zaterdag 28 maart 2026

Het parkeervak 2.0

De grondslag van onze denkwijze is exclusief. Onze 'logica' -de wijze waarop wij onze handelingen organiseren- is die van de 'exclusieve disjunct'.

Je kunt de logica van de exclusieve disjunct begrijpelijk uitleggen aan de hand van voertuigen en parkeervakken:

i. Een voertuig past slechts op één manier -optimaal- in het parkeervak (P)

ii. Uitsluitend als het vak niet bezet is (¬P) kun je een voertuig optimaal in het vak parkeren

iii. Meerdere voertuigen passen niet optimaal in het parkeervak ¬(P & ¬P)

iv. Een voertuig dat dwars of schuin geparkeerd is past niet optimaal in het parkeervak (P noch ¬P)

De exclusieve disjunctie beschrijft het gedrag van objecten; om precies te zijn beschrijft deze logische structuur het 'zeer algemene feit' dat objecten 'gesitueerd' zijn (dat wil zeggen: objecten zijn altijd te vinden op één welbepaalde plek/tijd en in één hoedanigheid). 

Hoe zeer mensen er ook van overtuigd zijn dat ze onstoffelijk zijn, het valt niet te ontkennen dat het lichaam een stoffelijk object is (geloof je dat niet: wacht dan even het ogenblik af dat iemand op je tenen gaat staan). Het lichaam is dus ook gesitueerd. De logica van het parkeervak geldt ook voor het lichaam. Sterker nog, ook voor je handelingen geldt de logica van het parkeervak.

De voorzienigheid van de natuur is wonderbaarlijk: de logica die wij gebruiken voor het beschrijven van de feiten en de toestanden in de wereld gebruiken we ook voor het opstellen van plannen! 

Je kunt gemakkelijk begrijpen dat 'de logica van het parkeervak' dezelfde is als 'de logica van de handeling': er past immers maar één optimale handeling in het lichaam. Je kunt -zegge en schrijven- slechts één doelgerichte handeling per keer uitvoeren (een handeling is een opéénvolgende reeks houdingen).

Je kunt niet twee optimale handelingen in het lichaam bergen; je kunt wel twee of drie deel-handelingen in het lichaam bergen, maar dan is de handeling niet optimaal.

Je ziet dat optimaal of doelgericht handelen noodzakelijkerwijs een exclusieve denkwijze vereist: een optimale handeling kun je wel of niet uitvoeren; een optimale handeling kan niet wel en niet uitgevoerd worden; een optimale handeling kan niet half uitgevoerd worden. 

Stel nu dat je geen exclusieve denkwijze zou hebben: dan zou je handelingen uitvoeren die niet bij de beweegbaarheid van je lichaam passen. De haas die niet exclusief kan denken zal geloven dat hij een haak kan slaan tegelijkertijd naar links en rechts- als de vos hem op de hielen zit zal hij die denkfout met de dood bekopen.

Je kunt gemakkelijk nagaan dat niet alleen de vogels, de eekhoorntjes en de schaapjes, maar ook jij een exclusieve denkwijze hebt. Heb je wel eens geprobeerd om op de step én de fiets naar school te gaan; heb je wel eens geprobeerd om thuis te blijven én op vakantie te gaan; heb je wel eens geprobeerd om op de zolder en in de kelder te slapen? 

Of denk eens aan een dubbele bestuurbare auto: dat is een auto met twee bestuurdersplaatsen, zodat de chauffeur links én de chauffeur rechts de auto optimaal kunnen besturen. Sturen, remmen en gas geven, in deze 'dubbel-auto' kunnen al deze handelingen tegelijkertijd worden uitgevoerd. Wat denk je, zou de dubbel-auto sneller in Zwiggelte zijn dan een gewone auto?

(Denk eens aan een vergroeide tweeling: dat zijn twee mensen die aan elkaar vast zitten: als je gelooft dat twee mensen altijd harder kunnen lopen dan één, probeer je dan eens een hardloop wedstrijd voor te stellen tussen een vergroeide tweeling en Femke Bol: wie zou de wedstrijd winnen denk je? Waarom zou Femke Bol de wedstrijd winnen, ook al loopt ze tegen een lichaam dat over dubbele krachten beschikt?)

Zeker als je opeens je pas moet inhouden -omdat er een fet-baaik over de stoep snelt-, ben je blij dat je lichaam uit zichzelf optimaal (dat wil zeggen: exclusief) handelt.

Het is -als je er bij stil staat- wonderlijk dat wij al onze gedachten op een manier ordenen die precies past bij hoe het lichaam beweegt!

Het lichaam kan niet op twee verschillende manieren handelen, ons verstand kan niet in twee verschillende waarheden geloven. Je kunt niet de berg langs de noord- en de zuidkant afdalen; je kunt niet je buurman zowel groeten als niet groeten; je kunt niet een driehoek zien als een driehoek én als een cirkel (je kunt zelfs de haas niet zien als een eend).

Je zou bijna geloven dat ons verstand en ons lichaam voor elkaar gemaakt zijn- dat iemand diep heeft nagedacht over de 'exclusieve' werking van zowel lichaam als verstand!

Voor gelovige mensen is dit een aantrekkelijk idee. Ze denken dat een Schepper, een bovennatuurlijke persoon, de werkelijkheid heeft bedacht en ontworpen. -Het is echter jammer voor de gelovige, maar de mens -en de hemel en de aarde- zijn niet ontworpen door een schepper. 

Het verstand en het lichaam van de mens zijn in de loop der tijd gewoon zo gegroeid dat ze goed kunnen samenwerken. De natuur heeft daar een eenvoudig systeem voor bedacht, een soort spel met strenge regels. Dieren hebben verschillende eigenschappen; als een eigenschap niet handig uitkomt, dan moet het dier dat deze eigenschap heeft het spel verlaten; de dieren met handige eigenschappen gaan mee naar de volgende ronde; tenslotte blijven de dieren die zeer handige eigenschappen hebben over. 

Een 'exclusieve denkwijze' is een handige eigenschap. Kijk eens naar de volgende tekst; het gaat over een diertje dat een goede speler is geweest in het 'grote evolutie-spel'. Het beschikt over een groot aantal handige eigenschappen; net als de mens heeft dit wormpje een 'exclusief' verstand:

[“The execution of one action at a time is coördinated by specific command neurons that, when activated, initiate one of the possible movements. Importantly, once the command neurons activate, the motor sequence (e.g., for moving forward) happens by itself. It does not need to be centrally directed because it is already wired into the neuromuscular circuitry: it simply has to be released (while all other possible actions are inhibited). The worm’s brain (a condensation of interneurons in the head) just has to ask the motor system to do something; it doesn’t have to tell it how.” [Mitchell, Free Agents, ch.4]].

Waarom zou een exclusieve denkwijze nu zo handig zijn? Sommige filosofen denken dat deze denkwijze handig is omdat de wereld zelf alleen maar uit objecten bestaat. Wie exclusief denkt heeft een verstand dat de hele wereld kan begrijpen: met een exclusief verstand snap je precies dat alleen je linkervoet in je linkerschoen past en dat je een taart eerlijk onder je klasgenoten moet verdelen. Iemand met een exclusieve denkwijze snapt ook dat een mens over het ontstaan van de wereld en over alles wat waar is maar één goed verhaal kan vertellen. De waarheid is altijd exclusief: er past maar één waarheid in het parkeervak.

De meeste biologen denken dat ons verstand exclusief geworden is omdat bewegende dieren effectiever kunnen handelen als ze één handeling per keer uitvoeren (een optimale handeling is effectief). Want als je één handeling per keer uitvoert kun je daar je beide armen, benen, ogen en oren en alle andere functies bij gebruiken. Als je twee dingen tegelijk doet moet je je ene arm gebruiken voor de ene handeling en de andere voor je andere handeling. Je beschikt dan nog maar over de helft van alle werktuigen en gereedschappen waar je lichaam mee is uitgerust. Je handelingen kunnen niet optimaal zijn als je twee of drie handelingen tegelijk uitvoert.  

Vergelijk het eens met een bankrover die op vlucht is voor de politie: zou de bankrover een grotere kans hebben om uit de handen van de agenten te blijven als hij op één been wegrent en het andere been niet gebruikt- of zou hij beter zijn hele lichaam met alles er op en er aan kunnen gebruiken als hij vlucht? Zou jij liever je buik laten opereren door een arts die een partijtje schaak speelt en yoga oefeningen doet terwijl jij -opengesneden- op zijn operatietafel ligt of heb jij liever een arts die alleen maar bezig is met jou?

Wie heeft gelijk: de filosoof of de bioloog? Is een exclusieve denkwijze handig omdat de wereld exclusief is of is ze handig omdat ons lichaam exclusief beweegt?

Als we hier over gaan debatteren, hebben de biologen de beste argumenten [1][2].

De exclusieve denkwijze is ruwweg 500 miljoen jaar geleden ontstaan: al onmiddellijk toen meercellige dieren de beschikking kregen over spierweefsel kregen ze ook de beschikking over zenuwweefsel (spier- en zenuwweefsel vind je niet apart van elkaar: ze komen alleen samen voor). Een exclusieve organisatie van het handelen is echter nóg ouder (!):

[“ (…) when one turns to the basic processes of cognition (…) it is clear that these processes, such as perception, memory, and action are dispersed extremely widely across and even beyond the animal kingdom. It is now even plausibly defended that these exemplar featuresmof cognition are already present in invertebrates, and even bacteria [v.Duijn, 2013]].
 

De eerste dieren met spieren hadden natuurlijk geen idee van de wereld (want hun zenuwweefsel was niet voldoende ontwikkeld, hoe zouden ze dan kunnen weten wat de fundamentele kenmerken van de werkelijkheid zijn). 

