maandag 22 juni 2026

De koe is een herkauwer

Uiteindelijk is alles natuurkunde. 

De mens is een object. Een van de fysische eigenschappen van het object is dat het 'unilokaal' is (andere fysische eigenschappen van het object zijn: ondoordringbaar, eenheid, omvang, vorm enz).

Een mens kan slechts op één plek zijn in tijd en ruimte. Hij kan dus niet op twee plekken zijn en ook niet op nul plekken zijn. 

Nu is de mens een bewegend object. Ook als een object beweegt blijft het unilokaal. Je gaat van één plek, langs één lijn naar één nieuwe plek. 

Van de weeromstuit is een bewegend object gedwongen om keuzes te maken: je kunt in principe, in het platte vlak, al naar vier windstreken of naar twaalf uren.

Om te kunnen kiezen heb je waarden nodig. Zomaar wat bewegen is in de natuur een doodzonde, want je verspilt het 'levenselixer' (=energie, ook al een fysisch begrip). 

Met andere woorden: handelen is alleen mogelijk als er aan je handelingen een prijskaartje hangt. Hangt er aan een mogelijke keus geen prijskaartje, dan weet je niet wat je moet doen. <Geen wonder dat mensen dol zijn op lijstjes en rangordes: ze scheppen duidelijkheid: een mens met uitgesproken voorkeuren weet altijd wat hij moet doen.>

Een bewegend unilokaal object met biologische noden en behoeften moet beschikken over waarden.

Voor organismen is het leven simpel en zijn de waarden door de natuur in het verstand aangebracht. Metabolisme staat op de eerste plaats (eten, fourageren); ook moet je je kunnen verweren tegen gevaren (vechten, vluchten, schuilen, je dood houden, enz). 

Nu is de koe tevreden met gras -het dier eet gras, elke dag opnieuw, gras, gras en nog eens gras-, maar de mens heeft een beter en groter verstand: en zij heeft de keus uit duizenden gerechten, van pannenkoek tot rauwe marmot.

Is het leven leuker als je zoveel keus hebt? Of moeten we de koe benijden, die elke dag haar portie gras eet, gras, gras en nog eens gras?

Het grote verstand van de mens stelt hem zelfs voor een nóg lastiger keus: is het leven van een dier dat eet, slaapt en drinkt op zich wel de moeite waard? Deze vraag is lastig, want de waarde van het bestaan is lastig te bepalen.

De mens weet dat haar leven eindig is (weet de koe dat haar leven eindig is?; er zijn mensen die hun leven lange elke dag opnieuw beseffen dat hun dagen geteld zijn): dat maakt het wel lastig om te bepalen wat de waarde van het leven op zich is: want hoe kan iets dat 'stuk gaat' nu waardevol zijn? 

Bepalen wat de waarde van het bestaan is is een zeer lastige puzzel. Een biologisch unilokaal object kan hier de volgende gedachten over hebben:

(1) zorg dat je een levenstaak hebt, een queeste (ga op zoek naar je eigen heilige graal: het milieu (sluit je aan bij extinction rebellion), de politiek, de wetenschap, filosofie, schrijf een boek of probeer eens of je Oekraïne kunt bezetten).

(2) word nihilist (betoog dat het leven geen waarde heeft: wees als Bazarov en verklaar dat zelfs de liefde van je ouders volkomen zinloos is: zelfs het leven van de koe vertegenwoordigt geen waarde: haar bestaan is een zinloze exercitie van biologische activiteiten: eet, slaap, plant je voort en blijf veilig bij de kudde; de nihilist vindt het zelfs zinloos om zelfmoord te plegen, maar feitelijk zou levensbeëindiging wel consequent zijn).

(3) besteed het antwoord uit aan een hogere instantie (zo doen wij dat ook bijvoorbeeld in de politiek of als het om medische vraagstukken gaat: je roept de hulp van een specialist in; je moet dan maar vertrouwen op de kunde en het vakmanschap van deze hogere instantie).

(4) wees onverschillig (vermijd elke keus die niet direct gericht is op de eerste levensbehoeften: laat je leven bepalen door de omstandigheden, leef zoals het toevallig uitkomt- denk niet na over de toekomst of over de waarde die het leven eventueel heeft).

Is het uitgesloten dat het leven op zich waarde heeft? Ook al ga je stuk en vergaat het heelal? Bedenk dat een unilokaal bewegend object ook -noodgedwongen- een unilokale denkwijze heeft. Unilokale denkers denken langs één rechte lijn en maken exclusieve lijstjes: het is ja of nee (je gaat wel of niet naar het Noorden: op geen plaats kun je niet zijn en op twee plaatsen ook al niet). 

Hij kan zich daarom niet indenken dat er meerdere -misschien veel- ware verhalen over de werkelijkheid verteld kunnen worden. Bijvoorbeeld: wellicht ga je niet 'stuk', omdat geest en brein twee totaal verschillende zaken zijn die één zijn; wellicht zijn er werelden in werelden die voor een unilokaal object niet toegankelijk zijn, enz. 

Je bent immers in je hoedanigheid van unilokaal object wel een beetje beperkt, daar hoeven we niet over te twisten. Was je een gas of een vloeistof dan zou je kunnen uiteenstuiven naar alle uren van de klok: je zou dan niet exclusief moeten denken maar inclusief. Je zou dan geen moeite hebben met de gedachte dat een gewone natuurlijke wereld niet uitsluit dat er ook een transcendente wereld is - en wie weet een wereld boven de transcendente wereld en een wereld boven de transcendente transcendente wereld: ad infinitum.

Als je unilokale denkwijze een beperking is, dan is letterlijk alles mogelijk: je kunt geen denkbeeld of voorstel uitsluiten.

Maar ja, leg dat maar eens uit aan dieren met het verstand van een unilokaal object...

zondag 21 juni 2026

De juiste keus?

Mensen willen best in God geloven, maar dan moet hij wel voldoen aan een aantal eisen: hij moet onder andere rationeel zijn. Een onbegrijpelijke God, waar we geen greep op krijgen, die hoeven we niet. Want over een dergelijke God kunnen we niets zeggen en we kunnen niets van Hem weten (en wat blijft er dan nog over van je geloof?). 

Misschien hebben gelovigen altijd gedacht dat het redelijk is om God op te vatten als een rationeel wezen: immers, de ratio is altijd beschouwd als de belangrijkste eigenschap van de mens. De mens lijkt geschapen (ontworpen) als 'het rationele dier'. 

Tegenwoordig beginnen we te vrezen dat onze ratio niet zo bijzonder is (wel uitzonderlijk misschien, want geen dier kan een boek schrijven of een betoog houden, maar geen eigenschap die zo wonderlijk is dat ze buiten de natuurlijke orde valt). 

