Wider utsjoch
Zou het denken (...) gepaard gaan met luid geratel en zwaar gestamp, zodat tijdens het denken steeds ons hoofd heftig schudt en de kaken luid klapperen, dan zouden we goed doorhebben dat onze gedachten producten van het brein zijn. Het brein is echter een stil apparaat, dat zijn werk fluisterend verricht. We hebben van z'n denkwerk geen idee. En daarom vinden we het lastig om te geloven dat ons beeld van de wereld wordt bepaald door de werking van deze 'denkmachine'.
zondag 28 juni 2026
Goed en kwaad
zaterdag 27 juni 2026
Misverstanden 2.0 (aanvulling)
Regelmaat
Een van de quantum-raadsels is dat deeltjes, als je ze meet, zich voordoen als kogeltjes (Robert Dijkgraaf noemt het geen kogeltjes, maar pingpongballetjes, zie: zijpaneel); maar als je ze niet meet worden ze stroperig.
Vaak wordt het woordje 'meten' vervangen door 'kijken'. Dus: als je wel kijkt zijn het deeltjes, als je niet kijkt is het stroop.
Hoe is dat mogelijk?
Een kogeltje/pingpongballetje is unilokaal (het is een ding), stroop is multilokaal (het is een dikke vloeistof).
Een atomair deeltje kan dus unilokaal of multilokaal zijn (waarbij multilokaal betekent: schijnbaar op meerdere plaatsen tegelijktertijd).
Schijnbaar? Ja, schijnbaar. Want het hangt van je interpretatie/lezing af of het deeltje inderdaad multilokaal is. Je hebt onder de natuurkundigen realisten en niet-realisten.
Volgens Bohr en Heisenberg is een niet-realistische opvatting de beste: de quantum-formules zijn niets anders dan instrumenten die hun werk doen. Wie met een zeis de grasmat maait kan niets zeggen over de samenstelling van de grasmat: de zeis zegt ons niet of er klaver, paardebloem, raaigras of brandnetel gemaaid wordt, de zeis maait slechts- en dat doet de zeis uitstekend. Zo zeggen de qm-formules ons niets over de werkelijkheid, ze voorspellen slechts hoe de meting zal uitpakken. En dat doen de qm-formules uitstekend.
Bohr is inmiddels gestorven, Heisenberg is gestorven en ook alle andere 'kopenhaagse' fysici zijn dood.
Hedendaagse fysici kunnen niet zo goed uit de voeten met de 'kopenhaagse' interpretatie. Wat heb je aan een natuurkundige theorie als deze je niets zegt over de werkelijkheid? Je wilt toch weten hoe de 'echte' wereld in elkaar steekt?
Geen enkele 'realistische' lezing echter maakt begrijpelijk hoe de werkelijkheid 'echt' in elkaar steekt. We begrijpen eenvoudigweg niet hoe een 'iets' zowel unilokaal als multilokaal kan zijn. (Letterlijk zeggen fysici dan ook dat qm ons idee van 'lokaliteit' op losse schroeven zet).
Welnu, wat je wel zeker weet is dat de natuur regelmatig is (zou ze dat niet zijn, dan zou je helemaal geen vergelijkingen waarmee je kunt rekenen kunnen opstellen). Je weet -het is een regelmatigheid- dat deeltjes unilokaal zijn als je kijkt en multilokaal als je niet kijkt. Je snapt niet waarom dit zo is, maar je weet wel dát dit zo is (je hoort het Dijkgraaf verschillende malen zeggen: we snappen het niet, maar we kunnen er wel mee werken).
Waarom stel je je dan niet tevreden met het inzicht dat de werkelijkheid bestaat uit een verzameling wetmatigheden?
In het dagelijkse leven weet je dat bepaalde mensen een 'gebruiksaanwijzing' hebben (je slaat in de klas tegen de ene leerling een andere toon aan dan tegen de andere leerling). Je weet niet precies hoe het toegaat in het brein van deze mensen, maar je weet wel dat ze van slag raken als je te streng of juist niet streng genoeg bent. Het punt is dat we aan de gebruiksaanwijzing genoeg hebben om te weten wat we moeten doen.