Wat er gebeurde was dat een soort dubbel-weefsel, dat aan de buitenkant functioneerde als 'huidweefsel' en aan de binnenkant als 'zenuwweefsel', alle spieren tegelijk kon uit- en aanzetten, zodat de spieren samenwerkten: in de praktijk bleek dit een tamelijk krachtige motor te zijn die het lichaam kon bewegen [Keijzer].

De logica van het parkeervak was onmiddellijk bepalend voor het effect van de 'handelingen' die deze primitieve diertjes konden uitvoeren. Als het zenuwweefsel het spierweefsel optimaal kon uit- en aanzetten, dan konden motiele dieren zichzelf -als een vector- consistent in één richting bewegen: dit stelde hen in staat om zich doelmatig van schadelijke factoren af te bewegen en naar nuttige factoren toe.

Het stelsel van spier- en zenuwweefsel bewees haar diensten dankzij de logische consistentie waarmee het zenuwweefsel het spierweefsel kon bedienen. Later zijn deze dieren verrijkt met 'exclusieve' zintuigen en 'exclusieve' denkbeelden. Ook hier heeft de bioloog een eenvoudige evolutionaire verklaring voor: als de zintuigen en denkbeelden niet exclusief zijn kunnen ze niet samenwerken met het handelende lichaam. Als je denkbeelden zou hebben die niet exclusief zijn dan zou je je handelingen niet exclusief kunnen organiseren: als je denkt dat je buurman een heilige is én een gevaarlijke misdadiger, ga je dan wel of niet bij hem op de thee?

Je weet uit eigen ervaring dat wij een exclusieve indeling van denkbeelden erg belangrijk vinden. Een wiskundige figuur is geen groente en een vogel is geen mobiele telefoon: je mag zulke zaken niet door elkaar halen. Alle dingen horen thuis in de juiste lade en in het juiste vakje. Wie een rommeltje maakt van zijn conceptuele 'huishouding' zal veranderen in een notoire twijfelaar die weinig doelmatig handelt. God behoede de kinderen die niet onaardig willen zijn tegen volwassenen en daarom een gewillig slachtoffer zijn: twijfelen kan schadelijk zijn. Vogeltjes hebben dit wantrouwen al in hun 'lichaam' en het is sterk verknoopt met onze exclusieve handels- en denkwijze:

['disjunctions (...) arise in practice in the form of a choice’ (…) 'A dog will wait at a fork in the road to see which way you are going. If you put crumbs on the window-sill , you can see birds behaving in a manner we should express by 'shall I brave the danger or go hungry?' [Russell, 1995]]. 

Enkele honderden miljoenen jaren later wordt het verstand pas zo groot en slim dat het theorieën kan opstellen over de werkelijkheid. Het zal niemand verbazen dat deze theorieën een exclusieve grondslag hebben: welke andere orde had je verwacht van een verstand dat al miljoenen jaren geschoeid is op een exclusieve leest?

De argumenten van de bioloog worden versterkt door een andere wetenschappelijke theorie: in de kwantummechanica rekent men -het is niet te omzeilen- met deeltjes die op meerdere plaatsen tegelijk zijn. Het is alsof één voertuig tegelijkertijd in veel vakken past. Ze noemen deze toestand een 'superpositie'. Een superpositie is niet exclusief en het zal niemand verbazen dat wij, met ons exclusief georganiseerde verstand, ons geen raad weten met dit anti-exclusieve verschijnsel. Experimenten met grotere 'dingen' dan fotonen bevestigen het anti-exclusieve (deviante) karakter van de werkelijkheid.

Het verbaast de bioloog overigens niet dat fysici uiteindelijk hebben ontdekt dat de wereld deviant is. Als het je wel verbaast dan heb je niet tot je laten doordringen wat het betekent dat mensen biologische dieren zijn met een beperkt, instrumenteel verstand. Je hebt dan niet begrepen wat een 'beperkt verstand' is en wat daar de implicaties van zijn. Hoe kun je nu geloven dat mensen een volkomen, alles-wetend verstand hebben als je begrijpt hoe evolutie werkt?

Ook logici, toch niet de meest verwarde wetenschappers op aarde, geven schoorvoetend toe dat de werkelijkheid deviant is. Als de wereld logisch is, dan zou de verzamelingenleer logisch zijn: maar dat is ze niet (ze kan niet herleid worden: wie dat probeert blijft achter met een contradictie, de zogenaamde Russell-paradox).

De conclusie moet daarom zijn: de werkelijkheid heeft geen exclusieve organisatie; de werkelijkheid is niet klassiek logisch; de werkelijkheid is deviant.

Is dit een inzicht dat onze oude waarden -en ons geloof- definitief aan het wankelen brengt? Ja, wel het geloof van de 'klassieke' wetenschapper. De fysicus die meent dat het mogelijk is om een exclusief 'compleet' verhaal over de werkelijkheid op te stellen zal bedrogen uitkomen. Een volledige consistente & coherente theorie over de werkelijkheid zal nooit opgesteld worden.

Voor de gelovige is dit wereldbeeld juist de bevestiging van het geloof. 

Veel gelovigen vinden het vervelend dat ze worden beschreven door de bioloog als een 'geëvolueerd dier van vleesch en bloed'. Dat begrijp ik niet. De wereld wordt geen haarbreedte minder mysterieus als je van vlees en bloed bent of als je van chocolade bent, of als je van immateriële klei bent, of als je van dibberdabjes gemaakt bent. 

Het lijkt me essentieel dat wij wezens zijn met een verstand dat geschikt is om te handelen- en dat daarom functioneel beperkt is. Exclusief denken is denken om goed/doelmatig te kunnen handelen: daarmee is de belangrijkste, beslissende stap op weg naar een ethische leefwijze gezet. Is dat niet in overeenstemming met de religieuze levensvisies: is goed doen en goed handelen en een goed mens worden niet de grondslag van vrijwel iedere religie? Wat kan er sterker in overeenstemming zijn met een christelijke levensvisie dan het inzicht dat wij in denken en doen 'ethische dieren' zijn?

Wij kunnen bovendien weten dat God deel uitmaakt van de werkelijkheid. Als onze exclusieve denkwijze beperkt is, dan is de werkelijkheid niet exclusief maar deviant. God is -anders gezegd- per definitie geen onderwerp waar we over kunnen spreken in louter exclusieve termen.

Als de werkelijkheid deviant is en als God deviant is dan maakt hij deel uit van de werkelijkheid. Sterker, hij moet er wel deel van uitmaken, want je kunt eenvoudigweg in het deviante domein 'de aanwezigheid' van God niet uitsluiten (dat is voor ons absoluut onmogelijk; in een werkelijkheid die niet exclusief geordend is kun je niet exclusief opereren).

Kortom, wie gelovig is ziet zijn wereldbeeld vooral bevestigd worden door wetenschappelijk onderzoek; wie -streng- naturalistisch is, ziet zijn wereldbeeld vooral ontkend worden door wetenschappelijk onderzoek.

Literatuur:
-v. Duijn, Keijzer, Lyon (2013) "What nervous systems do (...)".
-Keijzer, (2015) "Moving and sensing without input and output...". 
------
[1] Je zou kunnen zeggen: het doet er niet toe of dieren wel of geen inzicht hebben in de bouw van de wereld: als de bouw van de wereld klassiek is, dan moeten ook deze dieren wel een verstand met een klassieke organisatie ontwikkelen. Dat is juist. Dit argument veronderstelt echter -als premisse- dat de wereld klassiek geordend is. Maar daar zijn geen aanwijzingen voor: er zijn geen 'logische deeltjes', geen 'logische krachten' en zelfs geen 'aanwijsbare logische feiten'. Logische verbanden worden door ons toegeschreven aan de werkelijkheid.

[2] Stel dat de wereld tóch bestaat uit objecten en object-eigenschappen. Dan is het merkwaardig dat slechts twee van deze object-eigenschappen de grondslag van ons denken gevormd hebben. Waarom zou dat zo zijn? Waarom zijn slechts de twee object-eigenschappen die bepalend zijn voor effectief handelen de bepalende object-eigenschappen geworden van onze denkwijze? Waarom is bijvoorbeeld object permanentie (het inzicht dat als a achter b staat dat a dan niet verdwenen is) geen logische wet. Waarom zijn de mechanische wetten uit de klassieke fysica geen logische wetten? Waarom is het inzicht dat een object 'streeft naar rust' volgens ons 'logischer' dan het inzicht dat een object -als het niet geremd wordt- zijn beweging behoudt? -Kortom, waarom zijn uit de royale voorraad aan wetten en regels die betrekking hebben op objecten en het gedrag van objecten slechts de twee gekozen die overeenstemmen met de doelmatigheid -de grondslagen- van het handelen? 

donderdag 12 maart 2026

Gros, Frederic, Wandelen (nieuwe editie)

In de etalage van boekhandel/uitgeverij Bijleveld, gelegen aan het st.Jans Kerkhof hier te Utrecht, zag ik dat het boekje 'Wandelen' van Frederic Gros opnieuw is uitgegeven. Ik moet zeggen dat dat een goede zaak is. Het boekje werd 13 jaar eerder al vertaald en uitgegeven. 

'Wandelen' is werkelijk een van de aardigste, meest onderhoudende en meest vermakelijke werkjes over filosofie die ik ken. In korte hoofdstukjes beschrijft Gros de voordelen van het wandelen, een bezigheid die het denken stimuleert, en die de wandelaar, voor de duur van de wandeling althans, los maakt van al zijn verplichtingen en zorgen.

Geweldig ('sieraden') zijn de hoofdstukjes over Nietzsche en Kant. Nietzsche schreef en dacht met de voet, Kant wandelde uit plicht.

