vrijdag 4 september 2026

Het alogon (3.0) [explicatie toegevoegd]

Alogon is een enigszins in onbruik geraakt woord (ouderwets) voor 'het ongerijmde'. 

Het alogon is de verzameling (oneindig groot) van zaken waar het verstand niet bij kan, waar het verstand geen greep op krijgt.

Het is een interessant begrip, omdat het een minder negatieve connotatie heeft dan 'het absurde'. Het alogon is eenvoudigweg de verzameling van alle zaken die buiten het bereik van ons verstand vallen.

Je kunt handig gebruik maken van deze term als je het over zaken als het bewustzijn, brein, verstand, ratio, ziel of geest hebt. Immers, het brein zou een alogon kunnen zijn: het brein produceert rationele theorieën, maar haar 'zijnswijze' hoeft zelf helemaal niet rationeel en verklaarbaar te zijn.

Graag willen mensen dat in het brein een onstoffelijke geest huist. Het verraderlijk is dat de voorstelling van een onstoffelijke geest door het rationele brein zelf is opgesteld. De onstoffelijke geest heeft namelijk alle kenmerken van een normaal, begrijpelijk object: het heeft een bepaalde plaats in tijd en ruimte, het heeft een bepaalde functie en het werkt samen met de logisch geordende wereld (met het logisch geordende lichaam).

De geest heeft de constructie van een logisch object, met dit verschil dat het niet stoffelijk is. Het is een schoenendoos die niet bestaat uit 'spul': een soort denkbeeldige schoenendoos, een echt object dat echter niet tastbaar is. De geest is gewoon het brein, maar dan niet tastbaar: geen neuroloog kan dit 'onstoffelijke brein' scannen. 

Het idee van een onstoffelijke ziel, een onstoffelijke geest, is niets anders dan een beschrijving die voldoet aan de logische opmaak/inrichting van onze geordende, stoffelijke wereld, maar dan ontdaan van haar 'bestendigheid, tastbaarheid'.

Is het in gedachten wegnemen van alles wat tastbaar is voldoende om te spreken van een 'alogon': behoort de onstoffelijke geest tot het alogon? Vermoedelijk niet. De ziel behoort pas werkelijk tot het alogon (de verzameling onbegrijpelijke zaken) als je geen idee hebt hoe de ziel werkt of waar ze is. De ziel behoort tot het alogon als ze het volstrekt onbegrijpelijke is: je kunt de ziel misschien ervaren, maar niet mechanisch of functioneel ontleden.

Vandaar dat het geen probleem is om de mens te beschrijven als een brein: als we redenen hebben om te geloven dat er meer is dan wij kunnen weten -en dat weten we [2]- dan betekent dit dat we niet kunnen achterhalen en onderzoeken wat de aard is van dit 'alogon'. De werkelijkheid is in dat geval eindeloos wonderlijk. Niets is uitgesloten. Het stoffelijke brein, het wonderbaarlijke brein, waar wij mee denken en dat ons aardse bestaan constitueert, is een eiland in een wonderlijk, mysterieus water (een eindeloos grote oceaan: want we beschikken immers niet over het cognitieve gereedschap om er de grenzen van te bepalen). 

Alleen door het brein minutieus te bestuderen en zo goed en zo kwaad als het gaat in kaart te brengen, krijg je een scherper oog voor de indrukwekkende en schier onbevattelijke compositie van de werkelijkheid.

Het kenmerk van het alogon is immers dat het niet te ordenen, niet te categoriseren is- dat het onbepaald is, een toestand waarin het ene ongelijk is aan zichzelf en waarin het andere niet te onderscheiden is van het derde: alles is mogelijk, niets kan er werkelijk worden ontward door ons verstand. In het alogon zijn onze categorieën onbruikbaar en vervallen onze oordeelsvormen. Slordig gezegd: het alogon is dat waar het verstand werkelijk niets mee kan aanvangen.

Je komt het alogon juist op het spoor door de wereld wetenschappelijk te onderzoeken.

