Als je snel wilt weten hoe goed iemand is ingevoerd in de filosofie, dan moet je hem, zo tussen neus en lippen door, eens wat vragen stellen over Quine: beslist één van de belangrijkste filosofen van de vorige eeuw.
De kans is groot echter dat je gesprekspartner de vragen over Quine niet naar behoren kan beantwoorden.
Eén van de meest ingenieuze lezingen over het belang van de basiswetten is van zijn hand.
Quine beredeneerde dat het onderscheid tussen analytische en synthetische oordelen niet te verdedigen is. Het onderscheid tussen logische en empirische (noodzakelijke en contingente) oordelen is kunstmatig. Al onze oordelen (overtuigingen, inzichten, meningen, 'proposities') worden op één en dezelfde manier gerechtvaardigd.
[Iets technischer gezegd: men meende dat logische en wiskundige beweringen 'a priori' worden gerechtvaardigd en empirische (psychologische en fysische) oordelen 'a posteriori'. Volgens Quine echter wordt de geloofwaardigheid van de gehele theorie, dat wil zeggen: het weefsel van alle overtuigingen, in de praktijk (dat is 'a posteriori') op de proef gesteld].
Hoe rechtvaardig je je oordelen volgens Quine? Wel, je maakt van je overtuigingen een samenhangend verhaal. Je verhaal is een amalgaam van logische, theoretische en praktische overtuigingen: je plakt al deze oordelen van verschillende kwaliteit zo aan elkaar dat het geheel voor jou acceptabel/bruikbaar is.
Vergelijk het met voetbal. Hoe stelt een trainer zijn beste elftal samen? Door de beste verdedigers, de beste middenvelders en de beste aanvallers in het veld te brengen. Het is echter niet noodzakelijk om verdedigers, aanvallers en middenvelders strikt gescheiden taken en opdrachten te geven: een aanvaller kan ook meeverdedigen en een middenvelder of verdediger kan ook aanvallen. De trainer zoekt naar de beste balans in het elftal.
Hoe ontdek je wat de beste balans is: wel, dat zijn de elf spelers én hun speelwijze die de test -een wedstrijd of een competitie- goed doorstaan.
De trainer kan experimenteren: hij zou de aanvallers eens in de verdediging kunnen zetten en de verdedigers op het middenveld en de middenvelders in de aanval. De kans is groot echter dat hij dan wedstrijden verliest. De 'test' zal uitwijzen hoe verstandig het is om het elftal 'om te gooien'.
De trainer zou zelfs eens kunnen proberen om zonder keeper te spelen. Wellicht dat een troep van elf woest aanvallende spelers de tegenstander kan overrompelen. De kans dat hij dan wedstrijden verliest is echter groot: zelfs de minste tegenstanders weten wel raad met een leeg doel. Het is dus niet verboden om zonder keeper aan te treden, maar deze ingreep is te riskant: geen elftal zal zonder keeper spelen.
Je spits kun je wel vervangen door een verdediger: als je een voorsprong wilt verdedigen is dat misschien verstandig.
Op soortgelijke manier denkt Quine over theorieën. Je mag alle overtuigingen in een theorie veranderen. Je mag de logische wetten wegsnijden, je mag onze ideeën over de zwaartekracht in de wind slaan, je mag het bestaan van de Olympische goden invoeren, zolang je 'verhaal' maar niet in de problemen komt. In de wetenschappelijke (en praktische) praktijk is het niet zo verstandig om de zwaartekracht af te schaffen en het bestaan van de Olympische goden in te voeren. Een dergelijke stoutmoedige theorie past niet goed in het huidige wetenschappelijke raamwerk. Maar in theorie heeft een wetenschapper de vrijheid om dat wel te doen. (Wellicht is Paul Feyerabend na lezing van Quine op het idee gekomen dat wetenschap een 'anarchistische' bezigheid behoort te zijn: alle inzichten kunnen van belang zijn, van astronomie tot astrologie).