Mijn mobieltje staat inmiddels vol met denkmachines. Ze weten binnen een oogwenk op bestelling -de prompt- de juiste kennis in de juiste volgorde te presenteren. Ik las laatst dat wiskundigen beginnen te vrezen dat ze aanstonds overbodig zijn, want het ziet er naar uit dat denkmachines uitstekend mathematisch kunnen 'denken'. (Ik denk eerlijk gezegd dat het zo'n vaart niet zal lopen: het is mijn ervaring dat deze machines het laten afweten als je het naadje van de kous wilt weten- net als je denkt: zo, dit begint werkelijk interessant te worden, geven ze geen sensationeel antwoord, maar verschaffen ze ons slechts kennis waar we al over beschikken. De 'denkmachine' is daarom vooralsnog een 'zoekmachine'- maar wel een erg goede zoekmachine).

Ik herinner mij nog goed de opwinding die het internet in het begin meebracht. Filosofen hielden oraties over "een nieuwe wereld, waarin informatie voor iedereen beschikbaar zal zijn: en dat is de grondslag voor een nieuwe, humane open maatschappij: dictators zullen geen greep meer hebben op het verstand van hun onderdanen." 

Inmiddels zijn we dertig jaar verder en zijn er nog steeds dictators- en de wereld wordt geregeerd door de algoritmen van Bikteg. Internet is verworden tot tiktok, insta en feesboek. Ik moet daarom nog zien wat uiteindelijk de meerwaarde zal zijn van generatieve ai (ai, ai?, zei de ezel, iaa, iaa!). 

Zou God rationeel zijn? Ik heb steeds sterker de overtuiging dat het bestaan niet draait om 'waarheid', 'ratio', 'logica', enz, maar om 'ethiek': de belangrijkste vraag is niet 'wat is de ware theorie van de werkelijkheid', 'wat is het juiste logische model' 'wat is betrouwbare kennis', maar 'hoe handel ik goed', 'wat moet ik doen', 'wat is voor mij de juiste weg'?

God is eerder een ethicus dan een logicus: we leven dan ook in een wereld van goed en kwaad. De wereld is een menging van zowel het goede als het kwade- en het kwaad is zo gruwelijk en verschrikkelijk als 'kwaad' maar kan zijn; en het goede is zo licht en onschuldig en weerloos als 'goed' maar kan zijn.

Deze visie past ook veel beter bij onze natuurlijke 'staat': we zijn namelijk belichaamde wezens die helemaal 'af-gemonteerd' zijn om te handelen: ons logische verstand, ons waardensysteem, ons vermogen tot cognitieve controle, kortom, alle radar-systemen die we aan boord hebben dienen om onze handelingen te plannen, te beoordelen (overdenken) en uit te voeren.  

In essentie zijn wij het dier dat zich bij elke straathoek moet afvragen: wat zal ik doen, waarheen zal ik gaan, hoe doe ik het goede en hoe vermijd ik het slechte?

Wat dat betreft is het existentialisme een interessante filosofische stroming: het is inhoudelijk een eenvoudige leer, maar daarom niet minder krachtig; het existentialisme geeft goed weer hoe lastig het bestaan is voor een mens die geen vast programma heeft: de dwang, de verplichting om steeds opnieuw te kiezen, ligt de existentialist zwaar op de schouders. Volgens de existentialist ben je het product van de keuzes die je gemaakt hebt in het verleden. 

JanPaul en Simone benadrukten dat de ergste zonde voor de weifelende mens 'de kwade trouw' is, dat wil zeggen: dat je huichelt, niet echt achter je keus staat. Jammer dat die twee zoveel dronken: bedwelmd door het leven gaan lijkt mij nou niet direct een blijk van goede trouw; maar hun manier van leven demonstreert dan wel weer hoe zwaar het bestaan van de existentialist is: goed leven, voortdurend bevangen zijn door uiteenlopende opties, is een bijkans ondraaglijke last- vandaar dat we misschien zoveel respect hebben voor 'heiligen en wijzen', mensen die wel zonder kleerscheuren -dus: zonder kwade trouw- hun leven leiden (ongeacht of deze wijzen uit het Oosten of het Westen komen).

Ik geloof dat het existentialisme zo aansprekend is omdat ieder mens wel voelt dat deze visie 'raak' is: inderdaad, steeds opnieuw ziet elke mens zich gesteld voor de vraag: wat zal ik aanvangen, deed ik het goede, had ik anders moeten doen?

Het leven is absurd, een paradox en de mens zoekt al weifelend zijn weg; en van het concert des levens krijgt niemand een program; en alles is ijdelheid en najagen van wind... maar van jou wordt verwacht dat je in een wereld zonder houvast de juiste weg vindt. Ga er maar aan staan...

zaterdag 20 juni 2026

Het slaapmiddel

Een argument voor de consistentie van de werkelijkheid is dat wij uitsluitend 'ware' theorieën kunnen opstellen als de werkelijkheid 'waarlijk' consistent is. 

Volgens mij is er iets mis met dit argument. In ieder geval is dit argument verenigbaar met de volgende bewering:

Wij kunnen ware, consistente theorieën opstellen als de werkelijkheid triviaal is (want als elke bewering waar is, dan is het mogelijk om ware, consistente theorieën op te stellen).

Het probleem met het trivialisme is echter dat het dan onmogelijk is om onware theorieën op te stellen: in een wereld waarin alles mogelijk is is alles waar: waarom is het dan niet mogelijk om op een vliegend tapijt naar mars te reizen? Of kanker te genezen middels een knipoogje?

Dit tegenargument slaat echter de plank mis. Als alles mogelijk is, is het ook mogelijk dat er een wereld is waarin je niet op een vliegend tapijt naar mars kunt en waarin je kanker niet kunt genezen met een knipoog.

Wij worden met een bepaalde denkwijze geboren: het is mijn overtuiging dat onze denkmachine, het brein, een klassiek-logische werking heeft. Een klassiek-logisch brein is exclusief: we houden één antwoord voor waar en alle andere antwoorden voor onwaar. In een triviale wereld schept een exclusief werkend brein zo één pad van ware, consistente antwoorden; alle antwoorden buiten dit pad worden voor onwaar gehouden (terwijl ze, vanuit het perspectief van de trivialist, wél waar zijn: hij ziet de werkelijkheid als één groot 'bad' van waarheden).

Nu is het trivialisme een formele theorie. We begrijpen wel wat het trivialisme is en hoe we het moeten definiëren. Feitelijk is het trivialisme een variatie op de klassieke logica.

Het is ook mogelijk dat de werkelijkheid zelf niet consistent is, niet triviaal, maar onbevattelijk. Als we ons afvragen hoe de werkelijkheid zelf geordend is, dan is 'onbevattelijk' bovendien de meest voor de hand liggen verklaring. Het enige wat je hoeft te doen om te mogen concluderen dat de werkelijkheid onbevattelijk is, is vaststellen dat onze denkwijze 'structureel' is maar beperkt.

