Het is dan ook formeel (logisch) niet noodzakelijk dat wij wezens van vlees en bloed zijn, geboetseerd uit stof en opgesloten in ruimte en tijd. We hadden evengoed een ijl, doorschijnend 'lichaam' kunnen hebben.
Op zich is het fijn om je voor te stellen hoe het zou zijn om als 'spookje' door het leven te gaan. Niemand zou mij kunnen grijpen. Handboeien zouden niet knellen, vuisten zouden mij niet raken. Je zou mij niet kunnen kluisteren. Een spook is ongrijpbaar.
Een mens van vlees en bloed -'zo is de harde werkelijkheid'- is echter overgeleverd aan andere mensen van vlees en bloed: een kwaadwillend persoon kan mij grijpen en doden. Wie foto's uit het verleden bekijkt ziet dat mensen elkaars lichaam op de meest uiteenlopende manier kunnen mishandelen (variaties op een thema bedenken, daar leent het verstand zich voor).
De incarnatie is essentieel voor onze existentie. Het vlees van de een is de ander ter beschikking gesteld. Wij zijn elkaar gegeven. Ik kan jou najagen, jij kunt mij najagen; ik kan jou doden, jij kunt mij doden.
Het paradoxale van onze 'vleeswording' (incarnatie) is dat het vlees doorregen is met uiterst gevoelige draden en weefsels, die het lichaam veranderen (verrijken?) in een zeer sensitieve machine, die zelfs de lichtste aanraking kan registreren. Niet alleen kunnen andere mensen mijn lichaam behandelen op een wijze die hen goeddunkt, maar een kwade handeling kan bovendien zo pijnlijk zijn dat een mens het niet verdragen kan. De pijn, de pijn, tot gekwordens toe de pijn! (uit het verslag van een gemartelde meneer van vlees en bloed: Syrië).
Als we 'vlees' zijn, waarom zijn we dan levend vlees, met een bewustzijn en met zenuwweefsel, zodat we hyper-sensitief zijn en uiterst precies vernedering en pijn kunnen registreren?
Je ziet ze vaak op televisie, de mensen die zo ernstig mishandeld zijn, dat ze voorgoed 'gebroken' zijn. Hun ogen zien de wereld niet, hun gang is wankel. Je hebt ze liever niet in de straat, want ze wekken onze afschuw op.
Wij, mensen, staan in stoffelijke gedaante tegenover elkaar- en kunnen elkaar beschadigen of helen: het hangt er maar van af wat de ander bezielt. 'Daarom is het goed om niet alleen te zijn, -zo staat het in Prediker-, dan kun je elkaar steunen, vasthouden.
We zijn belichaamde wezens- dát kenmerkt onze existentie. Inzien dat ons bestaan essentieel stoffelijk is, dát is religie.
Ons bestaan wordt gekenmerkt door onze handelingen, die zijn kwaad óf goed. De wereld/natuur waarin wij leven is niets meer en niets minder dan een ethisch-religieus bouwwerk (een compositie).
Je kunt je niet -nooit!- verbergen voor andere mensen. Je kunt niet ethisch-religieus afgezonderd zijn van de ander en je kunt je niet onttrekken aan de verantwoordelijkheid voor de ander. Wie van vlees is en wie omringd is door belichaamde wezens, is louter en alleen door de stoffelijke tegenwoordigheid van de ander al ethisch betrokken (zijn bestaan is door het vlees ethisch beladen).
Onze wereld is geen biologische of fysische machine waarin het doen en laten van de mens zonder zin zonder betekenis zonder doel is.
Ons verstand is niet gevormd door de natuur om de bouw van de werkelijkheid te doorgronden, niet om de waarheid na te jagen, niet om te rekenen, maar ons verstand is ons gegeven om te handelen. Nota bene de logica, die -valselijk- de grondslag van de rede heet te zijn en het fundament van de wereld, is niets dan de oorsprong, de grondslag van de ethiek.