Waarom zouden we dan aan de formules van qm (gebruiksaanwijzing) niet genoeg hebben om te weten hoe we met de werkelijkheid moeten omgaan?
Uiteindelijk heeft de evolutie ons zo ingericht dat we ons, dankzij onze vaardigheid om de juiste handeling uit te voeren op het juiste ogenblik [waarbij geldt: better safe than sorry]), kunnen handhaven in een wereld van fatbikes, opgevoerde e-bikes, obese-auto's (die nauwelijks nog door de straatjes van Utrecht kunnen rijden), getergde gemotoriseerde bakfiets vaders-en-moeders, electrische stepjes, brommers en één zwoegende, oudgeworden filosoof op een gewone ouderwetse trap-fiets (de arme ziel: het mannetje draagt notabene een helm in het verkeer).
In deze melee van gevaren heb je alleen de regelmaat van de verkeersregels om je op de been te houden.
Waarom zou het dan voor wat betreft onze omgang met de natuur anders zijn: het enige wat we hoeven 'op te pikken' is de regelmaat, want die stelt ons in staat om te weten hoe we moeten handelen.
De natuur zelf is een metafysische toestand die ons ruimschoots boven de pet gaat.
Ik geloof zelfs niet dat de verzameling wetmatigheden die we bijeengaren volledig (compleet) is. Het is een willekeurige verzameling en wel omdat onze denkwijze op zich al berust op twee willekeurige wetten (of principes).
vrijdag 26 juni 2026
Gnosis Oost en West
Woordspelletje
zondag 21 juni 2026
De juiste keus?
zaterdag 20 juni 2026
Het slaapmiddel
dinsdag 12 mei 2026
Kijken met je denkbeelden
Wie les geeft over Kant -de filosoof die de wereld verdeelde in het noumenale en het fenomenale- stuit altijd, bij jonge mensen, op het probleem dat ze zich bij de noumenale wereld niets kunnen voorstellen.
We leven immers 'volop' in de wereld die we kunnen waarnemen en begrijpen. Een wereld die buiten onze waarneming staat is non-existent.
Mensen vinden het ook lastig om te begrijpen dat je kijkt met je 'verbeelding': je beziet de wereld met je denkbeelden. Je bent ziende blind voor de dingen die je niet begrijpt.
De hersenen zijn grofweg te verdelen in drie grote 'blokken'. Het motorische systeem, het waarnemingssysteem en het controlesysteem.
Het waarnemingssysteem bestaat uit je zintuigen én uit je denkbeelden. Je kijkt naar de wereld met je 'wereldbeeld'. Alle zaken die niet op begrepen wijze in je wereldbeeld -je georganiseerde verzameling denkbeelden- voorkomen, worden door jou niet 'gezien'.
Je noemt dit fenomeen de theorie-geladenheid van de waarneming.
Een mooi voorbeeld van de wijze waarop je blind kunt zijn voor de dingen die je niet begrijpt wordt gedemonstreerd door het egeltje.
Het egeltje is blind voor het denkbeeld 'auto'. Het weet niet dat een auto een groot, zwaar object is, dat een vast traject volgt -en dit met hoge snelheid aflegt- en dat alles wat haar voor de wielen komt platwalst.
Steekt het egeltje de weg over en hoort het een ongebruikelijk geluid, dan rolt het zich op tot een schattig bolletje met stekels. Omdat het beestje letterlijk blind is voor het concept auto, hoort ze wel geluiden, maar weet ze niet wát ze hoort- en daarom reageert ze niet adequaat. Ze 'ziet' het gevaar niet. Ze doet juist het domste wat je in een dergelijke situatie kunt doen: ze rolt zich op en gaat stil op de weg zitten, precies voor de wielen van de auto.
Zo kun je 'blind' zijn voor dingen die bestaan. Je neemt zaken wel zintuigelijk waar, maar je begrip is blind voor de echte betekenis van het object dat je waarneemt.
Het fenomenale voertuig wordt wel waargenomen door het egeltje, maar het noumenale voertuig niet.
Hoe meer je weet, hoe meer je ziet. Kent echter je verstand absolute grenzen, dan zul je nooit de wereld in haar geheel doorgronden.