Tenslotte: het argument dat wij alleen ware, consistente theorieën kunnen opstellen in een consistente werkelijkheid lijkt mij -zeker gegeven de mogelijke alternatieven- ongeldig. Wezens met een klassieke denkwijze zullen [noodgedwongen] consistente theorieën opstellen; als je dan poneert dat deze consistente theorieën betrouwbaar zijn omdat de werkelijkheid zelf consistent is, dan is je verklaring niet beter dan de beroemde verklaring van Pangloss: een slaapmiddel werkt omdat ze een slaapverwekkende werking heeft.

dinsdag 12 mei 2026

Kijken met je denkbeelden

Wie les geeft over Kant -de filosoof die de wereld verdeelde in het noumenale en het fenomenale- stuit altijd, bij jonge mensen, op het probleem dat ze zich bij de noumenale wereld niets kunnen voorstellen.

We leven immers 'volop' in de wereld die we kunnen waarnemen en begrijpen. Een wereld die buiten onze waarneming staat is non-existent.

Mensen vinden het ook lastig om te begrijpen dat je kijkt met je 'verbeelding': je beziet de wereld met je denkbeelden. Je bent ziende blind voor de dingen die je niet begrijpt.

De hersenen zijn grofweg te verdelen in drie grote 'blokken'. Het motorische systeem, het waarnemingssysteem en het controlesysteem.

Het waarnemingssysteem bestaat uit je zintuigen én uit je denkbeelden. Je kijkt naar de wereld met je 'wereldbeeld'. Alle zaken die niet op begrepen wijze in je wereldbeeld -je georganiseerde verzameling denkbeelden- voorkomen, worden door jou niet 'gezien'.

Je noemt dit fenomeen de theorie-geladenheid van de waarneming.

Een mooi voorbeeld van de wijze waarop je blind kunt zijn voor de dingen die je niet begrijpt wordt gedemonstreerd door het egeltje.

Het egeltje is blind voor het denkbeeld 'auto'. Het weet niet dat een auto een groot, zwaar object is, dat een vast traject volgt -en dit met hoge snelheid aflegt- en dat alles wat haar voor de wielen komt platwalst.

Steekt het egeltje de weg over en hoort het een ongebruikelijk geluid, dan rolt het zich op tot een schattig bolletje met stekels. Omdat het beestje letterlijk blind is voor het concept auto, hoort ze wel geluiden, maar weet ze niet wát ze hoort- en daarom reageert ze niet adequaat. Ze 'ziet' het gevaar niet. Ze doet juist het domste wat je in een dergelijke situatie kunt doen: ze rolt zich op en gaat stil op de weg zitten, precies voor de wielen van de auto.

Zo kun je 'blind' zijn voor dingen die bestaan. Je neemt zaken wel zintuigelijk waar, maar je begrip is blind voor de echte betekenis van het object dat je waarneemt.

Het fenomenale voertuig wordt wel waargenomen door het egeltje, maar het noumenale voertuig niet. 

Hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Kent echter je verstand absolute grenzen, dan zul je nooit de wereld in haar geheel doorgronden. 

Zo dacht Kant dat de mens door de beperkte werking van zijn eigen verstand blijvend 'blind' is voor de werkelijkheid.

dinsdag 5 mei 2026

Het vetorecht van de basiswetten

De basiswetten hebben ons sterk in hun greep. We kunnen nauwelijks geloven dat twee strijdige beweringen (bijvoorbeeld: a & ¬a) waar zijn. Het is gebruikelijk om filosofen, die aan de waarheid van de basiswetten twijfelen, naar tegenvoorbeelden te vragen. Als zij dan zo vermetel zijn om tegenvoorbeelden te geven, worden deze tegenvoorbeelden vrijwel altijd ‘ontmanteld’ en als ‘pseudo-tegenspraken’ (paradox) retour gezonden. 

In de praktijk is het echter niet lastig om een voorbeeld te geven van tegenspraak. Als iemand bijvoorbeeld vis eet, dan nuttigt hij gezonde én ongezonde stoffen. Het vlees van de vis is van nature ‘gezond’, maar het werd door vervuiling ‘ongezond’. Je kunt de waarheid van de bewering dat een stukje vis ‘gezond & ongezond’ is daarom wel rechtvaardigen. 

Een filosoof die strikt in de leer is, zal het voorbeeld kunnen ontkrachten door er op te wijzen dat het vlees niet gezond of ongezond is, maar dat het vlees verschillende stoffen bevat die het deze strijdige eigenschappen geven. Een voorbeeld van een ‘echte’ contradictie is dit zodoende niet. Van een echte contradictie is pas sprake als je laat zien dat één en dezelfde stof gezond en ongezond is. 

Waar deze weerlegging op neer komt is dat je, op creatieve wijze, zo schuift met de polen van de tegenstelling, dat je de tegenspraak herleidt tot een onbestaanbare (onmogelijke) constructie.

Op grond van welke regel of bepaling echter mogen we het stukje vis geen tegenspraak noemen? Wie aanvoert dat tegenspraak ‘bij wet’ onmogelijk is en tegenvoorbeelden daarom zo bewerkt dat de tegenspraak verdwijnt, bedient zich van een ongeldige redenering. Het komt er bij het 'demonteren' van een tegenspraak zonder uitzondering op neer dat de wet van non-contradictie, de wet die zegt dat tegenspraak onmogelijk is, het laatste woord krijgt. De wet van non-contradictie verbiedt een tegenspraak om geen andere reden dan dat zij (i) tegenspraak verbiedt en (ii) als hoogste wet in rang het vetorecht heeft [1].

Deze ‘procedure’ maakt duidelijk waarom het rechtvaardigen van de basiswetten zo lastig is. We beschikken om de basiswetten te rechtvaardigen niet over wetten die nóg fundamenteler zijn; we kunnen echter de basiswetten niet gebruiken om ‘plompverloren’ zichzelf te rechtvaardigen. Je noemt dit het zogenaamde 'background problem of logic'. Het probleem is onoplosbaar. 

Feitelijk is er daarom geen beletsel om het stukje vis een voorbeeld te noemen van een tegenspraak: we beschikken over geen argument dat ons verbiedt om het stukje vis te beschrijven als ‘gezond & ongezond’. Je kunt je altijd beroepen op het feit dat het stukje vis zélf gezond én ongezond is -omdat de gezonde en ongezonde stoffen niet uit het vlees geschraapt kunnen worden- en daarmee blokkeer je een verdere reductie.

Het voedingscentrum adviseert daarom om slechts éénmaal in de week vis te eten. Eenmaal in de week mag je je gezondheid verbeteren én verslechteren met één stukje vis (van 75 gram).

