Patricia en Paul Churchland hebben een tamelijk eenvoudige kijk op cognitie: alles wat je denkt is te herleiden tot wat de hersenen kunnen denken. Vermoedelijk ben jij niet in staat om het lineair A te lezen- en daar is een goede reden voor: je hebt het lineair A nooit leren schrijven. Het lineair A kwam nooit in je brein terecht.
'Breinologen' hebben modellen ontwikkeld die hen in staat stellen om aan de hand van de bouw en de grootte van een brein af te leiden welke vaardigheden een dier heeft. Als bijvoorbeeld de voorkant van een brein ('prefrontale cortex') niet sterk ontwikkeld is, dan zal een dier niet goed kunnen 'plannen' (organiseren).
In het boek 'an introduction to evolutionary cognitive archeology', van Wynn en Coolidge, wordt het verband tussen vaardigheden en breinen grondig onderzocht. Aan de hand van gevonden schedelresten kunnen deze evolutionair archeologen min of meer afleiden wat voor brein er in een schedel heeft gelegen. Vervolgens zijn ze in staat om de vaardigheden van bijvoorbeeld de eerste mensachtigen in kaart te brengen.
Voor een filosoof is dit natuurlijk uitermate interessant. Het lijkt het inzicht te onderschrijven dat de wereld waarin je leeft -je beeld van de wereld- wordt bepaald door de eigenschappen van het brein. Zonder 'kennis-verwerkende-machine' (brein) is het überhaupt zinloos om te spreken over het bestaan van 'de werkelijkheid'. Dit betekent niet dat de werkelijkheid niet bestaat, maar wel dat het brein bepaalt wat je kan weten van de werkelijkheid. Als nu het brein ons beeld van de werkelijkheid bepaalt, dan is een beeld dat onze kennis overtreft eigenlijk niet mogelijk.
(Vergelijk het met het probleem dat een regisseur heeft als hij een film over de toekomst wil maken: aangezien de toekomstige uitvindingen van de mens nog niet in het brein van de regisseur zitten, kan hij de film niet maken).
Het betekent dat een organisme met een bepaald brein een bepaald beeld van de wereld heeft. Naarmate het brein evolueert, evolueert ook het beeld van de wereld. Je kunt je daarom de volgende uitspraak wel veroorloven: ander brein, andere wereld.
Hoe bijvoorbeeld was de wereld van de eerste bipedale mensachtige?
In zijn wereld kwamen geen virussen, bacteriën, atomen, planeten, sterrenstelsels, irrationele getallen, enz. voor. We kunnen deze lijst met honderdduizenden dingen uitbreiden.
Wil dit zeggen dat irrationele getallen vroeger niet bestonden? Als wij het mogen zeggen, in retrospectief, dan is het antwoord op deze vraag natuurlijk: nee. De irrationele getallen bestonden ook al toen de wereld alleen bezien werd door de ogen van onze verre voorouders. (Maar let wel: niet iedereen zal dit antwoord vanzelfsprekend vinden).
Van de weeromstuit roept dit de vraag op welke zaken wij niet kunnen zien. Welke geheimen en inzichten komen niet in ons wereldbeeld voor? En in hoeverre zijn dit zaken die wij principieel niet kunnen 'zien'? Zaken die ons verstand eenvoudigweg, vanwege de structuur van het brein zelf, niet kan bevatten?
Om daar iets over te kunnen zeggen, moet je de structuur van het brein bestuderen. Ook moet je een model/theorie opstellen van de (vroegste) ontwikkeling van het brein. Wat was de eerste functie van het brein; waarom hadden dieren een brein nodig?
Langzamerhand helt het oordeel van de onderzoekers over naar de overtuiging dat we een brein nodig hadden om ons lichaam te kunnen 'besturen'. Het brein laat de spieren in bepaalde ritmes en patronen (patterning) samentrekken, zodat de spieren het lichaam kunnen verplaatsen (en, in een later stadium, het lichaam verschillende vormen (houdingen) kunnen geven).