Ons lichaam is een 'object' dat een handeling slechts wel of niet kan uitvoeren -een object kan wijken of naderen, maar niet voor drie-vijfde deel naderen en voor twee-vijfde deel wijken: zie daar de grondslag voor onze bivalente indeling van handeling en wereld. De denkwetten bewijzen hun nut om het lichaam te besturen, maar ze zijn ongeschikt om de (gehele) werkelijkheid in kaart te brengen. De grondslagen van het denken zijn feitelijk de grondslagen van de ethiek- niet van de fysica, niet van de wiskunde, niet van de kosmologie, niet van de geologie. Onze logische denkwijze ordent onze handelingen: daarom was Kaïn in staat om Abel te wurgen, dat vergt enige organisatie van handen, vingers en lichaamshouding.
Heel ons belichaamde ontwerp verraadt de geschiktheid om goed of slecht te doen. De belichaamde staat van de mens verraadt de noodzaak om zorg te dragen voor de ander of juist niet- je kunt ook uiterst kwaadaardig zijn.
Onze wereld is niet de hemel, niet de hel, maar ze is een ethisch-religieus instituut. Je kunt niet kwaad handelen, niet goed, maar je kunt kwaad en/of goed kunt handelen.
De wereld is een smeltkroes van stoffelijke wezens, die in hun belichaamde staat aan elkaar overgeleverd zijn -zodat menselijke waarden als barmhartigheid en zachtmoedigheid van levensbelang zijn. De wereld kan niet treffender omschreven worden dan als een 'ethisch' laboratorium.
In welke fysica en welke kosmologie je de mens ook hult, nooit zal de de ethisch-religieuze existentie van de mens, op het stoffelijke vlak van de werkelijkheid, anders zijn dan ze vandaag is en gisteren was. De condition humaine is ethisch-religieus.
De hel, schreef Sartre, dat zijn de anderen. God, zegt de Bijbel, is vleesgeworden in de mens.
--------
Coda: Méér dan slechts een handvol gelovigen heeft een afkeer van het naturalisme. Ze verdragen het slecht dat de wereld uit atomen en krachten bestaat, dat het lichaam een biochemische fabriek is, dat wij geëvolueerd zijn en dat onze persoonlijkheid en onze handelingen een product van het brein zijn. De religieuze waarde van het naturalisme wordt daarmee teniet gedaan. Juist het inzicht dat wij natuurlijke 'dieren' zijn die door de natuur zijn gefabriceerd maakt ons bestaan 'waarden-vol'. Al onze waarden zijn producten van de natuur. De mens is een 'vleselijk' wezen dat moet samenleven met andere 'vleselijke' wezens: daar is geen ontkomen aan. Jouw handelingen bepalen het welzijn van de ander. Juist deze natuurlijke 'gesteldheid' maakt ons leven 'ethisch'.
Voorts doet het feit dat het brein een natuurlijke 'machine' is juist afbreuk aan de sciëntistische overtuiging dat de mens 'alles' kan doorgronden en dat hij een volledige beschrijving van de werkelijkheid zal kunnen geven waarin geen plaats is voor een 'transcendente ruimte'. Het is juist zo dat het naturalisme, waarin aan de mens een beperkte denkwijze wordt toegeschreven, ruimte is voor het bestaan van transcendentie: een wezen of kracht of een onbepaaldheid die het begrip van de mens overtreft.
Het naturalisme maakt het juist mogelijk om een samenhangend, overkoepelend beeld van de werkelijkheid te schetsen, met 'bovenin' een transcendente waarde en 'onderin' de verwerkelijking van de ethisch-religieuze dimensie (ik geloof dat deze term van Ninian Smart is), die het zwaartepunt is van ons bestaan en de zin van ons bestaan definieert.
Hoe zit het dan met onze ziel en met het voortbestaan na de dood. om maar een tweetal wezenlijke vragen te noemen? Als we nu kunnen bestaan, in het vlees, als stoffelijk 'ding' op aarde, dan moet het voor God -die immers door niets en niemand beperkt wordt- mogelijk zijn om die vragen metterdaad te beantwoorden.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten