Wider utsjoch
Zou het denken (...) gepaard gaan met luid geratel en zwaar gestamp, zodat tijdens het denken steeds ons hoofd heftig schudt en de kaken luid klapperen, dan zouden we goed doorhebben dat onze gedachten producten van het brein zijn. Het brein is echter een stil apparaat, dat zijn werk fluisterend verricht. We hebben van z'n denkwerk geen idee. En daarom vinden we het lastig om te geloven dat ons beeld van de wereld wordt bepaald door de werking van deze 'denkmachine'.
vrijdag 4 september 2026
Het alogon (3.0) [explicatie toegevoegd]
dinsdag 1 september 2026
Schaakmat
Het schaakspel is niet eerlijk: altijd mag een van de twee spelers het eerst een zet doen (meestal is dat de speler die de witte stukken heeft).
Je zou de regels daarom kunnen veranderen. Bijvoorbeeld het invoeren van een 'simultaan-regel': om de twee minuten klinkt er een belletje en dan moeten de spelers gelijktijdig zetten.
Of je zou, ter compensatie, de speler die steeds één zet achterloopt, het recht kunnen geven op een 'twee-zet': hij mag op een willekeurig ogenblik twee zetten achter elkaar doen. Dit maakt het spel voor de wit-speler overigens buitengewoon complex.
Je kunt de twee spelers ook elk het recht op één twee-zet geven: van dit recht mogen ze dan op een willekeurig ogenblik in het spel gebruik maken.
Je kunt de spelers ook uitsluitend twee zetten per keer laten doen (dus: niet omdebeurt één zet, maar omdebeurt twee zetten). En dan begin je als volgt: wit mag eerst één zet doen (=de openingszet) en daarna mag zwart twee zetten doen, wit vervolgens twee zetten, zwart vervolgens twee zetten, enz.
Je kunt ook de loop van de stukken veranderen. Nu mag bijvoorbeeld een loper alle velden schuinwaarts bestrijken, maar je zou dit kunnen beperken tot drie (of vier of vijf). Hetzelfde geldt voor de toren. Of je zou de loper ('de raadsheer') drie velden schuin mogen spelen en dan één veld recht. De lopers zouden dan tenminste niet gebonden zijn aan de kleuren van de velden.
Kortom, de regels van het schaakspel kunnen aangepast worden. Ze zijn niet 'in beton gegoten'.
Onherroepelijk doet zich nu de vraag voor 'wat is het echte schaakspel'? Waarom zouden de oorspronkelijke regels beter zijn dan de nieuwe regels? Waarom wordt de nar -toch een leuke variatie- niet aan het spel toegevoegd?
Wel, omdat het 'klassieke' schaak zich van oudsher een vaste plek veroverd heeft in onze 'geestesgesteldheid' (cultuur). Wie al jarenlang klassiek-schaak speelt, heeft weinig zin om het spel ingrijpend aan te passen. Het betekent dat zijn immense voorraad kennis van het schaak moet worden vertimmerd/verbouwd: miljoenen 'schaak-neuronen', en een groot aantal 'schaak-netwerken', moeten worden weggesneden en worden vervangen door nieuwe neuronen en netwerken.
Het brein van de klassieke grootmeester is vergroeid met -'geworteld in'- het traditionele schaakspel.
Precies dít is een van de redenen waarom jongere mensen oudere mensen 'koppig' vinden: juist omdat oudere breinen beschikken over een enorme voorraad uitgebreide en goed uitgewerkte neurale netwerken, is het vervangen van deze netwerken tenslotte ondoenlijk. Teveel werk: alsof je alle boeken uit een zorgvuldig aangelegde verzameling moet wegdoen (of, erger nog: regel voor regel moet herschrijven!).
Kinderen daarentegen, die nog niet beschikken over een hoofd vol kennis, zullen het narren-schaak gemakkelijk kunnen leren (de nieuwe kennis heeft geen concurrentie van 'oude' kennis). Bovendien zullen ze misschien veel meer plezier beleven aan narren-schaak dan aan klassiek-schaak.
