vrijdag 30 januari 2026

De ontmoeting tussen Nap en Max

Berlijn is door de geallieerden volledig in de as gelegd: het doel heiligde de middelen (of heiligden de middelen het doel?). Het beroemde operagebouw aan het Unter der Linden is één van de gebouwen die door de explosieve kracht van de bommen stuk geslagen werd. Wie de foto's ziet van de 'Linden', enkele dagen na het beëindigen van de oorlog, kan alleen maar zwijgen.

Het operagebouw is echter later weer opgebouwd (door Poolse arbeiders- het werk is zeer vakkundig uitgevoerd; ze hebben alle historische gebouwen aan Unter der Linden hersteld in oude luister).

Een gebouw kan schijnbaar eerst 'existent' zijn (en 'concreet': echt, aanraakbaar) en daarna 'non-existent' (niet concreet: niet echt, niet aanraakbaar) en daarna weer 'existent', enz. De restauratie van het operagebouw was mogelijk omdat het na de vernietigende bombardementen nog bestond: namelijk als (de oorspronkelijke) bouwtekening: het gebouw was dan weliswaar geen 'concreet existerend object' maar het 'bestond' nog wel: als ontwerp. 

Nu kun je de volgende vraag opwerpen: wat is eigenlijk het 'echte' Berlijnse operagebouw: het object dat gebombardeerd is en dat weer is gerestaureerd of het ontwerp van het operagebouw? Wanneer 'bestaat' een gebouw, flat, huis of hut? Waarom is de 'concrete' vorm van het gebouw 'echter' dan het 'ontwerp'?

Dezelfde vraag kun je stellen als het om een muziekstuk gaat. Is Dichterliebe van Schumann een compositie op papier of bestaat de Dichterliebe pas 'echt' als deze ten gehore wordt gebracht? Als je zegt dat Dichterliebe alleen bestaat als deze liederen verklankt worden, dan is het een muziekstuk dat 'echt' kan bestaan -tegelijkertijd- op verschillende plekken in de wereld; soms echter -als geen enkele zanger en pianist het stuk spelen- existeert de Dichterliebe dagenlang niet (immers, wordt de cyclus niet uitgevoerd dan is ze niet 'concreet'). 

Als je naar een recital gaat -of naar een opname luistert- dan zingt de uitvoerende kunstenaar één lied uit Dichterliebe per keer. Feitelijk betekent dit dat de liedcyclus als deze alleen bestaat zolang de uitvoering duurt, dan existeert ze slechts als een 'kortdurend fragment' en is voor het overige deel non-existent. Je hebt toch intuïtief de indruk dat we de woordjes 'echt' en 'niet echt' hier niet kunnen gebruiken zoals we deze woordjes gebruiken voor gebouwen en schilderijen: je hebt de indruk dat de liedcyclus op papier 'echter' is dan in haar 'concrete' vorm.

Nog verstandiger is het misschien dat je, afgaande op de bovenstaande voorbeelden, inziet dat het woordje 'echt' nogal complex is. 

Het boerenverstand (common sense) zit ons in de weg als we spreken over 'echte' en 'niet echte' dingen. We gebruiken het woordje 'echt' in het dagelijkse leven op een tamelijk zorgeloze wijze. Deze zorgeloze wijze is evenwel niet geschikt voor filosofisch gebruik.

Wat is een mogelijkheid: spreek je van een 'mogelijkheid' als deze concreet kan worden (ik kan jouw een pak slaag geven!) of spreek je van een mogelijkheid als we het hebben over een 'idee'/'scenario' (ik kan Napoleon een pak slaag geven). 

Filosofen hebben als oplossing voor dit vraagstuk bedacht dat een 'mogelijkheid' 'echt' is als deze 'actueel' is (dit is formeel beschreven in de semantiek van de modale logica). Het ontwerp van het operagebouw is volgens dit modale criterium 'echt': het ontwerp van het operagebouw maakt deel uit van onze 'actuele' wereld. Ik mag het ontwerp van het opera-gebouw daarom opnemen/toelaten in de 'ontologie' van de actuele wereld (immers, de tekeningen liggen ergens in een la of ze staan ergens op een schijf). 

Zijn er ook mogelijkheden die ik niet mag toelaten in onze actuele ontologie?Jawel: de mogelijkheid dat Napoleon morgen koningin Maxima bezoekt lijkt geen deel uit te maken van onze actuele wereld. Alhoewel: kan ik geen 'ontwerp','voorstelling' maken van het bezoek dat Napoleon aflegt aan de koningin? 

Ik kan best een kort verhaal schrijven -of zelfs laten schrijven, door AI, uiterst gedetailleerd- en zo het 'ontwerp' van dit bezoek actueel maken. Immers, ik maak deel uit van de actuele wereld, en in mijn hoofd beschik ik over het 'ontwerp' van dit bezoek, zodat -ipso facto- het 'ontwerp van het bezoek dat Napoleon aflegt bij de koningin' ook deel uitmaakt van de actuele wereld. 

Wellicht vinden we het bezoek van Napoleon als 'ontwerp' niet 'echt' omdat wij -de mensheid- niet over de middelen beschikken om het 'concreet' te maken. We kunnen het ontwerp van het operagebouw wel concreet maken, we kunnen de compositie van Dichterliebe wel concreet maken, maar we kunnen het bezoek van Napoleon niet concreet maken: over die mogelijkheid beschikken we niet (onze techniek schiet hier te kort).

Geleerden zijn bevangen momenteel door de gedachte dat je uit het DNA van een 'dino' weer een volledige 'dino' kunt kweken. Fascinerend! Het DNA van de dino (=het ontwerp) zegt je hoe je alle eiwitten (proteïnen) waaruit de dino bestond moet vouwen en samenvoegen en zo kun je de dino tot leven wekken (een dino -en ook de mens- is immers weinig meer dan een legpuzzel van organische stoffen). 

Stel dat we nu weten dat deze techniek, namelijk dat je uit het ontwerp van DNA volledige wezens kunt kweken, over drie-en-zeventig jaar kan worden gebruikt om inderdaad dino's en mensen en ... Napoleon en Maxima te laten 'existeren': mogen we dan nu zeggen dat het ontwerp van de ontmoeting tussen Napoleon en Maxima 'echt' is (omdat het -aanstonds- gerealiseerd kan worden)?

Ik zie zo één twee drie niet in waarom we in dat geval -als de kaarten zo geschud zijn- niet mogen zeggen waarom de beschrijving van de ontmoeting tussen Nap en Max niet 'echt' is. 

Hoe kunnen wij ooit uitsluiten dat onze 'ontwerpen' -de zaken die wij kunnen beschrijven of conceptualiseren- en waar wij dus kennis van hebben, 'echt' zijn? 

Een dergelijk intellectueel huzarenstuk is alleen mogelijk als je beschikt over universele wetten waarmee je bepaalde mogelijkheden in de werkelijkheid kunt uitsluiten. Eidoch, we beschikken niet eens over het ontwerp -idee, concept- van een welbepaalde universele wet (een welbepaalde universele wet is dus niet actueel: we hebben er -beperkt als we zijn- geen weet van).

------

Voetnoot 1: de bovenstaande tekst is een vorm van 'Meinongisme', dat is de gedachte dat we in de werkelijkheid verschillende 'echte' bestaansvormen kunnen/moeten onderscheiden: het ontwerp is echt en het gebouw van steen is echt en het intentionele gebouw (dat is het gebouw in het hoofd van de architect, toen hij bezig was om het gebouw te ontwerpen) is echt: neuronen, potlood of steen, al deze verschillende bestaansvormen zijn echt, maar ze hebben zo op het oog niets met elkaar gemeen. -Vraag: als het heelal bestaat en een bepaalde vorm heeft, moet er dan ook ergens een ontwerp zijn? Kan iets stoffelijk (steen, hout, marmer) zijn maar geen ontwerp hebben?