----

[1] merk op: de basiswetten zijn atavismen, allesbepalende 'diepgelegen' neigingen -van biologische snit- die ons denken sterk bepalen. Deze atavismen eisen van ons dat wij de werkelijkheid consistent beschrijven (afbeelden, weergeven). Het ligt voor de hand dat deze 'eis' niet voor niets ten grondslag ligt aan onze denkwijze. Ze zal ontstaan zijn ergens in het Cambrium of -naar nieuwe inzichten- nog vroeger, in het pre-Cambrium. In die dagen waren de organismen zeker niet in staat om de gehele werkelijkheid te doorgronden. Ze hadden slechts sinds kort de beschikking over zenuwweefsel en spierweefsel. De reden dat de basiswetten de grondslag voor het denken vormen is dat je zonder consistente spierwerking niet doelgericht kunt bewegen. Als spieren en zenuwen niet alras consistente systemen vormen, dan kun je niet axiaal (unitair) vooruit of achteruit bewegen. 

vrijdag 24 april 2026

Aleman, A., De Ziel van het Brein (2.5)

Steeds als ik in de spiegel kijk zie ik hetzelfde gezicht. Het is een gezicht van huid, vlees, been en bloed (=rode koontjes). Het is niet anders. Schijnbaar ben ik geen doorschijnend wezen. Zo heeft God mij 'geschapen'. Ik ben een stoffelijk dier.

Nogal wat mensen vinden het niet prettig dat ze 'stoffelijk' zijn. Ik vraag me af waarom dat zo is: wat is er mis met het feit dat de wereld stoffelijk is? Het maakt haar niet minder mysterieus, niet minder ondoorgrondelijk, raadselachtig. Zou je de stoffelijke wereld inruilen voor een onstoffelijke wereld, dan zou de aard van het 'geheel' evenmin begrijpelijk zijn: ook het bestaan van een onstoffelijke werkelijkheid zou precies zo mysterieus en raadselachtig zijn als ze nu is. Bovendien zou je misschien ook uitgekeken raken -geborneerd- op je onstoffelijke presentie (en van lieverlee verlangen naar een stoffelijke wereld).

Het is niet de stoffelijke aard van de werkelijkheid die haar 'onttovert'. Het probleem is de 'filosofie' van de mens: hij heeft de overtuiging dat hij een stoffelijke wereld volledig kan doorgronden. Het is een soort dedain voor 'het wonder van het bestaan'. Waar de overtuiging dat heel de wereld kan worden beschreven en begrepen op stoelt is mij overigens niet duidelijk. Want de meest zekere wetten waar hij over beschikt [Aristoteles, Metafysica, boek 'gamma'], blijken bij nader inzien helemaal zo zeker niet te zijn. Daarmee komt heel het onderzoeksprogramma van de mens op losse schroeven te staan. 

Deze lange inleiding is nodig om het boek van Aleman te verdedigen. In deze stoffelijke wereld treffen we ons zelf aan met een grote bundel zenuwweefsel in onze schedel, 'de zetel van de ziel'. Het brein van de mens is een uitermate vreemde machine: enerzijds zijn wij ons brein, anderzijds zijn onze gedachten door hun inhoud 'losgezongen' van de duizenden vonken en chemische regens waarmee immense aantallen neuronen elkaar voortdurend ontsteken en uitdoven. Niemand op aarde doorgrondt de werking van de hersenen. Ze zijn stoffelijk, dat wel: je kunt -als keek je naar de wolkenhemel- zien waar het bliksemt en dondert. Maar daar houdt het dan ook mee op.

Begrijpen hoe de hersenen werken is niet aan de orde. Zou het kunnen dat de hersenen een bepaalde, onbekende 'grondstof' verwerken, namelijk 'semantische velden', 'psychische eenheden' (panpsychisme), 'betekenissen' of 'intenties'? Of ontvangen de hersenen een bepaald signaal, zoals een rekenmachine het wifi signaal ontvangt? Ach, het heeft vooralsnog weinig zin om hier over te speculeren (te ontdekken hoe de hersenen werken vereist voorlopig dat neuropsychologen de netwerken, kwabben en kernen nauwkeurig in kaart brengen). Feit is dat ik, die gebruik maakt van dit brein, gemakkelijk kan profiteren van het werk dat de hersenen verrichten. 

Aleman heeft zeker oog voor de diepzinnige vraagstukken die het brein omgeven. Zo bespreekt hij de vele problemen en hoofdbrekens die het de breinen van filosofen kost om te begrijpen hoe de gebruiker -jij- op een zekere vertrouwde, vrije wijze gebruik kan maken van het brein. Hoe is het mogelijk dat ik de machine die ik ben -en aan welks werking ik in zekere zin onderworpen ben- kan gebruiken zoals ik het wil en op een wijze die recht doet aan mijn verlangens en wensen? Zodat ik over de machine waaraan ik onderworpen ben tegelijkertijd heer en meester ben? 

(Een ander boek van Aleman heet 'Je brein de baas': alleen die rake titel geeft al weer hoe mysterieus het brein is: je kunt niet harder lopen dan je lichaam, maar kun je wel meer willen dan je brein wil?)

Je kunt Aleman echt niet verwijten dat hij als een 'harde wetenschapper' spreekt over ziel, psyche en brein. Het is wel jammer dat de bespreking van de filosofische opvattingen nogal 'vluchtig' is. Hij stipt de zienswijzen op ziel, psyche en brein slechts aan. Nu ontgaat het een lezer misschien hoe raadselachtig de verhouding tussen ziel, psyche en brein is. De conceptuele ruimte tussen deze fenomenen is groot genoeg om recht te doen aan religieuze overtuigingen,- maar dat moet je wel goed uitleggen.

Aleman zelf verdedigt een 'genuanceerde vorm' van dualisme, het zogenaamde 'twee-aspecten monisme' (het brein is één munt met twee zijden: één orgaan (=monisme) dat zowel instrumenteel als persoonlijk (ervaring) kan worden begrepen en beschreven). Ook dit is natuurlijk een mysterieuze constructie (denk er maar eens diep over na).

De bedoeling van het boek is om ons een overzicht te geven van een specialisme in de neuropsychologie, namelijk die van de 'neuropsychologie van religie en spiritualiteit'. Aleman kwijt zich op een uiterst doelmatige wijze van zijn taak. Ik vind persoonlijk dat hij een prettige, zakelijke 'pen' heeft. Toegegeven: in sommige paragrafen werpt Aleman je wel erg veel technische termen -zonder duiding- voor de voeten; in andere paragrafen (zoals die over het onderzoek naar gebed) wordt de duiding echter wel verstrekt en is de tekst goed te volgen. [±] 

Inhoudelijk is het vakgebied zeer interessant. Zijn gelovige mensen bijvoorbeeld minder rationeel dan hun ongelovige tegenhangers? Nee, niet persé (zie: h3).

