(1) Op een plein in een Drents dorpje ligt een enorme steen. In deze steen zijn twee ijzeren haken/ogen geslagen waar je touwen aan kunt vastknopen (één oog aan de voorkant, één aan de achterkant). Aan deze ogen kun je paarden binden om de steen te verplaatsen (tegenwoordig -althans dat vermoed ik- verplaatsen ze de steen met een tractor.)
Om de steen te verplaatsen had je -zo heb ik me laten vertellen- minimaal twee paarden nodig (=één tweespan); gemakkelijker gaat het verplaatsen van de steen echter met vier paarden, dat is tweemaal een tweespan.
De mannen die de paarden mennen -stoere kerels in een blauwe overall- hadden nu de volgende mogelijkheden:
-ze konden de paarden aan één van de twee ogen binden: óf aan het voorste oog óf aan het achterste oog; zo ingespannen kan de steen verplaatst worden (= samenwerking).
-ze kunnen het natuurlijk ook nalaten om de paarden aan een van de twee ogen te binden: zo ingespannen kan de steen niet verplaatst worden (= nulwerking);
-ze kunnen ook één tweespan aan het voorste oog en één tweespan aan het achterste oog binden: nu zullen de twee tweespannen elkaars krachten opheffen en zal de steen per saldo de steen niet verplaatst worden (= tegenwerking).
Je kunt deze vier mogelijkheden weergeven in een schema. In het schema staat P voor paarden ingespannen aan het voorste oog, ¬P voor paarden ingespannen aan het achterste oog; 1 betekent dat de paarden door de menners daadwerkelijk worden aangespoord om te sjorren en te trekken, 0 betekent dat de paarden niet worden aangespoord om te sjorren en te trekken (en paarden zijn niet gek: als je ze niet tot werken aanspoort, dan blijven ze rustig staan):
P=1, ¬P=1, dan: 0 [steen niet verplaatst: tegenwerking]
P=1, ¬P=0, dan: 1 [steen wel verplaatst: samenwerking]
P=0, ¬P=1, dan: 1 [steen niet verplaatst: samenwerking]
P=0, ¬P=0, dan: 0 [steen niet verplaatst: nulwerking].
Eigenlijk is dit niets anders dan newtoniaanse mechanica. Je kunt in dit schema de P (paarden) dan ook vervangen door F (krachten) zonder dat dit ten koste gaat van de structuur:
F=1, ¬F=1, dan: 0 [steen niet verplaatst: tegenwerking]
F=1, ¬F=0, dan: 1 [steen wel verplaatst: samenwerking]
F=0, ¬F=1, dan: 1 [steen niet verplaatst: samenwerking]
F=0, ¬F=0, dan: 0 [steen niet verplaatst: nulwerking].
We geven de krachten hier aan met een F en een ¬F (negatie van F). De reden hiervoor is dat de krachten die je genereert om de steen te verplaatsen ofwel meewerken ofwel tegenwerken (F of ¬F). Wie wel eens met een groep schoolkinderen heeft geprobeerd om een boerenkar te verrijden, weet dat ze in hun tomeloze enthousiasme willekeurig aan de kar beginnen te sjorren. Sommige leerlingen werken de verplaatsing dan tegen (overigens zonder dat ze dit in de gaten hebben, grappig genoeg). Je kunt de kinderen verdelen in twee groepen: kinderen die wel en die niet meewerken aan het verplaatsen van de kar.
(2) Een logicus ziet vermoedelijk snel welke logische operator de verdeling van de krachten (paarden) en de verplaatsing van de steen beschrijft: het is de exclusieve disjunctie [1]:
p=1, ¬p=1, dan: p v ¬p= 0
p=1, ¬p=0, dan: p v ¬p= 1
p=0, ¬p=1, dan: p v ¬p= 1
p=0, ¬p=0, dan: p v ¬p= 0
Het is geen toeval dat déze operator de 'orde' van de krachten en de verplaatsing van de steen beschrijft: het verplaatsen van een steen is namelijk een exclusieve handeling. De steen kan slechts langs één traject verplaatst worden. Je kunt dit traject beschrijven als een vector met een bepaalde oriëntatie. Als je weet dat de steen verplaatst is langs traject a, kun je uitsluiten dat de steen verplaatst is langs traject b, c, d, e enz. Ken je traject a, dan weet je ook wat traject ¬a is.