Laten we de bovenstaande inzichten eens vertalen in evolutie-biologische termen: in een niche (maatschappij) waar klassiek schaak de norm is, functioneert het oudere brein goed: het is helemaal aangepast aan de omstandigheden; in een niche (maatschappij) waar het klassiek-schaak verdrongen wordt door narren-schaak, is het leervermogen van een kind onmisbaar: het verstand van de jongere moet nog rijp gemaakt worden voor de niche (maatschappij) waarin zij zich, als ze volwassen is, moet handhaven.
Ik vermoed dat iedereen dit proces wel begrijpt (en in zichzelf werkzaam weet: welke oudere voelt zich nog volledig betrokken en begrepen in de huidige wereld?). Het kost zoveel moeite om een wereldbeeld op te bouwen en je zelf een plaats te verwerven in de wereld. De maatschappij verandert echter, vooral technologische vernieuwingen dwingen tot aanpassing.
Het zou me niet verbazen als de schaakregels over niet al te lange tijd worden aangepast, want de computer heeft het spel inmiddels volledig ontleed. (Er is eigenlijk geen klap meer aan.)
En niet alleen schakers, zelfs wiskundigen maken zich zorgen: want ze vrezen dat AI aanstonds de ene na de andere belangrijke wiskundige rekening zal genereren. Wiskundigen zijn dan overbodig.
Op de dag dat het narren-schaak het klassiek-schaak vervangt, is de klassieke grootmeester 'oud' geworden.
Onwillekeurig gaan mijn gedachten hierbij uit naar de klassieke grootmeesters van de natuurkunde, die moeite hadden met de nieuwe ontwikkelingen in hun vakgebied. Wie een definitie van het begrip 'tragiek' zoekt: het feit dat mensen overbodig worden, niet meer meetellen, terwijl ze in hun eigen tijdsgewricht briljant waren, dát is tragiek.
Is er een spel, een bezigheid, dat nooit zal veranderen en dat blijft gelden in elke maatschappij, zelfs in de verre toekomst? Een 'iets' dat jonge en oude mensen verenigt? Een zaak waar iedereen zich bij betrokken voelt?
Wellicht dat ethische kwesties -onze hang naar rechtvaardigheid- van blijvend belang zijn voor alle mensen, jong en oud. (De filosofe Christine Korsgaard betoogt iets dergelijks).
donderdag 20 augustus 2026
De Steen (versie 1) [2]
“The execution of one action [in C'elegans] at a time is coördinated by specific command neurons that, when activated, initiate one of the possible movements. Importantly, once the command neurons activate, the motor sequence (e.g., for moving forward) happens by itself. It does not need to be centrally directed because it is already wired into the neuromuscular circuitry: it simply has to be released (while all other possible actions are inhibited). The worm’s brain (a condensation of interneurons in the head) just has to ask the motor system to do something; it doesn’t have to tell it how.” [Mitchell, Free Agents, ch.4]
De architectuur van spier- en zenuwweefsel in C.elegans vertoont overeenkomst met het verplaatsen van de steen: de menners hoeven de paarden niet te zeggen hoe ze hun spieren moeten spannen en hun poten schrap moeten zeggen. Het is voldoende als ze de paarden aansporen. Voorwaarde is wel dat de paarden op de juiste wijze worden ingespannen. In de tabel zie je dat het geen zin heeft om de paarden aan te sporen als er sprake is van nul- of tegenwerking.
Hetzelfde geldt voor de spieren en het zenuwweefsel. In de loop van de evolutie hebben de spieren en zenuwen zich functioneel ontwikkeld. In het begin echter, toen de natuur organismen voorzag van spier- en zenuwweefsel, zal de werking van deze weefsels meer geleken hebben op mijn schoolklasje dat een boerenkar probeert te verplaatsen.
Het zenuwweefsel zal niet alle spieren hebben kunnen aan- en uitzetten; en een aantal van de spieren die aangezet werden, zal de verplaatsing hebben tegengewerkt (zie: het werk van Chris Pantin, Fred Keijzer).
Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat zenuw- en spierweefsel uiteindelijk -gradueel, stap voor stap- zo verfijnd en functioneel als in C.elegans zijn gaan samenwerken. Toch is dit evolutionair vrij eenvoudig te verklaren.
We zien aan de tabel dat tegenwerking en nulwerking moeten worden vermeden. Het zenuwweefsel moest de spieren dus bij voorkeur (1) wél aanzetten, maar zo dat (2) tegenwerking werd vermeden. Bij dieren waar dit niet lukte was het bezit van deze weefsel eerder na- dan voordelig: het zijn dure kostgangers, die veel energie nodig hebben. De mutanten die er in slaagden om het spierweefsel te activeren en tegenwerking te verkleinen, hadden een enorm voordeel: ze konden, in een wereld waar beweging (motiliteit) nauwelijks voorkwam, zonder gevaar alle overige organismen naderen en verorberen. Niet voor niets noemt Nick Lane motiliteit een van de belangrijkste biologische 'innovaties'.
Het eerste zenuwweefsel had, gezien het enorme voordeel van motiliteit, een exclusieve functie. We kunnen de logica die deze functionaliteit kenmerkt in een paar regels uitwerken.
Spieren werken optimaal als uitsluitend de meewerkende krachten worden geactiveerd; we leiden nu uit de bovenstaande tabellen af dat:
-je daarom het spierweefsel wel moet activeren (=geen nulwerking), maar
-je moet tegenwerking vermijden (=geen tegenwerking);
In feite zijn dit protologische wetten;
-geen nulwerking kun je noteren als: niet (p noch niet-p);
-geen tegenwerking kun je noteren als: niet (p en ¬p).
Zo heb je de twee formele klassieke wetten afgeleid (want geen nulwerking is natuurlijk de wet van het uitgesloten derde).
Tenslotte is de exclusieve operator een conjunctie van de twee klassieke wetten:
(p v ¬p) & niet (p & ¬p) <=> (p v ¬p) [3].
Ook dit is gemakkelijk te begrijpen:
De disjunctie stelt dat 'ofwel p of niet-p of zowel p als niet-p'. Maar 'geen tegenwerking' verbiedt 'zowel p als niet-p'.
Je houdt dan de exclusieve disjunct over.
(4) De exclusieve disjunctie beschrijft de optimale activering van onze spiergroepen. Wie begrijpt dat je de Drentse steen niet kunt verplaatsen als je paarden niet aanspoort tot trekken en sjorren of als je de paarden tegen elkaar in laat werken, begrijpt ook waarom wij een basale exclusieve denkwijze hebben.
Wij zijn een object en verplaatsen ons als een object, dat wil zeggen op exclusieve wijze. We hebben daar een exclusieve denkwijze bij nodig, anders zouden we ons eigen lichaam niet kunnen bedienen.
Aangezien exclusiviteit een contingente eigenschap is, die slechts betrekking heeft op objecten, is ook onze denkwijze contingent. Onze denkwijze is niet noodzakelijk, niet algemeen en niet universeel. Voorts is het niet lastig om vast te stellen dat de werkelijkheid niet exclusief is (maar dit is een uitstapje in de metafysica dat we hier laten rusten) [3].
Je kunt alle metafysische en bovennatuurlijke verklaring van de logica nu vergeten: het zijn geen magische wetten die de gehele werkelijkheid beschrijven en die door een bovennatuurlijke alwetende persoon zijn gebruikt om de schepping te ordenen. Het zijn praktische wetten die ons helpen om snel en doelmatig van a naar b te lopen.
Onze logische denkwijze is toegesneden op 'handelen': we zijn ethische dieren.
---------
woensdag 19 augustus 2026
De strop om de nek van de ethiek
Religieus licht
zondag 16 augustus 2026
Compleet (versie 1.5)
zondag 2 augustus 2026
Levenskunst
donderdag 30 juli 2026
Gelovig leven
We kiezen het volgende uitgangspunt: we zijn dieren en we hebben een natuurlijke oorsprong (let wel: hiermee is niets gezegd over de metafysische vraag of de natuur eventueel een herkomst heeft).