'(...) bij Nietzsche is [wandelen] een lofzang op de voet. Hij schrijft niet met de hand alleen. 'Mijn voet is schrijflustig als geen een.' (Gros, Wandelen, editie 2013, p.28)

'De boeken van schrijvers die gevangen zitten tussen muren (...) zijn onverteerbaar en log. (...) Het zijn net ganzen: met citaten vetgemest, met verwijzingen volgepropt, met noten log gemaakt. Ze zijn lijvig, zwaarwichtig en worden langzaam, verveeld en met moeite gelezen. Ze bestaan uit andere boeken, omdat ze zinnen vergelijken met andere zinnen, herhalen wat andere boeken al hebben gezegd over wat nog weer andere boeken verteld hebben./ De man die al wandelend een boek schept, is daarentegen vrij van banden, zijn gedachtegang is geen slaaf van andere boekdelen, niet log geworden door verificaties, niet overladen met gedachten van anderen. Geen rekenschap af hoeven leggen, aan niemand. Slechts denken (...) (idem, p27)

Het is lang geleden dat ik 'Wandelen' heb aangeschaft en gelezen; het is sindsdien één van die boekjes waar je geen afscheid van wilt nemen en dat je graag in een verloren ogenblik uit de kast pakt om er weer een enkele bladzijde in te lezen.

In de nieuwe uitgave zijn illustraties opgenomen -geen idee of deze illustraties mooi zijn, ik moet het, zoals gezegd, stellen met de editie van 2013- en een aantal nieuwe hoofdstukjes. Ik heb het vermoeden dat in ieder geval een paar mensen, net als ik, opgewekt zullen worden door het lezen van dit uiterst onderhoudende en wijze boekje 

(De prijs van het boek is 24 euro: dat is niet goedkoop; je kunt eens kijken naar een tweedehands exemplaar op 'boekwinkeltjes' of anders kun je eerst even het exemplaar uit de openbare bibliotheek lenen; als je de editie van 2013 op de kop kunt tikken heeft dat wel een voordeel: het is een klein boekje dat gemakkelijk meekan in de wandeltas; de nieuwe uitgave leek mij groter en (dus) zwaarder; overigens ook te krijgen als ebook).

dinsdag 10 maart 2026

Een stout idee

Filosofen gebruiken tegenwoordig (mondjesmaat) de dialetheïstische logica -of een aanverwant deviant logisch systeem- om te berekenen of je daarmee nieuw licht kunt werpen op oude, 'onoplosbare' filosofische problemen. 

Voorbeelden van dergelijk werk zijn Bealls boeken over Jezus en God, waarin hij verdedigt dat God zowel God als mens is.

Het is nu wachten op het werk van de filosoof die verdedigt dat de 'geest' zowel onstoffelijk als stoffelijk is (let wel: bedoeld wordt dat de geest helemaal stoffelijk is en helemaal onstoffelijk). 

Kijk eens naar de (enigszins ingewikkelde) wijze waarop Williamson het dualisme karakteriseert in 4 stappen:

(1) alles is ofwel mentaal ofwel fysisch

(2) niets is zowel mentaal als fysisch

(3) sommige dingen zijn mentaal

(4) sommige dingen zijn fysisch

(merk op: premisse 1 en 2 zijn uitwerkingen van de basiswetten van de klassieke logica)

Een dialetheïst zou nu kunnen proberen om met zijn 'gekke logica' premisse (2) te verdedigen.

Stel dat dat lukt: wat is dan het voordeel? Wat is het nut er van om een kwestie die we niet goed doorgronden te presenteren als een contradictie?

In eerste instantie ben je het probleem kwijt dat het dualisme al vanaf de dag dat Descartes dit inzicht verdedigde heeft geplaagd, namelijk hoe lichaam en geest samenwerken: als het mentale samenvalt met het fysische hoef je je het hoofd niet te breken over de vraag hoe ze samenwerken. 

In tweede instantie heb je begrijpelijk gemaakt waarom het feit dat wij mentale én fysische wezens zijn voor ons zo lastig te conceptualiseren/begrijpen is: ons verstand heeft, om begrijpelijke instrumentele redenen, een klassieke werking en is dus blind voor bepaalde constructies.

De natuur is slimmer en stoutmoediger dan wij zijn, zo althans hoor je het de mensen -geleerden- wel eens zeggen. Als wij niet in staat zijn om constructies te bedenken die de klassieke logica schenden, wil dit nog niet zeggen dat de natuur dit niet zou kunnen. 

Laten we het daar, voor wat betreft dit 'stoute' idee, voorlopig maar bij laten.

------

Beall, J.C., Contradictory Christ, Oxford

Bassford, God and Logic, Cambridge

Williamson, T, De filosofische methode, Bijleveld (p.90)

(voor dialetheïsm: zie Stanford Enc.)

zaterdag 7 maart 2026

Dooremalen & de Regt: Metaforen (2.0)

De boeken van Dooremalen en de Regt zijn uitstekend leesbaar. Ze schreven eerder 'Het Snapgevoel' en 'Wat een onzin!'. Ze hebben in ons schoolboek "Durf te Denken" het hoofdstuk geschreven over kennisleer, dat -dit geldt ook voor het hoofdstuk 'Wetenschapsfilosofie', geschreven door Maarten Boudry- het predikaat 'uitmuntend' verdient (een schoolboek moet beoordeeld worden in eenheden die het schoolwezen eigen is). 

Ik zou het persoonlijk geen bezwaar vinden als Dooremalen & de Regt elke maand een boek publiceren. Het heeft nu tamelijk lang geduurd voordat ze weer een boek voor een wat groter publiek schreven. 

D&R (vanaf nu DR, alsof het één auteur is) zijn aanhangers van een stroming die ze zelf aanduiden met de term 'genaturaliseerde epistemologie' (persoonlijk vind ik 'naturalisme' of 'natuurlijke kennisleer' wat eleganter/lichtvoetiger klinken). Naturalisten zijn filosofen die vinden dat met name wetenschap de leverancier is van betrouwbare kennis. De taak van de filosofie is om de vragen die (nog) niet wetenschappelijk 'behandeld' zijn zo te ontleden en beschrijven dat deze in principe passen bij het grote wetenschappelijke verhaal. Zo is het, gegeven het 'wetenschappelijk verhaal', onwaarschijnlijk dat de mens een onstoffelijke geest heeft. De naturalist beschrijft de geest daarom als een product van het brein.

In zijn nieuwe boek analyseert DR ons taalgebruik, met name de wijze waarop wij 'in metaforen denken'. Volgens DR heeft de mens sterk de neiging om haar gedachten te verrijken met metaforen en vergelijkingen, maar is zij zich hier niet bewust van (ze verwijzen voor hun inzichten over metaforen naar het werk van Lakoff en Johnsen). 

Het verschil tussen een metafoor en een vergelijking is subtiel. 'Tijd is geld' (tijd = geld) is een metafoor, 'tijd is als geld' is een vergelijking (analogie). 

Het probleem is nu dat metaforen altijd onwaar zijn. Immers, het is onjuist dat tijd geld is? Nooit staat er op een prijskaartje 'dit boek kost 24,99 minuten' (alhoewel mensen voor een misstap betalen met hun vrijheid/levensduur). 

Wat moeten we nu aanvangen met metaforen? We willen enerzijds niet aan onwaarheden geloven, anderzijds geven metaforen ons nieuwe inzichten. DR pleit voor het volgende: we moeten begrijpen dat metaforen, net als vuurwerk, met inzicht, overleg en beleid moeten worden gebruikt. Je moet je niet laten meeslepen door een metafoor. Het gevaar van metaforen is dat we vaak niet doorhebben dat we een metafoor gebruiken.

Wie bijvoorbeeld hoort dat Rusland een schurk is, krijgt onwillekeurig (dat is niet ondenkbaar) een afkeer van elke Rus (logisch, want Rusland is een schurk). Maar weet je eenmaal dat 'Rusland = een schurk' een metafoor is -en dus een inzicht dat onjuist is-, dan zul je kunnen voorkomen dat je elke Rus voor een schurk houdt. Wie de metafoor 'ontmaskert/ontleedt' ziet in dat Rusland geen schurk is, maar een land, waarin tal van mensen wonen, die meestal Russisch spreken en schrijven; dit Russische volk heeft bovendien goede schrijvers en musici voortgebracht en klassieke dans wordt er nog zeer gewaardeerd... bovendien zijn 'gangster-rap' en 'hip-hop' geen 'muziek-stijlen' die uit Rusland komen en dat pleit sterk voor dit volk. "Rusland = een minnaar van klassieke kunst". Helaas worden de Russen geplaagd door een leider die niet vredelievend is. Het is echter misplaatst om elke bewoner van het land te bejegenen als een schurk.

Om ons te laten inzien dat metaforen strikt genomen geen 'kennis' zijn, is DR genoodzaakt om eerst uit te leggen hoe het denken in metaforen ons sterk in de greep heeft, wat kennis is, hoe onware metaforen ons denken (toch) verrijken en alle zaken die verder voor een goed begrip van de materie noodzakelijk zijn. 

DR verstrekt ons onder andere een simpel model om metaforen te analyseren. Een metafoor identificeert een bepaalde 'bron' met een 'doel' (je identificeert het concept 'schurk' met 'land', het concept 'tijd' met 'geld', het concept 'computer' met 'brein'). 

Als we deze noodzakelijke en nuttige (onderhoudende) studie hebben voltooid, komen we toe aan de hoofdvraag van dit boek: is het brein identiek aan een computer? DR geeft een subtiel antwoord op deze vraag. In ieder geval is het brein geen klassieke seriële computer. Wellicht is het brein te vergelijken met een netwerk (maar ook dan is het verstandig om oog te hebben voor de verschillen).