Voetnoot 2: als ik een portret van Rembrandt -laten we zeggen: het Joodse Bruidje- door de computer zo goed kan laten naschilderen dat het giclee (zjie-klee) eigenlijk van echt niet te onderscheiden is, dan mag ik zeggen dat ik over een 'echte' Rembrandt beschik. Het origineel is dan niets minder dan het ontwerp van het giclee, zoals de tekening van het operahuis te Berlijn niets minder dan het origineel is van het stenen operahuis.

Voetnoot 3: ik beschik over het ontwerp van een Zelfstandig 'ding'; omdat dit ding Zelfstandig is, kan het zichzelf -per definitie en zonder hulp van mens of buitenaards wezen- manifesteren in de werkelijkheid: maar dan heb ik geen goede reden om dat 'ding' uit te sluiten van de actuele wereld (=modale variant op 'Anselmus'). [Vergelijk: (1) ik beschik over de tekeningen van een antiek schuurtje; ik ben zelf niet in staat om dit schuurtje te bouwen; ik kan echter Polen inhuren om mijn schuurtje te bouwen: dan is het schuurtje dus 'actueel'; (2) variant: ik beschik over het ontwerp van een computer die zichzelf kan programmeren: dan zijn de programma's die de computer kan maken -maar nog niet gemaakt heeft- actueel; (3) variant: ik beschik over het ontwerp van een 'ding' dat zichzelf kan ontwerpen/concretiseren: ik heb geen idee hoe dat ding zichzelf ontwerpt/concretiseert (maar bedenk: ik weet ook niet hoe de computer die zichzelf programmeert werkt) maar ik weet dat het zichzelf kan ontwerpen/concretiseren: dan is dat ding actueel. Eventueel bezwaar: het verschil tussen een gedetailleerde bouwtekening en een definitie is in dit geval significant.


donderdag 29 januari 2026

Antwoord aan JanD

(Beste JanD, in de reacties verwerken de mensen die op dit blog reageren vaak in enkele regels zeer ingewikkelde filosofische concepten. Ik laat dan vaak een antwoord maar achterwege, want het is zoveel werk om recht te doen aan alle termen en vooronderstellingen. Vaak gebruikt men onschuldig lijkende woordjes zoals 'echt', 'mogelijk waar/onwaar' en is men zich er niet van bewust dat achter deze termen een wereld van moeilijkheden schuil gaat. De zaken die jij aan de orde stelt in je laatste reacties zijn hier een goed voorbeeld van. Omdat ik mijn antwoord dit maal niet kort wil houden, plaats ik het antwoord hier, als een klein opstel. Het is te groot voor het reactie-venster. Omdat het in 'uitleg-taal' is geschreven en niet als een dichtgetimmerd filosofisch essay, zal ik deze bijdrage over een paar dagen verwijderen: ik denk echter dat je het dan wel gelezen en -hopelijk- begrepen hebt.)

JanD, je had mij, toen we hier te Utrecht een kopje thee dronken, al eens verteld wat je werk inhield. Ik vind het buitengewoon interessant -en natuurlijk wilden je proefpersonen jouw techniek niet meer kwijt! Tegenwoordig is deze techniek verder ontwikkeld en kunnen mensen hun technische extensies zelfs bedienen met hun 'gedachten' (=brein). Super! Het is buitengewoon zinvol werk.

Filosofische vraagstukken worden helaas niet met techniek opgelost (het zou fijn zijn als dat zou kunnen). Filosofen richten zich op een bepaald vraagstuk en proberen dit op te lossen door nieuwe concepten op te stellen. Zulke nieuwe concepten werpen dan een bepaald licht op de zaak. 

Filosofen worstelen al lang met vragen zoals 'wat is existentie', 'wat is 'een wereld'', 'wat is 'echt'', 'wat is een mogelijke wereld', 'wat is het heden', enz. Het antwoord op zulke vragen is bepalend voor je ontologie, voor de vraag of God bestaat, enz enz. Het zijn vaak hondsmoeilijke debatten. Je raakt er maar langzaam echt in thuis. Je moet je eerst alle posities van de filosofen die actief zijn in deze debatten eigen maken. En daarna moet je zien of er voor jouw ideeën een kleine 'niche' is (of is het gras al voor je voeten weggemaaid?). Wat al deze debatten met elkaar gemeen hebben is dat de twee basis-wetten van de logica voor alle deelnemers gelden: wie iets beweert wat niet consistent of coherent is moet zijn inzichten opgeven (of hij moet ze opnieuw optuigen). Voor de rest is vrijwel alles toegestaan.

Volgens Gödel hebben alle filosofische problemen -van technische aard- te maken met de tijd. Vooruit, laten we eens veronderstellen dat hij gelijk heeft. Jouw inzicht dat een andere conceptie van de tijd tot een volstrekt ander wereldbeeld leidt is dan ook goed bedacht. Immers, als je de driedeling tussen heden, verleden en toekomst verdedigt -een voorstelling die jij afwijst- dan heeft dit gevolgen voor je logica omtrent 'mogelijke werelden': heeft de actuele wereld een verleden of is ze beperkt tot het heden? Hoe lang duurt dan dit heden: 3 tellen (ik noem maar wat)? Ontstaat er dan om de 3 tellen een nieuwe wereld? 

Dit zijn stuk voor stuk vragen die je moet proberen op te lossen door elke situatie consistent en redelijk (je moet je definities zodanig verdedigen dat deze passen bij onze intuïties) te beschrijven. Stel dat dit lukt (en nee: tot nu toe is dit niemand gelukt- althans niet op een voor iedereen bevredigende manier) dan raak je verstrikt in de volgende reeks vragen: als het heden maar drie tellen duurt (nogmaals: dit is willekeurig) ben ik dan ook onderworpen aan dit 'presentisme'? Maar dan sterf ik in zekere zin om de drie tellen! Bepaalt dan de loop van de tijd wat er bestaat en wat er niet bestaat? En hoe kan een zo algemene toestand als de gehele werkelijkheid (=de actuele wereld) in zijn geheel om de drie tellen verdwijnen en weer opduiken als een volstrekt nieuwe actuele wereld? 

Is dit allemaal nog consistent te definiëren? Hoe krijg je alle stukjes van deze metafysische puzzel zo gelegd dat er één plaatje ontstaat? 

(Bedenk: als je zulke vragen niet eens kunt definiëren, dan kun je er ook geen wiskunde van maken- en als je er geen wiskunde van kunt maken, dan kun je er geen wetenschap van maken en kom je aan praktisch onderzoek niet toe). 

Filosofen proberen allerlei definities en invalshoeken uit om een enigszins consistent beeld van onze wereld te krijgen. Je kunt bijvoorbeeld het begrip bestaan op verschillende manieren definiëren: je maakt een conceptuele scheiding tussen 'existense' en 'subsistence' of tussen 'existence (concrete)' en 'being' (existence is een eigenschap van toestanden die je kunt aanraken, being is een eigenschap van toestanden die een rol spelen in je wereldbeeld: mijn schoolgebouw heeft existence, mijn toekomstige klassen hebben being; in sommige theorieën hebben straatstenen existence en God heeft being- je ziet aan dit voorbeeld hoe filosofen (moeten!) werken). 

Een andere mogelijke conceptuele voorstelling is dat je de werkelijkheid beziet als een enorme landkaart van 'toestanden' (denk aan Einsteins voorstelling van het heelal) die één voor één belicht worden: de tijd is dan de factor die steeds van de ene naar de andere toestand springt. 