Zo dacht Kant dat de mens door de beperkte werking van zijn eigen verstand blijvend 'blind' is voor de werkelijkheid.
vrijdag 24 april 2026
Aleman, A., De Ziel van het Brein (2.5)
Steeds als ik in de spiegel kijk zie ik hetzelfde gezicht. Het is een gezicht van huid, vlees, been en bloed (=rode koontjes). Het is niet anders. Schijnbaar ben ik geen doorschijnend wezen. Zo heeft God mij 'geschapen'. Ik ben een stoffelijk dier.
Nogal wat mensen vinden het niet prettig dat ze 'stoffelijk' zijn. Ik vraag me af waarom dat zo is: wat is er mis met het feit dat de wereld stoffelijk is? Het maakt haar niet minder mysterieus, niet minder ondoorgrondelijk, raadselachtig. Zou je de stoffelijke wereld inruilen voor een onstoffelijke wereld, dan zou de aard van het 'geheel' evenmin begrijpelijk zijn: ook het bestaan van een onstoffelijke werkelijkheid zou precies zo mysterieus en raadselachtig zijn als ze nu is. Bovendien zou je misschien ook uitgekeken raken -geborneerd- op je onstoffelijke presentie (en van lieverlee verlangen naar een stoffelijke wereld).
Het is niet de stoffelijke aard van de werkelijkheid die haar 'onttovert'. Het probleem is de 'filosofie' van de mens: hij heeft de overtuiging dat hij een stoffelijke wereld volledig kan doorgronden. Het is een soort dedain voor 'het wonder van het bestaan'. Waar de overtuiging dat heel de wereld kan worden beschreven en begrepen op stoelt is mij overigens niet duidelijk. Want de meest zekere wetten waar hij over beschikt [Aristoteles, Metafysica, boek 'gamma'], blijken bij nader inzien helemaal zo zeker niet te zijn. Daarmee komt heel het onderzoeksprogramma van de mens op losse schroeven te staan.
Deze lange inleiding is nodig om het boek van Aleman te verdedigen. In deze stoffelijke wereld treffen we ons zelf aan met een grote bundel zenuwweefsel in onze schedel, 'de zetel van de ziel'. Het brein van de mens is een uitermate vreemde machine: enerzijds zijn wij ons brein, anderzijds zijn onze gedachten door hun inhoud 'losgezongen' van de duizenden vonken en chemische regens waarmee immense aantallen neuronen elkaar voortdurend ontsteken en uitdoven. Niemand op aarde doorgrondt de werking van de hersenen. Ze zijn stoffelijk, dat wel: je kunt -als keek je naar de wolkenhemel- zien waar het bliksemt en dondert. Maar daar houdt het dan ook mee op.
Begrijpen hoe de hersenen werken is niet aan de orde. Zou het kunnen dat de hersenen een bepaalde, onbekende 'grondstof' verwerken, namelijk 'semantische velden', 'psychische eenheden' (panpsychisme), 'betekenissen' of 'intenties'? Of ontvangen de hersenen een bepaald signaal, zoals een rekenmachine het wifi signaal ontvangt? Ach, het heeft vooralsnog weinig zin om hier over te speculeren (te ontdekken hoe de hersenen werken vereist voorlopig dat neuropsychologen de netwerken, kwabben en kernen nauwkeurig in kaart brengen). Feit is dat ik, die gebruik maakt van dit brein, gemakkelijk kan profiteren van het werk dat de hersenen verrichten.
Aleman heeft zeker oog voor de diepzinnige vraagstukken die het brein omgeven. Zo bespreekt hij de vele problemen en hoofdbrekens die het de breinen van filosofen kost om te begrijpen hoe de gebruiker -jij- op een zekere vertrouwde, vrije wijze gebruik kan maken van het brein. Hoe is het mogelijk dat ik de machine die ik ben -en aan welks werking ik in zekere zin onderworpen ben- kan gebruiken zoals ik het wil en op een wijze die recht doet aan mijn verlangens en wensen? Zodat ik over de machine waaraan ik onderworpen ben tegelijkertijd heer en meester ben?