[Iets technischer gezegd: dit is de beroemde Quine-Duhem stelling: je kunt een theorie uitsluitend als 'volledig verhaal' testen: alle praktische, theoretische en logische inzichten tellen mee. Dat rijke palet aan verschillende soorten inzichten maakt het vrijwel altijd mogelijk om een theorie te verdedigen. Immers, een wetenschapper kan, na een mislukte experiment, de 'schuld' toeschrijven aan een minder belangrijk inzicht in de theorie: dan blijven de belangrijke inzichten van de theorie behouden. Je hoort ook trainers deze Quine-Duhem stelling toepassen: dat de wedstrijd verloren is lag aan de scheidsrechter, aan de VAR, aan de afwezigheid van de sterspeler, aan de keeper die zijn dag niet had, maar niet aan het elftal als zodanig: het elftal als geheel blijft een goed team- de trainer ziet daarom geen noodzaak om drastische maatregelen te nemen na het verlies. Je begrijpt nu ook waarom Poppers 'falsificationisme' niet werkt: een wetenschapper hoeft zijn theorie niet af te schaffen na één cruciaal experiment.]
Waarom staan nu de twee basiswetten van de logica nog steeds in elke fysische theorie? Om de eenvoudige reden dat je 'de wedstrijd' geheid verliest als je de basiswetten weglaat. Zoals je ook geheid verliest als je geen keeper opstelt. We weten niet of deze basiswetten 'absoluut' waar zijn, we weten niet of ze door 'God' zijn ingesteld, we weten niet of ze 'neurologisch' noodzakelijk zijn, maar we weten wel dat we cognitief in de problemen raken als we onze verhalen over de werkelijkheid niet logisch ordenen.
Een trainer die een sterk elftal heeft is dwaas als hij dit elftal volledig 'omgooit'. Hij zou uitsluitend de speler die een blessure heeft moeten vervangen; ook kan hij eens proberen om een jonge veelbelovende speler het veld in te sturen. De 'basis-elf' echter laat je in principe staan. Quine geeft soortgelijke raad aan wetenschappers: het principe van 'minimal mutilation' zegt dat je een verhaal, als je redenen hebt om er aan te sleutelen, zo zuinig (minimaal) mogelijk moet aanpassen. Het principe van 'minimal mutilation' maakt duidelijk waarom we de basiswetten blijven opnemen in onze verhalen en theorieën over de werkelijkheid: wie ze weglaat verandert de orde van het hele verhaal, je haalt er de hele theorie mee overhoop.
De ideeën van Quine zijn de aanleiding geweest in de filosofie van de logica om de logische wetten op een volstrekt nieuwe manier te bekijken (het huidige debat tussen de 'exceptionalisten en anti-exceptionalisten' is de vrucht van Quine's werk: ik zal hier in een eventuele volgende bijdrage wel eens over berichten). Als we daar dan ook bij optellen dat Quine de 'godfather' is van het naturalisme, inmiddels de meest invloedrijke stroming in de epistemologie, dan zie je vermoedelijk wel in waarom zijn werk -onder filosofen- hoog in aanzien staat.
----
Helaas zijn er geen goede Nederlandstalige inleidingen over het werk van Quine. Het werk van Quine wordt eenvoudigweg niet gemakkelijk begrepen. Hij komt ook niet voor in de schoolboeken- terwijl zijn werk niet van minder belang is (vermoedelijk zelfs van groter belang) dan dat van Kuhn en Popper (het werk van Popper is deels achterhaald; Kuhn heeft overduidelijk leentjebuur gespeeld bij Quine). Quine heeft eigenlijk alleen maar artikelen geschreven- en nooit een toegankelijk boek voor het grote publiek. Hij schreef één boek (Word and Object), maar dat is dan juist weer een tamelijk technisch werk. Zijn bekendste artikel is 'Two dogma's of empiricism'.
19 opmerkingen:
Holisme
Ik kom Quine regelmatig tegen tijdens mijn leessessies. Bijvoorbeeld in het boek van Philipse over Heidegger. Net als ik Carnap vaak tegenkom. Maar zowel van Carnap als van Quine zelf heb ik nooit echt iets gelezen. Nou ja, van Quine wel diens Quintessenses. Lichtvoetige essaytjes.