In de Trouw werd dit boek nogal zuinigjes besproken. Ik vind dat onterecht. DR zegt ons dat we moeten weten dat de manier waarop wij spreken -op straat, in de krant, op de radio en op de buis- doordrenkt is met metaforen en dat deze valse voorstellingen een sterke uitwerking (kunnen) hebben op ons gemoed en -dus- op ons gedrag. 

Alhoewel DR het belang van metaforen met voldoende voorbeelden illustreert, had hij zijn inzicht misschien -voor een betere reclame van het boek- met wat meer retoriek over het voetlicht kunnen brengen. Ik vrees dat het belang van de boodschap nu voor de lezer niet voldoende 'leeft'. Wellicht had hij een klein hoofdstukje kunnen invoegen waarin het 'drama' sterker belicht wordt: denk aan een evocatie over de talrijke metaforen die een akelige rol gespeeld hebben in de geschiedenis bij opstanden en moordpartijen. -Een keurige analytische analyse is voor nogal wat mensen eenvoudigweg te droog (analytische filosofie = droog beschuit). 

Het boek is voorbeeldig geschreven, dat kun je zeker overlaten aan DR, dat is zijn huisstijl. Z'n betoog is ook overtuigend. Nergens verworden de stappen opeens tot onnavolgbare 'sprongen'.

[Ik heb alleen wat moeite met de redenering die aannemelijk moet maken dat de mens van nature een dualist is (een persoon die gelooft dat zij een onstoffelijke geest heeft). Je vindt deze redenering in hfd 10. Ze gaat als volgt. We onthouden uitzonderingen in de regel goed. Normaal gesproken heeft een persoon een lichaam. Personen zonder lichamen zijn opvallend. Verhalen over personen zonder lichaam maken op ons dan ook meer indruk dan verhalen over personen met een lichaam. Fysische objecten -lichamen- hebben bovendien geen bedoelingen, terwijl mensen wel bedoelingen hebben. We ontwikkelden zo het idee dat een geest iets anders is dan een lichaam. Ik geloof deze redenering niet. Zoals gebruikelijk bij evolutionair psychologen -DR ging hier te rade bij Boyer, dat is een evolutionair psycholoog- is dit een kenmerkend voorbeeld uit de voorraad tamelijk gekunstelde verklaringen die evolutionair psychologen hebben verstrekt voor onze overtuigingen (denk aan evo-psych. verklaringen voor het geloof in goden).] [1]

Aan het slot van het een na laatste hoofdstuk levert DR kritiek op 4E cognitie. Jammer genoeg is deze kritiek fragmentarisch. Wat mij betreft smaakt dit naar meer. Ik zou het niet erg vinden als zijn volgende boek -en mag het dan komende maand verschijnen- de grondige wijsgerige analyse van 4E als onderwerp heeft.

Voor liefhebbers van analytische filosofie kan dit boek niet voldoende aangeprezen worden. Het kreeg nogal weinig aandacht, voor zover ik heb kunnen zien: dat vind ik zonde. DR is een uitstekende leraar. Je kunt je nauwelijks een betere wensen. Het moet voor studenten heerlijk zijn om zo'n bekwame 'uitlegger' te hebben. Gelukkig hebben wij, die niet bij hem studeren, zijn boeken. 

Dooremalen & de Regt. METAFOREN, die ons het bos insturen, Noordboek, 2025.
----------------------
[1] Ik beschik uiteraard niet over een beter voorstel; ik heb echter wel een ander voorstel: wij beleven de wereld nu eenmaal als een 'geestelijk ding': en dus is het 'fenomenaal' overtuigend dat wij 'geestelijke wezens' zijn.

Voor de wijze waarop wij spreken over transcendente 'dingen' hoeft, vermoed ik, ook geen ingewikkelde verklaring opgesteld te worden. Wij vallen noodgedwongen terug op concepten die binnen onze belevingswereld vallen. Veel verder dan 'God is het gans andere' of God is een 'iets met strijdige eigenschappen' reikt onze woordenschat/voorraad concepten niet. Merk op: je zoekt toch ook niet naar een evolutionaire psychologische verklaring voor het feit dat kunstenaars alleen die zaken schilderen die 'schilderbaar' zijn.

zondag 1 maart 2026

Over het eten van boerenkool (1.5)

Pedagogen, onderwijsonderzoekers en schoolleiders zijn blind voor de eigenlijke kwaliteit van de leraar. Ze kunnen goed zien of het in het lokaal van een leraar gezellig is en of de leraar kan voorkomen dat leerlingen elkaar een oog uitsteken, maar ze hebben geen idee of een natuurkundeleraar de moeilijkheden en finesses van de natuurkunde op aansprekende wijze kan overdragen op de leerling. Eigenlijk is het nog erger: ze leggen nauwelijks of geen belangstelling voor het vak dat onderwezen wordt aan de dag.

De meeste leiders op een school laten met de voeten zien dat hun belangstelling voor de inhoud van schoolvakken afgenomen is. Een docent immers die besluit dat zij voortaan 'leraren wil besturen', en zich liever buigt over beleidszaken dan vakinhoudelijke vraagstukken, geeft te kennen dat haar ambities elders liggen- dit zou op zich al een waarschuwing moeten zijn aan alle leraren die juist wél geloven in de waarde en schoonheid van hun vak. Voor de leraar die in het ambt blijft maakt het een wezenlijk verschil of je de leerlingen iets leert over het nut van ethiek, de wonderlijke eigenschappen van kleine deeltjes, de intelligentie (!) van micro-organismen of het lakken van nagels.

Voor de pedagoog, de onderwijsonderzoeker en de schoolleider is het echter allemaal één pak nat. Zoals de berichten in de krant van gisteren voor de magnaat van evenveel waarde zijn als de berichten in de krant van verleden week en die van morgen -zolang de krant maar verschijnt-, zo zijn alle lessen voor de pedagoog, de onderwijsonderzoeker en de bestuurder van evenweinig waarde. Zij letten slechts op de vorm van de lessen -sta eens links van het bord en niet rechts; begin eens met een opdracht en geef daarna uitleg- maar ze hebben voor de inhoud van de lessen weinig belangstelling. Zelfs wordt de inhoud van de les als onbelangrijk weggewuifd: hoe slim de leraar met haar voorbeelden impliciet het belang van wiskunde aan het schoolkind brengt telt niet mee bij haar beoordeling (we hebben het hier over een onderwijsinstelling: het vakmanschap van de leraar doet in het onderwijs niet ter zake, zij wordt slechts beoordeeld op het beredderen van de klas en het produceren van rapportcijfers; de inhoud van de lessen glipt schoolleiders door de vingers, ze zullen er geen greep op krijgen en weten geen andere oplossing dan er hun ogen voor te sluiten).

Alle prachtige voorbeelden en de goed doordachte, kleine stapjes waarmee de leraar aan haar leerlingen de wiskundesom uitlegt -een goede wiskundeleraar is goud waard- worden eenvoudigweg niet gezien. Hoe kan de gymleraar, die schoolleider geworden is, weten wat de wiskundeleraar presteert? De wiskundeleraar had zich de moeite om te zoeken naar een nóg betere uitleg evengoed kunnen besparen. Wie ziet haar waarde, wie ziet hoe zij werkelijk excelleert? De leerlingen niet; de schoolleider niet. De enige waardering die zij voor haar vakbekwaamheid krijgt is een doof oor en een extra vergadering over de vraag of het misschien pedagogisch beter is om de stoeltjes en tafeltjes aan het plafond te monteren (wellicht dat in opdekop lesgeven een aansprekende nieuwe onderwijsmethode schuilt: meer haarlemmer pedagogiek in nieuwe flesjes). 

Ook krijgt zij extra grote klassen -want het geld voor kleine klassen wordt uitgegeven aan andere zaken, Joost mag weten waar het blijft- zodat de kans dat haar uitleg verloren gaat in het gekrakeel van leerlingen die het vermogen om te luisteren eenvoudigweg niet bezitten nogal groot is. Al het werk van pedagogen ten spijt, sommige leerlingen zijn in een groep eenvoudigweg zo onbruikbaar als een glazen nagel in een staalconstructie. De leraar moet zich niets op de mouw laten spelden: geen ploeg wordt kampioen met spelers die graag zo nu en dan een eigen doelpunt maken. Het is al even onzinnig om te eisen dat een leraar ieder kind moet onderwijzen als vorderen dat elk kind boerenkool moet lusten.

Waarom zou je leraar willen zijn in een organisatie die inmiddels zo sterk gericht is op slechts de vorm, dat de eigenlijke waarde van de leraar, het vermogen om vakkundig - dat wil zeggen goed en begrijpelijk uitleggen, de stof zo schikken en presenteren dat deze beklijft en misschien zelfs 'ontvlamt'- niet meer wordt opgemerkt. De school is een systeem geworden dat onverschillig staat tegen alles wat buiten haar bestuurlijke greep valt. De eigenlijke waarde van de leraar, zijn kennis en begrip van het vak dat hij onderwijst, is de sluitpost geworden in het onderwijs. Hoe zou je in een dergelijke stal, waar ieders intellect langzaam tot ambtelijke volgzaamheid wordt omgevormd, leerlingen aan het lezen krijgen en leraren kunnen drijven naar betere prestaties en groter plezier in het werk...? 

Wat is de waarde van de leraar als je stelselmatig haar eigenlijke deugdelijkheid niet wenst te zien?