Is je brein actief bij spirituele ervaringen (hopelijk wel: en ook je hart klopt nog en ook je nieren en longen staken hun werking niet)? Jazeker. Aleman schrijft dat volgens Newberg zelfs 'het menselijk brein biologisch geprogrammeerd [is] om betekenis te zoeken en creëren, inclusief religieuze of spirituele overtuigingen. Dit bewijst of ontkracht de waarheid van religie niet, maar het suggereert dat geloofssystemen op natuurlijke wijze kunnen voortkomen uit de manier waarop hersenen functioneren'. [Ik kwam een soortgelijk inzicht tegen in het zojuist verschenen boek van Paul Goldsmith, The evolving brain: ons brein is van nature 'empathisch'].

En hoe zit het met het vaak aangehaalde inzicht dat religieuze ervaringen 'slechts' veroorzaakt worden door epileptisch toevallen? Wel, dat verhaal is onjuist (niet voldoende onderbouwd).

Ik weet dat sommige mensen afknappen op het feit dat een 'louter mentaal' proces een neurologisch correlaat heeft. Een dergelijke reactie zegt echter meer, vermoedelijk, over onze  vooroordelen ten aanzien van wetenschap en van de 'stoffelijke wereld', dan over de waarde van de spirituele ervaring. Een ervaring is net zo 'echt' -zeker in modale zin: de ervaringen die je hebt zijn 'mogelijk': dus maken ze deel uit van de werkelijkheid- als de neuronen die haar bewerkstelligen.

Nogmaals, het doet er niet toe of de wereld stoffelijk of niet stoffelijk is. Dát is het punt niet als we ons buigen over religie en zingeving. Het punt is dat het een groot, onbevattelijk wonder is dat de werkelijkheid bestaat: de werkelijkheid is ondoorgrondelijk. Het feit dat je op aarde bent en je 'binnen-in' voortdurend kunt onderdompelen in een bad van kleuren en geluiden en tal van andere ervaringen, dát is opmerkelijk. 

Is het gezond om religieus te zijn? Jazeker! (Zie: h7). Zingeving kan een krachtig medicijn zijn (dit onderwerp was voor mij de 'trigger' om dit (e-)boek te kopen: mijn leerlingen hebben zo'n sterke behoefte aan zingeving, aan een verhaal dat iets verder reikt dan 'de mens kan de wereld samenvatten in een 'toe' van ongeveer vier, elegante formules'.) 

Je kunt, onder andere op grond van neurologisch onderzoek, een pleidooi houden voor het inzicht dat de mens van nature een ethisch dier is, 'ontworpen' om goed of kwaad te handelen (zoals een divi-divi boompje in de tropen is gaan staan naar de passaatwind, zo is onze 'constitutie' gaan staan naar de 'plicht' om sociaal/ethisch te handelen: aan alle voorwaarden daartoe is voldaan- en als je een ethisch leven kunt leiden, dan heeft je leven zin). Neurotheologie laat zien dat hersenonderzoek zeker niet uitvalt in het voordeel van de atheïst.

Al met al ben ik goed te spreken over dit boek. Het is helder geschreven -met als enige bezwaar dat Alemans weergave hier en daar wat al te beknopt en technisch is- en het biedt je de nodige aanknopingspunten om je verder te verdiepen in de besproken onderwerpen. Ik zelf vind vooral het nieuwe licht dat de schrijver werpt op vooroordelen ten aanzien van religieuze zielen -religieuze ervaring is geen epilepsie, religieuze mensen zijn niet lichtgelovig- bijzonder waardevol. Vooral atheisten, met hun lichtgelovige neiging om de minste wetenschappelijke verklaring voor religieuze gebruiken en overtuigingen voor waar te houden, zouden dit boek eens moeten lezen. 

De religieuze ziel, op haar beurt, zal moeten sleutelen aan haar vooroordelen ten aanzien van onze stoffelijke wereld, wil zij althans waardering voor het werk van neuropsychologen kunnen opbrengen. Je bent je brein én je hebt je brein. Waarom zou je dat ontkennen?

-----------------------------

Aleman, A, De ziel van het brein, (een neurowetenschappelijke zoektocht naar spiritualiteit), Kok (Utrecht), €22,- (eboek: €15,-).

Let op: het boek bevat een flap waarop je de bouw van de hersenen -en zodoende ook de vaktermen die Aleman gebruikt- kunt nakijken. Het eboek is daarin zo handig niet. Daarentegen is het gedrukte boek van een waardeloze kwaliteit: zelfs het papier van een kladblokje is kwalitatief nog beter. 

------------------------------

[±] Wellicht had Aleman, bij het schrijven van dit boek, twee verschillende doelgroepen in gedachten: de leek, die graag kennis wil nemen van dit onderzoeksgebied, en vakbroeders met een andere specialisatie. Het weglaten van de technische termen is in dat geval geen optie. Wordt echter steeds opnieuw uitgelegd welke vaardigheden en stemmingen aan de genoemde hersengebieden en -kernen toegeschreven kunnen worden, dan is de tekst ook voor de geïnteresseerde leek goed te volgen. In veel paragrafen gaat dit trouwens goed en is de tekst, lijkt mij, inderdaad interessant voor zowel leek als vakbroeder.

Persoonlijk heb ik mij niet gestoord aan de vaktermen die Aleman gebruikt: zo schrijven eigenlijk alle neuropsychologen: ze verwijzen onophoudelijk naar bepaalde hersengebieden. Misschien is het probleem dat neuropsychologen wel kunnen zeggen welke kernen en gebieden actief zijn bij bepaalde ervaringen en handelingen, maar dat hen de samenhang tussen alle kernen en gebieden niet bekend is. Het is daarom -dit is een vermoeden- lastig om een 'vanzelfsprekend' eensluidend verhaal te smeden van alle losstaande onderzoeken en gegevens. Voor de leek is een sluitend verhaal echter begrijpelijker, omdat zij de rijke context mist van de specialist.

------------------------------

Voor een kritische recensie -misschien vind je die van mij te welwillend- zie: Smedes, Taede (met wat googlen vind je zijn recensie wel).

Overigens bevielen mij ook andere boeken goed die Aleman schreef, waaronder 'het seniorenbrein', 'hersenspinsels' en 'het brein de baas'; (van het seniorenbrein is onlangs een nieuwe editie uitgebracht met een lelijk omslag: jammer, ik vond het omslag van de eerste editie erg mooi; bovendien is er tekst toegevoegd: dat vind ik 'gemeen', want nu is mijn eerste editie opeens 'onvolledig'.)

Wil je meer weten over 'neurotheologie' (de term is gemunt door Andrew Newberg, de bekendste vertegenwoordiger van het neuropsychologisch onderzoek naar religie), zie:

https://youtu.be/nDah0kvo1uY?si=O0LTtrrMD61jkjLY

maandag 13 april 2026

Kwain en de keeper (1.5: enkele aanpassingen)

Als je snel wilt weten hoe goed iemand is ingevoerd in de filosofie, dan moet je hem, zo tussen neus en lippen door, eens wat vragen stellen over Quine: beslist één van de belangrijkste filosofen van de vorige eeuw.