Exclusiviteit is natuurlijk niet voorbehouden aan de steen in Drenthe; exclusiviteit geldt voor alle 'vaste/rigide' objecten: messen, vorken, beelden, stoelen, bomen, mensen, enz.
Exclusiviteit is in de praktijk een handige eigenschap. Zo kun je deze eigenschap gebruiken om jokkebrokken te ontmaskeren. Inbreker Grijpgraag is een voorbeeld van een exclusief object: daarom kan inspecteur Wijsneus uitsluiten dat Grijpgraag tijdens de diefstal zowel thuis was als in de Juwelierszaak. Want Wijsneus weet dat exclusieve objecten niet op twee plaatsen tegelijk kunnen zijn.
Terzijde: het feit dat rigide/vaste objecten exclusief zijn is een contingente eigenschap. Het is geen noodzakelijke eigenschap.
(3) Lichamen van dieren en mensen zijn -evenals de Drentse steen- objecten. Ook lichamen hebben exclusiviteit. De spieren moeten de krachten bundelen (=samenwerken) om het lichaam te verplaatsen.
In het voorbeeld van de Drentse steen werden de paarden ingespannen en tot sjorren aangespoord door mensen. In het lichaam worden de spieren aan- en uitgezet door zenuwweefsel (brein). Neurobiologen hebben het 'brein' (zenuwweefsel) van C.elegans, een klein wormpje, volledig in kaart gebracht. De zenuwen bedienen de spieren als volgt:
“The execution of one action [in C'elegans] at a time is coördinated by specific command neurons that, when activated, initiate one of the possible movements. Importantly, once the command neurons activate, the motor sequence (e.g., for moving forward) happens by itself. It does not need to be centrally directed because it is already wired into the neuromuscular circuitry: it simply has to be released (while all other possible actions are inhibited). The worm’s brain (a condensation of interneurons in the head) just has to ask the motor system to do something; it doesn’t have to tell it how.” [Mitchell, Free Agents, ch.4]
De architectuur van spier- en zenuwweefsel in C.elegans vertoont overeenkomst met het verplaatsen van de steen: de menners hoeven de paarden niet te zeggen hoe ze hun spieren moeten spannen en hun poten schrap moeten zeggen. Het is voldoende als ze de paarden aansporen. Voorwaarde is wel dat de paarden op de juiste wijze worden ingespannen. In de tabel zie je dat het geen zin heeft om de paarden aan te sporen als er sprake is van nul- of tegenwerking.
Hetzelfde geldt voor de spieren en het zenuwweefsel. In de loop van de evolutie hebben de spieren en zenuwen zich functioneel ontwikkeld. In het begin echter, toen de natuur organismen voorzag van spier- en zenuwweefsel, zal de werking van deze weefsels meer geleken hebben op mijn schoolklasje dat een boerenkar probeert te verplaatsen.
Het zenuwweefsel zal niet alle spieren hebben kunnen aan- en uitzetten; en een aantal van de spieren die aangezet werden, zal de verplaatsing hebben tegengewerkt (zie: het werk van Chris Pantin, Fred Keijzer).
Je vraagt je af hoe het mogelijk is dat zenuw- en spierweefsel uiteindelijk -gradueel, stap voor stap- zo verfijnd en functioneel als in C.elegans zijn gaan samenwerken. Toch is dit evolutionair vrij eenvoudig te verklaren.
We zien aan de tabel dat tegenwerking en nulwerking moeten worden vermeden. Het zenuwweefsel moest de spieren dus bij voorkeur (1) wél aanzetten, maar zo dat (2) tegenwerking werd vermeden. Bij dieren waar dit niet lukte was het bezit van deze weefsel eerder na- dan voordelig: het zijn dure kostgangers, die veel energie nodig hebben. De mutanten die er in slaagden om het spierweefsel te activeren en tegenwerking te verkleinen, hadden een enorm voordeel: ze konden, in een wereld waar beweging (motiliteit) nauwelijks voorkwam, zonder gevaar alle overige organismen naderen en verorberen. Niet voor niets noemt Nick Lane motiliteit een van de belangrijkste biologische 'innovaties'.