Zo hebben filosofen tientallen (misschien wel honderden) conceptuele voorstellingen opgesteld- en (helaas) geen van deze voorstellingen is consistent. In elke voorstelling is wel een manco aan te wijzen. Wel, dit stemt moedeloos en noopt (sommige) filosofen er toe om te geloven dat de werkelijkheid niet consistent is: als het niet (eens) lukt om een consistent basaal beeld van de werkelijkheid op te stellen, dan mag je uiteindelijk twijfelen aan de vraag of consistentie wel een eigenschap van de werkelijkheid is. 

Merk op: ook langs empirische weg lukt het vooralsnog niet om een consistent verhaal over de werkelijkheid op te stellen- erger: in qm zijn we de werkelijkheid zelfs, in zeker zin, kwijtgeraakt (niet mijn woorden, maar die van hedendaagse fysici!)). Ik persoonlijk vind snaartheorie ideaal. Een mooiere verklaring voor de bouw van de werkelijkheid is niet bedacht. Het is een simpele en vernuftige algehele verklaring voor de data. Helaas lijkt het er op dat de werkelijkheid zelf ingewikkelder is dan dit model tot uitdrukking brengt.

Als een schutter keer op keer doel mist, dan zal hij tenslotte toch moeten twijfelen aan zijn wapens: als het vizier niet goed is afgesteld, dan zal hij nooit doel kunnen treffen.

Het vizier van de mens is zijn cognitie: als dat beperkt is of niet goed is afgesteld op de structuur van de werkelijkheid, dan zal het nooit lukken om een kloppend beeld van de werkelijkheid te schetsen. 

We moeten dus terug naar de tekentafel: hoe werkt onze cognitie en kunnen we achterhalen of onze cognitie de werkelijkheid juist weergeeft? Als ons verstand de werkelijkheid fundamenteel verkeerd weergeeft, dan is het begrijpelijk dat het ons niet lukt om een consistent verhaal van de werkelijkheid op te stellen.

Het onderzoek naar onze cognitie is begonnen in de jaren veertig (onder andere door het werk van Turing). Het beeld dat de cognitiewetenschappers schetsen van ons 'kenvermogen' is volstrekt anders dan dat filosofen er op na houden. Volgens filosofen zijn de basale logische wetten absoluut geldig: eerder platoonse eeuwige beginselen die universeel gelden dan gewone, nuttige functies van het brein. Zo absoluut zelfs gelden deze wetten, volgens de filosofen (in die dagen), dat zelfs God zich aan deze wetten moet houden. 

Cognitiewetenschappers hebben echter een praktische, empirische opvatting van de logische wetten: het zijn geen rationele absolute platoonse beginselen, maar hersenstructuren. Om een of andere reden hebben de hersenen een voorkeur voor een basale logische orde. De vraag is nu waarom dit zo is.

Wetenschappers grijpen dan onmiddellijk naar het meest voor de hand liggen instrument, de evolutionaire verklaring. In de loop der tijd zijn er verschillende evolutionaire verklaringen voor het ontstaan van onze logische denkwijze opgesteld: bijvoorbeeld de 'sociale' hypothese (logisch denken maakt het mogelijk om samen te werken) of de 'cognitieve controle' hypothese (logisch denken ontwikkelde zich toen hominiden hun handen gingen gebruiken om werktuigen te maken: ze moesten gaan plannen/organiseren) of de 'freerider' hypothese (logisch denken hebben we ontwikkeld om bedriegers te ontmaskeren: mensen die meeliften op de arbeid van anderen) of de semantische hypothese (logica is een eigenschap van de taal die we spreken: zonder de twee basale wetten kun je geen 'begrijpelijke' taal construeren), enz.

De algemene opinie is nu dat het rationele standpunt zijn langste tijd gehad heeft. De rationele, Platoons/Leibniziaanse opvatting, die stelt dat de logische wetten absolute beginselen zijn, is momenteel niet in zwang.

De vraag is echter of de verstrekte evolutionaire verklaringen houdbaar zijn. Merk op dat ze allemaal betrekking hebben op de ontwikkeling van hominiden (mensachtigen). Inmiddels weten we echter dat vrijwel alle bewegende dieren zich basaal logisch gedragen: zelfs microben! Je hebt dus twee evolutionaire verklaringen nodig: één om te verklaren hoe de twee basale logische wetten ontstaan zijn -en waarom deze heel onze cognitie én de werking van bewegende lichamen bepalen- en een verklaring voor de overige logische wetten (zoals bijvoorbeeld de wetten van de Morgan en afleidingsregels zoals modus ponens). 

Waarom hebben bewegende dieren de neiging om logisch te manoeuvreren? Voordat we deze vraag beantwoorden even een 'beetje techniek': de wet van het uitgesloten derde en de wet van non-contradictie zeggen samen niets anders dan wat de volgende strenge disjunctie uitdrukt: het is OF alpha OF het is niet-alpha (lees: het is het een of het ander: niet beide en niet geen van beide). Een naam voor deze strenge disjunctie is 'de stoïcijnse regel'.

Een bacterie beweegt volgens deze stoïcijnse regel. Deze micro-organismen hebben eiwitten in hun celwand waarmee ze stoffen in de wereld kunnen detecteren. Deze 'zintuigen' hebben een wip-wap werking: ze staan aan of uit. Als er een schadelijke stof wordt geregistreerd waarvan de concentratie zo sterk is dat ze geregistreerd wordt door het 'zintuig' dan gaat deze 'wip-wap' sensor van 'wip' naar 'wap' en dan verandert de draaiïng van de motor: de bacterie gaat achteruit bewegen (of beter gezegd: het organisme gaat 'tuimelen' zoals dat heet). Je hoeft geen logicus te zijn om te begrijpen dat de werking van de wip-wap schakelaar volledig overeenstemt met stoïcijnse regel. Micro-organismen acteren dus al op basale logische wijze!

Je kunt je nu afvragen waarom een micro-organisme geen betere/fijnere zintuigen heeft. Waarom registreert het diertje de wereld als een wip/wap toestand? Is het niet voordeliger om de wereld naar 'waarheid' te interpreteren: als je meet dat de concentratie van de schadelijke stof 69% is (zodat de omgeving voor 31% niet schadelijk is), dan heb je immers een beter -want 'waar'!- beeld van de toestand.

Het lichaam van de bacterie is echter 'solid' (het is een 'ding') en moet als een solid worden bediend. Een vast voorwerp kan niet voor 69% vooruit bewegen en voor 31% achteruit. De ware concentratie van de schadelijke stof is voor het dier, als het wil overleven, niet in adequate handelingen om te zetten. Het heeft betere overlevingskansen als het de wijze waarop het haar wereld (niche) interpreteert herleidt tot een simpele wip/wap toestand: de wereld is wel of niet schadelijk (zodat je wel of niet achteruit gaat bewegen).

Wel, om een lang verhaal kort te maken: dit simpele principe is van toepassing op alle bewegende dieren. Cognitie ontstaat natuurlijk pas als dieren spierweefsel/zenuwweefsel krijgen (dat is in het endacarium en vroege cambrium: een spannende tijd voor de ontwikkeling van het leven op aarde): spierweefsel vereist zenuwweefsel om het te kunnen 'prikkelen'. Je vindt geen spierweefsel zonder zenuwweefsel. 

Wel, ook in 'gespierde dieren' gaat de bovenstaande redenering op: het lichaam moet zo georganiseerd worden dat het 'hele handelingen' (=wbm, whole body movement) kan uitvoeren: halve waarheden en dubbele waarheden kunnen niet omgezet worden in handelingen door een 'solid' object (=whole body). Je hebt dus een stoïcijnse logische denkwijze nodig en geen statistische of anderszins fijnzinnige manier om de wereld te interpreteren. 