De kans is groot echter dat je gesprekspartner de vragen over Quine niet naar behoren kan beantwoorden.

Eén van de meest ingenieuze lezingen over het belang van de basiswetten is van zijn hand.

Quine beredeneerde dat het onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen niet te verdedigen is. Het onderscheid tussen logische en empirische (noodzakelijke en contingente) oordelen is kunstmatig. Al onze oordelen (overtuigingen, inzichten, meningen, 'proposities') worden op één en dezelfde manier gerechtvaardigd. 

[Iets technischer gezegd: men meende dat logische en wiskundige beweringen 'a priori' worden gerechtvaardigd en empirische (psychologische en fysische) oordelen 'a posteriori'. Volgens Quine echter wordt de geloofwaardigheid van de gehele theorie, dat wil zeggen: het weefsel van alle overtuigingen, in de praktijk (dat is 'a posteriori') op de proef gesteld].

Hoe rechtvaardig je je oordelen volgens Quine? Wel, je maakt van je overtuigingen een samenhangend verhaal. Je verhaal is een amalgaam van logische, theoretische en praktische overtuigingen: je plakt al deze oordelen van verschillende kwaliteit zo aan elkaar dat het geheel voor jou acceptabel/bruikbaar is.

Vergelijk het met voetbal. Hoe stelt een trainer zijn beste elftal samen? Door de beste verdedigers, de beste middenvelders en de beste aanvallers in het veld te brengen. Het is echter niet noodzakelijk om verdedigers, aanvallers en middenvelders strikt gescheiden taken en opdrachten te geven: een aanvaller kan ook meeverdedigen en een middenvelder of verdediger kan ook aanvallen. De trainer zoekt naar de beste balans in het elftal.

Hoe ontdek je wat de beste balans is: wel, dat zijn de elf spelers én hun speelwijze die de test -een wedstrijd of een competitie- goed doorstaan.

De trainer kan experimenteren: hij zou de aanvallers eens in de verdediging kunnen zetten en de verdedigers op het middenveld en de middenvelders in de aanval. De kans is groot echter dat hij dan wedstrijden verliest. De 'test' zal uitwijzen hoe verstandig het is om het elftal 'om te gooien'.

De trainer zou zelfs eens kunnen proberen om zonder keeper te spelen. Wellicht dat een troep van elf woest aanvallende spelers de tegenstander kan overrompelen. De kans dat hij dan wedstrijden verliest is echter groot: zelfs de minste tegenstanders weten wel raad met een leeg doel. Het is dus niet verboden om zonder keeper aan te treden, maar deze ingreep is te riskant: geen elftal zal zonder keeper spelen.

Je spits kun je wel vervangen door een verdediger: als je een voorsprong wilt verdedigen is dat misschien verstandig. 

Op soortgelijke manier denkt Quine over theorieën. Je mag alle overtuigingen in een theorie veranderen. Je mag de logische wetten wegsnijden, je mag onze ideeën over de zwaartekracht in de wind slaan, je mag het bestaan van de Olympische goden invoeren, zolang je 'verhaal' maar niet in de problemen komt. In de wetenschappelijke (en praktische) praktijk is het niet zo verstandig om de zwaartekracht af te schaffen en het bestaan van de Olympische goden in te voeren. Een dergelijke stoutmoedige theorie past niet goed in het huidige wetenschappelijke raamwerk. Maar in theorie heeft een wetenschapper de vrijheid om dat wel te doen. (Wellicht is Paul Feyerabend na lezing van Quine op het idee gekomen dat wetenschap een 'anarchistische' bezigheid behoort te zijn: alle inzichten kunnen van belang zijn, van astronomie tot astrologie).

[Iets technischer gezegd: dit is de beroemde Quine-Duhem stelling: je kunt een theorie uitsluitend als 'volledig verhaal' testen: alle praktische, theoretische en logische inzichten tellen mee. Dat rijke palet aan verschillende soorten inzichten maakt het vrijwel altijd mogelijk om een theorie te verdedigen. Immers, een wetenschapper kan, na een mislukte experiment, de 'schuld' toeschrijven aan een minder belangrijk inzicht in de theorie: dan blijven de belangrijke inzichten van de theorie behouden. Je hoort ook trainers deze Quine-Duhem stelling toepassen: dat de wedstrijd verloren is lag aan de scheidsrechter, aan de VAR, aan de afwezigheid van de sterspeler, aan de keeper die zijn dag niet had, maar niet aan het elftal als zodanig: het elftal als geheel blijft een goed team- de trainer ziet daarom geen noodzaak om drastische maatregelen te nemen na het verlies. Je begrijpt nu ook waarom Poppers 'falsificationisme' niet werkt: een wetenschapper hoeft zijn theorie niet af te schaffen na één cruciaal experiment.]

Waarom staan nu de twee basiswetten van de logica nog steeds in elke fysische theorie? Om de eenvoudige reden dat je 'de wedstrijd' geheid verliest als je de basiswetten weglaat. Zoals je ook geheid verliest als je geen keeper opstelt. We weten niet of deze basiswetten 'absoluut' waar zijn, we weten niet of ze door 'God' zijn ingesteld, we weten niet of ze 'neurologisch' noodzakelijk zijn, maar we weten wel dat we cognitief in de problemen raken als we onze verhalen over de werkelijkheid niet logisch ordenen.

Een trainer die een sterk elftal heeft is dwaas als hij dit elftal volledig 'omgooit'. Hij zou uitsluitend de speler die een blessure heeft moeten vervangen; ook kan hij eens proberen om een jonge veelbelovende speler het veld in te sturen. De 'basis-elf' echter laat je in principe staan. Quine geeft soortgelijke raad aan wetenschappers: het principe van 'minimal mutilation' zegt dat je een verhaal, als je redenen hebt om er aan te sleutelen, zo zuinig (minimaal) mogelijk moet aanpassen. Het principe van 'minimal mutilation' maakt duidelijk waarom we de basiswetten blijven opnemen in onze verhalen en theorieën over de werkelijkheid: wie ze weglaat verandert de orde van het hele verhaal, je haalt er de hele theorie mee overhoop.

De ideeën van Quine zijn de aanleiding geweest in de filosofie van de logica om de logische wetten op een volstrekt nieuwe manier te bekijken (het huidige debat tussen de 'exceptionalisten en anti-exceptionalisten' is de vrucht van Quine's werk: ik zal hier in een eventuele volgende bijdrage wel eens over berichten). Als we daar dan ook bij optellen dat Quine de 'godfather' is van het naturalisme, inmiddels de meest invloedrijke stroming in de epistemologie, dan zie je vermoedelijk wel in waarom zijn werk -onder filosofen- hoog in aanzien staat.