Het eerste zenuwweefsel had, gezien het enorme voordeel van motiliteit, een exclusieve functie. We kunnen de logica die deze functionaliteit kenmerkt in een paar regels uitwerken.
Spieren werken optimaal als uitsluitend de meewerkende krachten worden geactiveerd; we leiden nu uit de bovenstaande tabellen af dat:
-je daarom het spierweefsel wel moet activeren (=geen nulwerking), maar
-je moet tegenwerking vermijden (=geen tegenwerking);
In feite zijn dit protologische wetten;
-geen nulwerking kun je noteren als: niet (p noch niet-p);
-geen tegenwerking kun je noteren als: niet (p en ¬p).
Zo heb je de twee formele klassieke wetten afgeleid (want geen nulwerking is natuurlijk de wet van het uitgesloten derde).
Tenslotte is de exclusieve operator een conjunctie van de twee klassieke wetten:
(p v ¬p) & niet (p & ¬p) <=> (p v ¬p) [3].
Ook dit is gemakkelijk te begrijpen:
De disjunctie stelt dat 'ofwel p of niet-p of zowel p als niet-p'. Maar 'geen tegenwerking' verbiedt 'zowel p als niet-p'.
Je houdt dan de exclusieve disjunct over.
(4) De exclusieve disjunctie beschrijft de optimale activering van onze spiergroepen. Wie begrijpt dat je de Drentse steen niet kunt verplaatsen als je paarden niet aanspoort tot trekken en sjorren of als je de paarden tegen elkaar in laat werken, begrijpt ook waarom wij een basale exclusieve denkwijze hebben.
Wij zijn een object en verplaatsen ons als een object, dat wil zeggen op exclusieve wijze. We hebben daar een exclusieve denkwijze bij nodig, anders zouden we ons eigen lichaam niet kunnen bedienen.
Aangezien exclusiviteit een contingente eigenschap is, die slechts betrekking heeft op objecten, is ook onze denkwijze contingent. Onze denkwijze is niet noodzakelijk, niet algemeen en niet universeel. Voorts is het niet lastig om vast te stellen dat de werkelijkheid niet exclusief is (maar dit is een uitstapje in de metafysica dat we hier laten rusten) [3].
Je kunt alle metafysische en bovennatuurlijke verklaringen van de logica nu vergeten: het zijn geen magische wetten die de gehele werkelijkheid beschrijven en die door een bovennatuurlijke alwetende persoon zijn gebruikt om de schepping te ordenen. Het zijn praktische wetten die ons helpen om snel en doelmatig van a naar b te lopen.
Onze logische denkwijze is toegesneden op 'handelen': we zijn ethische dieren.
---------
[1] Ik laat de vraag -en aanverwante vragen- bij welk logisch model deze afleiding hoort hier rusten: deze is niet van wezenlijk belang voor het betoog
[2] DIt is een bewerking van een eerdere bijdrage (die ik destijds schreef voor De Lachende Theoloog).
[3] Zie bijvoorbeeld de laatste hoofdstukken van Maddy's hoofdwerk, Second Philosophy, waarin zij betoogt dat de wereld geen KF-wereld is (geen Kant-Frege wereld): sorites-paradoxen en andere onbepaaldheden maken dat duidelijke. Zij voert aan dat ook kwantummechanica geen KF-wereld is (geen klassieke logische wereld).
15 opmerkingen:
Maar wat nu als ik de metafysische verklaring niet wil vergeten? Wat nu als ik toch een ontologie blief die consistent is en geen inconsistenties bezit?
We handelen als fysische objecten te midden in een buitenwereld vol andere fysische objecten. Zulk handelen kan slechts consistent zijn zoals u zegt. De buitenwereld dwingt ons tot consistentie. Tenminste dat is de conclusie die ik trek uit uw betoog.
We kunnen niet zowel hoog als tegelijkertijd laag springen.
Ik meen dat het toch een belangrijk vraagstuk is waarom de buitenwereld ons onverbiddelijk dwingt tot consistent handelen. Zou het niet zo kunnen zijn dat de godganse werkelijkheid consistent is? Dat A overal en altijd en al-x gelijk is aan A en nooit, nergens en niet-y gelijk aan niet-A.