Zo kunnen wij achterhalen of wij goede redenen hebben om te geloven dat het alogon -het onbegrijpelijke domein- inderdaad bestaat. Het antwoord is 'ja' (onomwonden, zonder voorbehoud).

Voor ons betekent de erkenning van het alogon dat het hek van de dam is: dan zie je in dat je het onbegrijpelijke niet kunt beperken, niet kunt uitsluiten. De enige rationele houding die een mens, gegeven zijn logische denkwijze, kan aannemen is: ik weet zeker -ik kan bewijzen- dat er meer is dan ik kan weten: dus wéét ik dat ik niets kan uitsluiten.  

Zal ik de dood overleven, zelfs als mijn brein vergaat? Wel, als het alogon bestaat, dan ben je wel en niet je brein. Immers, je kunt deze onbegrijpelijke zienswijze niet uitsluiten: dus is ze -afgaande op onze rationele denkwijze- waar. Uit de 'logica' van het alogon volgt dat het onmogelijk is om je dood niet te overleven. 

Maar hoe werkt dat dan? Op die vraag is geen antwoord. Alle verklaringen waarbij je een beroep doet op 'onstoffelijke radiosignalen', op 'onstoffelijke lichamen', op 'parapsychologische' zaken en denkbeelden, zijn juist te 'redelijk': we kunnen ze zodoende 'falsifiëren'; ons verstand heeft er nog greep op. De poging om onze denkbeelden, die betrekking hebben op het alogon, tóch begrijpelijk te maken en onder te brengen in een stelsel, maakt ze vatbaar voor weerlegging. 

Wel, zo leren we iets over de 'toverkracht' van woorden: als je de tem 'het absurde' vervangt door de term 'het alogon', plaatst dat onze zienswijze in ander licht.
-------
[1] Wie thuis is in de godsdienstwijsbegeerte begrijpt/ziet dat dit de uitwerking is van John Hick's programma: God is een onbegrijpelijk 'wezen' waar we vrijwel niets over kunnen zeggen; we kunnen God, als alogon, wel beschrijven ('een masker opzetten'): we kunnen God zien als een 'persoon' of als een 'kracht'. Bestaat God? Uiteraard, als het alogon bestaat kun je het bestaan van God niet uitsluiten. [Zie: Hick, John, An Interpretation of Religion; ook: Hick, John, Who or what is God). Merk ten slotte op: aangezien het alogon bestaat, bestaat God- en kun je hem een 'masker' opzetten (want God 'benoemen' hoeft niet persé afbreuk te doen aan zijn onbegrijpelijke staat) [=dit is een studie op zich: hoe te spreken over God].

[2] Wie nog steeds niet gelooft dat logisch denken een rationele, evolutionaire beperking is, kan het werk van Penelope Maddy raadplegen. 

[3] Explicatie: aan de bovenstaande bijdrage moet een uitleg worden toegevoegd, want anders is het wellicht een al te exotische vertelling. Terwijl ik meen dat het hier louter en alleen om een strenge, logische ontleding van de zaak gaat. (1) Onze logische denkwijze is de basis van ons wereldbeeld: wij bezien alle zaken 'exclusief' of 'consistent'. Consistentie verwijst naar een algemene formele structuur, als volgt te definiëren: een ding kan niet op twee plaatsen tegelijk zijn, twee dingen kunnen niet op één plaats tegelijk zijn en dingen verplaatsen zich langs één niet onderbroken traject. Deze formele structuur kun je ook toepassen op onze denkbeelden, theorieën en modellen: een denkbeeld is uitsluitend waar als de subject-predikaat structuur exclusief (consistent) is en als de structuur van de samengevoegde zinnen consistent is. (2) Volgens een van onze consistente theorieën (evolutie) hebben wij een exclusieve denkwijze omdat wij ons lichaam willen kunnen verplaatsen (dat was biologisch zeer voordelig). Het is echter duidelijk dat de werkelijkheid niet uitsluitend exclusief van aard is. Om maar wat te noemen: wind, regen, vloeistoffen, gassen, producten in superpositie, zaken die leiden tot sorites-paradoxen, zijn niet exclusief. Wie hier op een exclusieve denkwijze over nadenkt, komt tot de conclusie dat de exclusieve denkwijze niet universeel is. (3) Als de exclusieve denkwijze niet universeel is, dan betekent dit dat alles mogelijk is (dat is een eenvoudige 'optelsom'). Maar als alles mogelijk is, dan kun je de volgende twee beweringen rechtvaardigen: i. 'Als alles waar is, dan betekent dit in ieder geval niet, in exclusieve zin, dat God niet bestaat.' ii. 'Als alles waar is, dan betekent dit in ieder geval niet, in exclusieve zin, dat God wél bestaat.' En wat betekent dit? Wel, dat God bestaat, maar dat we ons in exclusieve zin, geen voorstelling/beschrijving van hem of van zijn bestaanswijze kunnen maken. -Het zij zo: waarom zouden we überhaupt in een God willen geloven die we kunnen betrappen op logische fouten, rekenfouten en op ontwerpfouten? Wie heeft er moeite mee om te geloven dat God, in exclusieve zin, een mysterie is?