Hoe Quine zich precies verhoudt tot Kant, weet ik niet. Maar komt Kants idee van synthetisch apriorisme toch niet een beetje in de buurt van Quines oppositie jegens het harde onderscheid tussen apriori en aposteriori? In elk geval een zeer lastige kwestie. Dat wel op mijn lijstje staat maar nog niet door mij persoonlijk goed is aangevat. Dus deze alinea is een losse flodder.
Als ik mij goed herinner, wordt Quine verweten door sommige denkers dat hij een holist is, een iets te rigide holist. Door Putnam?
Wel, mijn commentaartje heeft dus eigenlijk niets om het lijf. Een bloot keizertje. Maar wat ik wil zeggen, is dat ik u met interesse lees en dat u dus niet tevergeefs schrijft. Het is niet onopgemerkt gebleven. Om Reve te citeren.
Een naturalist zal geneigd zijn te beginnen bij het meetbare. Terecht. Neem iets eenvoudigs: temperatuur. Je hebt een schaal, je meet, en vervolgens zeg je: dit is warm, dat is koud. Maar “warm” en “koud” zijn geen eigenschappen die op zichzelf bestaan. Ze zijn manieren om één en dezelfde onderliggende grootheid – temperatuur – op te delen.
Hetzelfde geldt voor lengte. “Lang” en “kort” bestaan alleen omdat er eerst zoiets is als lengte. Zonder die ene dimensie heeft het onderscheid geen betekenis. Het onderscheid komt dus niet eerst; het is afgeleid.
Tot zover niets controversieels.
De stap die meestal niet expliciet wordt gemaakt, is deze: als elk onderscheid afhankelijk is van een onderliggende continuïteit, dan geldt dat ook voor de meest fundamentele onderscheidingen die we maken. Ook het logische onderscheid tussen A en niet-A veronderstelt dat er eerst iets is waarin dat onderscheid überhaupt kan optreden.
De klassieke logica zegt: A kan niet tegelijk niet-A zijn. Binnen een goed gedefinieerd model klopt dat volledig. Maar dat model is al een uitgesneden stuk werkelijkheid, waarin grenzen zijn aangebracht. De logica werkt binnen die grenzen, niet noodzakelijk daarbuiten.
De fysica laat dit impliciet zien. Licht is geen simpel geval van óf golf óf deeltje. Afhankelijk van de opstelling gedraagt het zich als het één of het ander. Dat is geen logische fout, maar een aanwijzing dat de werkelijkheid zelf niet strikt volgens onze binaire indelingen georganiseerd is. De indeling ontstaat pas wanneer wij meten en modelleren.
Wat hier wordt voorgesteld, is geen mystiek alternatief voor wetenschap, maar een verschuiving van perspectief. Niet: logica is fout. Wel: logica is een instrument dat werkt nadat we de werkelijkheid al in onderscheidingen hebben gevat.
Voor een strikt naturalistische positie betekent dit het volgende. Je kunt volledig binnen het wetenschappelijke kader blijven en toch erkennen dat je modellen altijd een stap na de werkelijkheid komen. Ze structureren, vereenvoudigen en discretiseren wat in eerste instantie niet in zulke scherpe tegenstellingen gegeven is.
In die zin is de “hoofdregel” van de logica niet absoluut in ontologische zin, maar functioneel in methodologische zin. Ze is onmisbaar om goede theorieën te bouwen – zoals een keeper onmisbaar is in een elftal – maar dat betekent niet dat de werkelijkheid zelf volgens die regel is opgebouwd.
De kern is eenvoudig: onderscheid is afgeleid, niet primair. Zodra je dat accepteert, verschuift de status van logica vanzelf van fundament naar gereedschap.
Jan, zeker: dit lijkt er meer op! Dit is al van een hoger niveau dan het platvloerse: '...maar ik kan me helemaal geen tegenspraak voorstellen... (en ik ben ook niet van plan om te te verdiepen in de kwestie, ik heb voldoende aan mijn onderbuik...)". Je kunt ook goed zien aan je bijdrage wat de invloed van de machine is geweest :). Kwestie van de juiste prompt opstellen. (Alhoewel ik het idee heb dat deze bijdrage is ontstaan na het meerdere malen raadplegen van de machine...).