----
Toegift: Zou ik een 'ideale' school mogen organiseren, dan zou ik dokteren op een manier om de beste docenten te verzamelen. Wellicht dat ik excellente docenten zou kunnen lokken met het vooruitzicht dat ze niet nodeloos hoeven te vergaderen- en wellicht verdienen ze een goede beloning. Ik zou schoolleiders de taak geven om de leraren de pedagogische zorg voor onmogelijke leerlingen uit handen te nemen: dat is geen taak waar excellente docenten hun tijd aan moeten verspillen. Excellente docenten moeten met hun vak bezig zijn en met de vraag hoe ze hun gereedschapskist kunnen vullen met voorbeelden en tal van andere middelen om kwesties goed en aansprekend over te brengen. Een goede methode daartoe is door goede leraren te verplichten om van elkaar te leren: ga veel bij elkaar kijken en 'steel' van elkaar het goede en 'vermijd' de fouten die de ander maakt, zodat je snel fouten afleert en deugden aanleert. Spreek met elkaar: over de leerling én veel ook over het vak, over de vraag hoe je een lastige integraalsom ook begrijpelijk kunt maken voor de welwillende, maar weifelende leerling.

woensdag 18 februari 2026

Voege en geleding

✍︎ Ouderwets taalgebruik heeft zo haar voordelen. 

In het Engels zegt men: "logic/rationality carves nature at her joints". 

Deze wijze van zeggen komt uit het Grieks. Plato schrijft: wij willen de natuur indelen naar het voorbeeld van een goede slager, die niet de beenderen van het slachtdier breekt, maar met zijn mes keurig de geledingen van het lichaam volgt.

Een Nederlander zou, het oorspronkelijke voorbeeld van Plato indachtig, dit als volgt kunnen zeggen: 'ons verstand moet het lichaam van de werkelijkheid analyseren naar haar natuurlijke geleding'.

Ons verstand (Kant zou zeggen: onze rede) stoelt op de twee grondwetten van de logica en kan niet anders dan de werkelijkheid in die 'voege' analyseren. 

Omdat de voege van het denken bepaalt hoe wij de wereld ontleden, hebben wij de overtuiging dat de geleding van de werkelijkheid overeenstemt met de voege van de logica (in de filosofie van de logica wordt dit inzicht ingedeeld bij het 'anti-realisme: psychologisme').

De argumenten voor het anti-realisme zijn overtuigend; de argumenten voor het realisme (er zijn twee realistische stromingen: platonisme en structuralisme) zijn zwak [zie: Cohnitz, Philosophy of logic, hfd.5].

Hieruit volgt, volgens de voege van onze eigen rede, dat de werkelijkheid 'open' is. Anders gezegd, het betekent dat wij de werkelijkheid niet naar haar geleding kunnen beschrijven.

✍︎ Zaken die naar de voege van onze rede niet kunnen worden begrepen kunnen niet apriori buiten de orde van de werkelijkheid worden geplaatst; en aposteriori is de zoektocht naar het onbevattelijke tamelijk zinloos. 

Een ding dat buiten de voege van ons verstand valt kan niet worden uitgesloten. 

Neem een denkbeeldige godheid z, die -naar voorbeeld van sommige hindoe goden- steeds van gestalte verandert (en geen ware gestalte heeft). Als je al een waterdichte methode hebt om gestalte z uit te sluiten van deelname aan de werkelijkheid, dan nog kun je nooit uitsluiten dat z bestaat in een andere gestalte- en zo eindeloos verder.

Wie gelovig is heeft slechts één inzicht nodig: de werkelijkheid is logisch niet gesloten.

Een dogmatisch christen heeft aan dit inzicht genoeg om te geloven dat de Almachtige bestaat.

Persoonlijk vind ik de term de Zelfstandige iets minder zwaar klinken. Zowel de term de Almachtige als de term de Zelfstandige verwijzen naar een 'constante' die beschikt over tal van mogelijkheden- mogelijkheden die de mogelijkheden die een logisch gesloten werkelijkheid biedt ruim overtreffen. 

Voor je geloof heb je geen ander inzicht nodig. Wat de gelovige meent is dat de aardse geleding van de wereld, die 'gesneden wordt naar de voege van onze eigen rede', slechts een vertekend, beperkt beeld van de werkelijkheid geeft (maya, zegt de hindoe)- dat gemakkelijk wordt overtroffen door de grenzeloze mogelijkheden die de 'open' werkelijkheid biedt.

Voor moderne zielen is het ouderwetse hindoe geloof misschien niet zo aansprekend. Zij kunnen de werkelijkheid beter zien als een 'schil' die over een onbegrijpelijk besturingssysteem is gelegd. Zelf spreek ik liever van een 'lezing' die de transcendente aard van de natuurlijke werkelijkheid begrijpelijk maakt.

✍︎ Kunnen wij een lezing houden die laat zien dat de werkelijkheid, zoals deze aan ons verschijnt -naar de voege van ons verstand- religieuze betekenis heeft?

Jawel, dat is mogelijk.

In de eerste plaats -we hebben het zojuist besproken- telt natuurlijk het inzicht dat de werkelijkheid logisch niet gesloten is. Het bestaan van transcendente constanten kun je daarom onmogelijk uitsluiten (het is uitgesloten dat je ze kunt uitsluiten). Alleen dat al maakt onze werkelijkheid religieus.

In de tweede plaats kun je onze voege van denken zien als een instrument om intelligente handelaren van ons te maken: wij zijn geschapen (ik gebruik met opzet de religieuze term) om adequaat te handelen.

In de derde plaats zijn wij in staat om dankzij onze logische denkwijze de gevolgen van onze handelingen te overzien. We kunnen doelmatig plannen (=cognitieve controle): dat maakt van ons ethische wezens, wezens die verantwoordelijk gehouden kunnen worden voor hun daden.

De werkelijkheid zelf is niet louter 'goed', de werkelijkheid zelf is niet louter 'kwaad'. Wat is de werkelijkheid dan wel? Je zou zeggen: ze is een menging van kwaad en goed. Maar dan is de werkelijkheid 'ethisch' van aard. Het is een toneel waarop zowel goede als kwade handelingen vrijelijk kunnen worden gedemonstreerd door 'ethische wezens' (mensen).

Wij zijn van vlees en bloed: wij kunnen elkaar schaden en wij kunnen elkaar voeden. Het vlees waarin wij op aarde rondwaren geeft ons bestaan haar ethische betekenis. Omdat ik van vlees ben en door jou kan worden aangeraakt zijn jouw daden goed of slecht. Was ik slechts een 'vleug' alsof ik een 'geur' was, een ijle geest, die even drijft op de lucht, die niet kan worden geslagen, niet kan worden gekerkerd en niet kan worden gedood, dan zouden jouw handelingen van geen betekenis voor mij zijn. Ik ben echter van vlees. Je kunt mij op de grond werpen en pijn doen, je kunt mij in je armen sluiten en troosten.

Alles wat we doen is in eeuwig licht geschreven. Het licht reist door het heelal naar andere plaatsen, andere sterren. Als het licht een reis van pakweg 2000 jaar achter de rug heeft -een tijd die te verwaarlozen is voor het licht- dan kan men op een planeet elders, een planeet die pakweg 2000 lichtjaren ver staat, zien hoe christus aan het kruis genageld wordt. Geen enkele daad wordt vergeten, al mijn nonchalante, laakbare handelingen staan duidelijk in het licht geschreven. De werkelijkheid houdt boek van onze daden. 

Is er geen gerechtigheid op aarde en is het bestaan zinloos? Als je de werkelijkheid beziet in ruimer -transcendent- perspectief, dan zou ik dat zo een twee drie niet met stelligheid durven zeggen. De onbegrijpelijke grootte van het heelal kan worden gezien als steun voor het inzicht dat onze 'kleine' en 'grote' daden niet verloren gaan. 

Kortom, het is mogelijk om een religieuze 'schil' of 'lezing' op de feiten te draperen en de werkelijkheid te zien als een ethisch/religieus toneel. 

✍︎ Is het leven zinloos? Ik geloof niet dat díe lezing persé moet worden aanvaard; ze is niet dwingend en overtuigend.
----------
Is het nijpende probleem van de mens de vraag waarom hij zichzelf niet doodt (Camus)? In ander perspectief is het nijpende probleem van de mens de vraag hoe hij goed moet doen (in het licht van de eeuwigheid). 

vrijdag 13 februari 2026

Het restaurant van Kant (1.5)

De mens is te gast in zijn eigen brein. We zijn te vergelijken met de clientèle van een restaurant. We krijgen gerechten opgediend die we met smaak (of tegenzin) verorberen.

Het is opvallend dat we uit het gerecht niet kunnen afleiden welke ingrediënten de kok gebruikt heeft. De vis is gefileerd, de groente gesneden en gekleurd met een bijzondere saus; de witte schijfjes (venkel?) zijn knapperig en bestrooid met zwarte korrels (stukjes noot?).

De kok heeft de oorspronkelijke ingrediënten zo sterk bewerkt dat je niet goed weet wat je op je bord hebt liggen.

In de keuken zijn de ingrediënten gewassen, gesneden, gekookt, geweckt, versierd, gemengd en op talloze andere manieren bewerkt. 

De gast in het restaurant heeft geen weet van het werk van de kok: dat wil zeggen, hij begrijpt wel dat de kok de ingrediënten sterk bewerkt heeft, maar welke kunsten de chef heeft uitgevoerd kan hij niet bepalen.

Ook van de ingrediënten die de toeleverancier van het restaurant heeft aangeleverd heeft de gast geen benul. Hij krijgt uiteindelijk een gerecht geserveerd waar hij met smaak van kan genieten.

Zo krijgen ook wij een volledig bereid beeld van de wereld voorgezet, waar wij onmiddellijk gebruik van kunnen maken. De ingrediënten die ons gebracht zijn door de zintuigen worden door de 'chef' (=het brein) zo bewerkt dat wij de dingen in ruimte en tijd zien en verbanden en samenhang kunnen herkennen.

