Op de middelbare school is filosofie een keuzevak. Het is de taak van de docent om ouders en leerlingen uit te leggen wat filosofie is en waarom filosofie nuttig is.
Veel tijd krijg je daar niet voor. Je geeft één gastlesje aan de leerlingen (in de namiddag) en één aan de ouders (in de avond).
Het probleem is dat Nederlanders geen staande filosofie-traditie hebben. De enige Nederlandse filosoof van internationale faam was Spinoza (ik vrees echter dat zijn Ethica bij vrijwel geen enkel gezin op de boekenplank staat).
Wat is dan wel het nut van filosofie?
Wel, we hebben één lichaam dat per beurt slechts één handeling kan verrichten: je kunt een autoritje maken, je kunt een biefstukje met gebakken aardappelen eten in het plaatselijke restaurant, je kunt bejaarden plagen door steentjes tegen de ruiten te gooien of je kunt gewoon je ogen sluiten en gaan slapen. Maar je moet kiezen.
Louter en alleen het feit dat je slechts één handeling per keer kunt verrichten verplicht je tot nadenken, afwegen en oordelen.
Het aardige is dat je zelfs niet kunt weigeren om te kiezen: want ook wie de rest van zijn leven weigert om op te staan van zijn stoel (het lijkt mij aardig om een roman te lezen over een man die is gaan zitten op een stoel en daar tot zijn dood aan toe op blijft zitten) heeft een keus gemaakt.
Het was nu Socrates die wilde dat wij nadenken over onze keuzes en dat wij er de verantwoordelijkheid voor dragen.
Het rechtvaardigen van je keuzes begint met het verzamelen van meningen. Want wie geen mening heeft zal volkomen indolent zijn. Meningen zijn de brandstof voor de handelende mens.
Je kunt de functie van een mening vergelijken met een plank die je over een sloot legt: de mening stelt je in staat om naar de overkant te lopen (naar de overkant lopen: metafoor voor iemand die zijn plannen realiseert).
Zonder mening bereik je weinig (want je weet niet wat je wilt en hoe te doen) maar met een mening -de plank- kom je wel aan de overkant.
Meningen zijn dan ook niet onschuldig. Als iemand van mening is dat alle Friezen naar een strafkamp moeten, dan heeft hij een plank in handen om -als de kans zich voordoet- de oversteek te maken. Mannen die vinden dat ze hun vrouw moeten slaan en dit leren aan andere mannen: zij verstrekken aan hun mannelijke volgelingen een plank om over te steken.
Socrates hamerde er dan ook feitelijk op dat wij onze meningen moeten rechtvaardigen. Alleen wie handelt op grond van een gerechtvaardigde mening is rationeel (en RATIONALITEIT -zie hoe de docent dit woord nu met rood krijt en grote letters op het bord schrijft!-, is het ideaal van de filosoof: de filosoof wil een rationele levenshouding kweken in alle mensen).
Hoe controleer je of een mening gerechtvaardigd is? Wel, een mening is gerechtvaardigd als de negatie van die mening niet rationeel is (bijvoorbeeld omdat ze aantoonbaar inconsistent is, de definitie rammelt, ze niet coherent is, de afleiding niet klopt, enz).
Vervolgens legt de docent uit hoe een filosoof een mening rechtvaardigt. Hij wijst op het gebruik van definities, noodzakelijke en voldoende voorwaarden, logica (vooral het gebruik van premissen en afleidingsregels), consistentie, en tal van andere instrumenten zoals het onderscheid tussen de dicto en de re, knowing how, knowing that, enz.
Tenslotte zal de docent dan iets zeggen over de vraag voor wie dit nuttig is. Wel, voor alle leerlingen! Want in alle wetenschappen komt men op een punt dat de vraagstukken niet kunnen worden afgeleid uit een formule, maar dat men op zoek moet naar een rechtvaardiging voor een bepaalde mening. Zo moeten wetenschapper bijvoorbeeld vaak hun mening rechtvaardigen als ze weer eens moeten bepalen 'welke kant het onderzoek uit moet'.
In alle wetenschappelijke disciplines zijn er vraagstukken waar de geleerden verschillende meningen over hebben. In dat geval zullen ze zeker hun mening moeten rechtvaardigen. Je kunt niet volstaan met slechts het deponeren van je mening.
Filosofen -ik bedoel: academische filosofen- zijn uitermate bedreven in het rechtvaardigen van een mening: ze voeren de argumenten zo ver door dat tenslotte de 'spoken' en de 'tegenstellingen' uit hun schuilplaatsen tevoorschijn komen kruipen en de zwakte of kracht van een argument aan het licht komt.
Als er dan nog voldoende tijd over is gebruikt de docent de raadselen van de tijd als een voorbeeld om te laten zien dat het boerenverstand niet voldoende is om een mening te rechtvaardigen. Want het gevecht tegen het boerenverstand is eigenlijk de eerste strijd die een filosoof moet zien te winnen.
'Als u meent te weten dat dit de realiteit is, omdat u in staat bent om tegen de tafel te schoppen, dan moet u ook in staat zijn om ons te zeggen hoe lang de realiteit duurt: want u kunt wel op dit ogenblik tegen de tafel schoppen, maar u kunt niet tegen de tafels uit het verleden schoppen (dit is het standpunt van de 'presentisten', filosofen die proberen te rechtvaardigen dat alleen het nu echt bestaat).
U bent het er niet mee eens? (er is altijd in het publiek iemand die het er niet mee eens is: altijd is het een man en altijd zit hij met de armen over elkaar). En na de gebruikelijke enigszins stevige 'gewoon-uitleg' (de dingen bestaan gewoon, ze verdwijnen niet) die besloten wordt met de opmerking 'en zo is het gewoon', is het interessant om hem te vragen zijn standpunt wat preciezer uit te werken.
Als het allemaal zo gewoon is, kunt u dan ook zeggen "waar eindigt het heden -de echte wereld- en waar beginnen verleden en toekomst. Of blijft het verleden altijd bestaan en is ook de toekomst al actueel? Als de echte wereld er gewoon altijd is, zoals u zegt, kunt u dan even in de echte wereld kijken waar ik aanstonds, aan het einde van de les, mijn krijtje zal wegleggen?
En zulke simpele kwesties zijn vaak voldoende om de mensen er (enigszins) van te overtuigen dat 'gewoon' niet 'gewoon' is.
Je besluit met: het is niet de filosofie die vreemd is, maar het is de wereld die ingewikkeld is en ongrijpbaar. Onze fout is dat wij de wereld 'gewoon' willen maken en eenvoudig en overzichtelijk: dat is onze eigenlijke denkfout.
Wij zijn psychologisch zo ingericht dat wij op de automatische piloot routinematig onze handelingen willen kunnen verrichten. En dit is het tegendeel van wat de filosoof beoogt: als je je inzichten probeert te rechtvaardigen en je doet dit stelselmatig en streng, dan stuit je vanzelf op 'ongewone moeilijkheden'.[1]
Het grootste gevaar voor rationaliteit is de idee dat iets 'gewoon' is. Wij worden sterk beheerst door de vastgeroeste idee dat de wereld 'g'woon is zoals wij haar gewoon zijn'.
En als u dat inziet, dan heeft u vanavond al de eerste stap gezet om Nederlands tweede grote filosoof te worden.
Hoeveel leerlingen dan tenslotte voor ons vak kiezen blijft elke keer weer afwachten.
-----
[1] Vrij naar Wittgenstein: de filosoof vecht tegen de beheksing van ons verstand. (Mooie term is dat: de beheksing...)