45 opmerkingen:

Bert Morriën zei

Jan-Auke,

[Het brein produceert rationele theorieën, maar haar 'zijnswijze' hoeft zelf helemaal niet rationeel en verklaarbaar te zijn.]
:
[De enige rationele houding die een mens, gegeven zijn logische denkwijze, kan aannemen is: ik weet zeker -ik kan bewijzen- dat er meer is dan ik kan weten: dus wéét ik dat ik niets kan uitsluiten. ]

Het idee dat je iets zeker weet is al twijfelachtig als dat niet berust op eigen zintuiglijke waarneming maar op een woordenspel.
Als wat je beweert bij een ander niet bevestigd wordt door de persoonlijke waarneming van die ander dan kan die je bewering om die reden categorish verwerpen.

Voetstoots geloven of twijfelen aan wat je beweert mag ook maar dan ben je bij kritische mensen aan het verkeerde adres. En dat is maar goed ook als je enig historisch besef hebt.
Mensen geloof aan God aanpraten is nog tot daar aan toe maar het blijkt dat je veel mensen van alles kunt wijsmaken.

Jac Vaes zei

Jan-Auke,
Is het mogelijk dat je iets over het hoofd ziet? Als het analogon bestaat dan zijn er dingen waar wij met ons verstand geen grip op kunnen krijgen. Van die dingen moeten wij de waarheidswaarde onbepaald laten. Je zegt terecht dat wij ze dan niet kunnen uitsluiten. Maar als je meent dat ze dan waar zijn dan zie je volgens mij iets over het hoofd, namelijk dat wij ze--aangezien wij de waarheidswaarde niet kennen--niet kunnen uitsluiten van waarheid, noch van onwaarheid. Het is dus misleidend om te zeggen dat iets wat niet kan worden uitgesloten waar is. Dat iets wat niet kan worden uitgesloten waar is geldt alleen als het niet kan worden uitgesloten van waarheid maar wel van onwaarheid. Uit de logica van het analogon volgt dus niet --zoals jij denkt--dat het onmogelijk is om de dood niet te overleven, maar dat wij niet weten dat het onmogelijk is om de dood niet te overleven.
vr. gr.,
Jac

JanD zei

Beste Jan-Auke,

Je uitgangspunt begrijp ik zo: onze logisch gevormde denkwijze is evolutionair begrensd en kan daarom niet de gehele werkelijkheid omvatten. Daaruit volgt dat er mogelijk aspecten van de werkelijkheid zijn waarover wij geen oordeel kunnen vormen.

Vervolgens maak je echter enkele stappen die daar niet vanzelf uit volgen. Uit “wij kunnen niet alles kennen” volgt “wij kunnen bepaalde mogelijkheden niet uitsluiten”. Maar uit “niet kunnen uitsluiten” volgt slechts dat iets mogelijk of onbeslist blijft, niet dat het waar is. En als het alogon werkelijk buiten onze logische categorieën valt, kunnen wij er evenmin binnen diezelfde logica de eigenschappen “alles is mogelijk” en “alles is waar” aan toekennen.

