simpele en vernuftige algehele verklaring voor de data. Helaas lijkt het er op dat de werkelijkheid zelf ingewikkelder is dan dit model tot uitdrukking brengt.
Als een schutter keer op keer doel mist, dan zal hij tenslotte toch moeten twijfelen aan zijn wapens: als het vizier niet goed is afgesteld, dan zal hij nooit doel kunnen treffen.
Het vizier van de mens is zijn cognitie: als dat beperkt is of niet goed is afgesteld op de structuur van de werkelijkheid, dan zal het nooit lukken om een kloppend beeld van de werkelijkheid te schetsen.
We moeten dus terug naar de tekentafel: hoe werkt onze cognitie en kunnen we achterhalen of onze cognitie de werkelijkheid juist weergeeft? Als ons verstand de werkelijkheid fundamenteel verkeerd weergeeft, dan is het begrijpelijk dat het ons niet lukt om een consistent verhaal van de werkelijkheid op te stellen.
Het onderzoek naar onze cognitie is begonnen in de jaren veertig (onder andere door het werk van Turing). Het beeld dat de cognitiewetenschappers schetsen van ons 'kenvermogen' is volstrekt anders dan dat filosofen er op na houden. Volgens filosofen zijn de basale logische wetten absoluut geldig: eerder platoonse eeuwige beginselen die universeel gelden dan gewone, nuttige functies van het brein. Zo absoluut zelfs gelden deze wetten, volgens de filosofen (in die dagen), dat zelfs God zich aan deze wetten moet houden.
Cognitiewetenschappers hebben echter een praktische, empirische opvatting van de logische wetten: het zijn geen rationele absolute platoonse beginselen, maar hersenstructuren. Om een of andere reden hebben de hersenen een voorkeur voor een basale logische orde. De vraag is nu waarom dit zo is.
Wetenschappers grijpen dan onmiddellijk naar het meest voor de hand liggen instrument, de evolutionaire verklaring. In de loop der tijd zijn er verschillende evolutionaire verklaringen voor het ontstaan van onze logische denkwijze opgesteld: bijvoorbeeld de 'sociale' hypothese (logisch denken maakt het mogelijk om samen te werken) of de 'cognitieve controle' hypothese (logisch denken ontwikkelde zich toen hominiden hun handen gingen gebruiken om werktuigen te maken: ze moesten gaan plannen/organiseren) of de 'freerider' hypothese (logisch denken hebben we ontwikkeld om bedriegers te ontmaskeren: mensen die meeliften op de arbeid van anderen) of de semantische hypothese (logica is een eigenschap van de taal die we spreken: zonder de twee basale wetten kun je geen 'begrijpelijke' taal construeren), enz.
De algemene opinie is nu dat het rationele standpunt zijn langste tijd gehad heeft. De rationele, Platoons/Leibniziaanse opvatting, die stelt dat de logische wetten absolute beginselen zijn, is momenteel niet in zwang.
De vraag is echter of de verstrekte evolutionaire verklaringen houdbaar zijn. Merk op dat ze allemaal betrekking hebben op de ontwikkeling van hominiden (mensachtigen). Inmiddels weten we echter dat vrijwel alle bewegende dieren zich basaal logisch gedragen: zelfs microben! Je hebt dus twee evolutionaire verklaringen nodig: één om te verklaren hoe de twee basale logische wetten ontstaan zijn -en waarom deze heel onze cognitie én de werking van bewegende lichamen bepalen- en een verklaring voor de overige logische wetten (zoals bijvoorbeeld de wetten van de Morgan en afleidingsregels zoals modus ponens).
Waarom hebben bewegende dieren de neiging om logisch te manoeuvreren? Voordat we deze vraag beantwoorden even een 'beetje techniek': de wet van het uitgesloten derde en de wet van non-contradictie zeggen samen niets anders dan wat de volgende strenge disjunctie uitdrukt: het is OF alpha OF het is niet-alpha (lees: het is het een of het ander: niet beide en niet geen van beide). Een naam voor deze strenge disjunctie is 'de stoïcijnse regel'.
