Een absurde God, ontologische keuze en epistemische legitimiteit
1. Inleiding: het probleem van een a se God
In de godsdienstfilosofie wordt God traditioneel gedefinieerd als a se: God bestaat uit zichzelf, is niet afhankelijk van iets anders en wordt niet veroorzaakt of begrensd door iets buiten hem. Deze definitie heeft verstrekkende consequenties. Wie haar serieus neemt, kan moeilijk volhouden dat God onderworpen zou zijn aan biologische, fysische, metafysische of zelfs logische wetten. Want ook zulke wetten zouden God beperken.
Wanneer men deze radicale onafhankelijkheid doordenkt, ontstaat een probleem: een God die niet gebonden is aan de logische wetten kan niet adequaat en op begrijpelijke wijze beschreven worden binnen de kaders van de klassieke logica. Zo’n God lijkt vanuit menselijk perspectief “absurd”: hij kan eigenschappen hebben die elkaar tegenspreken zonder dat dit hem onmogelijk maakt. Om over een dergelijke absurde voorstelling objectief te kunnen blijven denken is een niet-klassiek logisch kader nodig, bijvoorbeeld een dialetheïstische logica, waarin (sommige) contradicties waar kunnen zijn. (Let op: dialetheïsme is geen trivialisme!).
In dat niet-klassieke logische kader kan men zeggen: God bestaat én bestaat niet — beide uitspraken zijn waar, elk voor 100%. Maar daarmee ontstaat een nieuwe moeilijkheid: hoe kan een mens, die onvermijdelijk klassiek denkt, zich epistemisch en ontologisch tot zo’n absurde God verhouden? Kan men bijvoorbeeld zeggen: “ik weet dat God bestaat”? En zo ja, in welke zin?
2. Het loslaten van sterke bestaansdefinities
Een eerste belangrijke stap is een beschrijving geven van ‘bestaan’. Vaak wordt bestaan gedefinieerd als:
X bestaat als x stoffelijk is;
X bestaat als x zich in ruimte en tijd bevindt;
X bestaat als x onderworpen is aan de fysische wetten;
X bestaat als x past in een metafysische model
X bestaat als x in een formeel model functioneert.
Geen van de genoemde en andere criteria is echter onbetwist of universeel toepasbaar. Abstracte objecten, theoretische entiteiten, wiskundige structuren en zelfs sommige natuurkundige postulaten ‘bestaan’, maar hun bestaan is lastig te verantwoorden op een van de traditionele wijzen. Daarom hanteren hedendaagse filosofen een praktischer en soberder bestaansbegrip: X bestaat als er goede redenen zijn om het tot de inventaris (=ontologische lijst) van de werkelijkheid te zetten.
Hoe iets dan precies bestaat — stoffelijk, abstract, relationeel, paradoxaal — kan voorlopig in het midden blijven. Het gaat om ‘ontologische toelating’, niet om een volledige metafysische analyse van het begrip ‘bestaan’.
3. De absurde God en ontologische onderbepaaldheid
Als God absurd is — dat wil zeggen: niet onderworpen aan klassieke logica — dan kan zijn bestaan niet eenduidig worden vastgesteld of worden ontkend met klassieke middelen. Vanuit een dialetheïstisch perspectief geldt immers:
- God bestaat 100% wel
- God bestaat 100% niet
Beide uitspraken zijn waar. Dit leidt tot wat men ‘(ontologische) onderbepaaldheid’ kan noemen: de klassieke criteria dwingen niet tot één enkele ontologische beslissing.
Voor een klassiek denkend subject ontstaat nu een lastige situatie. Men kan niet tegelijk zeggen: “God staat wel én niet op mijn ontologische lijst”, want een lijst is per definitie klassiek opgebouwd. Men moet kiezen:
- óf God opnemen in de lijst met bestaande ‘dingen’;
- óf God niet opnemen in de lijst met bestaande ‘dingen’.
Belangrijk is dat hier geen neutrale derde positie bestaat. Opschorting (ik weiger om de knoop door te hakken) is hier zelf niets minder dan een impliciete keuze. De beslissing is dus praktisch onvermijdelijk.
4. Twee juiste keuzes
In deze situatie zijn strikt genomen 3 keuzes mogelijk:
1. God wordt niet op de ontologische lijst gezet omdat zijn bestaan niet klassiek te bepalen is (klassiek is: je kunt niet kiezen, het ‘ja’ is even geldig als het ‘nee’);
2. God wordt wel op de ontologische lijst gezet, omdat er goede redenen zijn om zijn bestaan te affirmeren (bijv het bestaan van ‘absurde’ God is 100% waar).
3. God wordt niet op de ontologische lijst gezet omdert er goede redenen zijn om zijn bestaan te ontkennen (bijv het bestaan van ‘absurde’ God is 0% waar; equivalent: dat God niet bestaat is 100% waar).
Zo op het oog lijken deze keuzes toegestaan. Geen van de drie is verplicht. Dit is een vorm van wat in de epistemologie wel permissiviteit wordt genoemd: gegeven dezelfde informatie mogen verschillende rationele subjecten tot verschillende conclusies komen. (Vergelijk ook Kierkegaards ‘Objective and subjective truth’ (in: Sprigge, 2006, p.182)).
Merk op dat keuze 1 slecht te verantwoorden is: immers, als je over de logische middelen beschikt om een bepaald probleem te analyseren, waarom zou je dan vasthouden aan een logica die beslist niet bruikbaar is? Als de klassieke denkwijze universeel geldig was, dan zou je kunnen zeggen dat keus 1 redelijk/rationeel is. Maar de klassieke denkwijze is beslist niet universeel geldig. Daarmee vervalt keus 1.