De kok heeft de lichtgolven en de geluidsgolven die de ogen en de oren hebben aangevoerd (=de toe-leveranciers) sterk bewerkt. Hij heeft ruimte en tijd toegevoegd, causaliteit, samenhang, opeenvolging, onderscheid, kleur, enz. Het beeld van de wereld (=het gerecht) dat wij uiteindelijk opgediend krijgen is sterk bewerkt en kan daarom onmiddellijk worden genoten (=omgezet in een handeling).

Omdat de oorspronkelijke ingrediënten zo sterk bewerkt zijn door de keuken is het voor ons ondoenlijk om vast te stellen hoe de buitenwereld (=de oorspronkelijke ingrediënten die door het oog en het oor zijn geregistreerd) is. De gast in het restaurant van Kant heeft geen onmiddellijke toegang tot de buitenwereld.

Zo komt Kant dan aan zijn (beroemde) tweedeling tussen de fenomenale wereld (=het beeld van de wereld dat de keuken uiteindelijk aan ons bewustzijn opdient, dat wil zeggen: het gerecht) en de noumenale wereld (=de wereld zoals een 'alziend' oog haar waarneemt: merk op dat wij niet eens kunnen weten wat ons oog 'echt' ziet). 

Wij zullen nooit in staat zijn om de wereld te zien anders dan nadat het oog het licht heeft opgevangen en nadat het brein deze visuele signalen bewerkt heeft. De werkelijkheid is eigenlijk een product van vlees en bloed, dat wil zeggen: een product van het oog en het brein.

Uiteraard heb je altijd wijsneuzen die niet geloven dat we te gast zijn in het restaurant van Kant; zij geloven niet dat de chef het menu bepaalt.

Schopenhauer is een voorbeeld van een metafysicus die meende dat we wél tenminste één van de oorspronkelijke ingrediënten uit de buitenwereld onbewerkt op ons bordje krijgen: de WereldWil. 

Wetenschappelijk onderzoek echter stelt Kant in het gelijk en Schopenhauer in het ongelijk: alles wat we bewust waarnemen lijkt sterk bewerkt te zijn door de keuken. (Maar Schopenhauer is 'by far' de betere schrijver en dat doet de bekendheid van zijn inzichten goed: ook filosofen willen graag héél beroemd worden en moeten het hebben van reclame).

De idee van Kant -een omwenteling in het denken!, dat is niet te weinig gezegd- dat we te gast zijn in ons eigen brein is niet bezijden de waarheid, integendeel.

------

[1] In het restaurant van Kant is -zoals Roger Scruton opmerkt- het volgende erg merkwaardig: causaliteit is een specialiteit van de chef, maar de zintuigen worden 'causaal' beinvloed door licht en geluid! Het is de vraag of dit wel met elkaar rijmt. (Immers: de chef bewerkt de ingredienten pas nadat ze door de toeleverancier binnen gebracht zijn: causalitiet kan dus niet voordien al 'bereid' worden door de chef.]

vrijdag 30 januari 2026

De ontmoeting tussen Nap en Max

Berlijn is door de geallieerden volledig in de as gelegd: het doel heiligde de middelen (of heiligden de middelen het doel?). Het beroemde operagebouw aan het Unter der Linden is één van de gebouwen die door de explosieve kracht van de bommen stuk geslagen werd. Wie de foto's ziet van de 'Linden', enkele dagen na het beëindigen van de oorlog, kan alleen maar zwijgen.

Het operagebouw is echter later weer opgebouwd (door Poolse arbeiders- het werk is zeer vakkundig uitgevoerd; ze hebben alle historische gebouwen aan Unter der Linden hersteld in oude luister).

Een gebouw kan schijnbaar eerst 'existent' zijn (en 'concreet': echt, aanraakbaar) en daarna 'non-existent' (niet concreet: niet echt, niet aanraakbaar) en daarna weer 'existent', enz. De restauratie van het operagebouw was mogelijk omdat het na de vernietigende bombardementen nog bestond: namelijk als (de oorspronkelijke) bouwtekening: het gebouw was dan weliswaar geen 'concreet existerend object' maar het 'bestond' nog wel: als ontwerp. 

Nu kun je de volgende vraag opwerpen: wat is eigenlijk het 'echte' Berlijnse operagebouw: het object dat gebombardeerd is en dat weer is gerestaureerd of het ontwerp van het operagebouw? Wanneer 'bestaat' een gebouw, flat, huis of hut? Waarom is de 'concrete' vorm van het gebouw 'echter' dan het 'ontwerp'?

Dezelfde vraag kun je stellen als het om een muziekstuk gaat. Is Dichterliebe van Schumann een compositie op papier of bestaat de Dichterliebe pas 'echt' als deze ten gehore wordt gebracht? Als je zegt dat Dichterliebe alleen bestaat als deze liederen verklankt worden, dan is het een muziekstuk dat 'echt' kan bestaan -tegelijkertijd- op verschillende plekken in de wereld; soms echter -als geen enkele zanger en pianist het stuk spelen- existeert de Dichterliebe dagenlang niet (immers, wordt de cyclus niet uitgevoerd dan is ze niet 'concreet'). 

Als je naar een recital gaat -of naar een opname luistert- dan zingt de uitvoerende kunstenaar één lied uit Dichterliebe per keer. Feitelijk betekent dit dat de liedcyclus als deze alleen bestaat zolang de uitvoering duurt, dan existeert ze slechts als een 'kortdurend fragment' en is voor het overige deel non-existent. Je hebt toch intuïtief de indruk dat we de woordjes 'echt' en 'niet echt' hier niet kunnen gebruiken zoals we deze woordjes gebruiken voor gebouwen en schilderijen: je hebt de indruk dat de liedcyclus op papier 'echter' is dan in haar 'concrete' vorm.

Nog verstandiger is het misschien dat je, afgaande op de bovenstaande voorbeelden, inziet dat het woordje 'echt' nogal complex is. 

Het boerenverstand (common sense) zit ons in de weg als we spreken over 'echte' en 'niet echte' dingen. We gebruiken het woordje 'echt' in het dagelijkse leven op een tamelijk zorgeloze wijze. Deze zorgeloze wijze is evenwel niet geschikt voor filosofisch gebruik.

Wat is een mogelijkheid: spreek je van een 'mogelijkheid' als deze concreet kan worden (ik kan jouw een pak slaag geven!) of spreek je van een mogelijkheid als we het hebben over een 'idee'/'scenario' (ik kan Napoleon een pak slaag geven). 

Filosofen hebben als oplossing voor dit vraagstuk bedacht dat een 'mogelijkheid' 'echt' is als deze 'actueel' is (dit is formeel beschreven in de semantiek van de modale logica). Het ontwerp van het operagebouw is volgens dit modale criterium 'echt': het ontwerp van het operagebouw maakt deel uit van onze 'actuele' wereld. Ik mag het ontwerp van het opera-gebouw daarom opnemen/toelaten in de 'ontologie' van de actuele wereld (immers, de tekeningen liggen ergens in een la of ze staan ergens op een schijf). 

Zijn er ook mogelijkheden die ik niet mag toelaten in onze actuele ontologie?Jawel: de mogelijkheid dat Napoleon morgen koningin Maxima bezoekt lijkt geen deel uit te maken van onze actuele wereld. Alhoewel: kan ik geen 'ontwerp','voorstelling' maken van het bezoek dat Napoleon aflegt aan de koningin? 

Ik kan best een kort verhaal schrijven -of zelfs laten schrijven, door AI, uiterst gedetailleerd- en zo het 'ontwerp' van dit bezoek actueel maken. Immers, ik maak deel uit van de actuele wereld, en in mijn hoofd beschik ik over het 'ontwerp' van dit bezoek, zodat -ipso facto- het 'ontwerp van het bezoek dat Napoleon aflegt bij de koningin' ook deel uitmaakt van de actuele wereld. 

Wellicht vinden we het bezoek van Napoleon als 'ontwerp' niet 'echt' omdat wij -de mensheid- niet over de middelen beschikken om het 'concreet' te maken. We kunnen het ontwerp van het operagebouw wel concreet maken, we kunnen de compositie van Dichterliebe wel concreet maken, maar we kunnen het bezoek van Napoleon niet concreet maken: over die mogelijkheid beschikken we niet (onze techniek schiet hier te kort).

Geleerden zijn bevangen momenteel door de gedachte dat je uit het DNA van een 'dino' weer een volledige 'dino' kunt kweken. Fascinerend! Het DNA van de dino (=het ontwerp) zegt je hoe je alle eiwitten (proteïnen) waaruit de dino bestond moet vouwen en samenvoegen en zo kun je de dino tot leven wekken (een dino -en ook de mens- is immers weinig meer dan een legpuzzel van organische stoffen). 

Stel dat we nu weten dat deze techniek, namelijk dat je uit het ontwerp van DNA volledige wezens kunt kweken, over drie-en-zeventig jaar kan worden gebruikt om inderdaad dino's en mensen en ... Napoleon en Maxima te laten 'existeren': mogen we dan nu zeggen dat het ontwerp van de ontmoeting tussen Napoleon en Maxima 'echt' is (omdat het -aanstonds- gerealiseerd kan worden)?

Ik zie zo één twee drie niet in waarom we in dat geval -als de kaarten zo geschud zijn- niet mogen zeggen waarom de beschrijving van de ontmoeting tussen Nap en Max niet 'echt' is. 

Hoe kunnen wij ooit uitsluiten dat onze 'ontwerpen' -de zaken die wij kunnen beschrijven of conceptualiseren- en waar wij dus kennis van hebben, 'echt' zijn? 

Een dergelijk intellectueel huzarenstuk is alleen mogelijk als je beschikt over universele wetten waarmee je bepaalde mogelijkheden in de werkelijkheid kunt uitsluiten. Eidoch, we beschikken niet eens over het ontwerp -idee, concept- van een welbepaalde universele wet (een welbepaalde universele wet is dus niet actueel: we hebben er -beperkt als we zijn- geen weet van).