We weten dat we een verstand hebben dat -in volledige afzondering- probeert de wereld te begrijpen. Het krijgt elektrische en chemische signalen binnen langs de zintuigen en heeft de lastige taak om op grond van deze signalen een 'stafkaart' (model) van de wereld op te stellen. Deze stafkaart is het enige instrument waarover het verstand beschikt om het lichaam veilig langs tal van obstakels te leiden.
Voorts weten we dat het verstand een klassieke logische grondslag heeft: de twee basiswetten bepalen onze denkwijze. Al onze plannen en inzichten zijn consistent en coherent (zo goed en zo kwaad als dit gaat). Vanzelfsprekend is ook onze stafkaart van de wereld consistent. Het verstand vergelijkt voortdurend de waarneming met ons model van de wereld. Zodra het verstand een afwijking opmerkt -dat is een inconsistentie- tussen model en waarneming is het extra alert en probeert het de inconsistentie op te lossen.
Waarom werden consistentie en coherentie zo belangrijk? We weten dat spier- en zenuwweefsel ontstaan zijn in het cambrium (misschien zelfs eerder). Je hebt niets aan spieren als je deze niet kunt coördineren (patterning). De zenuwen moeten het spierweefsel zo prikkelen (patterning) dat deze gericht samenwerken. Laat je dat na dan komt het lichaam -het lichaam is een object, een ding- niet in beweging (en dan heb je geen evolutionair voordeel van spierweefsel). Een lichaam moet tenminste kunnen naderen en wijken.
De rest is natuurkunde. Het zenuwweefsel moet in de spieren één welbepaalde kracht (Fn) opwekken om het lichaam te laten naderen en een welbepaalde kracht (Fw) om het lichaam te laten wijken. Als het zenuwweefsel Fn en Fw gezamenlijk aanzet dan is het lichaam onbestuurbaar. De krachten kunnen alleen doeltreffend zijn als ze exclusief worden aan- en uitgezet. Dit is een eenvoudige rekensom. De fysica van het bewegende lichaam en de biologische noodzaak om doelmatig te bewegen leiden zo tot een zeer eenvoudig brein met twee eerste representaties: een 'pattern' dat 'naderen' representeert en een 'pattern' dat 'wijken' representeert.
De eerste structuur van het zenuwweefsel dient als 'basisstructuur' voor alle andere cognities en representaties waarmee organismen later worden verrijkt. Ook daar is een verklaring voor: zo lang de representaties/functies exclusief (logisch) geordend worden, kan een organisme de nieuwe functies fysiek uitvoeren.
Het hele cognitieve domein -onze percepties, onze redeneringen, onze plannen, onze concepten- is daarom vermoedelijk klassiek. De vraag of een nieuwe functie het vermogen om doeltreffend te handelen al dan niet belemmert is natuurlijk bepalend voor de vraag of een mutatie blijvend is.
Het bovenstaande -in een notendop- is de geschiedenis van ons klassieke verstand. Wij hebben een denksysteem dat gericht is op overleven en voortplanten.
Van de weeromstuit kunnen we niet buiten ons denksysteem om naar de wereld kijken (nogmaals, denk aan de metafoor: de wereld is voor het brein een stafkaart, die opgesteld wordt aan de hand van de eigen denkwijze en concepten en die wordt bijgesteld door de waarneming).
Ons denksysteem is een systeem dat in zichzelf besloten is. We bezien de wereld alsof deze uit objecten bestaat en we ordenen alle zaken alsof het objecten zijn (dit ding hoort bij de rode dingen in dit bakje, dat ding hoort bij de blauwe dingen in dat bakje). Interessant is het werk van ontwikkelingspsychologen: zij hebben vastgesteld dat prelinguistische baby's (niet mijn term) al goed begrijpen hoe objecten zich gedragen. Ze zijn ingesteld/afgesteld op een 'object(ieve) wereld'.
We zitten 'opgesloten' in onze denkwijze. Het is niet anders. Dit is al bedacht door veel filosofen, met name door Sartre en Wittgenstein (die dit elk op hun eigen manier hebben verwoord: we kunnen niet buiten onze taal treden; we kunnen niet buiten ons 'aandachtsveld' stappen). We zijn hoe dan ook beperkt.