De keus voor 2 of 3 impliceert geen relativisme en geen willekeur. De keuzes zijn gebonden aan argumenten, kaders en zelfbegrip. Ze sluiten elkaar echter niet logisch uit, maar dat is eigen aan de problematiek die een dialetheïstisch kader de filosoof oplegt.
5. De affirmatieve keuze en haar rechtvaardiging
Stel nu dat iemand kiest voor de affirmatieve optie: God wordt wel op de ontologische lijst gezet. Is dat epistemisch verdedigbaar?
Het antwoord luidt: ja, als je de rechtvaardiging maar zorgvuldig uitwerkt. De rechtvaardiging is als volgt:
i. Binnen het dialetheïstische kader is de uitspraak “God bestaat” waar.
ii. Dat God ook niet bestaat, ondermijnt deze waarheid niet, omdat waarheid hier niet exclusief is.
iii. Ontologische toelating vereist hier slechts dat er voldoende redenen zijn voor toelating.
iv. De affirmatie “God bestaat” is dus epistemisch gerechtvaardigd, zij het niet dwingend.
Het subject liegt niet wanneer hij zegt: “ik weet dat God bestaat”, zolang -het kan niet vaak genoeg gezegd worden- duidelijk is dat “weten” hier betrekking heeft op een dialetheïstisch kader.
(Welke redenen kun je o.a geven voor het bevestigen van Gods bestaan: waarheid, existentiele redenen (God heeft het primaat van zingeving), geluk (gelovigen zijn gemiddeld genomen gelukkiger dan niet gelovigen, enz)).
6. Zeker weten zonder exclusiviteit
In het klassieke kader impliceert zeker weten zoiets als ‘exclusieve waarheid’. In het dialetheïstsiche kader wordt deze voorwaarde losgelaten. Zekerheid wordt anders gedefinieerd, niet als logische exclusiviteit, maar als: 1. het subject moet een keus maken, 2. het subject weet dat zijn keus 100% waar is, 3. het subject gelooft dat zijn keus existentieel dient te worden nageleefd en dat naleving voordelen heeft (=existentieel verantwoorde affirmatie). Punt 3 is eigenlijk de 'actor-pedant' van het 'geloof' in de klassieke definitie van weten. Je zult van een keus die je niet wilt naleven niet goed weten waarom je deze keus gemaakt hebt. (De klassieke definitie is (1) het is waar dat p, (2) ik geloof dat p en (3) ik heb een methode om de waarheid van p te bepalen. Dialetheïstische definitie: (1) het is waar dat p, (2) ik wil p naleven, (3) p past het best in mijn manier/methode van leven (existentiële bepaling)).
De mens is immers een ‘actor’, een ‘biologische machine’ die moet handelen en die een bepaald beeld van zichzelf en zijn handelingen heeft en een bepaalde manier van leven. Confr. met: de mens is een epistemische machine een ‘ding’ dat voortdurend ‘exclusieve waarheid moet produceren.
Deze vorm van zekerheid sluit het tegendeel (‘God bestaat niet’) niet uit, maar kan er niet door worden ontkracht (deze zekerheid ‘weerstaat’ (in het Engels ‘survives’, overleeft)) het tegendeel). Dat maakt haar zwakker dan klassieke logische ‘zekerheid’, maar niet incoherent, niet irrationeel, niet ongefundeerd, enz.
7. Transcendentale onontkoombaarheid
Dit brengt ons bij het idee van transcendentale onontkoombaarheid. De gedachte is deze: de vraag naar God kan niet definitief worden afgewezen (je kunt het bestaan van een ‘absurde God’ onmogelijk uitsluiten, want in een dialetheïstisch kader zijn beide opties -bevestiging en ontkenning- waar. De beslissing om God, die onze klassieke logica overstijgt (transcendeert) wel of niet te affirmeren, is daarom onontkoombaar.
In zo’n situatie bestaat rationaliteit niet uit het vinden van het ene juiste antwoord, maar uit het nemen van verantwoordelijkheid voor een onvermijdelijke keuze. Dat is geen bewijs, maar ook geen blind geloof.
De affirmatie van Gods bestaan krijgt zo een specifieke status:
-zij is epistemisch toegestaan;
-zij is intern coherent;
-zij is existentieel significant;
-zij is niet universeel afdwingbaar.
Dat laatste is geen tekortkoming, maar een gevolg van de aard van het object: een absurde, a se realiteit kan niet op klassieke wijze worden ontleed en begrepen.
8. Tenslotte
In een wereld waarin onze logische denkwijze lokaal is en niet universeel verandert de aard van kennis. ‘Weten’ wordt niet gedefinieerd bv. als het uitsluiten van contradicties, maar als het maken van een gerechtvaardigde ontologische keuze onder voorwaarden van niet-klassieke onderbepaaldheid (dialetheïsme, evt trivialisme, meerwaardige logica’s, enz). Wie in zo'n context zegt 'ik weet dat God bestaat' maakt geen klassieke logische claim die iedereen moet accepteren, maar een epistemische legitieme affirmatie waarvoor goede redenen bestaan (en deze redenen zijn voor iedereen toegankelijk). En dat is precies wat een filosoof behoort te doen als het kwesties betreft die niet te meten en niet te berekenen zijn.