De mens is te gast in zijn eigen brein. We zijn te vergelijken met de clientèle van een restaurant. We krijgen gerechten opgediend die we met smaak (of tegenzin) verorberen.
Het is opvallend dat we uit het gerecht niet kunnen afleiden welke ingrediënten de kok gebruikt heeft. De vis is gefileerd, de groente gesneden en gekleurd met een bijzondere saus; de witte schijfjes (venkel?) zijn knapperig en bestrooid met zwarte korrels (stukjes noot?).
De kok heeft de oorspronkelijke ingrediënten zo sterk bewerkt dat je niet goed weet wat je op je bord hebt liggen.
In de keuken zijn de ingrediënten gewassen, gesneden, gekookt, geweckt, versierd, gemengd en op talloze andere manieren bewerkt.
De gast in het restaurant heeft geen weet van het werk van de kok: dat wil zeggen, hij begrijpt wel dat de kok de ingrediënten sterk bewerkt heeft, maar welke kunsten de chef heeft uitgevoerd kan hij niet bepalen.
Ook van de ingrediënten die de toeleverancier van het restaurant heeft aangeleverd heeft de gast geen benul. Hij krijgt uiteindelijk een gerecht geserveerd waar hij met smaak van kan genieten.
Zo krijgen ook wij een volledig bereid beeld van de wereld voorgezet, waar wij onmiddellijk gebruik van kunnen maken. De ingrediënten die ons gebracht zijn door de zintuigen worden door de 'chef' (=het brein) zo bewerkt dat wij de dingen in ruimte en tijd zien en verbanden en samenhang kunnen herkennen.
De kok heeft de lichtgolven en de geluidsgolven die de ogen en de oren hebben aangevoerd (=de toe-leveranciers) sterk bewerkt. Hij heeft ruimte en tijd toegevoegd, causaliteit, samenhang, opeenvolging, onderscheid, kleur, enz. Het beeld van de wereld (=het gerecht) dat wij uiteindelijk opgediend krijgen is sterk bewerkt en kan daarom onmiddellijk worden genoten (=omgezet in een handeling).
Omdat de oorspronkelijke ingrediënten zo sterk bewerkt zijn door de keuken is het voor ons ondoenlijk om vast te stellen hoe de buitenwereld (=de oorspronkelijke ingrediënten die door het oog en het oor zijn geregistreerd) is. De gast in het restaurant van Kant heeft geen onmiddellijke toegang tot de buitenwereld.
Zo komt Kant dan aan zijn (beroemde) tweedeling tussen de fenomenale wereld (=het beeld van de wereld dat de keuken uiteindelijk aan ons bewustzijn opdient, dat wil zeggen: het gerecht) en de noumenale wereld (=de wereld zoals een 'alziend' oog haar waarneemt: merk op dat wij niet eens kunnen weten wat ons oog 'echt' ziet).
Wij zullen nooit in staat zijn om de wereld te zien anders dan nadat het oog het licht heeft opgevangen en nadat het brein deze visuele signalen bewerkt heeft. De werkelijkheid is eigenlijk een product van vlees en bloed, dat wil zeggen: een product van het oog en het brein.
Uiteraard heb je altijd wijsneuzen die niet geloven dat we te gast zijn in het restaurant van Kant; zij geloven niet dat de chef het menu bepaalt.
Schopenhauer is een voorbeeld van een metafysicus die meende dat we wél tenminste één van de oorspronkelijke ingrediënten uit de buitenwereld onbewerkt op ons bordje krijgen: de WereldWil.
Wetenschappelijk onderzoek echter stelt Kant in het gelijk en Schopenhauer in het ongelijk: alles wat we bewust waarnemen lijkt sterk bewerkt te zijn door de keuken. (Maar Schopenhauer is 'by far' de betere schrijver en dat doet de bekendheid van zijn inzichten goed: ook filosofen willen graag héél beroemd worden en moeten het hebben van reclame).
De idee van Kant -een omwenteling in het denken!, dat is niet te weinig gezegd- dat we te gast zijn in ons eigen brein is niet bezijden de waarheid, integendeel.
------
[1] In het restaurant van Kant is -zoals Roger Scruton opmerkt- het volgende erg merkwaardig: causaliteit is een specialiteit van de chef, maar de zintuigen worden 'causaal' beinvloed door licht en geluid! Het is de vraag of dit wel met elkaar rijmt. (Immers: de chef bewerkt de ingredienten pas nadat ze door de toeleverancier binnen gebracht zijn: causalitiet kan dus niet voordien al 'bereid' worden door de chef.]
1 opmerking:
Cartesiaanse meditaties
Geachte heer Riemersma, sta me toe een klein commentaartje op uw prikkelend artikel te schrijven.
Ik had het recent elders op uw blog over Descartes. Ik zie uw artikeltje min of meer aanknopen bij mijn kleine beschouwing over Descartes. De titel van mijn huidig commentaartje is een allusie op de Cartesiaanse Meditaties van Husserl.
Hoe fascinerend ik Descartes ook vind, her en der verschil ik met hem van mening. Hij heeft het over aangeboren ideeën. Ik denk niet dat ideeën ons aangeboren zijn. Wat ons wel aangeboren is, is het creatieve onderscheidingsvermogen. Iedereen heeft zo zijn eigen versie. Een versie die bovendien dynamisch is.
Ons onderscheidingsvermogen produceert een wereldbeeld. Iedereen heeft zo zijn eigen wereldbeeld. Kant was nogal rigide en dacht dat zo'n wereldbeeld au fond een onwrikbaar dogma was. Ik echter zou zo'n wereldbeeld als een hypothese willen zien. Als een soort achtergrondtheorie om de term van Searle te gebruiken. En nu ik toch namen drop, Putnam met zijn Intern Realisme poneert ook zoiets als ik het tenminste goed heb.
Terwijl Locke en Hume het hebben over zelfobservatie, denk ik in navolging van hun critici dat je het beter kunt hebben over zelfreflectie. We nemen onszelf niet eenvoudig weer maar we benaderen ons binnenwereldje, althans als we filosofen zijn, via moeilijke reflecties waarbij we ook kijken naar andere mensen. Het eerstepersoonsperspectief en het derdepersoonsperspectief gaan hand in hand.
Hoe we precies een wereldbeeld in elkaar knutselen, weten we eigenlijk niet. In elk geval niet streng algoritmisch want er komt nogal wat creatieve verbeelding bij kijken.
Fraai is dat een Hume wel degelijk erkent dat we verbeelding hebben. Maar voor zo ver ik het begrijp ziet hij niet in dat verbeelding en empiricisme elkaar bijten.
Een wereldbeeld is een hypothese. Een gissing. En gissingen kunnen vergissingen zijn. Ons zogeheten kenvermogen is een gisvermogen en aldus ook een vergisvermogen. Het gist in ons.
Op zijn manier was Hume ook een logicus. Zo boog hij zich over het begrip "noodzakelijkheid" in verband met het begrip "oorzakelijkheid". Op zich prikkelend. Maar de logica verwerven we niet door de empirie. Ik heb tenminste nooit waargenomen dat A gelijk aan A is en ongelijk aan niet-A. De logica is een uitvinding van ons onderscheidingsvermogen, van ons vermogen om te onderscheiden tussen allerlei concepten. En natuurlijk ook tussen percepten maar dat is nu even niet van belang.
Van Descartes via Hume naar Kant is een kleine stap. Maar een belangwekkende.
Sorry voor mijn grote overmoedige stappen. Ik besef zeer goed dat het eigenlijk gaat om kleine voorzichtige stapjes.
Een reactie posten