(Een ander boek van Aleman heet 'Je brein de baas': alleen die rake titel geeft al weer hoe mysterieus het brein is: je kunt niet harder lopen dan je lichaam, maar kun je wel meer willen dan je brein wil?)
Je kunt Aleman echt niet verwijten dat hij als een 'harde wetenschapper' spreekt over ziel, psyche en brein. Het is wel jammer dat de bespreking van de filosofische opvattingen nogal 'vluchtig' is. Hij stipt de zienswijzen op ziel, psyche en brein slechts aan. Nu ontgaat het een lezer misschien hoe raadselachtig de verhouding tussen ziel, psyche en brein is. De conceptuele ruimte tussen deze fenomenen is groot genoeg om recht te doen aan religieuze overtuigingen,- maar dat moet je wel goed uitleggen.
Aleman zelf verdedigt een 'genuanceerde vorm' van dualisme, het zogenaamde 'twee-aspecten monisme' (het brein is één munt met twee zijden: één orgaan (=monisme) dat zowel instrumenteel als persoonlijk (ervaring) kan worden begrepen en beschreven). Ook dit is natuurlijk een mysterieuze constructie (denk er maar eens diep over na).
De bedoeling van het boek is om ons een overzicht te geven van een specialisme in de neuropsychologie, namelijk die van de 'neuropsychologie van religie en spiritualiteit'. Aleman kwijt zich op een uiterst doelmatige wijze van zijn taak. Ik vind persoonlijk dat hij een prettige, zakelijke 'pen' heeft. Toegegeven: in sommige paragrafen werpt Aleman je wel erg veel technische termen -zonder duiding- voor de voeten; in andere paragrafen (zoals die over het onderzoek naar gebed) wordt de duiding echter wel verstrekt en is de tekst goed te volgen. [±]
Inhoudelijk is het vakgebied zeer interessant. Zijn gelovige mensen bijvoorbeeld minder rationeel dan hun ongelovige tegenhangers? Nee, niet persé (zie: h3).
Is je brein actief bij spirituele ervaringen (hopelijk wel: en ook je hart klopt nog en ook je nieren en longen staken hun werking niet)? Jazeker. Aleman schrijft dat volgens Newberg zelfs 'het menselijk brein biologisch geprogrammeerd [is] om betekenis te zoeken en creëren, inclusief religieuze of spirituele overtuigingen. Dit bewijst of ontkracht de waarheid van religie niet, maar het suggereert dat geloofssystemen op natuurlijke wijze kunnen voortkomen uit de manier waarop hersenen functioneren'. [Ik kwam een soortgelijk inzicht tegen in het zojuist verschenen boek van Paul Goldsmith, The evolving brain: ons brein is van nature 'empathisch'].
En hoe zit het met het vaak aangehaalde inzicht dat religieuze ervaringen 'slechts' veroorzaakt worden door epileptisch toevallen? Wel, dat verhaal is onjuist (niet voldoende onderbouwd).
Ik weet dat sommige mensen afknappen op het feit dat een 'louter mentaal' proces een neurologisch correlaat heeft. Een dergelijke reactie zegt echter meer, vermoedelijk, over onze vooroordelen ten aanzien van wetenschap en van de 'stoffelijke wereld', dan over de waarde van de spirituele ervaring. Een ervaring is net zo 'echt' -zeker in modale zin: de ervaringen die je hebt zijn 'mogelijk': dus maken ze deel uit van de werkelijkheid- als de neuronen die haar bewerkstelligen.
Nogmaals, het doet er niet toe of de wereld stoffelijk of niet stoffelijk is. Dát is het punt niet als we ons buigen over religie en zingeving. Het punt is dat het een groot, onbevattelijk wonder is dat de werkelijkheid bestaat: de werkelijkheid is ondoorgrondelijk. Het feit dat je op aarde bent en je 'binnen-in' voortdurend kunt onderdompelen in een bad van kleuren en geluiden en tal van andere ervaringen, dát is opmerkelijk.