Het absolute fundament van onze denkwijze, waarop al onze overige cognities gebaseerd zijn -als een hoog gebouw dat op een fundament staat-, is daarom een simpele wip/wap regel. Je mag je waarneming, je 'plannen-makerij' (cognitieve controle) en cognitieve voorstellingen nooit en dan ook nooit zo organiseren dat het lichaam het niet kan uitvoeren. En dat doe je door je in alle geledingen te onderwerpen aan onze basale-wip/wap-logica.

Uit deze evolutionaire geschiedenis kun je nu eenvoudig afleiden dat we de wereld vermoedelijk niet gerijmd krijgt omdat ons 'vizier' (onze cognitie) van nature verkeerd staat afgesteld.

Als dit zo is dan zijn de gevolgen enorm: we zijn dan cognitief beperkt en kunnen de werkelijkheid niet naar waarheid in kaart brengen. Hoe we dit probleem moeten oplossen is niet duidelijk- vermoedelijk kan het niet opgelost worden, want we hebben geen tweede verstand om het 'wip/wap'-verstand te corrigeren.

 Zoals een micro-organisme eenvoudigweg geen weet kan hebben van de ware concentratie van de schadelijke stof en zich redt met een wip/wap weergave, zo hebben wij ook geen weet van de wijze waarop de werkelijkheid georganiseerd is en redden we ons wel met onze wip/wap weergave (want consistentie is natuurlijk niets minder en niets meer dan een wip/wap organisatie: wij wip/wappen in de wetenschap en we wip/wappen in de filosofie, want zo zijn we gebekt).

De complicaties van de embodied cognition these -ons verstand dient het lichaam, niet de waarheid- zijn enorm. Ik laat ze hier nu verder maar rusten.

woensdag 28 januari 2026

Leven na de dood (2.0)

Een oude meneer (hij was wel héél erg oud: 101 jaar, gesproken althans naar menselijke maatstaf) zei: over de dood maak ik me geen illusies. Als ik aanstonds sterf is het gedaan.

De vooronderstelling die deze bewering schraagt is dat de werkelijkheid logisch geordend is en dat de ons bekende wetten, bepalingen en structuren overal zullen overeenstemmen met onze ervaringen in dit aardse bestaan.

Echter, onze denkwijze is beperkt en de logische orde is lokaal (een product van mensen en dieren). 

Daaruit volgt met zekerheid dat het onmogelijk is om je over de dood géén illusies te maken: het is juist redelijk om je wél illusies te maken, want het is uitgesloten dat het natuurlijke regime altijd (universeel) overeenstemt met je verwachtingen.

In een werkelijkheid die logisch 'open' is, is het juist irrationeel om te denken dat een logisch antwoord -er is geen leven na de dood, want na de dood ben je 'stuk'- de beste papieren heeft.

Welke illusies je je na je dood mag maken is overigens lastig te zeggen. Maar de gedachte 'na je dood ben je stuk' kun je  -althans, gegeven het inzicht dat dit beeld van de werkelijkheid een product is van ons eigen, beperkte verstand, en beslist geen weergave van de 'echte' werkelijkheid- gevoeglijk uitsluiten.

In een werkelijkheid die logisch niet gesloten is zitten er altijd 'meer' kanten aan een zaak: je bent wel dood, maar je bent niet dood.
----
argument: 
[*] na de dood ben je stuk- dus is er niets na de dood;
[*] is een logische voorstelling; 
logische voorstellingen zijn in het licht van de hypercomplexe (a-logische) werkelijkheid onjuist; 
dus: het is onjuist dat er niets is na de dood. 

dinsdag 27 januari 2026

Verzamel-antwoorden

Alle misverstanden over de logische wetten ten spijt, de twee basis-wetten van de logica zeggen weinig meer over de werkelijkheid dan dat je niet twee waarheden moet geloven en geen halve waarheden. Voor mobiele dieren zijn deze wetten van levensbelang: je kunt twee waarheden en halve waarheden niet optimaal uitvoeren. 

Steeds moet ik denken aan die haas die ik, op een avond te Friesland, zag rennen voor zijn leven -hij werd nagezeten door een vos-: zou de haas 'op twee gedachten hinken' of pogen om 'zowel een haak naar links als rechts te slaan', dan zou het met het dier gedaan zijn.

De twee logische wetten zijn eigenlijk 'lichaamswetten'. Het lichaam is een bewegend object dat schadelijke stoffen moet mijden en nuttige stoffen moet naderen. Wel, één object kan niet tegelijkertijd 'naderen en niet-naderen (=mijden)': het is het één of het ander (het is van tweeën één). Een ordinaire, contingente eigenschap van objecten -een eigenschap die niet opvallender is dan andere contingente eigenschappen- is zo de fundamentele structuur van onze cognitie gaan bepalen. 

De basis-wetten van de logica verbieden (dus) niet dat water kan veranderen in wijn, dat doden kunnen opstaan uit hun graf of dat steden in één nacht als planten uit de aarde omhoog schieten; ze verbieden niet dat je werelden uit het niets kunt scheppen of dat alles een oorzaak heeft. Het enige wat ze 'eisen' is dat je al je waarnemingen, ervaringen en cognities zó ordent dat deze welbepaald zijn: want alleen dan is het  mogelijk om te reageren met één en niet meer dan één passende handeling.

Het verstand wil een éénduidige (samenhangende) boekhouding van ervaring, waarneming en cognitie, want een dergelijke boekhouding maakt het mogelijk om snel de 'beste en ware' (=passende) handeling te genereren.

Wellicht verklaart dit (misschien) waarom mensen gemakkelijk een complottheorie kunnen geloven: als elke theorie maakt ook een complottheorie het mogelijk om een boekhouding op te stellen van inzichten en overtuigingen waaruit je eenvoudig en snel meningen kunt afleiden: je kunt dan weten wat je te doen staat. Het voordeel van de vigerende complottheorieën is dat je er niet voor naar de universiteit hoeft. Het wantrouwen dat je hebt jegens bewindslieden én enige berichtjes op het web die dit wantrouwen voeden zijn voldoende om een hecht weefsel van bruggetjes en vermoedens te weven. Zolang de structuur van de theorie de vele feitjes en inzichten kan verwerken is de theorie geloofwaardig. Het maakt ons verstand niet zo veel uit welke meningen en overtuigingen je hebt, zo lang je ze maar zó ordent dat ze uitvoerbaar zijn (dat wil zeggen: zo lang je ze maar logisch ordent). 

Alle mensen voelen de krachtige drang om contradicties weg te werken. Ook/zelfs ernstig verwarde mensen hebben de neiging om tegenspraak weg te redeneren. Draaisma beschrijft hoe drie mannen, elk bevangen door de waan dat ze christus zelf waren, hun uiterste best deden om aan te tonen dat de andere 'christussen' schijn-heilanden waren (dit om de consistentie van hun waan te kunnen behouden). De mannen waren waanzinnig -uitermate verward- maar rationeel!

Logica is al met al niets bijzonders: een truc van de evolutie om na de introductie van mobiliteit -spierweefsel en zenuwweefsel stammen uit het ediacarium en vroege cambrium- er voor te zorgen dat bewegende dieren doeltreffend kunnen handelen. De willekeurige eigenschappen van de vaste objecten -één plek in tijd en ruimte per beurt- werden de 'ankers' voor het handelen.

Aangezien de werkelijkheid niet geregeerd wordt door de willekeurige eigenschappen van vaste objecten -er zijn, om maar wat te noemen, ook vloeistoffen en gassen en overige agregaattoestanden- is logica geen universele taal. Wel voor de mens en de vos en de egel, maar niet voor -ik noem maar wat- een bewustzijn dat zich gasvormig verspreidt over de werkelijkheid. Een gasvormig bewustzijn zou de wereld anders organiseren dan wij.