De redenering begint daardoor met epistemische bescheidenheid — wij kunnen niet alles weten — maar mondt zonder aangetoonde tussenstap uit in ontologische zekerheid: God bestaat.

Groet, JanD

Jan-Auke Riemersma zei

Beste Jack, beste JanD, ik ben inmiddels zoo ontzettend moe om dit keer op keer te moeten uitleggen- jullie zijn echt geen goede lezers.

Maar vooruit, je kunt dit principe op verschillende manieren verdedigen. Ik kies vandaag voor de gemakkelijkste weg: uit een contradictie volgt dat alles (elke beweerzin) waar is [dit principe kun je al nalezen in Aristoteles Metafysica boek gamma]. Kies nu de beweerzin die je waar wilt maken, bijvoorbeeld: Bertrand Russell was een goudvis (Gb). Wel, op deze manier kun je dan ook bewijzen dat God bestaat. Je kunt geen enkele beweerzin uitsluiten. Alle ontologische en praktische problemen die hier bij rijzen laat ik rusten: ook die zijn al uit en te na beschreven.

JanD zei

Beste Jan-Auke,

Waar maak je precies de stap van “onkenbaar” naar “zowel waar als onwaar”? Volgens mij volgt het tweede niet uit het eerste.

Groet, JanD

JanD zei

Beste Jan-Auke,

Jaren geleden heb ik de contradictoire identiteit van Nishida al eens ter sprake gebracht. Ik vertelde toen te veel tegelijk en formuleerde het grammaticaal niet duidelijk genoeg, waardoor mijn eigenlijke gedachte waarschijnlijk impliciet bleef.

Volgens mij gebruiken wij de contradictie verschillend. Jij hanteert het explosiebeginsel: uit een contradictie volgt dat alles waar is. Ik zie ook een constituerende kant: iets wordt pas iets doordat het zich onderscheidt van wat het niet is. De tegenstelling heft de betekenis dan niet op, maar brengt juist bepaaldheid voort.

Vriendelijke groeten van JanD

Jac Vaes zei

Jan-Auke,
Je zegt: “uit een contradictie volgt dat alles (elke beweerzin) waar is [dit principe kun je al nalezen in Aristoteles, Metafysica boek Gamma]. Kies nu de beweerzin die je waar wilt maken, bijvoorbeeld: Bertrand Russell was een goudvis (Gb). Wel, op deze manier kun je dan ook bewijzen dat God bestaat.”
Een paar vragen. Wil je beweren dat het alogon contradicties bevat? Dat lijkt mij ongegrond: onkenbaarheid levert niet noodzakelijk een contradictie op. Epistemische onbepaaldheid is iets anders dan een contradictie.
Maar laten we aannemen dat het alogon wél contradicties bevat en dat daaruit iedere beweerzin volgt. Dan is niet in te zien hoe daarmee het bestaan van God wordt bewezen, want dan volgt ook de bewering “God bestaat niet”. Als beide beweringen waar zijn, is er geen sprake van een godsbewijs, maar van een contradictie die niets onderscheidends bewijst.
Verder is je beroep op Aristoteles merkwaardig. Aristoteles neemt het beginsel van niet-tegenspraak juist als fundamenteel uitgangspunt en gebruikt de gevolgen van het opgeven ervan (het quodlibet sequitur) juist als argument tégen die positie.
En als binnen het alogon geen logische regels gelden, waarom zou je dan zonder meer de regel mogen toepassen dat uit een contradictie alles volgt? Welke zekerheid kun je bovendien aan die regel ontlenen als je niet weet of de klassieke logica universeel geldig is?
Wat je schrijft roept voor mij dus eerder vragen op dan dat het zekerheid biedt. Het bewijs dat God bestaat heb je volgens mij niet geleverd. De vraag naar het bestaan van God lijkt mij juist een typisch alogon-item,
vr. gr.,
Jac

Jan-Auke Riemersma zei

Jac, jij lijkt te denken: als ik maar een hoop bezwaren herhaal, die ik al duizend maal voorheen heb geopperd, en als ik me maar doof houdt voor elk antwoord, dan krijg ik uiteindelijk wel gelijk. Ook een methode, onmiskenbaar. Ik hoop evenwel dat je er begrip voor hebt dat ik het nut van duizend herhalingen niet inzie.