------

Voetnoot 1: de bovenstaande tekst is een vorm van 'Meinongisme', dat is de gedachte dat we in de werkelijkheid verschillende 'echte' bestaansvormen kunnen/moeten onderscheiden: het ontwerp is echt en het gebouw van steen is echt en het intentionele gebouw (dat is het gebouw in het hoofd van de architect, toen hij bezig was om het gebouw te ontwerpen) is echt: neuronen, potlood of steen, al deze verschillende bestaansvormen zijn echt, maar ze hebben zo op het oog niets met elkaar gemeen. -Vraag: als het heelal bestaat en een bepaalde vorm heeft, moet er dan ook ergens een ontwerp zijn? Kan iets stoffelijk (steen, hout, marmer) zijn maar geen ontwerp hebben?

Voetnoot 2: als ik een portret van Rembrandt -laten we zeggen: het Joodse Bruidje- door de computer zo goed kan laten naschilderen dat het giclee (zjie-klee) eigenlijk van echt niet te onderscheiden is, dan mag ik zeggen dat ik over een 'echte' Rembrandt beschik. Het origineel is dan niets minder dan het ontwerp van het giclee, zoals de tekening van het operahuis te Berlijn niets minder dan het origineel is van het stenen operahuis.

Voetnoot 3: ik beschik over het ontwerp van een Zelfstandig 'ding'; omdat dit ding Zelfstandig is, kan het zichzelf -per definitie en zonder hulp van mens of buitenaards wezen- manifesteren in de werkelijkheid: maar dan heb ik geen goede reden om dat 'ding' uit te sluiten van de actuele wereld (=modale variant op 'Anselmus'). [Vergelijk: (1) ik beschik over de tekeningen van een antiek schuurtje; ik ben zelf niet in staat om dit schuurtje te bouwen; ik kan echter Polen inhuren om mijn schuurtje te bouwen: dan is het schuurtje dus 'actueel'; (2) variant: ik beschik over het ontwerp van een computer die zichzelf kan programmeren: dan zijn de programma's die de computer kan maken -maar nog niet gemaakt heeft- actueel; (3) variant: ik beschik over het ontwerp van een 'ding' dat zichzelf kan ontwerpen/concretiseren: ik heb geen idee hoe dat ding zichzelf ontwerpt/concretiseert (maar bedenk: ik weet ook niet hoe de computer die zichzelf programmeert werkt) maar ik weet dat het zichzelf kan ontwerpen/concretiseren: dan is dat ding actueel. Eventueel bezwaar: het verschil tussen een gedetailleerde bouwtekening en een definitie is in dit geval significant.


donderdag 29 januari 2026

Antwoord aan JanD

(Beste JanD, in de reacties verwerken de mensen die op dit blog reageren vaak in enkele regels zeer ingewikkelde filosofische concepten. Ik laat dan vaak een antwoord maar achterwege, want het is zoveel werk om recht te doen aan alle termen en vooronderstellingen. Vaak gebruikt men onschuldig lijkende woordjes zoals 'echt', 'mogelijk waar/onwaar' en is men zich er niet van bewust dat achter deze termen een wereld van moeilijkheden schuil gaat. De zaken die jij aan de orde stelt in je laatste reacties zijn hier een goed voorbeeld van. Omdat ik mijn antwoord dit maal niet kort wil houden, plaats ik het antwoord hier, als een klein opstel. Het is te groot voor het reactie-venster. Omdat het in 'uitleg-taal' is geschreven en niet als een dichtgetimmerd filosofisch essay, zal ik deze bijdrage over een paar dagen verwijderen: ik denk echter dat je het dan wel gelezen en -hopelijk- begrepen hebt.)

JanD, je had mij, toen we hier te Utrecht een kopje thee dronken, al eens verteld wat je werk inhield. Ik vind het buitengewoon interessant -en natuurlijk wilden je proefpersonen jouw techniek niet meer kwijt! Tegenwoordig is deze techniek verder ontwikkeld en kunnen mensen hun technische extensies zelfs bedienen met hun 'gedachten' (=brein). Super! Het is buitengewoon zinvol werk.

Filosofische vraagstukken worden helaas niet met techniek opgelost (het zou fijn zijn als dat zou kunnen). Filosofen richten zich op een bepaald vraagstuk en proberen dit op te lossen door nieuwe concepten op te stellen. Zulke nieuwe concepten werpen dan een bepaald licht op de zaak. 

Filosofen worstelen al lang met vragen zoals 'wat is existentie', 'wat is 'een wereld'', 'wat is 'echt'', 'wat is een mogelijke wereld', 'wat is het heden', enz. Het antwoord op zulke vragen is bepalend voor je ontologie, voor de vraag of God bestaat, enz enz. Het zijn vaak hondsmoeilijke debatten. Je raakt er maar langzaam echt in thuis. Je moet je eerst alle posities van de filosofen die actief zijn in deze debatten eigen maken. En daarna moet je zien of er voor jouw ideeën een kleine 'niche' is (of is het gras al voor je voeten weggemaaid?). Wat al deze debatten met elkaar gemeen hebben is dat de twee basis-wetten van de logica voor alle deelnemers gelden: wie iets beweert wat niet consistent of coherent is moet zijn inzichten opgeven (of hij moet ze opnieuw optuigen). Voor de rest is vrijwel alles toegestaan.

Volgens Gödel hebben alle filosofische problemen -van technische aard- te maken met de tijd. Vooruit, laten we eens veronderstellen dat hij gelijk heeft. Jouw inzicht dat een andere conceptie van de tijd tot een volstrekt ander wereldbeeld leidt is dan ook goed bedacht. Immers, als je de driedeling tussen heden, verleden en toekomst verdedigt -een voorstelling die jij afwijst- dan heeft dit gevolgen voor je logica omtrent 'mogelijke werelden': heeft de actuele wereld een verleden of is ze beperkt tot het heden? Hoe lang duurt dan dit heden: 3 tellen (ik noem maar wat)? Ontstaat er dan om de 3 tellen een nieuwe wereld? 

Dit zijn stuk voor stuk vragen die je moet proberen op te lossen door elke situatie consistent en redelijk (je moet je definities zodanig verdedigen dat deze passen bij onze intuïties) te beschrijven. Stel dat dit lukt (en nee: tot nu toe is dit niemand gelukt- althans niet op een voor iedereen bevredigende manier) dan raak je verstrikt in de volgende reeks vragen: als het heden maar drie tellen duurt (nogmaals: dit is willekeurig) ben ik dan ook onderworpen aan dit 'presentisme'? Maar dan sterf ik in zekere zin om de drie tellen! Bepaalt dan de loop van de tijd wat er bestaat en wat er niet bestaat? En hoe kan een zo algemene toestand als de gehele werkelijkheid (=de actuele wereld) in zijn geheel om de drie tellen verdwijnen en weer opduiken als een volstrekt nieuwe actuele wereld? 

Is dit allemaal nog consistent te definiëren? Hoe krijg je alle stukjes van deze metafysische puzzel zo gelegd dat er één plaatje ontstaat? 

(Bedenk: als je zulke vragen niet eens kunt definiëren, dan kun je er ook geen wiskunde van maken- en als je er geen wiskunde van kunt maken, dan kun je er geen wetenschap van maken en kom je aan praktisch onderzoek niet toe). 

Filosofen proberen allerlei definities en invalshoeken uit om een enigszins consistent beeld van onze wereld te krijgen. Je kunt bijvoorbeeld het begrip bestaan op verschillende manieren definiëren: je maakt een conceptuele scheiding tussen 'existense' en 'subsistence' of tussen 'existence (concrete)' en 'being' (existence is een eigenschap van toestanden die je kunt aanraken, being is een eigenschap van toestanden die een rol spelen in je wereldbeeld: mijn schoolgebouw heeft existence, mijn toekomstige klassen hebben being; in sommige theorieën hebben straatstenen existence en God heeft being- je ziet aan dit voorbeeld hoe filosofen (moeten!) werken). 

Een andere mogelijke conceptuele voorstelling is dat je de werkelijkheid beziet als een enorme landkaart van 'toestanden' (denk aan Einsteins voorstelling van het heelal) die één voor één belicht worden: de tijd is dan de factor die steeds van de ene naar de andere toestand springt. 

Zo hebben filosofen tientallen (misschien wel honderden) conceptuele voorstellingen opgesteld- en (helaas) geen van deze voorstellingen is consistent. In elke voorstelling is wel een manco aan te wijzen. Wel, dit stemt moedeloos en noopt (sommige) filosofen er toe om te geloven dat de werkelijkheid niet consistent is: als het niet (eens) lukt om een consistent basaal beeld van de werkelijkheid op te stellen, dan mag je uiteindelijk twijfelen aan de vraag of consistentie wel een eigenschap van de werkelijkheid is. 

Merk op: ook langs empirische weg lukt het vooralsnog niet om een consistent verhaal over de werkelijkheid op te stellen- erger: in qm zijn we de werkelijkheid zelfs, in zeker zin, kwijtgeraakt (niet mijn woorden, maar die van hedendaagse fysici!)). Ik persoonlijk vind snaartheorie ideaal. Een mooiere verklaring voor de bouw van de werkelijkheid is niet bedacht. Het is een simpele en vernuftige algehele verklaring voor de data. Helaas lijkt het er op dat de werkelijkheid zelf ingewikkelder is dan dit model tot uitdrukking brengt.

Als een schutter keer op keer doel mist, dan zal hij tenslotte toch moeten twijfelen aan zijn wapens: als het vizier niet goed is afgesteld, dan zal hij nooit doel kunnen treffen.

Het vizier van de mens is zijn cognitie: als dat beperkt is of niet goed is afgesteld op de structuur van de werkelijkheid, dan zal het nooit lukken om een kloppend beeld van de werkelijkheid te schetsen. 