Een bacterie beweegt volgens deze stoïcijnse regel. Deze micro-organismen hebben eiwitten in hun celwand waarmee ze stoffen in de wereld kunnen detecteren. Deze 'zintuigen' hebben een wip-wap werking: ze staan aan of uit. Als er een schadelijke stof wordt geregistreerd waarvan de concentratie zo sterk is dat ze geregistreerd wordt door het 'zintuig' dan gaat deze 'wip-wap' sensor van 'wip' naar 'wap' en dan verandert de draaiïng van de motor: de bacterie gaat achteruit bewegen (of beter gezegd: het organisme gaat 'tuimelen' zoals dat heet). Je hoeft geen logicus te zijn om te begrijpen dat de werking van de wip-wap schakelaar volledig overeenstemt met stoïcijnse regel. Micro-organismen acteren dus al op basale logische wijze!
Je kunt je nu afvragen waarom een micro-organisme geen betere/fijnere zintuigen heeft. Waarom registreert het diertje de wereld als een wip/wap toestand? Is het niet voordeliger om de wereld naar 'waarheid' te interpreteren: als je meet dat de concentratie van de schadelijke stof 69% is (zodat de omgeving voor 31% niet schadelijk is), dan heb je immers een beter -want 'waar'!- beeld van de toestand.
Het lichaam van de bacterie is echter 'solid' (het is een 'ding') en moet als een solid worden bediend. Een vast voorwerp kan niet voor 69% vooruit bewegen en voor 31% achteruit. De ware concentratie van de schadelijke stof is voor het dier, als het wil overleven, niet in adequate handelingen om te zetten. Het heeft betere overlevingskansen als het de wijze waarop het haar wereld (niche) interpreteert herleidt tot een simpele wip/wap toestand: de wereld is wel of niet schadelijk (zodat je wel of niet achteruit gaat bewegen).
Wel, om een lang verhaal kort te maken: dit simpele principe is van toepassing op alle bewegende dieren. Cognitie ontstaat natuurlijk pas als dieren spierweefsel/zenuwweefsel krijgen (dat is in het endacarium en vroege cambrium: een spannende tijd voor de ontwikkeling van het leven op aarde): spierweefsel vereist zenuwweefsel om het te kunnen 'prikkelen'. Je vindt geen spierweefsel zonder zenuwweefsel.
Wel, ook in 'gespierde dieren' gaat de bovenstaande redenering op: het lichaam moet zo georganiseerd worden dat het 'hele handelingen' (=wbm, whole body movement) kan uitvoeren: halve waarheden en dubbele waarheden kunnen niet omgezet worden in handelingen door een 'solid' object (=whole body). Je hebt dus een stoïcijnse logische denkwijze nodig en geen statistische of anderszins fijnzinnige manier om de wereld te interpreteren.
Het absolute fundament van onze denkwijze, waarop al onze overige cognities gebaseerd zijn -als een hoog gebouw dat op een fundament staat-, is daarom een simpele wip/wap regel. Je mag je waarneming, je 'plannen-makerij' (cognitieve controle) en cognitieve voorstellingen nooit en dan ook nooit zo organiseren dat het lichaam het niet kan uitvoeren. En dat doe je door je in alle geledingen te onderwerpen aan onze basale-wip/wap-logica.
Uit deze evolutionaire geschiedenis kun je nu eenvoudig afleiden dat we de wereld vermoedelijk niet gerijmd krijgt omdat ons 'vizier' (onze cognitie) van nature verkeerd staat afgesteld.
Als dit zo is dan zijn de gevolgen enorm: we zijn dan cognitief beperkt en kunnen de werkelijkheid niet naar waarheid in kaart brengen. Hoe we dit probleem moeten oplossen is niet duidelijk- vermoedelijk kan het niet opgelost worden, want we hebben geen tweede verstand om het 'wip/wap'-verstand te corrigeren.
Zoals een micro-organisme eenvoudigweg geen weet kan hebben van de ware concentratie van de schadelijke stof en zich redt met een wip/wap weergave, zo hebben wij ook geen weet van de wijze waarop de werkelijkheid georganiseerd is en redden we ons wel met onze wip/wap weergave (want consistentie is natuurlijk niets minder en niets meer dan een wip/wap organisatie: wij wip/wappen in de wetenschap en we wip/wappen in de filosofie, want zo zijn we gebekt).
De complicaties van de embodied cognition these -ons verstand dient het lichaam, niet de waarheid- zijn enorm. Ik laat ze hier nu verder maar rusten.