Jan-Auke Riemersma zei

JanD, elk (traditioneel) filosofisch onderscheid dat jouw LLM je aanreikt, geldt uiteraard niet meer in een wereld zonder logische patronen. Het onderscheid tussen kenleer en zijnsleer bijvoorbeeld, vervalt als de twee klassieke wetten geen dienst doen. Ook het verschil tussen waar en onwaar, of echt en onecht (exclusieve concepten) vervalt. De constituerende kant werkt pas als je de logische wetten luid en duidelijk kunt toepassen.

We beschikken over denkbeelden (die produceren we gemakkelijk). Als we vervolgens willen weten of deze denkbeelden 'echt' zijn (of nuttig of 'whatever'/bruikbaar) dan kunnen we dankzij onze logische wetten kijken of deze wel of niet in een patroon passen. Heb je echter niet eens een logisch 'grondpatroon' om te kijken wat wel of niet past, dan moet je het denkbeeld maar onderbrengen in de onlogische afdeling van de werkelijkheid (dat is: in een onmogelijke-mogelijke wereld/of hoe je deze deviante afdeling(en) van de werkelijkheid ook wilt noemen). God is een van de denkbeelden die zodoende zeker bestaat. Aangezien de logische denkwijze een duidelijke beperking is -een instrumentele, biologische beperking- is Gods alogische existentie rijker dan ons logische wereldbeeld kan weergeven.

Laat dit alsjeblieft even het laatste zijn wat we hier over zeggen. Ik ben het moe om duizend maal hetzelfde inzicht te moeten uitleggen. Het is feitelijk zo eenvoudig! Alle moeilijkheden die dit oproept komen voort uit het feit dat ons verstand niet geschikt is om een deviante denkwijze te begrijpen.

Jan-Auke Riemersma zei

...misschien kan ik het nog kinderlijker zeggen: ik heb twee bakken, een bak met mogelijke objecten en een bak met onmogelijke objecten. Waarin moet dan het denkbeeld God? Uiteraard in de bak met onmogelijke objecten, want hij past niet in de causaal-logische beschrijving van de werkelijkheid. Je kunt je zo van het denkbeeld God 'ontdoen'.

Nu maak ik van de twee bakken één bak, de bak met onmogelijke-mogelijke objecten. In welke bak komt nu het concept van God? Het antwoord is geen hersenkraker. Je hebt nu eenvoudigweg de optie niet om je van het concept 'God' te ontdoen.

Jac Vaes zei

Jan -Auke,
Jij gaat weer niet inhoudelijk in op mijn bezwaren tegen jouw stelling. Ook aan de vraag van Jan D: "" Waar maak je precies de stap van “onkenbaar” naar “zowel waar als onwaar?" ga je voorbij.
Ik nodig je uit om daar toch eens op in te gaan, want dit is in dit verband cruciaal.
En ga ook eens in op de redenering: 1. Het alogon bestaat.
2. Het alogon bevat contradicties.
3. Contradicties maken alles waar.
4. Conclusie: God bestaat niet.
vr. gr.,
Jac

Jan-Auke Riemersma zei

Jac, ik zou het graag eens willen omdraaien: laat maar eens zien dat ik deze bezwaren niet beantwoord heb :) Die redenering die je hier noteert kun je onder andere nalezen in mijn proefschrift (en hier op dit blog, als het je niet te veel moeite is). De vraag van JanD wordt beantwoord in de berichten die ik vanmorgen schreef.

Dan een dringend verzoek: reageer svp alleen als je iets substantieels te melden hebt en echt een nieuw steekhoudend bezwaar hebt bedacht.