Juist is dit antwoord nog niet: maar in ieder geval wordt hier -eindelijk- eens wat dieper over de materie nagedacht. Filosofie van de logica schijnt lastig te zijn.
Je slotzin vind ik mooi: Zodra je dat accepteert, verschuift de status van logica vanzelf van fundament naar gereedschap."
Nu is de vraag: waar komt dit gereedschap vandaan? Waarom deze regels en waarom geen andere? Waar heeft dit gereedschap betrekking op?
JanD,
[Licht is geen simpel geval van óf golf óf deeltje. Afhankelijk van de opstelling gedraagt het zich als het één of het ander. Dat is geen logische fout, maar een aanwijzing dat de werkelijkheid zelf niet strikt volgens onze binaire indelingen georganiseerd is.]
Sorry. Het zegt niets over de werkelijkheid.
Het is hooguit een plausibele veronderstelling die je onderbuik bevredigend vindt.
Het enige wat de QM zegt is dat het model wat dit binaire onderscheid maakt de uitkomsten van experimenten verbluffend nauwkeurig voorspelt.
(Zie "bra-ket" notatie: het inwendig product van een bra en een ket, wat resulteert in een complex getal dat de overlap tussen twee toestanden weergeeft. Het imaginaire deel maakt dat onze zintuigen dit niet kunnen waarnemen
Wij kunnen alleen maar zuivere Bra's en zuivere Ket's waarnemen en geen coherente complexe QM toestanden.)
Je moet wetenschap niet met ontologie verwarren. Wetenschap heeft geen ontologische aspiraties. Einstein zou dit nu wel degelijk begrijpen. God dobbelt en hij speelt nog vals ook, net als een uitbater van een casino. Hij is zeker geen trivialist want die schiet niets op met zijn haarzuivere munten.
JanD, dit vind ik een heerlijk stuk, glashelder! Dank je zeer! Ben benieuwd wat er onjuist is...
“Binnen een model waarin tijd uit opeenvolgende momenten bestaat, volgt causaliteit vanzelf: eerst A, dan B.
Maar die volgorde is al in het model ingebouwd.
Dus causaliteit is niet fundamenteel, maar afhankelijk van die tijdsopvatting (vgl. John McTaggart Ellis McTaggart).
Logica functioneert daarin als beschrijvingsinstrument, binnen dat tijdsmodel.”
Aafje, er staan tamelijk veel zinnetje in die mij enigszins aan het twijfelen brengen.
Het eerste zinnetje is lastig: 'Een naturalist zal geneigd zijn te beginnen bij het meetbare.' Dat is niet persé zo: een naturalist is niet per definitie ook een empirist. Robert Dijkgraaf is bijvoorbeeld een naturalist, maar hij heeft een sterk vertrouwen in de menselijke ratio. Vaak draaien wetenschappers de volgorde dan ook om: wetenschap begint met het opstellen van hypothesen en daarna pas komt de experimentele fase.
Voorts houdt JanD er een lezing van het ontstaan van tegengestelden (let op: een tegengestelde is geen tegenstelling!) op na die volgens mij rechtstreeks is afgeleid van Nagarjuna. Zo verdedigen boeddhistische filosofen dat concepten 'leeg' zijn. Ik weet echter niet of deze zienswijze ook overeenstemt met de psychologische literatuur over de ontwikkeling van concepten. (Daarvoor moet je onder andere te rade bij ontwikkelingspsychologen als Spelke en Gopnik.)
En zo zijn er eigenlijk nog wel wat zaken waar bij ik twijfel.