Een belangrijk vraagstuk. Maar ook uiterst lastig. Maar dat geldt ook voor de rest van de filosofie. En dat maakt de filosofie tot een mijns inziens hoogwaardige liefhebberij.
Beste Jan-Auke,
Jouw artikel probeert uit de werking van spieren en zenuwen de klassieke logica af te leiden: geen nulwerking correspondeert met het uitgesloten derde en geen tegenwerking met het verbod op p én ¬p. Deze voorwaarden noem je protologische wetten: een functioneel voorstadium waaruit de formele logica kan worden afgeleid.
Maar al bij de steen lijkt die logica ongemerkt in de fysica te worden ingebouwd. Je noemt het „niets anders dan Newtoniaanse mechanica”, vervangt de paarden door krachten en noteert meewerkende en tegenwerkende krachten als F en ¬F.
Dat is geen Newtoniaanse notatie. Een even grote tegengesteld gerichte kracht is −F, niet ¬F. −F is een kracht in tegengestelde richting; ¬F betekent logisch niet F en omvat iedere toestand die niet F is, waaronder geen kracht of een kracht met een andere richting of grootte. Bovendien kunnen vele vectoriële krachten tegelijk werken.
Juist deze verwisseling maakt de latere overgang naar p en ¬p mogelijk. Door −F als ¬F te schrijven, wordt de logische negatie al in het mechanische voorbeeld ingebracht, waarna zij terugkeert in de vermeende afleiding van de protologische wetten. Daar dreigt een cirkelredenering. De exclusieve disjunctie bestuurt dus niet de activering van de spieren, maar beschrijft achteraf het functionele resultaat ervan.
De redenering kan echter 180 graden worden omgekeerd.
Uit de systeemtheorie weten we dat een regelkring door oorzaak, gevolg en terugkoppeling doelgericht en ogenschijnlijk logisch gedrag kan voortbrengen. Nergens hoeft een centrale instantie te bestaan die begrijpt wat het systeem doet of volgens logische regels beslist.
Ook neurale systemen, biologisch of kunstmatig, werken niet als een klassieke computer waarin één centraal programma stap voor stap instructies uitvoert. Grote aantallen neuronen werken gelijktijdig en beïnvloeden elkaar door activering en remming; ook signaalstoffen beïnvloeden deze dynamiek. Zo kan zonder logische redenering functioneel gedrag ontstaan. In die zin is het Darwiniaans: blinde processen kunnen functionele structuren voortbrengen.
Juist C. elegans ondersteunt deze omgekeerde lezing.
Mitchell schrijft dat commandoneuronen een reeds aanwezige motorische structuur slechts hoeven vrij te geven, terwijl andere bewegingen worden geremd. Het brein hoeft het motorische systeem niet te vertellen hoe het de beweging moet uitvoeren.
Er zit dus nergens een homunculus die redeneert: p of ¬p, maar niet beide. Het neurale systeem werkt causaal, parallel en met terugkoppeling en komt tot een bepaalde handeling. Pas wij beschrijven dit resultaat als exclusiviteit en formuleren het als exclusieve disjunctie.
Daarmee krijgen ook de protologische wetten een andere betekenis. Ze hoeven geen tussenstadium te zijn dat in de evolutie eerst door het zenuwstelsel werd gerealiseerd en vervolgens formele logica voortbracht. Ze kunnen al een menselijke abstractie van functioneel gedrag zijn: wij herkennen achteraf „geen nulwerking” en „geen tegenwerking” in een systeem dat zelf causaal en dynamisch functioneert.
Een handelend mens-dier moet in de fysieke wereld voortdurend tot concrete handelingen komen. Daaruit kunnen abstracties als p, ¬p, tegenspraak en uitgesloten derde zijn ontstaan. Klassieke logica is dan niet het mechanisme waardoor het zenuwstelsel werkt, maar onze abstracte beschrijving van regelmatigheden die uit een zelf niet logisch redenerend systeem voortkomen.
Opmerkelijk genoeg komt jouw artikel daar zelf dicht bij wanneer je stelt dat onze logische denkwijze contingent en op handelen toegesneden is. Vanuit de systeemtheorie volgt echter bijna het omgekeerde: niet protologische of klassieke logica brengt doelmatig gedrag voort; uit doelmatig gedrag abstraheren wij eerst protologische en vervolgens formele logische wetten.