Jan-Auke Riemersma zei

Bert, sorry je reactie schoot er -kennelijk- bij in.

Je schrijft: [Het idee dat je iets zeker weet is al twijfelachtig als dat niet berust op eigen zintuiglijke waarneming maar op een woordenspel.
Als wat je beweert bij een ander niet bevestigd wordt door de persoonlijke waarneming van die ander dan kan die je bewering om die reden categorish verwerpen.]

We hebben het hier al vaak over gehad: waarneming berust op je conceptuele systeem. Waarneming is daarmee in zekere zin niets minder/meer dan een woordspel. Waarneming kan niet de reden zijn om een theorie/inzicht te aanvaarden of verwerpen.

Eigenlijk vind ik dat je dit nu wel moet begrijpen: theorie geladenheid van de waarneming. Je bent dol op LLM's: heb maar eens een onderhoud met een van je machines over het belang van de waarneming (maak ook onderscheid tussen waarneming en experiment: voer wel goede prompts in!)

JanD zei

Beste Jan-Auke,

In je bakkenvoorbeeld verschuift de conclusie. Eerst concludeerde je dat God bestaat; nu dat wij ons niet van het denkbeeld God kunnen ontdoen. Dat laatste wil ik als abstractie wel aannemen, maar uit het bestaan van een denkbeeld volgt niet dat hetgeen waarnaar het verwijst ook werkelijk bestaat.

Vriendelijke groeten van JanD

Jac Vaes zei

Jan- Auke,
Als je niet op mijn redenering wilt ingaan zal ik het wel even voor je doen.
De redenering die ik noteerde is volgens de klassieke logica waar als de premissen waar zijn. Maar dat zij feitelijk waar is kunnen wij pas weten als wij weten dat de klassieke logica universeel geldt.
Hetzelfde geldt als de conclusie zou zijn : "God bestaat".
En doe mij een lol: reageer hier s.v.p. alleen op als je er een steekhoudend bezwaar tegen kunt indienen.
vr. gr.,
Jac

Bert Morriën zei

Je verzuimd te vermelden dat een theorie een model beschrijft wat uitzonderlijk nauwkeurig empirisch bevestigd is. Die nauwkeurigheid mis ik on jouw betogen. Je wil dat wij voetstoots aannemen dat wat je zegt buitengewoon waarschijnlijk is. Bij mij ben je aan het verkeerde adres maar ik heb veel van jouw professionele creativiteit geleerd.

Jan-Auke Riemersma zei

JanD, ik kan me niet vinden in je bezwaar. Helaas. We laten het er bij.

Jan-Auke Riemersma zei

Jac, je redenering is wel juist: maar het is geen bezwaar :)

Jan-Auke Riemersma zei

Bert, je schrijft: [Die nauwkeurigheid mis ik on jouw betogen.] De vraag wat een betoog overtuigend maakt is inderdaad niet uniform te beantwoorden. Dat probleem zullen we op dit blog daarom maar niet op onze schouders nemen. Ik ben er niet op uit om mensen te overtuigen.

Jan-Auke Riemersma zei

Goede mensen, ik wil jullie niet overtuigen. Laat mij maar lekker scribbelen op deze zuil en houd vast aan je eigen standpunten. Als je reageert, doe dat dan alsjeblieft op een manier die voor mij ook interessant is: werp mij niet de zoveelste afgeschoren baard toe :). We laten de discussie nu rusten: is dat geen goed idee?

RV zei

Geachte JanD

Je schrijft:

"Ik zie ook een constituerende kant: iets wordt pas iets doordat het zich onderscheidt van wat het niet is. De tegenstelling heft de betekenis dan niet op, maar brengt juist bepaaldheid voort."

Wij als mentale personen hebben elk zo onze eigen versie van het Algemeen Menselijk OnderscheidingsVermogen. Onze semantische netwerken bestaan uit allerlei concepten die zich van elkaar op bepaalde (!) wijze onderscheiden.

Neem het concept "struik". Het onderscheidt zich van "boom" en plant". En ook van "dier" en "mineraal".