Wat betekent dit? Wel, dat wij, als we proberen om de werkelijkheid logisch in kaart te brengen, vroeg of laat op 'vreemde' eigenschappen stuiten en niet goed weten hoe we deze kunnen oplossen. We zullen de werkelijkheid stap voor stap steeds slechter gaan begrijpen. Eerst zullen alleen de specialisten nog chocolade van de ingewikkelde logische beschrijvingen kunnen maken en tenslotte, van lieverlee, zullen ook zij niet goed meer kunnen begrijpen wat er gaande is in de natuur. We/ze krijgen het 'allemaal' niet meer goed op een rijtje.

Voor onze metafysische kijk op de werkelijkheid levert het gebrek aan een universele methode al van meet af aan onoverkomelijke problemen op (zoals Kant heeft betoogd). Het enige wat je kunt doen is de antwoorden verzamelen die mogelijk zijn op onze 'ultieme' vragen. Als voorbeeld kunnen we nemen de vraag: hoe is alles begonnen?

-Er was geen begin: de natuur is een 'gegeven' (brute fact) en ze was er altijd al.

-Er was wel een begin: er is een factor die de wereld heeft voortgebracht en deze factor is a. God b. het Goede c. het apeiron (het onbepaalde), d. een oerkracht, enz.

Zo komen we aan een verzameling van antwoorden. Geen van deze antwoorden is 'waar' en geen van de antwoorden is 'onwaar': we hebben de middelen niet om de structuur van de werkelijkheid te ontrafelen. Onze zoektocht mondt uit in een verzamel-antwoord. Het kenmerk van een verzamel-antwoord is dat we niet in staat zijn om antwoorden uit te sluiten. Omdat wij echter wel een antwoord nodig hebben -ons lichaam dwingt ons daartoe: we hebben tóch een soort richtlijn voor het leven nodig- zullen wij uit het verzamel-antwoord een antwoord moeten kiezen dat we willen naleven.

Je hoeft dus niet de 'universele fysische' waarheid van je antwoord te verdedigen, doch alleen de keus die je maakt. Zo zou een theïst kunnen zeggen: ik zie dat de condition humaine ethisch is: wij zijn van top tot teen ethische wezens. Dan is de gedachte dat God de wereld heeft geschapen -of dat het Goede de oorsprong is- het antwoord dat het best past bij het leven dat ik leid.

----

Merk op: als je uit een verzamel-antwoord een optie kiest, dan is de keuze zelf al ethisch 'beladen'. Als je bijvoorbeeld een boeddhistische levenswijze kiest, dan moet je het achtvoudige pad naleven: dat is een ethische 'weg'. Kies je echter voor de optie 'atheïsme' in de variant 'hard naturalisme' dan geloof je dat biologen de samenleving goed beschrijven aan de hand van onze neigingen; het prisoners dilemma speelt daarin een belangrijke rol: je staat dan niet 'ethisch' in de wereld maar 'egocentrisch' (cf. Sedgwick). 

maandag 26 januari 2026

Het geloof in een intelligibele wereld

De wereld is al dan niet intelligibel [Van Dale: intelligibel := begrijpelijk, kenbaar door het verstand <niet door aanschouwing>.]

Als de wereld:

-intelligibel is, dan is er één pad naar de waarheid: slechts één verhaal over de werkelijkheid is juist (en wij zijn in staat om te bepalen welk verhaal juist is);

-niet intelligibel is, dan is er niet één pad naar de waarheid- dan zijn meerdere verhalen over de werkelijkheid juist (maar wij zijn dan niet in staat om 'ware' verhalen te onderscheiden van 'onware verhalen'- in een werkelijkheid die niet kenbaar is verliest het concept 'waarheid' zijn waarde, dat wil zeggen: wij kunnen het concept 'waarheid' niet langer zinvol gebruiken ±).

Voor de mens is dit een probleem. Wij hebben 'waarheid' nodig om te kunnen handelen. Je kunt geen zeven dingen tegelijk doen, je kunt zelfs -met goed fatsoen- geen twee dingen tegelijk doen. Mijn moeder zei altijd: ik kan niet heksen. Zo is het maar net: als meerdere verhalen plausibel zijn -dit zijn de verhalen die voor ons niet onzinnig zijn en die 'passen' (=consistent zijn met) bij ons praktische bestaan- dan hebben wij een probleem, want we kunnen niet 'heksen'. Waarheid is éénduidig, het is een 'selector' (schakelaar waarmee we 'de enige uitvoerbare keus' bepalen).

Je zult een keus uit de verschillende verhalen moeten maken. Welk verhaal past het best bij jouw manier van leven (laat zich verenigen met jouw manier van leven)? Welk verhaal is 'waardevol' (in axiologische zin)? 

Op zich is deze procedure niet lastiger of vreemder dan snoep kiezen bij Jamin (die, las ik ergens, zichzelf geen 'snoep-boer' wil noemen maar 'snoep-juwelier'). Je kiest de snoepjes uit die lekker zijn en laat de snoepjes die je eigenlijk te zoet of te zout vindt liggen. Het heeft weinig zin om naar de universiteit te fietsen en aan de voedings-deskundige te vragen welke snoep we lekker vinden. Je moet koersen op eigen smaak.

Het idee dat fysici (en andere wetenschappers) ons kunnen voorschrijven wat we moeten geloven is een overtuiging die past bij de jaren tachtig en negentig. In onze dagen -we zijn ruim dertig jaar verder- is enig wantrouwen jegens de fysici gepast: waar de bouwers van atoomwapens eerst wegkwamen met de 'voorspelling' dat binnen weinig tijd heel de werkelijkheid 'in formules gevat zou zijn', moeten ze nu eerst maar eens laten zien of ze überhaupt in staat zijn om heel de werkelijkheid in formules te vatten. 

Feitelijk is de gedachte dat fysici ons kunnen zeggen wat een waardevol en na-leefbaar wereldbeeld is al even bespottelijk als de gedachte dat voedsel-deskundigen ons kunnen zeggen welke snoep we lekker vinden.

Met andere woorden: de filosofische vraag of de wereld intelligibel is nog steeds een brandende vraag. Ze is zeker niet beantwoord door de natuurkundige. Welk geloof je aanhangt -alleen voor de theïst is er al keus te over: atheist, theist, axiarchist, anantropocentrisch theïst enz.- wordt onder andere bepaald door het filosofische kamp waarin je je bevindt als het om het beantwoorden van déze vraag gaat: ben je een 'intelligibilist' of een 'an-intelligibilist'?

De belangrijkste vraag in de filosofie is -wellicht- dan ook niet: 'waarom is er iets en niet veeleer niets', maar: 'is de werkelijkheid wel/niet intelligibel'.

-----

± Als we het concept waarheid niet zinvol kunnen gebruiken, dan betekent dit niet dat er tóch één waarheid is maar dat wij die niet kunnen onderscheiden- nee, dan betekent het dat het zinloos is om te geloven dat er tóch één waarheid is. Het is als met een gebouw: als de draagmuur niet sterk genoeg is, dan is het niet zo dat het gebouw tóch blijft staan. Waarheid is een analetheia als de werkelijkheid niet intelligibel is (verhalen zijn dan waar noch onwaar).

vrijdag 23 januari 2026

Waarheid is een 'waarde' (value)

 Als het juist is dat de mens van nature een biologisch 'dier' is dat voornamelijk geschikt geworden is om adequaat te handelen, dan heeft zij een rangorde van waarden nodig: zonder een rangorde van waarden kun je niet kiezen wat je moet/zult doen in een bepaalde situatie.

De standaardvoorbeelden van zaken die waardevol zijn is de trits: het ware, het schone, het goede.

Je leven is volgens deze klassieke platoonse opvatting zinvol als je de volgende zaken in acht neemt: je studeert om de nabije werkelijkheid te begrijpen (universele kennis is niet haalbaar, de dagen van de 'uomo universalis' liggen ver achter ons); je leert om te genieten van de schoonheid van de natuur en van de dingen om je heen; en je probeert zo verstandig te leven dat je meestal het goede (voor jezelf en anderen) doet en het schadelijke (voor jezelf en anderen) probeert te vermijden.

Merk nu op: waarheid is hier géén instrumenteel adjectief dat de feitelijkheid van een bewering garandeert! Waarheid hoort volgens de bovenstaande opvatting thuis in de klasse van 'waarden' en is in dat opzicht gelijk aan 'schoonheid' en 'goedheid'.

Eigenlijk is het ook vanzelfsprekend dat 'waarheid' een waarde is en geen instrument om de feitelijkheid van onze beweringen over de wereld te markeren, want wij staan in de wereld als 'belichaamde handelende' dieren. Wij 'moeten' iets aanvangen met waarheid: als iets 'waar' is dan willen wij hier een 'norm' uit afleiden die ons zegt hoe we moeten handelen. 

Als het waar is dat de kachel gloeiend heet is, dan is het niet verstandig om je hand op de kachel te leggen. Ik geef toe dat dit een saaie norm is, daar ze zo voor 'de hand' ligt, maar het voorbeeld illustreert wél uitstekend dat 'waarheid' hier fungeert als een waarde.

Onfeilbare kennis is ons niet gegeven: ons verstand is niet krachtig genoeg om de gehele werkelijkheid feitelijk weer te geven. 'Waarheid' garandeert ons dat onze handelingen in overeenstemming zijn met de pregnantie van een situatie. Als er iemand met een geweer op je afkomt, dan is het niet pregnant dat er op de geweerkolf bacteriën leven; dan is het ook niet pregnant dat het die dag veertien graden celsius is in de schaduw; het is dan wel pregnant dat de man een dodelijk wapen in handen heeft: en dat merken we dan aan als waarheid. 

Stel je eens voor dat de rechter je sommeert om de waarheid en niets dan de volledige waarheid te zeggen, dan kun je beginnen en zul je niet meer eindigen: goede rechter, het is waar dat ik een rechtergroteteen heb, het is waar dat ik een linkergroteteen heb, dat ik een rechtervoet heb met daaraan een grote teen, enz enz.

Waarheid is selectief: je noemt dat waar wat in een bepaalde context van waarde is voor jou.

We zijn handelende wezens, en uitstekend in staat om kwaad/goed te handelen, en beschikken daartoe van nature over alle technische neurale instrumenten die nodig zijn: waarden (waaronder waarheid), logische basis-wetten, cognitieve controle en een lichaam dat opereren kan in de wereld. De wereld is een 'toneel' bestemd voor handelende wezens en niet voor kennende wezens: wij leven in een ethisch-religieuze werkelijkheid.

zaterdag 17 januari 2026

Is regelmaat per definitie 'klassiek logisch'

(voor Rudi, met wie ik nooit meer ga twisten, want hij betaalt de thee niet)

Het antwoord is simpel: nee.

Bewijs:

Iemand schrijft de volgende formules op het bord:

1. |- A & niet-A 
2. |- niet (A & niet-A)
3. |- A & niet-A
4. |- niet (A & niet-A)
enz. 

Deze oneindige reeks is zelf als zodanig niet 'onlogisch' -ze is formeel niet strijdig met een andere reeks. (Om dat te bewijzen zou je een logisch systeem/model van reeksen nodig hebben).

Dus: als fysici feitelijk regelmatige patronen verwerken [Heisenbergs matrix is louter en alleen gebaseerd op de regelmatige patronen van lichtspectra en kwantumsprongen] en deze statistisch/wiskundig zo kunnen prepareren dat de test per saldo klopt, dan nog bewijst dit niet dat de werkelijkheid logisch geordend is.

woensdag 14 januari 2026

Vluchten kan niet meer v.2.0

Het is (meta-) fysisch onmogelijk dat er van het een op het andere ogenblik een groot kantoorgebouw uit de grond schiet. Formeel (logisch) evenwel is spontane generatie van gebouwen mogelijk. Misschien zijn er 'werelden' waar steden zomaar van het ene ogenblik op het andere ontstaan en vergaan. 

Het is dan ook formeel (logisch) niet noodzakelijk dat wij wezens van vlees en bloed zijn, geboetseerd uit stof en opgesloten in ruimte en tijd. We hadden evengoed een ijl, doorschijnend 'lichaam' kunnen hebben. 

Op zich is het fijn om je voor te stellen hoe het zou zijn om als 'spookje' door het leven te gaan. Niemand zou mij kunnen grijpen. Handboeien zouden niet knellen, vuisten zouden mij niet raken. Je zou mij niet kunnen kluisteren. Een spook is ongrijpbaar.

Een mens van vlees en bloed -'zo is de harde werkelijkheid'- is echter overgeleverd aan andere mensen van vlees en bloed: een kwaadwillend persoon kan mij grijpen en doden. Wie foto's uit het verleden bekijkt ziet dat mensen elkaars lichaam op de meest uiteenlopende manieren kunnen mishandelen (variaties op een thema bedenken, daar leent het verstand zich voor).

De incarnatie is essentieel voor onze existentie. Het vlees van de een is de ander ter beschikking gesteld. Wij zijn elkaar gegeven. Ik kan jou najagen, jij kunt mij najagen; ik kan jou doden, jij kunt mij doden.

Het paradoxale van onze 'vleeswording' (incarnatie) is dat het vlees doorregen is met uiterst gevoelige draden en weefsels, die het lichaam veranderen (verrijken?) in een zeer sensitieve machine, die zelfs de lichtste aanraking kan registreren. Niet alleen kunnen andere mensen mijn lichaam behandelen op een wijze die hen goeddunkt, maar een kwade handeling kan bovendien zo pijnlijk zijn dat een mens het niet verdragen kan. De pijn, de pijn, tot gekwordens toe de pijn! (uit het verslag van een gemartelde meneer van vlees en bloed: Syrië).

Als we 'vlees' zijn, waarom zijn we dan levend vlees, met een bewustzijn en met zenuwweefsel, zodat we hyper-sensitief zijn en uiterst precies vernedering en pijn kunnen registreren?

Je ziet ze vaak op televisie, de mensen die zo ernstig mishandeld zijn, dat ze voorgoed 'gebroken' zijn. Hun ogen zien de wereld niet, hun gang is wankel. Je hebt ze liever niet in de straat, want ze wekken onze afschuw op.

Wij, mensen, staan in stoffelijke gedaante tegenover elkaar- en kunnen elkaar beschadigen of helen: het hangt er maar van af wat de ander bezielt. 'Daarom is het goed om niet alleen te zijn, -zo staat het in Prediker-, dan kun je elkaar steunen, vasthouden.

We zijn belichaamde wezens- dát kenmerkt onze existentie. Inzien dat ons bestaan essentieel stoffelijk is, dát is religie. 

Ons bestaan wordt gekenmerkt door onze handelingen, die zijn kwaad óf goed. De wereld/natuur waarin wij leven is niets meer en niets minder dan een ethisch-religieus bouwwerk (een compositie). 

Je kunt je niet -nooit!- verbergen voor andere mensen. Je kunt niet ethisch-religieus afgezonderd zijn van de ander en je kunt je niet onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor de ander. Wie van vlees is en wie omringd is door belichaamde wezens, is louter en alleen door de stoffelijke tegenwoordigheid van de ander al ethisch betrokken (zijn bestaan is door het vlees ethisch beladen).