RV, ik bestrijd niet dat je erg je best gedaan hebt: soms is echter je best doen niet voldoende. Iemand die beweert dat de werkelijkheid logisch gesloten is, zal daar een argument voor moeten geven: en dat ontbreekt- er staan geen argumenten in je bijdragen. Tja, als je iemand een lege trommel voorhoudt en beweert dat deze vol koek zit, dan helpt het weinig als je de ander toevoegt: maar jij hebt ook geen koekjes! Je trommel is en blijft leeg. Ik zal maar niet suggereren dat je in de kristallen bol keek en zag dat de gehele werkelijkheid -zelfs voorbij de zichtbare grens?- logisch geordend is. Ik moet een echt, goed uitgewerkt argument hebben RV: zolang je daar niet mee aankomt is elke reactie zinloos. Een verwijzing naar een dergelijk argument volstaat ook (je hoeft het wiel niet opnieuw uit te vinden, dat vraagt niemand van je).
Jan-Auke,
Excuus, je antwoord aan Aafje maakt duidelijk dat ik je antwoord aan JanD verkeerd begrepen heb. Prima dat je het verwijdert.
Als je een reactie begint met "Jan, zeker: dit lijkt er meer op! Dit is al van een hoger niveau dan het platvloerse:" dan had ik kunnen weten dat je dit ironisch bedoeld als ik verder had gelezen.
Sta me toe dit te verbeteren.
Wat JanD beweerde over het verschil tussen getallen deugt niet: dit is niet iets wat wij afleiden door ze te onderscheiden.
Als ze niet onderscheiden zouden kunnen worden dan zou er maar één getal mogelijk zijn en dat is niet waar.
Onderscheid is uitsluitend mogelijk is als er al verschillende getallen zijn. Het is een fundamentele eigenschap van getallen.
Verschil is bij getallen dus primair en ontologisch, niet secundair en epistemisch.
Omdat het verschil tussen getallen al bestaat vóór en onafhankelijk van ons denken, moet de logica die dit verschil mogelijk maakt en beheerst eveneens een fundamentele eigenschap van de werkelijkheid zelf zijn en niet slechts een product van de menselijke geest.
De LNC is dus eveneens primair en ontologisch en dus niet secundair en epistemisch.
Aristoteles was niet gek.
Nogmaals mijn excuses.
Beste Jan-Auke,
Laat ik je vraag direct beantwoorden.
Het “gereedschap” ontstaat waar onderscheid ontstaat. Zodra iets als A wordt opgevat tegenover niet-A, treden de wetten van identiteit en uitgesloten derde noodzakelijk in werking. Niet omdat zij de bron zijn van dat onderscheid, maar omdat zij de minimale structuur vormen waarin een gehanteerd onderscheid consistent kan worden gedacht.
Waarom juist deze regels en geen andere? Omdat elke afwijking het onderscheid zelf ondergraaft. Zonder identiteit en uitsluiting is er geen stabiel A meer mogelijk. In die zin zijn deze wetten constitutief voor elk domein waarin we met onderscheiden objecten werken. Maar daarmee is hun geldigheid ook begrensd.
Ze hebben betrekking op een domein waarin de werkelijkheid reeds als discrete objecten verschijnt. Dat is geen triviale aanname. Het is een specifieke articulatie van de werkelijkheid, waarin “iets” tegenover “iets anders” komt te staan. Binnen die articulatie regeert de logica noodzakelijk en zonder uitzondering.
Mijn punt is dat deze articulatie niet zonder meer samenvalt met de grond van de werkelijkheid zelf.
Zodra je de beschrijving verschuift van een objectdomein naar een continu veld waarin toestanden in elkaar overgaan, verliest de strikte uitsluiting haar vanzelfsprekendheid.
Denk aan één en dezelfde substantie die onder verschillende condities verschillende toestanden aanneemt, waarbij de grenzen tussen die toestanden niet absoluut maar beschrijvingsafhankelijk zijn. De indeling in A of niet-A volgt dan uit de gekozen beschrijving, niet uit een scherp gescheiden grondstructuur.
De logica ordent dus wat reeds als onderscheiden verschijnt. Zij is constitutief voor de beschrijving van dat domein, maar verklaart niet dat dat domein verschijnt, noch waarom het verschijnt.
Een vergelijkbare beperking zie je bij causaliteit. Binnen een model waarin tijd als opeenvolgende tijdstippen is gestructureerd, volgt causaliteit vanzelf. Maar die ordening is al in het model ingebouwd. Daarmee is causaliteit afhankelijk van het gekozen kader en dus niet zonder meer fundamenteel.