Ons concept "contradictie" onderscheidt zich nogal diametraal van het concept "tautologie".

Ik begrijp niet wat Nishida ermee heeft te maken.

Ik vermoed dat de heer Riemersma zich niet verzet tegen de theorie van de semantische netwerken. De hedendaagse filosofie is immers semantiek voor en semantiek na.

Ik denk ook niet dat de heer Riemersma een trivialist is, iemand die elke contradictie voor waar houdt. Want in het trivialisme is, plat gezegd, elk einde, begin en midden volkomen zoek.

JanD zei

Geachte RV,

U begint bij ons als mentale personen met semantische netwerken. Mijn verwijzing naar Nishida gaat juist één stap daaraan vooraf: naar de zuivere ervaring vóór de scheiding tussen subject en object en vóór de rationele ordening in begrippen.

Ik bedoelde dus niet alleen dat bestaande concepten van elkaar verschillen, maar dat iets zijn bepaaldheid krijgt in verhouding tot wat het niet is. Daarin ligt voor mij de constituerende betekenis van de tegenstelling.

Overigens noem ik Jan-Auke geen trivialist. Mijn punt is alleen dat toepassing van het explosiebeginsel binnen het alogon zowel “God bestaat” als “God bestaat niet” oplevert.

Vriendelijke groeten van JanD

Jan-Auke Riemersma zei

Bert, ik heb je bericht gelezen: dank je wel! (Ik houd het bericht privé: je adresseert mij).

Jan-Auke Riemersma zei

JanD, je schrijft: [Mijn punt is alleen dat toepassing van het explosiebeginsel binnen het alogon zowel “God bestaat” als “God bestaat niet” oplevert.]

Voor iemand die zegt dat hij geen 'zelf' heeft heb je toch een tamelijk polemische instelling ;)

Jac ligt op ramkoers en wil eenvoudigweg niks begrijpen, maar van jou mag ik toch wel verwachten dat je begrijpt wat ik schrijf. Maar ik geloof dat dat vergeefs gehoopt is. Nou ja, het is allemaal ook erg moeilijk.

Affijn, hier heb je het standaardantwoord: beide opties volgen, dus God is een aletheia of glut (zoals ze tegenwoordig zeggen). Dat betekent dat je zijn bestaan niet kunt uitsluiten. (Je hoeft zijn bestaan natuurlijk niet te bewijzen, want je beschikt al over het concept/denkbeeld van God.)

Je kunt het bestaan van God alleen uitsluiten als de werkelijkheid klassiek geordend is en het concept van God een strijdigheid bevat. Met die mogelijkheid hoeven we geen rekening te houden: inmiddels zal iedereen toch wel begrijpen dat de werkelijkheid niet klassiek geordend is.

Jan-Auke Riemersma zei

JanD, je schrijft: [Mijn punt is alleen dat toepassing van het explosiebeginsel binnen het alogon zowel “God bestaat” als “God bestaat niet” oplevert.]

Dit is het standaardantwoord: beide opties volgen, dus God is een aletheia of glut (zoals ze tegenwoordig zeggen). Dat betekent dat je zijn bestaan niet kunt uitsluiten. (Je hoeft zijn bestaan natuurlijk niet te bewijzen, want je beschikt al over het concept/denkbeeld van God.)

Je kunt het bestaan van God alleen uitsluiten als de werkelijkheid klassiek geordend is en het concept van God een strijdigheid bevat. Met die mogelijkheid hoeven we geen rekening te houden: inmiddels zal iedereen toch wel begrijpen dat de werkelijkheid niet klassiek geordend is.

Bovenstaande is ook volledig in de geest van Nishida's (of eerder: Nagarjuna's) logische opvattingen.

JanD zei

Beste Jan-Auke,

Met termen als *dialetheia* en *glut* zijn we diep in een gespecialiseerd logisch taalspel terechtgekomen. Ik laat het nu liever bij Wittgenstein: waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen.