Onze wereld is geen biologische of fysische machine waarin het doen en laten van de mens zonder zin zonder betekenis zonder doel is.

Ons verstand is niet gevormd door de natuur om de bouw van de werkelijkheid te doorgronden, niet om de waarheid na te jagen, niet om te rekenen, maar ons verstand is ons gegeven om te handelen. Nota bene de logica, die -valselijk- de grondslag van de rede heet te zijn en het fundament van de wereld, is in feit de oorsprong, de grondslag van de ethiek. 

Ons lichaam is een 'object' dat een handeling slechts wel of niet kan uitvoeren. De denkwetten zijn noodzakelijk voor het besturen van ons lichaam, terwijl ze ongeschikt zijn om de (gehele) werkelijkheid in kaart te brengen. De grondslagen van het denken zijn feitelijk de grondslagen van het handelen en niet van de fysica, niet van de wiskunde, niet van de kosmologie. Onze logische denkwijze ordent onze handelingen: daarom was Kaïn in staat om Abel te wurgen, dat vergt enige organisatie van handen, vingers en lichaamshouding.

Heel ons belichaamde ontwerp verraadt de geschiktheid om goed of slecht te doen. De belichaamde staat van de mens verraadt de noodzaak om zorg te dragen voor de ander of juist niet- je kunt ook uiterst kwaadaardig zijn. 

Onze wereld is niet de hemel, niet de hel, maar ze is een ethisch-religieus instituut. Je kunt niet kwaad handelen, niet goed, maar je kunt kwaad en/of goed handelen. 

De wereld is een smeltkroes van stoffelijke wezens, die in hun belichaamde staat 'ethisch aan elkaar gegeven zijn'- zodat menselijke waarden als barmhartigheid en zachtmoedigheid van levensbelang zijn. De wereld kan niet treffender omschreven worden dan als een 'ethisch' laboratorium.

In welke fysica en welke kosmologie je de mens ook hult, nooit zal de de ethisch-religieuze existentie van de mens, op het stoffelijke vlak van de werkelijkheid, anders zijn dan ze vandaag is en gisteren was. De condition humaine is ethisch-religieus. 

De hel, schreef Sartre, dat zijn de anderen. 
God, zegt de Bijbel, is vleesgeworden in de mens.
--------
Coda: Méér dan slechts een handvol gelovigen heeft een afkeer van het naturalisme. Ze verdragen het slecht dat de wereld uit atomen en krachten bestaat, dat het lichaam een biochemische fabriek is, dat wij geëvolueerd zijn en dat onze persoonlijkheid en onze handelingen een product van het brein zijn. De religieuze waarde van het naturalisme wordt daarmee teniet gedaan. En dat is jammer. Want juist het inzicht dat wij natuurlijke 'dieren' zijn die door de natuur zijn gefabriceerd maakt ons bestaan 'waarden-vol'. De mens is een 'vleselijk' wezen dat moet samenleven met andere 'vleselijke' wezens: daar is geen ontkomen aan. Je hebt daar waarden voor nodig. Jouw handelingen bepalen het welzijn van de ander. Juist deze natuurlijke 'gesteldheid' maakt ons leven 'ethisch'. 

Voorts doet het feit dat het brein een natuurlijke 'machine' is juist afbreuk aan de sciëntistische overtuiging dat de mens 'alles' kan doorgronden en dat hij een volledige beschrijving van de werkelijkheid zal kunnen geven waarin geen plaats is voor een 'transcendente ruimte'. Het is juist zo dat in het naturalisme, waarin aan de mens een beperkte denkwijze wordt toegeschreven, ruimte is voor het bestaan van transcendentie: een wezen of kracht of een onbepaaldheid die het begrip van de mens overtreft. 

Het naturalisme maakt het juist mogelijk om een samenhangend, overkoepelend beeld van de werkelijkheid te schetsen, met 'bovenin' een transcendente waarde en 'onderin' de verwerkelijking van de ethisch-religieuze dimensie (ik geloof dat deze term van Ninian Smart is), die het zwaartepunt is van ons bestaan en de zin van ons bestaan definieert.

Hoe zit het dan met onze ziel en met het voortbestaan na de dood. om maar een tweetal wezenlijke vragen te noemen? Als we nu kunnen bestaan, in het vlees, als stoffelijk 'ding' op aarde, dan moet het voor God -die immers door niets en niemand beperkt wordt- mogelijk zijn om die vragen metterdaad te beantwoorden. 

dinsdag 6 januari 2026

Epistemisch legitiem

Een absurde God, ontologische keuze en epistemische legitimiteit


1. Inleiding: het probleem van een a se God

In de godsdienstfilosofie wordt God traditioneel gedefinieerd als a se: God bestaat uit zichzelf, is niet afhankelijk van iets anders en wordt niet veroorzaakt of begrensd door iets buiten hem. Deze definitie heeft verstrekkende consequenties. Wie haar serieus neemt, kan moeilijk volhouden dat God onderworpen zou zijn aan biologische, fysische, metafysische of zelfs logische wetten. Want ook zulke wetten zouden God beperken.

Wanneer men deze radicale onafhankelijkheid doordenkt, ontstaat een probleem: een God die niet gebonden is aan de logische wetten kan niet adequaat en op begrijpelijke wijze beschreven worden binnen de kaders van de klassieke logica. Zo’n God lijkt vanuit menselijk perspectief “absurd”: hij kan eigenschappen hebben die elkaar tegenspreken zonder dat dit hem onmogelijk maakt. Om over een dergelijke absurde voorstelling objectief te kunnen blijven denken is een niet-klassiek logisch kader nodig, bijvoorbeeld een dialetheïstische logica, waarin (sommige) contradicties waar kunnen zijn. (Let op: dialetheïsme is geen trivialisme!).

In dat niet-klassieke logische kader kan men zeggen: God bestaat én bestaat niet — beide uitspraken zijn waar, elk voor 100%. Maar daarmee ontstaat een nieuwe moeilijkheid: hoe kan een mens, die onvermijdelijk klassiek denkt, zich epistemisch en ontologisch tot zo’n absurde God verhouden? Kan men bijvoorbeeld zeggen: “ik weet dat God bestaat”? En zo ja, in welke zin?


2. Het loslaten van sterke bestaansdefinities

Een eerste belangrijke stap is een beschrijving geven van ‘bestaan’. Vaak wordt bestaan gedefinieerd als:

X bestaat als x stoffelijk is;

X bestaat als x zich in ruimte en tijd bevindt;

X bestaat als x onderworpen is aan de fysische wetten;

X bestaat als x past in een metafysische model

X bestaat als x in een formeel model functioneert.

Geen van de genoemde en andere criteria is echter onbetwist of universeel toepasbaar. Abstracte objecten, theoretische entiteiten, wiskundige structuren en zelfs sommige natuurkundige postulaten ‘bestaan’, maar hun bestaan is lastig te verantwoorden op een van de traditionele wijzen. Daarom hanteren hedendaagse filosofen een praktischer en soberder bestaansbegrip: X bestaat als er goede redenen zijn om het tot de inventaris (=ontologische lijst) van de werkelijkheid te zetten.

Hoe iets dan precies bestaat — stoffelijk, abstract, relationeel, paradoxaal — kan voorlopig in het midden blijven. Het gaat om ‘ontologische toelating, niet om een volledige metafysische analyse van het begrip ‘bestaan’.