Je kunt nu het volgende argument opstellen. Het is -volgens onze eigen klassieke denkwijze- van tweeën één: onze denkwijze is wel of niet volledig.
Veronderstel eens dat onze denkwijze de wereld niet 'uitbeent naar haar eigenlijke structuur': dan is onze denkwijze niet volledig (dit is de meest waarschijnlijke optie gezien ons uitgangspunt: we zijn geëvolueerde dieren).
De wereld zal dan voor ons in twee delen uiteen vallen: de wereld die wel conform onze denkwijze is en de wereld die niet conform onze denkwijze is.
Als onze 'objectieve voorstelling' van de werkelijkheid niet volledig is, dan weet je dat de aspecten van de werkelijkheid die niet conform onze denkwijze zijn, door ons niet worden begrepen. Laten we dit domein dat buiten ons gezichtsveld valt 'domein x' noemen.
(stelling:) We weten wat x niet is, maar we weten niet wat x wel is.
(modale bepaling van de stelling:) We weten wat x niet kan zijn, maar we weten niet wat x mogelijkerwijs wel is.
Hoe groot, vreemd, ingewikkeld, onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk, duister, bizar of absurd kan x mogelijkerwijs zijn? Hoe trekken we de universele grens tussen het het mogelijke en het onmogelijke? We weten het niet.
We kunnen daarom geen beschrijving uitsluiten (niets is te dol, niets is te gek, geen voorstelling is zóó vreemd dat wij voorhands kunnen zeggen: dit is altijd en overal onmogelijk).
Per saldo betekent dit dat de mens géén beschrijving van x kan uitsluiten.
En omdat de mens de maat van alle dingen is (we kunnen niet buiten onze eigen denkwijze om kijken), geldt:
De mens kan te x niets uitsluiten <=> Er kan te x niets worden uitgesloten (*)
Waaruit je dan zondermeer kunt afleiden: het bestaan van God kan onmogelijk worden uitgesloten.
-----
[*]. Het <=> teken staat voor: ... is equivalent aan...
Nazorg: één van mijn lezers wordt niet helemaal goed van deze redenering, want zijn verstand kan de vreemdheid van de werkelijkheid niet bevatten: en dat dát precies de crux van de redenering is kan hij ook al niet bevatten. Wellicht zijn er nog andere lezers die dit ook niet bevatten. Aan hen de volgende raad: dat de wereld vreemd is en dat ons verstand niet 'volledig' is, betekent dat je de vrijheid hebt om op een praktische wijze met de vreemdheid van de werkelijkheid om te gaan. Instrumenteel. Zie je in dat een leven met God uiteindelijk troostrijker is dan een wereld zonder God? Omarm dan de afleiding hierboven. Je kunt echter ook anders doen: de non-existentie van God kan onmogelijk worden uitgesloten. En dit bevestigt dat de werkelijkheid vreemd is. Wat wil je dat ik er tegen doe? Ik ben niet almachtig. Leer er mee leven. Accepteer dat je een beperkt verstand hebt.
Het geloof wordt hier des te interessanter door. Want de vraag waar het geloof om draait verschuift: de vraag of God bestaat staat niet in het midden (want de mens kan het bestaan van God niet ontkennen/uitsluiten), maar de vraag 'wat kies je?' staat nu in het midden. De vraag is of je gelovig wilt zijn en -wel zo indringend!- hoe je gelovig moet zijn. Je beantwoordt de vraag of God bestaat niet theoretisch, maar praktisch, namelijk door een bepaalde praktijk te kiezen (een bepaalde manier van leven).
Het volledige gewicht van de religieuze kwestie komt te liggen op je doen en laten. Dat past goed bij het inzicht dat de mens van nature een ethisch wezen is in een wereld van goed en kwaad. In alle religies wordt de mens bezien als een 'ethisch wezen (dier)' (gelukkig zijn dan vaak de religieuze leiders zo geslepen dat ze zichzelf verrijken en het geloof van hun volgelingen cynisch misbruiken: Marx en Nietzsche hebben een punt. Verwar God daarom niet met de kerk! Kierkegaard zag het geloof als een vehikel voor de eenling: dat is geen domme gedachte.)