Is het gezond om religieus te zijn? Jazeker! (Zie: h7). Zingeving kan een krachtig medicijn zijn (dit onderwerp was voor mij de 'trigger' om dit (e-)boek te kopen: mijn leerlingen hebben zo'n sterke behoefte aan zingeving, aan een verhaal dat iets verder reikt dan 'de mens kan de wereld samenvatten in een 'toe' van ongeveer vier, elegante formules'.)
Je kunt, onder andere op grond van neurologisch onderzoek, een pleidooi houden voor het inzicht dat de mens van nature een ethisch dier is, 'ontworpen' om goed of kwaad te handelen (zoals een divi-divi boompje in de tropen is gaan staan naar de passaatwind, zo is onze 'constitutie' gaan staan naar de 'plicht' om sociaal/ethisch te handelen: aan alle voorwaarden daartoe is voldaan- en als je een ethisch leven kunt leiden, dan heeft je leven zin). Neurotheologie laat zien dat hersenonderzoek zeker niet uitvalt in het voordeel van de atheïst.
Al met al ben ik goed te spreken over dit boek. Het is helder geschreven -met als enige bezwaar dat Alemans weergave hier en daar wat al te beknopt en technisch is- en het biedt je de nodige aanknopingspunten om je verder te verdiepen in de besproken onderwerpen. Ik zelf vind vooral het nieuwe licht dat de schrijver werpt op vooroordelen ten aanzien van religieuze zielen -religieuze ervaring is geen epilepsie, religieuze mensen zijn niet lichtgelovig- bijzonder waardevol. Vooral atheisten, met hun lichtgelovige neiging om de minste wetenschappelijke verklaring voor religieuze gebruiken en overtuigingen voor waar te houden, zouden dit boek eens moeten lezen.
De religieuze ziel, op haar beurt, zal moeten sleutelen aan haar vooroordelen ten aanzien van onze stoffelijke wereld, wil zij althans waardering voor het werk van neuropsychologen kunnen opbrengen. Je bent je brein én je hebt je brein. Waarom zou je dat ontkennen?
-----------------------------
Aleman, A, De ziel van het brein, (een neurowetenschappelijke zoektocht naar spiritualiteit), Kok (Utrecht), €22,- (eboek: €15,-).
Let op: het boek bevat een flap waarop je de bouw van de hersenen -en zodoende ook de vaktermen die Aleman gebruikt- kunt nakijken. Het eboek is daarin zo handig niet. Daarentegen is het gedrukte boek van een waardeloze kwaliteit: zelfs het papier van een kladblokje is kwalitatief nog beter.
------------------------------
[±] Wellicht had Aleman, bij het schrijven van dit boek, twee verschillende doelgroepen in gedachten: de leek, die graag kennis wil nemen van dit onderzoeksgebied, en vakbroeders met een andere specialisatie. Het weglaten van de technische termen is in dat geval geen optie. Wordt echter steeds opnieuw uitgelegd welke vaardigheden en stemmingen aan de genoemde hersengebieden en -kernen toegeschreven kunnen worden, dan is de tekst ook voor de geïnteresseerde leek goed te volgen. In veel paragrafen gaat dit trouwens goed en is de tekst, lijkt mij, inderdaad interessant voor zowel leek als vakbroeder.
Persoonlijk heb ik mij niet gestoord aan de vaktermen die Aleman gebruikt: zo schrijven eigenlijk alle neuropsychologen: ze verwijzen onophoudelijk naar bepaalde hersengebieden. Misschien is het probleem dat neuropsychologen wel kunnen zeggen welke kernen en gebieden actief zijn bij bepaalde ervaringen en handelingen, maar dat hen de samenhang tussen alle kernen en gebieden niet bekend is. Het is daarom -dit is een vermoeden- lastig om een 'vanzelfsprekend' eensluidend verhaal te smeden van alle losstaande onderzoeken en gegevens. Voor de leek is een sluitend verhaal echter begrijpelijker, omdat zij de rijke context mist van de specialist.
Voor een kritische recensie -misschien vind je die van mij te welwillend- zie: Smedes, Taede (met wat googlen vind je zijn recensie wel).