We moeten dus terug naar de tekentafel: hoe werkt onze cognitie en kunnen we achterhalen of onze cognitie de werkelijkheid juist weergeeft? Als ons verstand de werkelijkheid fundamenteel verkeerd weergeeft, dan is het begrijpelijk dat het ons niet lukt om een consistent verhaal van de werkelijkheid op te stellen.

Het onderzoek naar onze cognitie is begonnen in de jaren veertig (onder andere door het werk van Turing). Het beeld dat de cognitiewetenschappers schetsen van ons 'kenvermogen' is volstrekt anders dan dat filosofen er op na houden. Volgens filosofen zijn de basale logische wetten absoluut geldig: eerder platoonse eeuwige beginselen die universeel gelden dan gewone, nuttige functies van het brein. Zo absoluut zelfs gelden deze wetten, volgens de filosofen (in die dagen), dat zelfs God zich aan deze wetten moet houden. 

Cognitiewetenschappers hebben echter een praktische, empirische opvatting van de logische wetten: het zijn geen rationele absolute platoonse beginselen, maar hersenstructuren. Om een of andere reden hebben de hersenen een voorkeur voor een basale logische orde. De vraag is nu waarom dit zo is.

Wetenschappers grijpen dan onmiddellijk naar het meest voor de hand liggen instrument, de evolutionaire verklaring. In de loop der tijd zijn er verschillende evolutionaire verklaringen voor het ontstaan van onze logische denkwijze opgesteld: bijvoorbeeld de 'sociale' hypothese (logisch denken maakt het mogelijk om samen te werken) of de 'cognitieve controle' hypothese (logisch denken ontwikkelde zich toen hominiden hun handen gingen gebruiken om werktuigen te maken: ze moesten gaan plannen/organiseren) of de 'freerider' hypothese (logisch denken hebben we ontwikkeld om bedriegers te ontmaskeren: mensen die meeliften op de arbeid van anderen) of de semantische hypothese (logica is een eigenschap van de taal die we spreken: zonder de twee basale wetten kun je geen 'begrijpelijke' taal construeren), enz.

De algemene opinie is nu dat het rationele standpunt zijn langste tijd gehad heeft. De rationele, Platoons/Leibniziaanse opvatting, die stelt dat de logische wetten absolute beginselen zijn, is momenteel niet in zwang.

De vraag is echter of de verstrekte evolutionaire verklaringen houdbaar zijn. Merk op dat ze allemaal betrekking hebben op de ontwikkeling van hominiden (mensachtigen). Inmiddels weten we echter dat vrijwel alle bewegende dieren zich basaal logisch gedragen: zelfs microben! Je hebt dus twee evolutionaire verklaringen nodig: één om te verklaren hoe de twee basale logische wetten ontstaan zijn -en waarom deze heel onze cognitie én de werking van bewegende lichamen bepalen- en een verklaring voor de overige logische wetten (zoals bijvoorbeeld de wetten van de Morgan en afleidingsregels zoals modus ponens). 

Waarom hebben bewegende dieren de neiging om logisch te manoeuvreren? Voordat we deze vraag beantwoorden even een 'beetje techniek': de wet van het uitgesloten derde en de wet van non-contradictie zeggen samen niets anders dan wat de volgende strenge disjunctie uitdrukt: het is OF alpha OF het is niet-alpha (lees: het is het een of het ander: niet beide en niet geen van beide). Een naam voor deze strenge disjunctie is 'de stoïcijnse regel'.

Een bacterie beweegt volgens deze stoïcijnse regel. Deze micro-organismen hebben eiwitten in hun celwand waarmee ze stoffen in de wereld kunnen detecteren. Deze 'zintuigen' hebben een wip-wap werking: ze staan aan of uit. Als er een schadelijke stof wordt geregistreerd waarvan de concentratie zo sterk is dat ze geregistreerd wordt door het 'zintuig' dan gaat deze 'wip-wap' sensor van 'wip' naar 'wap' en dan verandert de draaiïng van de motor: de bacterie gaat achteruit bewegen (of beter gezegd: het organisme gaat 'tuimelen' zoals dat heet). Je hoeft geen logicus te zijn om te begrijpen dat de werking van de wip-wap schakelaar volledig overeenstemt met stoïcijnse regel. Micro-organismen acteren dus al op basale logische wijze!

Je kunt je nu afvragen waarom een micro-organisme geen betere/fijnere zintuigen heeft. Waarom registreert het diertje de wereld als een wip/wap toestand? Is het niet voordeliger om de wereld naar 'waarheid' te interpreteren: als je meet dat de concentratie van de schadelijke stof 69% is (zodat de omgeving voor 31% niet schadelijk is), dan heb je immers een beter -want 'waar'!- beeld van de toestand.

Het lichaam van de bacterie is echter 'solid' (het is een 'ding') en moet als een solid worden bediend. Een vast voorwerp kan niet voor 69% vooruit bewegen en voor 31% achteruit. De ware concentratie van de schadelijke stof is voor het dier, als het wil overleven, niet in adequate handelingen om te zetten. Het heeft betere overlevingskansen als het de wijze waarop het haar wereld (niche) interpreteert herleidt tot een simpele wip/wap toestand: de wereld is wel of niet schadelijk (zodat je wel of niet achteruit gaat bewegen).

Wel, om een lang verhaal kort te maken: dit simpele principe is van toepassing op alle bewegende dieren. Cognitie ontstaat natuurlijk pas als dieren spierweefsel/zenuwweefsel krijgen (dat is in het endacarium en vroege cambrium: een spannende tijd voor de ontwikkeling van het leven op aarde): spierweefsel vereist zenuwweefsel om het te kunnen 'prikkelen'. Je vindt geen spierweefsel zonder zenuwweefsel. 

Wel, ook in 'gespierde dieren' gaat de bovenstaande redenering op: het lichaam moet zo georganiseerd worden dat het 'hele handelingen' (=wbm, whole body movement) kan uitvoeren: halve waarheden en dubbele waarheden kunnen niet omgezet worden in handelingen door een 'solid' object (=whole body). Je hebt dus een stoïcijnse logische denkwijze nodig en geen statistische of anderszins fijnzinnige manier om de wereld te interpreteren. 

Het absolute fundament van onze denkwijze, waarop al onze overige cognities gebaseerd zijn -als een hoog gebouw dat op een fundament staat-, is daarom een simpele wip/wap regel. Je mag je waarneming, je 'plannen-makerij' (cognitieve controle) en cognitieve voorstellingen nooit en dan ook nooit zo organiseren dat het lichaam het niet kan uitvoeren. En dat doe je door je in alle geledingen te onderwerpen aan onze basale-wip/wap-logica.

Uit deze evolutionaire geschiedenis kun je nu eenvoudig afleiden dat we de wereld vermoedelijk niet gerijmd krijgt omdat ons 'vizier' (onze cognitie) van nature verkeerd staat afgesteld.

Als dit zo is dan zijn de gevolgen enorm: we zijn dan cognitief beperkt en kunnen de werkelijkheid niet naar waarheid in kaart brengen. Hoe we dit probleem moeten oplossen is niet duidelijk- vermoedelijk kan het niet opgelost worden, want we hebben geen tweede verstand om het 'wip/wap'-verstand te corrigeren.

 Zoals een micro-organisme eenvoudigweg geen weet kan hebben van de ware concentratie van de schadelijke stof en zich redt met een wip/wap weergave, zo hebben wij ook geen weet van de wijze waarop de werkelijkheid georganiseerd is en redden we ons wel met onze wip/wap weergave (want consistentie is natuurlijk niets minder en niets meer dan een wip/wap organisatie: wij wip/wappen in de wetenschap en we wip/wappen in de filosofie, want zo zijn we gebekt).

De complicaties van de embodied cognition these -ons verstand dient het lichaam, niet de waarheid- zijn enorm. Ik laat ze hier nu verder maar rusten.

woensdag 28 januari 2026

Leven na de dood (2.0)

Een oude meneer (hij was wel héél erg oud: 101 jaar, gesproken althans naar menselijke maatstaf) zei: over de dood maak ik me geen illusies. Als ik aanstonds sterf is het gedaan.

De vooronderstelling die deze bewering schraagt is dat de werkelijkheid logisch geordend is en dat de ons bekende wetten, bepalingen en structuren overal zullen overeenstemmen met onze ervaringen in dit aardse bestaan.

Echter, onze denkwijze is beperkt en de logische orde is lokaal (een product van mensen en dieren). 

Daaruit volgt met zekerheid dat het onmogelijk is om je over de dood géén illusies te maken: het is juist redelijk om je wél illusies te maken, want het is uitgesloten dat het natuurlijke regime altijd (universeel) overeenstemt met je verwachtingen.

In een werkelijkheid die logisch 'open' is, is het juist irrationeel om te denken dat een logisch antwoord -er is geen leven na de dood, want na de dood ben je 'stuk'- de beste papieren heeft.

Welke illusies je je na je dood mag maken is overigens lastig te zeggen. Maar de gedachte 'na je dood ben je stuk' kun je  -althans, gegeven het inzicht dat dit beeld van de werkelijkheid een product is van ons eigen, beperkte verstand, en beslist geen weergave van de 'echte' werkelijkheid- gevoeglijk uitsluiten.

In een werkelijkheid die logisch niet gesloten is zitten er altijd 'meer' kanten aan een zaak: je bent wel dood, maar je bent niet dood.
----
argument: 
[*] na de dood ben je stuk- dus is er niets na de dood;
[*] is een logische voorstelling; 
logische voorstellingen zijn in het licht van de hypercomplexe (a-logische) werkelijkheid onjuist; 
dus: het is onjuist dat er niets is na de dood.