Modernisering: de wereld is vreemd en de mens is beperkt. Wie of wat God is wordt niet bepaald door de regels van de fysica, enz. De fysica van tegenwoordig is zo anders dan die van honderd jaar geleden. De epistemologische moeilijkheden zijn groot. De gedachte dat God -de schepper van dit immense, onbegrijpelijke heelal- onbegrijpelijk is zal voor ons zo onwennig niet zijn. We hoeven ons dan ook niet af te vragen hoe God handelt, hoe God 'mee-lijdt', enz. Zolang we inzien dat het bestaan van God, volgens de meest rationele en naturalistische benadering van dit 'vraagstuk' (zie boven) niet kan worden uitgesloten, ervaren we dat de klassieke theologische vragen minder belangrijk zijn. Waar het om draait is welke keuzes je maakt: zie je je leven als een religieuze praktijk?
Je bent van nature een eenling die zelf de verantwoording voor zijn daden (keuzes) -voor zijn doen en laten- draagt. Hoe leid je als eenling een 'leven voor God en voor de mens'? Wat betekent het dat je een ethisch dier bent? Want je existeert altijd als eenling: een mens staat tegenover zichzelf bij het vestigen van een levenspraktijk gestoeld op ethische beginselen. Dát is de kern van een religieus leven, van een gelovige praktijk (=Kierkegaard).
dinsdag 28 juli 2026
Zwaargewonde dames
Mocht je mij vragen welk boek je deze vakantie (eens) moet lezen, dan zou ik -zonder aarzeling- zeggen: Yon, Daniel, Een truc van de geest.
Overigens ook verplichte kost voor filosofen. Je leert van dit boek hoe filosofisch onderzoek stap voor stap wordt overgenomen door wetenschap (overigens betekent dit niet dat filosofisch onderzoek overbodig wordt).
Yon beschrijft dat cognitiewetenschappers langzamerhand beginnen te geloven dat het brein de wereld beoordeelt op grond van een intern 'wereldbeeld' (een soort 'stafkaart' van de wereld om je heen). Hij noemt het brein daarom een 'bayes machine'. Ik zal dit uitleggen.
Het brein beoordeelt alle fysische en chemische signalen die het van de zintuigen ontvangt op grond van het interne wereldbeeld.
Een voorbeeld van de wijze waarop het verstand waarnemingen vergelijkt met haar kennis van de wereld: Ik zag eens een mevrouw voor mij fietsen met een enorme hoofdwond: iemand had haar een pen in het hoofd gestoken en rondom de wond zat een dikke plak geronnen bloed. Ik begreep niet dat iemand die zo toegetakeld was nog in staat was om te fietsen.
Ik werd geplaagd door een 'anomalie': mijn waarneming botste met mijn wereldbeeld (mijn kennis van de wereld).
Een zwaargewonde mevrouw behoort zich niet te gedragen als een zeer vitale mevrouw.
Pas toen ik haar naderde zag ik dat ze een grote houten pen door een (bloed-)rode speld gestoken had om heur dikke bos haar in het gareel te houden.
Je kunt Bayes theorema niet beter uitleggen dan met een dergelijk voorbeeld.
Het inzicht van Bayes was dat je elke 'nieuwe' waarneming moet vergelijken met je 'oude' wereldbeeld (verwarrend genoeg noem je je 'oude' wereldbeeld de 'prior': dat wat je vóór de waarneming al weet en denkt over de wereld).
Mijn prior was dus: zwaargewonde dames kunnen zich niet gedragen als vitale dames.
Door de dame beter te observeren en te denken dat de kans dat zwaargewonde dames nog vitaal kunnen fietsen zeer klein is, kon ik de anomalie oplossen: ik moest niet mijn wereldbeeld, maar mijn observatie 'her-interpreteren' (in gewone taal: ik moest beter 'uit me doppe kijke').