Om een ingewikkelde handeling uit te voeren, moet het brein een reeks patronen achter elkaar 'aan- en uit' kunnen zetten, in de juiste volgorde: alleen dan zal een dier het gewenste doel bereiken.
Redeneren kan nu zijn begonnen als een reeks handelingen die door het brein in de juiste 'als-dan' volgorde geplaatst werden (als ik handeling a doe, dan kan ik handeling b doen). Het spreekt voor zich dat dieren die effectief moeten bewegen handelingen in een bepaalde volgorde moeten uitvoeren.
Wie kan handelen moet iig zijn handelingen rangordelijk kunnen schikken. Het einddoel van de handeling staat hoog in de rangorde van handelingen, terwijl een tussenstap lager staat; het einddoel zal een hogere 'waarde' hebben dan een tussenstap.
Bewegen is dan ook pas effectief als je je handelingen rangordelijk -aan de hand van waarden- en in de juiste volgorde kunt 'plaatsen'. Een vogel die eerst een duikvlucht uitvoert en dan pas kijkt of er ook een prooi is, zal geen succesvolle jager zijn.
We hebben, evenals de mus en de krokodil, het brein van een 'beweger'. We hebben altijd gedacht dat we het brein van een 'denker' hadden, een dier dat altijd waarheid van onwaarheid wil scheiden, maar studie opent ons de ogen en leert ons dat wij niet waarheid van onwaarheid scheiden, maar uitvoerbaarheid van onuitvoerbaarheid.
Een ware, doelmatige redenering is in feite een -voor het lichaam- uitvoerbaar plan. Een redenering die niet consistent is, is ook per definitie niet uitvoerbaar: je kunt zelfs je linkerpink niet tegelijkertijd wel en niet krommen. Het brein kan het lichaam niet zo aan-en-uitzetten ('patterning') dat de pink twee 'vormen' (gestrekt en gebogen) kan hebben. Vandaar dat het brein alle plannen die niet consistent zijn bij voorbaat verwerpt.
Ach en dat roept de diepzinnige vraag op hoe een geest, een intellect, dat niet ontworpen is om effectief te bewegen, de wereld ziet...
Of is het onzinnig om je het bestaan van een geest zonder lichaam voor te stellen? Alleen al om vat te krijgen op zulke metafysische vragen is het interessant om ons te verdiepen in het geestesleven van 'transcendente personen': hoe ziet een geest zonder lichaam de werkelijkheid? Kunnen we achterhalen dat een geest zonder lichaam wel/niet kan bestaan?
Het heeft geen zin om ons zelf als voorbeeld te nemen (maar wel als uitgangspunt): de evolutionair archeoloog kan je zeggen dat wij niet alwetend zijn en dat we niet kunnen bepalen wat de bovengrens van cognitie is.
Het is dan ook paradoxaal: naarmate een stel hersenen geleerder wordt, is het des te reëler dat haar beeld van de werkelijkheid, voor wat betreft inhoud en complexiteit, haar eigen voorstellingsvermogen gaat overtreffen (transcendeert). Een brein moet tot een bepaald peil ontwikkeld zijn om te kunnen zien dat de werkelijkheid zelf 'groter' en 'vreemder' is dan zij kan bevatten.
Om het sjiek en plechtig te zeggen: met haar vermogen om haar eigen denkkracht te betwijfelen overtreft het brein zichzelf.
-----
Kennis is niet altijd een stapeling van steeds dezelfde 'goederen': soms is nieuwe kennis kwalitatief beter.
Zijn irrationele getallen niet werkelijk kwalitatief anders dan de natuurlijke getallen?
Is het feit dat het brein in staat is om 'tweede orde gedachten' te ontwikkelen niet kwalitatief anders? (Het brein kan zichzelf tot onderwerp nemen).