Met vriendelijke groet van JanD
RV, je schrijft: [Ik meen dat het toch een belangrijk vraagstuk is waarom de buitenwereld ons onverbiddelijk dwingt tot consistent handelen. Zou het niet zo kunnen zijn dat de godganse werkelijkheid consistent is? Dat A overal en altijd en al-x gelijk is aan A en nooit, nergens en niet-y gelijk aan niet-A.]
Alleen als je daar een overtuigend argument voor hebt: en ook jij weet inmiddels wel -want ik neem aan dat je je helemaal ingelezen hebt- dat een dergelijk argument niet voorhanden is.
JanD, dit commentaar is van geen nut. Alleen de gedachte al dat een systeem/organisme doelmatig gedrag kan genereren zonder logische architectuur is onzinnig. Dan heb je echt niet begrepen wat de functie van de klassieke wetten is. Ook heeft niemand het over de vraag of logisch denken een centraal of een gedistribueerd proces is (dat is een geheel andere kwestie dan die hier aan de orde is). Om maar te zwijgen van je merkwaardige redenering met betrekking tot de notatie. Ik laat deze bijdrage verder maar onbesproken.
Ilona, Bert & JanD: ik heb jullie bijdragen ontvangen en gelezen. Ilona: ik zal dit weekend proberen antwoord te geven; JanD, wij gaan het echt niet eens worden en het is niet mijn missie om jou te overtuigen; Bert, stuur een artikel over je bevindingen naar Nature.
@Ilona, om maar met de deur in huis te vallen: 'gekke logica' heeft niets met parapsychologie te maken. Parapsychologische verschijnselen gaan over natuurkunde -ze gaan tegen de natuurkunde in- maar niet over logica. Logica gaat over de vraag of er een 'diepe, fundamentele' orde is. (Veel mensen hebben overigens het gevoel dat dat wel zo is: maar intuïties en gevoelens zijn niet zulke betrouwbare partners in dit geval.) Om dat te begrijpen is het volgende voorbeeld misschien leerzaam. Een muur is afhankelijk van het fundament, maar het fundament is niet afhankelijk van de muur (zonder fundament stort de muur in, maar zonder muur blijft het fundament bestaan). Zo is het ook met wetenschap (bijvoorbeeld natuurkunde) en logica: logica is het fundament van de natuurkunde, maar de natuurkunde is niet het fundament van de logica. Als je dus iets doet wat niet strookt met de natuurkunde, dan blijft de logische orde onveranderd. Dus: als iemand lepels kan buigen met 'geesteskracht', dan heeft hij niet laten zien dat de wereld onlogisch is, maar wel dat de natuurkunde niet klopt. Overigens zijn parapsychologische verschijnselen zeer ongeloofwaardig (ik ben er overigens net een interessant boek over aan het lezen: Jolij, Parapsychologie). Als je de natuurkunde niet helemaal vertrouwt moet je je eens afvragen hoe het kan dat atoombommen zo verschrikkelijk zijn: toeval?
Hoe het kan dat de logische orde voor ons 'voelt' als de fundamentele orde wil ik graag nog wel eens uitleggen, maar dat doe ik dan in een aparte bijdrage. Dat is zeker een interessant vraagstuk.
Jan-Auke,
De realiteit is meer geordend dan Stephen Hawking dacht en mensen moeten niet zo egocentrisch denken want dat is nog veel erger dan geocentrisch.
https://doi.org/10.5281/zenodo.21992856
Geen nieuwe natuurkunde maar wel nieuw inzicht.
Bert, het is natuurlijk mooi als je gelijk hebt, maar ... ik vrees dat je hier een beetje teveel hooi op je vork neemt. (Ik laat je link een paar dagen staan).
JanD, ik zie dat je steeds reageert als 'onbekend': moet je niet doen, dan krijg ik je berichten niet binnen (je komt dan terecht in de prullenbak: die probeer ik wel eens in de zoveel tijd na te vlooien, maar het is niet handig). Als je wilt reageren op Bert, reageer dan even privé. Jullie hebben elkaars adressen. Ik laat de link van Bert nog een dag staan, daarna haal ik 'm weg.