Je prior is, kortom, meestal bepalend voor je oordeel.
Het brein kan niet anders dan de waarneming beoordelen op grond van haar wereldbeeld, want het brein heeft -letterlijk- geen toegang tot de wereld. Het brein zelf is doof, blind en gevoelloos.
De zintuigen voeren slechts chemische en fysische signalen aan. Het brein zal deze chemische en fysische signalen zelf moeten ontleden en beoordelen. Dat is een zeer ingewikkeld proces waar je een ingewikkelde machinerie van patronen en concepten voor nodig hebt.
Swaab vergeleek het brein met een militaire commandopost die zich ver achter het front bevindt. De staf ziet niet wat er op het slagveld gebeurt. Ze stellen zich op de hoogte door de berichten over de situatie aan het front weer te geven op een stafkaart. Aan de hand van het 'model' (stafkaart) van het front voeren ze het commando.
De situatie op de stafkaart is de 'prior'; de berichten zijn de 'waarneming'. Als de berichten betrouwbaar zijn, dan wordt de stafkaart aangepast; als de berichten niet betrouwbaar zijn dan blijft de stafkaart ongewijzigd.
Het brein wordt door Yon een 'Bayes machine' genoemd omdat het een model (prior) gebruikt om waarnemingen te interpreteren (maar dat was je inmiddels al duidelijk).
Hoe waarschijnlijk is het dat een zwaargewonde dame kan fietsen? Het bayesiaanse brein zegt: niet erg waarschijnlijk.
Laten we de vragen die mij op deze webzuil al zo lang bezig houden eens omzetten in de taal van Bayes...
Hoe waarschijnlijk is het dat wij de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden?
Hoe waarschijnlijk is het dat wij de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden als we weten dat we Darwin-machines zijn?
Hoe waarschijnlijk is het dat God bestaat?
Hoe waarschijnlijk is het dat God bestaat gegeven het feit dat wij Darwin-machines zijn en daarom waarschijnlijk niet de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden?
Hoe waarschijnlijk is het dat de gehele werkelijkheid een structuur heeft die wij kunnen 'verwerken/begrijpen' gegeven het feit dat wij Darwin-machines zijn en daarom waarschijnlijk niet de gehele werkelijkheid kunnen doorgronden?
Hoe waarschijnlijk is het dat God bestaat gegeven de waarneming (ontdekking) dat wij ethische wezens zijn en gegeven het feit dat wij Darwin-machines zijn enz.?
De antwoorden op zulke vragen worden sterk bepaald door je prior: je wereldbeeld.
Iemand als Dawkins heeft een 'prior' die elke waarneming zal bezien als een natuurlijk fenomeen: religieuze ervaringen zal hij a priori beschouwen als zeer onwaarschijnlijk.
Uiteindelijk blijven we steken op de vraag -een vraag die we helaas principieel niet met Bayes theorema kunnen beantwoorden- welk wereldbeeld de beste prior is.
De vrijheid in het kiezen van een prior is echter tamelijk groot.
(Trouwens: je kunt je 'prior' altijd bijstellen (als je je 'stafkaart' grondig aanpast, dan 'val je van je geloof'). Dat zou als volgt kunnen werken. Als we Darwin-machines zijn dan is het waarschijnlijk zo dat we structureel (kwalitatief) de werkelijkheid niet kunnen doorgronden. We zijn dan niet in staat om stelselmatig te bepalen wat mogelijk of onmogelijk is. Hoe waarschijnlijk is dan het bestaan van God? Of: hoe waarschijnlijk is dan het bestaan van God gegeven de waarneming dat onze wereld 'ethisch' is? Iemand die eerst dacht dat de werkelijkheid logisch en natuurlijk gesloten is en dat we Darwin machines zijn, zou op grond van deze 'waarneming' kunnen gaan 'zien' dat de werkelijkheid niet logisch en natuurlijk gesloten is.)
Vragen te over.
Hoe dan ook: lees eerst dat boek van Yon. Het beste populair-wetenschappelijke boek van het afgelopen jaar.