Samengevat: de basiswetten van de logica zijn noodzakelijk voor elke consistente beschrijving van een onderscheiden werkelijkheid. Maar daaruit volgt niet dat zij de ontologische voorwaarde vormen voor het ontstaan van die onderscheidenheid zelf. Ze ordenen wat verschijnt; ze verklaren niet dat het verschijnt, noch waarom het verschijnt.
Vriendelijke groet,
JanD
Jan-Auke,
Quine ken ik onvoldoende maar wat ik van hem gelezen heb is heel goed te volgen. Dat doet mij vermoeden dat hij niet over één nacht ijs gaat. Dat voorbeeld werkt als volgt.
Je krijgt bij aanhoudende vorst zomaar het idee dat het best waar zou kunnen zijn dat het ijs van dat brede kanaal in de buurt sterk genoeg is om er zonder gevaar met je auto overheen te rijden. De vraag is hoe zeker dat is.
Er zijn waaghalzen die er door zijn gezakt dus die zekerheid is aanvankelijk klein. Als de helft het niet redt zeggen we dat het kan vriezen en dooien maar we wagen het nog niet, ook niet bij 90%. De meeste mensen durven het nog steeds niet aan, ook al zijn er 100 zonder problemen overheen gekomen. Er is altijd een kleiner wordend risico dat er iets fout gaat. Hetzelfde geldt voor de massieve brug wat verderop. Na miljoenen auto's rijden de grootste angsthazen er gewoon overheen. Die brug is zeker sterk genoeg gebleken.
Waarom zouden we na ontelbare en uitsluitend Non-Contradictionele ervaringen nog steeds rekening moeten houden met de mogelijkheid dat onze tomtom ons het bos instuurt wegens schending van de wet van Aristoteles?
Dat mag, maar vergeleken met de kans dat een technisch probleem de oorzaak kan zijn, is een tegenstrijdigheid te onwaarschijnlijk om waar te zijn.
Ook Quine is blijkbaar die mening toegedaan. Al die nachten hebben hem de zekerheid gegeven dat zijn stellige uitspraken voldoende verantwoord zijn. Maar nooit 100%.
Dit gaatje biedt goede filosofie de mogelijkheid dit twijfelachtige terrein te exploreren en wat ze daar nog over kunnen zeggen zonder Aristoteles tegen te spreken want anders kunnen ze zelf blijvend tegengesproken worden zonder ook maar één ondubbelzinnige conclusie te kunnen trekken.
Een kunstwerk heeft daar geen last van, daar heeft een contradictie geen vernietigende kracht. Integendeel, het is juist een bron van creativiteit die de weg kan openen naar wetenschap.
En al die prachtige en diepgaande ervaringen die creativiteit ons oplevert, vormen bronnen van onschatbare rijkdom. En niet te vergeten de vermakelijke toestanden die goed verstopte contradicties kunnen veroorzaken.
Nee, Aristoteles heeft ons niet alleen een buitengewoon bruikbaar instrument gegeven, maar deed dat zonder onze creatieve vrijheid aan te tasten.
Jan, als de tijd wordt geordend in 'stapjes vooruit' -eerst tijdstip 1, dan 2, dan 3, enz- dan zal het effect van een bepaalde 'kracht' in de vorm van de tijd door ons worden opgemerkt. Zo althans lees ik je laatste argument. Jij ziet causaliteit niet als een bijzondere relatie tussen twee gebeurtenissen, maar louter als twee gebeurtenissen in de tijd. 'Causaliteit is afhankelijk van het gekozen kader.' Maar waarom beschouwen we dan niet alle gebeurtenissen die elkaar opvolgen als causaal? Als ik mijn ogen sluit en direct daarop de buurman hoor huilen, waarom is dat geen oorzakelijk verband?