----

Helaas zijn er geen goede Nederlandstalige inleidingen over het werk van Quine. Het werk van Quine wordt eenvoudigweg niet gemakkelijk begrepen. Hij komt ook niet voor in de schoolboeken- terwijl zijn werk niet van minder belang is (vermoedelijk zelfs van groter belang) dan dat van Kuhn en Popper (het werk van Popper is deels achterhaald; Kuhn heeft overduidelijk leentjebuur gespeeld bij Quine). Quine heeft eigenlijk alleen maar artikelen geschreven- en nooit een toegankelijk boek voor het grote publiek. Hij schreef één boek (Word and Object), maar dat is dan juist weer een tamelijk technisch werk. Zijn bekendste artikel is 'Two dogma's of empiricism'. 

woensdag 8 april 2026

God is wel en geen persoon (2.0)

Als het water voortdurend tegen de dijken slaat, de ene dag hard, de andere dag harder, dan eens krachteloos, en soms met stormachtige drift, waar zou de dijk dan uiteindelijk breken?

Op de plekken waar de dijk zwak is- dat spreekt vanzelf.

Zo breekt ook een ketting bij de zwakste schakel.

Als je één slecht en één goed oog hebt, welk oog zal dan de wereld helder zien?

Als je een machine hebt, die een stapel van tien vellen papier kan versnipperen, wanneer dan zal deze machine dienst weigeren?

Als een kind blokken op elkaar kan stapelen, maar bollen niet, van welke vormen dan zal hij een huis bouwen en van welke vormen niet?

Als je een denkmachine hebt die exclusieve structuren kan verwerken, maar niet-exclusieve structuren niet...  welke structuren zal de denkmachine dan niet kunnen verwerken?

Als zaken in de werkelijkheid onbegrijpelijk zijn, welke vorm hebben deze zaken dan? Inderdaad, de vorm die onze 'denkmachine' niet kan verwerken... 

Alle zaken die we niet begrijpen doen zich aan ons voor als een tegenspraak. 

Met een brein als het onze heb je ook geen andere keus. Kijk eens naar de logica van het parkeren:

(1) Een parkeervak is bezet als een voertuig keurig binnen de lijnen van het vak staat; 
(2) een parkeervak is niet bezet als een voertuig keurig buiten de lijnen van het vak staat; 
(3) een parkeervak is bezet noch onbezet als een voertuig dwars of schuin of anderszins half binnen en half buiten het vak staat; 
(4) een parkeervak is bezet én onbezet als een voertuig keurig binnen én keurig buiten het vak staat.

Je ziet dat (3) wel uitvoerbaar is, maar dat deze wijze van parkeren onmogelijk 'juist' kan zijn: het voertuig staat niet binnen en ook niet buiten het vak; en je ziet dat (4) niet eens uitvoerbaar is. Je 'logica' doet je begrijpen dat je niet eens hoeft te proberen om je voertuig te parkeren buiten en binnen het vak.  Stel nu eens dat het brein zichzelf de opdracht gaf om 'het lichaam' zowel binnen als buiten het vak te parkeren: het zou dan sterven van uitputting na eindeloos te hebben geprobeerd om zowel binnen als buiten het vak te staan. De opdracht is schier onbegrijpelijk.

De logica van het parkeervak is wezenlijk: het brein van de mens is ontwikkeld om door middel van doelgericht handelen te overleven op aarde- een mens is een effectieve 'beweger' [Goldsmith, 2025; Mars, 2020]. 

Bewegen heeft zo zijn biomechanische beperkingen; het brein zal rekening moeten houden met deze biomechanische beperkingen als het effectief wil bijdragen aan het bereiken van doelen (door handelen). 

Het brein kan wel proberen om het lichaam twee verschillende handelingen tegelijk uit te laten voeren, maar de opdracht zal altijd resulteren in een halfslachtige optreden [Badre, 2020]. 

De evolutie, altijd in voor de zuinigste en meest doeltreffende oplossing, heeft ons zo ingericht dat we beter volledige handelingen kunnen uitvoeren: dat wil zeggen, we zullen bij voorkeur één doel per keer moeten bereiken (=exclusief handelen). En daar hebben we alle middelen die de natuur ons gegeven heeft voor nodig. 

Wil je twee taken uitvoeren tegelijkertijd, dan heb je of twee lichamen nodig -en die heb je niet- of je moet gaan rommelen met de vingers, handen, armen, benen en overige attributen waar je over beschikt: je zult bijvoorbeeld de ene hand moeten gebruiken voor de ene handeling en de andere hand voor de andere handeling. De twee handelingen zullen dan echter niet uit de verf komen.

De andere mogelijkheid, namelijk twee volledige handelingen tegelijk uitvoeren is onmogelijk. Je hoeft er niet eens aan te beginnen. Het lichaam kan een dubbele opdracht niet uitvoeren- en van lieverlee heeft het brein aanvaard dat zulke handelingen 'absurd' zijn. Je moet ze niet eens in overweging nemen. De enige goede manier om met zulke absurde plannen om te gaan is door ze onmiddellijk weg te doen. Absurde plannen worden niet aanvaard, niet overwogen, niet behandeld, niet verwerkt, maar weggewerkt. Zoals het afweersysteem schadelijke virussen onschadelijk maakt, zo maakt onze denkwijze schadelijke denkstructuren onschadelijk. Zo voegt het brein zich naar de biomechanische 'logica' van het lichaam.

Het is daarom te begrijpen dat wij een brein hebben dat 'vastzit' in de 'parkeerlogica'. We houden het voor onmogelijk om de ene volledige handeling én de andere volledige handeling uit te voeren. Een lichaam kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn, een lichaam kan maar één handeling uitvoeren, het kan maar één houding per keer aannemen. Een brein dat waarlijk voor het lichaam denkt rekent daarom alleen in exclusieve handelingen (mogelijkheden).

Welke vorm nemen dus de dingen aan die wij met onze parkeerlogica niet kunnen begrijpen: de vorm van 'twee voertuigen die tegelijk wel en niet binnen de lijnen geparkeerd staan'- de vorm van het onmogelijke.

Als we de verhouding tussen stof en geest niet kunnen begrijpen, welke vorm heeft dan de geest: de vorm van een 'substantie' die wel en niet stoffelijk is.

Als we de verhouding tussen de bepaalde en onbepaalde wil niet kunnen begrijpen, welke vorm heeft dan de onbepaalde wil: de vorm van een handeling die wel en niet bepaald is.

Als we de verhouding tussen realisme en idealisme niet kunnen begrijpen, welke aard heeft de 'realiteit' dan: de werkelijkheid is dan wel en niet 'idealistisch'. 

Als we de verhouding tussen het sacrale en het seculiere niet begrijpen, wat is dan het sacrale: het sacrale is dan wel en niet seculier.

Het absurde aanzien van de werkelijkheid is de vrucht van onze eigen denkwijze. Als de wereld te verdelen is in begrijpelijke en onbegrijpelijke structuren -zoals ze ook te verdelen is in objecten die wel en niet in één hand passen-, dan maakt ons verstand daar noodgedwongen twee groepen van, die van de 'logische' en die van de 'absurde' structuren. 