Overigens bevielen mij ook andere boeken goed die Aleman schreef, waaronder 'het seniorenbrein', 'hersenspinsels' en 'het brein de baas'; (van het seniorenbrein is onlangs een nieuwe editie uitgebracht met een lelijk omslag: jammer, ik vond het omslag van de eerste editie erg mooi; bovendien is er tekst toegevoegd: dat vind ik 'gemeen', want nu is mijn eerste editie opeens 'onvolledig'.)
Wil je meer weten over 'neurotheologie' (de term is gemunt door Andrew Newberg, de bekendste vertegenwoordiger van het neuropsychologisch onderzoek naar religie), zie:
maandag 13 april 2026
Kwain en de keeper (1.5: enkele aanpassingen)
Als je snel wilt weten hoe goed iemand is ingevoerd in de filosofie, dan moet je hem, zo tussen neus en lippen door, eens wat vragen stellen over Quine: beslist één van de belangrijkste filosofen van de vorige eeuw.
De kans is groot echter dat je gesprekspartner de vragen over Quine niet naar behoren kan beantwoorden.
Eén van de meest ingenieuze lezingen over het belang van de basiswetten is van zijn hand.
Quine beredeneerde dat het onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen niet te verdedigen is. Het onderscheid tussen logische en empirische (noodzakelijke en contingente) oordelen is kunstmatig. Al onze oordelen (overtuigingen, inzichten, meningen, 'proposities') worden op één en dezelfde manier gerechtvaardigd.
[Iets technischer gezegd: men meende dat logische en wiskundige beweringen 'a priori' worden gerechtvaardigd en empirische (psychologische en fysische) oordelen 'a posteriori'. Volgens Quine echter wordt de geloofwaardigheid van de gehele theorie, dat wil zeggen: het weefsel van alle overtuigingen, in de praktijk (dat is 'a posteriori') op de proef gesteld].
Hoe rechtvaardig je je oordelen volgens Quine? Wel, je maakt van je overtuigingen een samenhangend verhaal. Je verhaal is een amalgaam van logische, theoretische en praktische overtuigingen: je plakt al deze oordelen van verschillende kwaliteit zo aan elkaar dat het geheel voor jou acceptabel/bruikbaar is.
Vergelijk het met voetbal. Hoe stelt een trainer zijn beste elftal samen? Door de beste verdedigers, de beste middenvelders en de beste aanvallers in het veld te brengen. Het is echter niet noodzakelijk om verdedigers, aanvallers en middenvelders strikt gescheiden taken en opdrachten te geven: een aanvaller kan ook meeverdedigen en een middenvelder of verdediger kan ook aanvallen. De trainer zoekt naar de beste balans in het elftal.
Hoe ontdek je wat de beste balans is: wel, dat zijn de elf spelers én hun speelwijze die de test -een wedstrijd of een competitie- goed doorstaan.
De trainer kan experimenteren: hij zou de aanvallers eens in de verdediging kunnen zetten en de verdedigers op het middenveld en de middenvelders in de aanval. De kans is groot echter dat hij dan wedstrijden verliest. De 'test' zal uitwijzen hoe verstandig het is om het elftal 'om te gooien'.
De trainer zou zelfs eens kunnen proberen om zonder keeper te spelen. Wellicht dat een troep van elf woest aanvallende spelers de tegenstander kan overrompelen. De kans dat hij dan wedstrijden verliest is echter groot: zelfs de minste tegenstanders weten wel raad met een leeg doel. Het is dus niet verboden om zonder keeper aan te treden, maar deze ingreep is te riskant: geen elftal zal zonder keeper spelen.
Je spits kun je wel vervangen door een verdediger: als je een voorsprong wilt verdedigen is dat misschien verstandig.
Op soortgelijke manier denkt Quine over theorieën. Je mag alle overtuigingen in een theorie veranderen. Je mag de logische wetten wegsnijden, je mag onze ideeën over de zwaartekracht in de wind slaan, je mag het bestaan van de Olympische goden invoeren, zolang je 'verhaal' maar niet in de problemen komt. In de wetenschappelijke (en praktische) praktijk is het niet zo verstandig om de zwaartekracht af te schaffen en het bestaan van de Olympische goden in te voeren. Een dergelijke stoutmoedige theorie past niet goed in het huidige wetenschappelijke raamwerk. Maar in theorie heeft een wetenschapper de vrijheid om dat wel te doen. (Wellicht is Paul Feyerabend na lezing van Quine op het idee gekomen dat wetenschap een 'anarchistische' bezigheid behoort te zijn: alle inzichten kunnen van belang zijn, van astronomie tot astrologie).