Verder schrijf je: [Zodra iets als A wordt opgevat tegenover niet-A, treden de wetten van identiteit en uitgesloten derde noodzakelijk in werking. Niet omdat zij de bron zijn van dat onderscheid, maar omdat zij de minimale structuur vormen waarin een gehanteerd onderscheid consistent kan worden gedacht.] Heb je niet eerst de wetten nodig om het onderscheid tussen A en niet-A te kunnen maken? Zoals je het nu noteert lijkt het niet te werken (?). Iemand die de wetten niet kent, zou A verwarren met niet-A en dus het onderscheid tussen A en niet-A niet kunnen maken. (Dit heet het 'background-problem of logic': je kunt niets beginnen zonder de basiswetten: die hebben dus het primaat).
Bert, je schrijft: [Waarom zouden we na ontelbare en uitsluitend Non-Contradictionele ervaringen nog steeds rekening moeten houden met de mogelijkheid dat onze tomtom ons het bos instuurt wegens schending van de wet van Aristoteles?]
Het lijkt me onverstandig inderdaad om niet logisch te denken. Zo als het me ook onverstandig lijkt om een diepe, koude rivier zwemmend over te steken in plaats van over de brug te lopen. Maar daar volgt niet uit dat heel de fundamentele structuur van de werkelijkheid logisch gesloten is. Je hebt het probleem nog steeds niet goed in het vizier.
[Ik ben vanaf nu op vakantie: ik zal de reacties niet naar behoren kunnen verwerken: ik heb geen computer bij me, alleen een oude iPad, en ik heb niet de beschikking over vaste wifi].
Jan-Auke,
Mijn punt over causaliteit bedoelde ik anders.
Fenomenologisch is niet de tijd zelf, noch een reeks discrete tijdspunten, direct gegeven, maar wel veranderingen. Het zijn die veranderende fenomenen die een gevoel van tijd in het bewustzijn constitueren.
De ordening van gebeurtenissen als ‘eerder’ en ‘later’ is een verdere articulatie van die ervaring. De verspringende wijzer van een klok of veranderende wolken zijn de primaire fenomenen; de chronologie waarin we ze plaatsen is een afgeleide structuur.
Wat direct gegeven is, is het ‘nu’. Over de aard daarvan bestaat verschil van opvatting. In sommige benaderingen wordt het opgevat als een punt op een tijdslijn, in andere als een duur met zekere uitgebreidheid.
In dat laatste geval is de tijd niet reeds opgesplitst in afzonderlijke momenten. Het onderscheid tussen vóór en na – en daarmee tussen oorzaak en gevolg – verschijnt dan pas binnen een reeds gearticuleerde tijdsorde.
In die zin is causaliteit niet primair, maar afhankelijk van de wijze waarop de tijd wordt gestructureerd.
JanD
Beste Jan Auke.
Op 15 april 06:26 schreef je aan Aafje:
“Voorts houdt JanD er een lezing van het ontstaan van tegengestelden (let op: een tegengestelde is geen tegenstelling!) op na die volgens mij rechtstreeks is afgeleid van Nagarjuna...... boeddhistische filosofen.”
Nee, eigenlijk ging ik uit van vers 2 van de Tao Te Tjing, maar in jouw “taal” geschreven van “A en niet-A en zo”. Terugkerend naar de basistekst, die heel erg vanzelfsprekend is:
Het is omdat iedereen schoonheid als schoon beschouwt,
dat het lelijke bestaat;
het is omdat iedereen goedheid als goed beleeft,
dat het kwade bestaat.
Zijn en niet-zijn veroorzaken elkaar;
moeilijk en eenvoudig vergelijken zich met elkaar;
lang en kort meten zich aan elkaar;
hoog en laag onderscheiden zich van elkaar;
klank en stem vormen zich uit elkaar;
voor en na rangschikken zich naar elkaar.
Ik bedoelde dus geen tegensteling als logische uitsluiting (A vs niet-A, LNC)
-Tegengestelden --veronderstellen-- een onderliggende continuïteit
-Tegenstellingen --ordenen-- een reeds aangebracht onderscheid
De onderliggende continuïteit wordt slechts kenbaar in en door de duale articulatie in “onze” duale wereld. Zonder die duale articulatie blijft de onderliggende continuïteit onkenbaar.