Dat objecten absurd zijn zegt initieel niets over de vraag of ze wel of niet kunnen voorkomen (in de werkelijkheid); het zegt wel iets over de vraag hoe ons brein werkt. Ook kun je er niet uit afleiden dat absurde zaken niet bestaan: integendeel, zaken die niet logisch kunnen worden beschreven -de zaken die absurd zijn- kunnen niet uitgesloten worden van de werkelijkheid: het is immers logisch onmogelijk om ze uit te sluiten?

------

Aantekening: Je kunt God niet op zinvolle wijze anders definiëren dan als een 'persoon/kracht/entiteit' die ons begrip overtreft. God is dus 'absurd'. Wij kunnen 'absurde' zaken niet uitsluiten van de werkelijkheid. Onze denkwijze is immers zo dat begrepen zaken exclusief zijn (waar of niet waar), maar absurde zaken inclusief (waar en niet waar). Kortom, als God absurd is, dan bestaat God.   

donderdag 12 maart 2026

Gros, Frederic, Wandelen (nieuwe editie)

In de etalage van boekhandel/uitgeverij Bijleveld, gelegen aan het st.Jans Kerkhof hier te Utrecht, zag ik dat het boekje 'Wandelen' van Frederic Gros opnieuw is uitgegeven. Ik moet zeggen dat dat een goede zaak is. Het boekje werd 13 jaar eerder al vertaald en uitgegeven. 

'Wandelen' is werkelijk een van de aardigste, meest onderhoudende en meest vermakelijke werkjes over filosofie die ik ken. In korte hoofdstukjes beschrijft Gros de voordelen van het wandelen, een bezigheid die het denken stimuleert, en die de wandelaar, voor de duur van de wandeling althans, los maakt van al zijn verplichtingen en zorgen.

Geweldig ('sieraden') zijn de hoofdstukjes over Nietzsche en Kant. Nietzsche schreef en dacht met de voet, Kant wandelde uit plicht.

'(...) bij Nietzsche is [wandelen] een lofzang op de voet. Hij schrijft niet met de hand alleen. 'Mijn voet is schrijflustig als geen een.' (Gros, Wandelen, editie 2013, p.28)

'De boeken van schrijvers die gevangen zitten tussen muren (...) zijn onverteerbaar en log. (...) Het zijn net ganzen: met citaten vetgemest, met verwijzingen volgepropt, met noten log gemaakt. Ze zijn lijvig, zwaarwichtig en worden langzaam, verveeld en met moeite gelezen. Ze bestaan uit andere boeken, omdat ze zinnen vergelijken met andere zinnen, herhalen wat andere boeken al hebben gezegd over wat nog weer andere boeken verteld hebben./ De man die al wandelend een boek schept, is daarentegen vrij van banden, zijn gedachtegang is geen slaaf van andere boekdelen, niet log geworden door verificaties, niet overladen met gedachten van anderen. Geen rekenschap af hoeven leggen, aan niemand. Slechts denken (...) (idem, p27)

Het is lang geleden dat ik 'Wandelen' heb aangeschaft en gelezen; het is sindsdien één van die boekjes waar je geen afscheid van wilt nemen en dat je graag in een verloren ogenblik uit de kast pakt om er weer een enkele bladzijde in te lezen.

In de nieuwe uitgave zijn illustraties opgenomen -geen idee of deze illustraties mooi zijn, ik moet het, zoals gezegd, stellen met de editie van 2013- en een aantal nieuwe hoofdstukjes. Ik heb het vermoeden dat in ieder geval een paar mensen, net als ik, opgewekt zullen worden door het lezen van dit uiterst onderhoudende en wijze boekje 

(De prijs van het boek is 24 euro: dat is niet goedkoop; je kunt eens kijken naar een tweedehands exemplaar op 'boekwinkeltjes' of anders kun je eerst even het exemplaar uit de openbare bibliotheek lenen; als je de editie van 2013 op de kop kunt tikken heeft dat wel een voordeel: het is een klein boekje dat gemakkelijk meekan in de wandeltas; de nieuwe uitgave leek mij groter en (dus) zwaarder; overigens ook te krijgen als ebook).

dinsdag 10 maart 2026

Een stout idee

Filosofen gebruiken tegenwoordig (mondjesmaat) de dialetheïstische logica -of een aanverwant deviant logisch systeem- om te berekenen of je daarmee nieuw licht kunt werpen op oude, 'onoplosbare' filosofische problemen. 

Voorbeelden van dergelijk werk zijn Bealls boeken over Jezus en God, waarin hij verdedigt dat God zowel God als mens is.

Het is nu wachten op het werk van de filosoof die verdedigt dat de 'geest' zowel onstoffelijk als stoffelijk is (let wel: bedoeld wordt dat de geest helemaal stoffelijk is en helemaal onstoffelijk). 

Kijk eens naar de (enigszins ingewikkelde) wijze waarop Williamson het dualisme karakteriseert in 4 stappen:

(1) alles is ofwel mentaal ofwel fysisch

(2) niets is zowel mentaal als fysisch

(3) sommige dingen zijn mentaal

(4) sommige dingen zijn fysisch

(merk op: premisse 1 en 2 zijn uitwerkingen van de basiswetten van de klassieke logica)

Een dialetheïst zou nu kunnen proberen om met zijn 'gekke logica' de ontkenning van premisse (2) te verdedigen.

Stel dat dat lukt: wat is dan het voordeel? Wat is het nut er van om een kwestie die we niet goed doorgronden te presenteren als een contradictie?

In eerste instantie ben je het probleem kwijt dat het dualisme al vanaf de dag dat Descartes dit inzicht verdedigde heeft geplaagd, namelijk hoe lichaam en geest samenwerken: als het mentale samenvalt met het fysische hoef je je het hoofd niet te breken over de vraag hoe ze samenwerken. 

In tweede instantie heb je begrijpelijk gemaakt waarom het feit dat wij mentale én fysische wezens zijn voor ons zo lastig te conceptualiseren/begrijpen is: ons verstand heeft, om begrijpelijke instrumentele redenen, een klassieke werking en is dus blind voor bepaalde constructies.

De natuur is slimmer en stoutmoediger dan wij zijn, zo althans hoor je het de mensen -geleerden- wel eens zeggen. Als wij niet in staat zijn om constructies te bedenken die de klassieke logica schenden, wil dit nog niet zeggen dat de natuur dit niet zou kunnen. 

Laten we het daar, voor wat betreft dit 'stoute' idee, voorlopig maar bij laten.

------

Beall, J.C., Contradictory Christ, Oxford

Bassford, God and Logic, Cambridge

Williamson, T, De filosofische methode, Bijleveld (p.90)

(voor dialetheïsm: zie Stanford Enc.)