Beste Jan Auke,
Het is jammer dat je mijn bijdrage verder onbesproken laat. We komen namelijk juist bij het verschil tussen onze uitgangspunten.
Jij begint bij een abstract-logische beschrijving. Ik begin bij de concrete fysieke implementatie: causaliteit, reactietijd, beschikbaar vermogen, energieverbruik en de manier waarop een systeem werkelijk is opgebouwd. Mijn technische opleiding heeft mij geleerd een systeem van onderaf te bekijken. Deze twee benaderingen hoeven elkaar niet uit te sluiten, maar mogen ook niet met elkaar worden vereenzelvigd.
Je schrijft:
“P=0, ¬P=0, dan: 0 [steen niet verplaatst: nulwerking]. Eigenlijk is dit niets anders dan newtoniaanse mechanica.”
Mijn bezwaar is niet alleen dat het teken (¬) bij Newton niet voorkomt. Een oudere theorie kan uiteraard met moderne notatie worden beschreven. Het probleem is de betekenis van de notatie.
Als (P) een propositie is en (P=0), dan geldt volgens de klassieke logica (¬P=1), niet (¬P=0). Als (P) daarentegen een kracht of fysische werking voorstelt, wordt de tegengestelde werking geschreven als (-P), niet als (¬P). De newtoniaanse mechanica werkt met krachten, vectoren en bewegingsvergelijkingen, niet met logische negatie als fysische werking. Daarom moet je eerst precies definiëren wat (P) en (¬P) in jouw formule voorstellen.
Ook je uitspraak dat het niet ter zake doet of logisch denken een centraal of gedistribueerd proces is, bestrijd ik. Voor een evolutionaire verklaring zijn de fysieke architectuur, reactietijd, energie en het beschikbare vermogen wezenlijk. Een organisme dat pas na tien seconden de juiste reactie berekent, is niet biologisch gelijkwaardig aan een organisme dat binnen een fractie van een seconde reageert. Bij een naderend roofdier kan het eerste organisme al opgegeten zijn.
Het organisme rekent niet eerst serieel een tangens uit. De snelle reactie ontstaat door een via evolutie en leren gevormde, grotendeels parallelle sensorimotorische architectuur. De vraag of verwerking centraal, gedistribueerd, serieel of parallel verloopt, raakt daarom rechtstreeks aan de darwinistische strijd om het bestaan.
Dan je meest wezenlijke uitspraak:
“Alleen de gedachte al dat een systeem/organisme doelmatig gedrag kan genereren zonder logische architectuur is onzinnig.”
Dat is geen bewijs, maar precies de bewering die bewezen moet worden. Uit doelmatig gedrag alleen kan men niet eenduidig afleiden door welke interne architectuur het wordt voortgebracht.
Dat is een elementair inzicht uit de systeemtheorie. Bij de black-boxmethode beschrijven we de relatie tussen ingaande en uitgaande signalen, inclusief hun verloop in de tijd, zonder daaruit zonder meer één unieke interne realisatie af te leiden. Ik denk daarbij aan de vierpoolvergelijkingen en de lange-leidingberekeningen die ik zestig jaar geleden op school maakte. Verschillende interne uitvoeringen kunnen onder bepaalde waarnemingsvoorwaarden dezelfde overdrachtsrelatie vertonen.
Mijn vraag is daarom concreet: welk argument bewijst dat doelmatig gedrag niet alleen achteraf met klassieke logica kan worden beschreven, maar noodzakelijk door een interne architectuur wordt voortgebracht die zelf de klassieke logische wetten realiseert?
Met vriendelijke groet,
JanD
JanD, Jan-Auke,
[Welk argument bewijst dat doelmatig gedrag niet alleen achteraf met klassieke logica kan worden beschreven, maar noodzakelijk door een interne architectuur wordt voortgebracht die zelf de klassieke logische wetten realiseert?]
Op deze concrete vraag heb ik een even concreet antwoord: flow.
Flow is een aangeleerd automatisme.
Het stelt je in staat dingen te doen zonder daar bij te hoeven nadenken of terwijl je over iets anders nadenkt.
Hebben jullie niet in de gaten dat het uitspreken van een eerder gevormd denkbeeld ook een vorm van flow is? Vooral jongeren vertonen zulk gedrag, het verraadt zich door een buitengewoon snelle manier van spreken.