Op 17 april 08:17 schreef je: [aanhaling van JanD]:[Zodra iets als A wordt opgevat tegenover niet-A, treden de wetten van identiteit en uitgesloten derde noodzakelijk in werking. Niet omdat zij de bron zijn van dat onderscheid, maar omdat zij de minimale structuur vormen waarin een gehanteerd onderscheid consistent kan worden gedacht.] [JanR reactie daarop] Heb je niet eerst de wetten nodig om het onderscheid tussen A en niet-A te kunnen maken? Zoals je het nu noteert lijkt het niet te werken (?). Iemand die de wetten niet kent, zou A verwarren met niet-A en dus het onderscheid tussen A en niet-A niet kunnen maken. (Dit heet het 'background-problem of logic': je kunt niets beginnen zonder de basiswetten: die hebben dus het primaat).
Het door jou genoemde 'background-problem of logic' speelt hier anders, omdat het onderscheid tussen tegengestelden en tegenstellingen niet samenvalt. Lang en kort, warm en koud zijn tegengestelden die alleen betekenis hebben binnen een onderliggende continuïteit. De logische tegenstelling A/¬A ordent zo’n onderscheid, maar veronderstelt dat het onderscheid al is aangebracht. De logica ordent het onderscheid, en veronderstelt al daarmee de samenhang waarin dat onderscheid tot stand komt.
Met vriendelijke groet van JanD
Jan-Auke,
[Het lijkt me inderdaad onverstandig om niet logisch te denken. Maar daar volgt niet uit dat heel de fundamentele structuur van de werkelijkheid logisch gesloten is. Je hebt het probleem nog steeds niet goed in het vizier. ]
Wetenschapelijke bevindingen zijn voorlopig, niet in de zin dat die onjuist zijn maar omdat er altijd vragen overblijven. Dat is het enige probleem wat wetenschap heeft en dat is ook de motivatie om wetenschap te bedrijven.
Het probleem dat we niet weten wat we niet weten kan betekenen dat het wetenschappelijk paleis inconsistent zou kunnen zijn. Filosofen doen er goed aan dat lek in dat paleis te vinden. Als ze er een vinden dan weten we iets wat we niet weten en dan kan de wetenschap gericht onderzoek doen of dat lek te dichten is omdat anders het hele paleis inconsistent zou worden wegens ex falso. Daar weet jij alles van.
De wetenschappelijke historie laat zien dat men daar keer op keer in geslaagd is.
Het trivialisme zou elke poging zo'n paleis te bouwen onmiddelijk opgeblazen hebben.
Het feit dat het er nog steeds staat maakt het trivialisme onhoudbaar.
Conclusie: Wetenschap werkt alleen in een wereld waarin inconsistenties niet triviaal zijn. De succesvolle geschiedenis van wetenschap is daarom een empirische falsificatie van trivialisme.
Jan-Auke,
[Het probleem is de 'filosofie' van de mens: hij heeft de overtuiging dat hij een stoffelijke wereld volledig kan doorgronden.]
Ik heb die overtuiging juist niet.
Wetenschap bedient zich van het verminderen onzekerheid maar kan die niet tot 0 reduceren. Er blijft dus altijd ruimte.
Maar waarschijnlijk bedoel je dat niet. Het is waar dat wetenschap van de onschendbaarheid van logica uitgaat en het is dat uitgangspunt wat je bestrijdt.
Toevallig heeft Stephen Wolfram een Theorie Of Everything gepubliceerd maar hij heeft ook aangetoond dat zijn methode "computational irreducible" is, je kunt de toekomst niet sneller berekenen dan de natuur. Vergelijk het met de weersverwachting. Alleen maar door onvolledige aannames is het weer redelijk voorspelbaar. Zelfs als iedere kubieke centimeter van de atmosfeer in rekening gebracht zou worden, zou misschien achteraf geconstateerd kunnen worden dat het weermodel buitengewoon nauwkeurig is, maar dan heb je er niets meer aan.
Persoonlijk noem ik dit soort bezwaren het gevolg van de wet van behoud van ellende.
De hemel is mooi, maar je moet er eerst dood voor gaan. Tot die tijd is het aanmodderen. Dat is blijkbaar de eeuwige waarheid.
Bert, ?
Een reactie posten