3. De absurde God en ontologische onderbepaaldheid

Als God absurd is — dat wil zeggen: niet onderworpen aan klassieke logica — dan kan zijn bestaan niet eenduidig worden vastgesteld of worden ontkend met klassieke middelen. Vanuit een dialetheïstisch perspectief geldt immers:

  • God bestaat 100% wel
  • God bestaat 100% niet


Beide uitspraken zijn waar. Dit leidt tot wat men ‘(ontologische) onderbepaaldheid’ kan noemen: de klassieke criteria dwingen niet tot één enkele ontologische beslissing.

Voor een klassiek denkend subject ontstaat nu een lastige situatie. Men kan niet tegelijk zeggen: “God staat wel én niet op mijn ontologische lijst”, want een lijst is per definitie klassiek opgebouwd. Men moet kiezen:

  • óf God opnemen in de lijst met bestaande ‘dingen’;
  • óf God niet opnemen in de lijst met bestaande ‘dingen’.


Belangrijk is dat hier geen neutrale derde positie bestaat. Opschorting (ik weiger om de knoop door te hakken) is hier zelf niets minder dan een impliciete keuze. De beslissing is dus praktisch onvermijdelijk.


4. Twee juiste keuzes

In deze situatie zijn strikt genomen 3 keuzes mogelijk:


1. God wordt niet op de ontologische lijst gezet omdat zijn bestaan niet klassiek te bepalen is (klassiek is: je kunt niet kiezen, het ‘ja’ is even geldig als het ‘nee’);

2. God wordt wel op de ontologische lijst gezet, omdat er goede redenen zijn om zijn bestaan te affirmeren (bijv het bestaan van ‘absurde’ God is 100% waar).

3. God wordt niet op de ontologische lijst gezet omdert er goede redenen zijn om zijn bestaan te ontkennen (bijv het bestaan van ‘absurde’ God is 0% waar; equivalent: dat God niet bestaat is 100% waar).


Zo op het oog lijken deze keuzes toegestaan. Geen van de drie is verplicht. Dit is een vorm van wat in de epistemologie wel permissiviteit wordt genoemd: gegeven dezelfde informatie mogen verschillende rationele subjecten tot verschillende conclusies komen. (Vergelijk ook Kierkegaards ‘Objective and subjective truth’ (in: Sprigge, 2006, p.182)).


Merk op dat keuze 1 slecht te verantwoorden is: immers, als je over de logische middelen beschikt om een bepaald probleem te analyseren, waarom zou je dan vasthouden aan een logica die beslist niet bruikbaar is? Als de klassieke denkwijze universeel geldig was, dan zou je kunnen zeggen dat keus 1 redelijk/rationeel is. Maar de klassieke denkwijze is beslist niet universeel geldig. Daarmee vervalt keus 1. 


De keus voor 2 of 3 impliceert geen relativisme en geen willekeur. De keuzes zijn gebonden aan argumenten, kaders en zelfbegrip. Ze sluiten elkaar echter niet logisch uit, maar dat is eigen aan de problematiek die een dialetheïstisch kader de filosoof oplegt.


5. De affirmatieve keuze en haar rechtvaardiging

Stel nu dat iemand kiest voor de affirmatieve optie: God wordt wel op de ontologische lijst gezet. Is dat epistemisch verdedigbaar?


Het antwoord luidt: ja, als je de rechtvaardiging maar zorgvuldig uitwerkt. De rechtvaardiging is als volgt:

i. Binnen het dialetheïstische kader is de uitspraak “God bestaat” waar.

ii. Dat God ook niet bestaat, ondermijnt deze waarheid niet, omdat waarheid hier niet exclusief is.

iii. Ontologische toelating vereist hier slechts dat er voldoende redenen zijn voor toelating.

iv. De affirmatie “God bestaat” is dus epistemisch gerechtvaardigd, zij het niet dwingend.


Het subject liegt niet wanneer hij zegt: “ik weet dat God bestaat”, zolang -het kan niet vaak genoeg gezegd worden- duidelijk is dat “weten” hier betrekking heeft op een dialetheïstisch kader.


(Welke redenen kun je o.a geven voor het bevestigen van Gods bestaan: waarheid, existentiele redenen (God heeft het primaat van zingeving), geluk (gelovigen zijn gemiddeld genomen gelukkiger dan niet gelovigen, enz)).


6. Zeker weten zonder exclusiviteit

In het klassieke kader impliceert zeker weten zoiets als ‘exclusieve waarheid’. In het dialetheïstsiche kader wordt deze voorwaarde losgelaten. Zekerheid wordt anders gedefinieerd, niet als logische exclusiviteit, maar als: 1. het subject moet een keus maken, 2. het subject weet dat zijn keus 100% waar is, 3. het subject gelooft dat zijn keus existentieel dient te worden nageleefd en dat naleving voordelen heeft (=existentieel  verantwoorde affirmatie). Punt 3 is eigenlijk de 'actor-pedant' van het 'geloof' in de klassieke definitie van weten. Je zult van een keus die je niet wilt naleven niet goed weten waarom je deze keus gemaakt hebt. (De klassieke definitie is (1) het is waar dat p, (2) ik geloof dat p en (3) ik heb een methode om de waarheid van p te bepalen. Dialetheïstische definitie: (1) het is waar dat p, (2) ik wil p naleven, (3) p past het best in mijn manier/methode van leven (existentiële bepaling)).  


De mens is immers een ‘actor’, een ‘biologische machine’ die moet handelen en die een bepaald beeld van zichzelf en zijn handelingen heeft en een bepaalde manier van leven. Confr. met: de mens is een epistemische machine een ‘ding’ dat voortdurend ‘exclusieve waarheid moet produceren.


Deze vorm van zekerheid sluit het tegendeel (‘God bestaat niet’) niet uit, maar kan er niet door worden ontkracht (deze zekerheid ‘weerstaat’ (in het Engels ‘survives’, overleeft)) het tegendeel). Dat maakt haar zwakker dan klassieke logische ‘zekerheid’, maar niet incoherent, niet irrationeel, niet ongefundeerd, enz.


7. Transcendentale onontkoombaarheid

Dit brengt ons bij het idee van transcendentale onontkoombaarheid. De gedachte is deze: de vraag naar God kan niet definitief worden afgewezen (je kunt het bestaan van een ‘absurde God’ onmogelijk uitsluiten, want in een dialetheïstisch kader zijn beide opties -bevestiging en ontkenning- waar. De beslissing om God, die onze klassieke logica overstijgt (transcendeert) wel of niet te affirmeren, is daarom onontkoombaar.


In zo’n situatie bestaat rationaliteit niet uit het vinden van het ene juiste antwoord, maar uit het nemen van verantwoordelijkheid voor een onvermijdelijke keuze. Dat is geen bewijs, maar ook geen blind geloof.

De affirmatie van Gods bestaan krijgt zo een specifieke status:

-zij is epistemisch toegestaan;

-zij is intern coherent;

-zij is existentieel significant;

-zij is niet universeel afdwingbaar.

Dat laatste is geen tekortkoming, maar een gevolg van de aard van het object: een absurde, a se realiteit kan niet op klassieke wijze worden ontleed en begrepen.


8. Tenslotte

In een wereld waarin onze logische denkwijze lokaal is en niet universeel verandert de aard van kennis. ‘Weten’ wordt niet gedefinieerd bv. als het uitsluiten van contradicties, maar als het maken van een gerechtvaardigde ontologische keuze onder voorwaarden van niet-klassieke onderbepaaldheid (dialetheïsme, evt trivialisme, meerwaardige logica’s, enz). Wie in zo'n context zegt 'ik weet dat God bestaat' maakt geen klassieke logische claim die iedereen moet accepteren, maar een epistemische legitieme affirmatie waarvoor goede redenen bestaan (en deze redenen zijn voor iedereen toegankelijk). En dat is precies wat een filosoof behoort te doen als het kwesties betreft die niet te meten en niet te berekenen zijn.