Feitelijk zijn uitingen van LLM's ook het product van een flow. Ze hoeven er niet over te denken, dat hebben mensen al gedaan. Dit is een dermate sterk voorbeeld dat ik het aan de volgende versie van mijn manuscript zal toevoegen.
In de huidige versie heb ik "flow' beschreven.
"The Prenatal Cogito: Intra-Fetal Communication and the Cybernetics of the Self"
https://doi.org/10.5281/zenodo.20414039
Jan-Auke, nog even over 'flow' als je het goed vindt.
Is het niet duidelijk dat het uitspreken van een eerder gevormd denkbeeld ook een vorm van flow is? Vooral jongeren vertonen zulk gedrag, het verraadt zich door een buitengewoon snelle manier van spreken.
Met "praten als een kip zonder kop" weet iedereen dat er dan iets onnadenkend wordt gezegd.
De herkomst van die zegswijze ligt voor de hand.
Van kippen is bekend dat als je ze de kop afhakt ze wegvliegen als je ze niet stevig vasthoudt. Ik heb dat met eigen ogen gezien. Voor dat vliegen hebben ze die kop blijkbaar niet nodig. Dat vluchtgedrag is dus ook een vorm van "flow".
Citaat uit "The Prenatal Cogito: Intra-Fetal Communication and the Cybernetics of the Self"
[
Mensen voorspellen het volgende semantische token
• LLM's voorspellen het volgende tekstuele token
Beide werken met aangeleerde statistische regelmatigheden.
Dit onthult een isomorfisme over drie niveaus:
1. Biologisch niveau — autopoietische lussen die waarschijnlijkheid gebruiken om entropie te weerstaan.
2. Ontogenetisch niveau — de foetus voorspelt het volgende sensorische token 𝑹𝒂𝒇𝒇 na 𝑺𝒆𝒇𝒇.
3. Cognitief niveau — mensen voorspellen het volgende semantische token in taal.
Het mechanisme is identiek:
Expectatie → Feedback → Update
Het universum is geen oninterpreteerbare leegte. Geesten, talen en voorspellende architecturen
ontstaan wanneer de natuurwetten van waarschijnlijkheid zich organiseren in gesloten feedbacklussen.
] Einde citaat (Google vertaling)
Beste Bert en Jan-Auke
Flow beschrijft dat doelmatig gedrag zonder bewuste overweging kan verlopen, maar beantwoordt niet mijn vraag welke interne architectuur dit gedrag veroorzaakt.
.
Het LLM-voorbeeld onderstreept dat onderscheid juist. Een LLM produceert de zichtbare tekst token voor token, dus serieel, maar berekent ieder token via opeenvolgende lagen waarin zeer veel knooppunten en gewichten parallel en statistisch worden verwerkt. Daarvoor is geen centrale, bewust logisch redenerende actor nodig.
Ook het brein is een sterk gedistribueerd en parallel werkend netwerk dat seriële taaluitingen kan voortbrengen. De systemen zijn niet identiek, maar beide tonen dat logisch beoordeelbare seriële uitvoer niet bewijst dat het onderliggende proces zelf serieel of propositioneel-logisch werkt.
Vriendelijke groet van JanD
Bert, JanD: JanD schrijft het volgende:
“Alleen de gedachte al dat een systeem/organisme doelmatig gedrag kan genereren zonder logische architectuur is onzinnig.”
Dat is geen bewijs, maar precies de bewering die bewezen moet worden.
Doen we: Stel er is een organisme dat zich onlogisch moet verplaatsen. Ze beweegt zich dan in een beurt naar links en niet naar links. Omdat een organisme een object is, is deze strijdige manier van bewegen niet mogelijk. Ergo: een organisme kan geen doelmatig gedrag genereren zonder logische structuur.
De uitwijding over flow enz heb ik uiteraard met interesse gelezen.
JanD, je tweede punt: een rosenblattmachine kan geëmuleerd worden op een turingmachine en andersom. Ik zie daarom niet het belang van je tweede punt.
Je punt over het gebruik van de symbolen begrijp ik eenvoudigweg niet. Dat laat ik rusten.
Een reactie posten