[Iets technischer gezegd: dit is de beroemde Quine-Duhem stelling: je kunt een theorie uitsluitend als 'volledig verhaal' testen: alle praktische, theoretische en logische inzichten tellen mee. Dat rijke palet aan verschillende soorten inzichten maakt het vrijwel altijd mogelijk om een theorie te verdedigen. Immers, een wetenschapper kan, na een mislukte experiment, de 'schuld' toeschrijven aan een minder belangrijk inzicht in de theorie: dan blijven de belangrijke inzichten van de theorie behouden. Je hoort ook trainers deze Quine-Duhem stelling toepassen: dat de wedstrijd verloren is lag aan de scheidsrechter, aan de VAR, aan de afwezigheid van de sterspeler, aan de keeper die zijn dag niet had, maar niet aan het elftal als zodanig: het elftal als geheel blijft een goed team- de trainer ziet daarom geen noodzaak om drastische maatregelen te nemen na het verlies. Je begrijpt nu ook waarom Poppers 'falsificationisme' niet werkt: een wetenschapper hoeft zijn theorie niet af te schaffen na één cruciaal experiment.]
Waarom staan nu de twee basiswetten van de logica nog steeds in elke fysische theorie? Om de eenvoudige reden dat je 'de wedstrijd' geheid verliest als je de basiswetten weglaat. Zoals je ook geheid verliest als je geen keeper opstelt. We weten niet of deze basiswetten 'absoluut' waar zijn, we weten niet of ze door 'God' zijn ingesteld, we weten niet of ze 'neurologisch' noodzakelijk zijn, maar we weten wel dat we cognitief in de problemen raken als we onze verhalen over de werkelijkheid niet logisch ordenen.
Een trainer die een sterk elftal heeft is dwaas als hij dit elftal volledig 'omgooit'. Hij zou uitsluitend de speler die een blessure heeft moeten vervangen; ook kan hij eens proberen om een jonge veelbelovende speler het veld in te sturen. De 'basis-elf' echter laat je in principe staan. Quine geeft soortgelijke raad aan wetenschappers: het principe van 'minimal mutilation' zegt dat je een verhaal, als je redenen hebt om er aan te sleutelen, zo zuinig (minimaal) mogelijk moet aanpassen. Het principe van 'minimal mutilation' maakt duidelijk waarom we de basiswetten blijven opnemen in onze verhalen en theorieën over de werkelijkheid: wie ze weglaat verandert de orde van het hele verhaal, je haalt er de hele theorie mee overhoop.
De ideeën van Quine zijn de aanleiding geweest in de filosofie van de logica om de logische wetten op een volstrekt nieuwe manier te bekijken (het huidige debat tussen de 'exceptionalisten en anti-exceptionalisten' is de vrucht van Quine's werk: ik zal hier in een eventuele volgende bijdrage wel eens over berichten). Als we daar dan ook bij optellen dat Quine de 'godfather' is van het naturalisme, inmiddels de meest invloedrijke stroming in de epistemologie, dan zie je vermoedelijk wel in waarom zijn werk -onder filosofen- hoog in aanzien staat.
----
Helaas zijn er geen goede Nederlandstalige inleidingen over het werk van Quine. Het werk van Quine wordt eenvoudigweg niet gemakkelijk begrepen. Hij komt ook niet voor in de schoolboeken- terwijl zijn werk niet van minder belang is (vermoedelijk zelfs van groter belang) dan dat van Kuhn en Popper (het werk van Popper is deels achterhaald; Kuhn heeft overduidelijk leentjebuur gespeeld bij Quine). Quine heeft eigenlijk alleen maar artikelen geschreven- en nooit een toegankelijk boek voor het grote publiek. Hij schreef één boek (Word and Object), maar dat is dan juist weer een tamelijk technisch werk. Zijn bekendste artikel is 'Two dogma's of empiricism'.