Het goddelijke Zelf is voor mij geen object of denkbeeld dat in een logische notatie of in een van jouw bakken kan worden geplaatst. Wittgenstein schrijft dat het subject niet tot de wereld behoort, maar een grens van de wereld is. Hij vergelijkt dit met het oog dat zichzelf niet in zijn eigen gezichtsveld aantreft.

Meister Eckhart zegt het nog mystieker: “Het oog waarmee ik God zie, is hetzelfde oog waarmee God mij ziet.” Beide beelden versterken elkaar voor mij. De mens staat niet als enig bezield subject tegenover een verzameling zielloze objecten; het zien in ons behoort zelf tot het levende geheel.

Vriendelijke groeten van JanD

Jan-Auke Riemersma zei

JanD, merkwaardig: als je Nishida (Nagaryuna) begrepen hebt -je haalt Nishida zelf regelmatig aan- dan moet je toch inzien dat alles in een logische bak kan worden geplaatst. Ik mag toch aannemen dat je de zaken die je zelf noemt en aanhaalt begrijpt?
Ook mystiek heeft een logische vorm. Dat je er niet (helder) over kunt spreken wil niet zeggen dat het geen logische structuur heeft.

Jan-Auke Riemersma zei

RV, misschien is het verstandiger als je rechtstreeks van gedachten wisselt met JanD; ik wil wel als intermediair dienst doen. Jac: het spijt me: ik plaats je aanhoudende stroom bezwaren niet: we spreken af dat we het niet eens worden en daar laten we het bij. Al dat gekissebis is uitermate vermoeiend en zinloos.

RV zei

Het mooie van dit forum zou kunnen zijn dat reageerder A reageert op reageerder B en dat beiden dan streven naar een debat dat netjes wordt gevoerd, eventueel onder milde leiding van de baas van dit forum.

Maar dit forum is niet van mij. De baas van dit forum is de baas. Ik begrijp niet altijd zijn bedoelingen. Maar ik ben dan ook geen universeel genie. Nooit geweest. En nul kans dat ik het ooit word.

Ik leg me gewoon neer bij de beslissingen van de beheerder.

Wel betreur ik het dat de gasten niet onderling een net debat kunnen voeren.

:)

Jan-Auke Riemersma zei

RV, een net debat zou welkom zijn. Maar ik heb zo het vermoeden dat de mensen die reageren niet altijd uit zijn op een net debat. Helaas. Een net debat veronderstelt (a) dat je weet waar je over spreekt, (b) dat je goed leest en probeert te begrijpen wat de ander zegt, (c) dat je de ander niet uit zijn tent probeert te lokken (omdat een persoon bijvoorbeeld -ik noem maar wat- esoterisch gedachtegoed aanhangt). Mijn ervaring is, RV, dat wij -ik reken me zelf ook tot de slechte debaters- ons slecht aan deze voorwaarden voor een net debat houden. Hermans schreef ergens dat je het gedrag van alle mensen kunt verklaren met slechts twee motieven: moedwil en misverstand.

JanD zei

Beste Jan-Auke,

Over het alogon laat ik het hierbij. Maar je opmerking over mijn begrip van Nishida blijft bij mij haken.

Nishida geeft zelf het voorbeeld van het oordeel: “Het paard rent.” Dit ontstaat volgens hem door ontleding van de oorspronkelijke, ongedeelde voorstelling van “het rennende paard”. Eerst is er dus de zuivere ervaring; pas daarna brengt het verstand daarin de begrippen “paard” en “rennen” aan.

De bakken uit jouw voorbeeld zijn voor mij begrippendozen. Daarin zitten woorden, denkbeelden en verwijzingen, maar niet noodzakelijk de werkelijkheid waarnaar ze verwijzen. De geur van een roos verandert niet door de woorden die wij ervoor gebruiken. Of zoals Ulrich Libbrecht zei: de wegwijzer is de weg niet. De Tao die benoemd kan worden, is niet de bestendige Tao.

Zo lees ik Nishida: de zuivere ervaring gaat vooraf aan de scheiding tussen ik en wereld en aan het oordeel waar of onwaar. Pas achteraf maken wij er met begrippen en logische onderscheidingen een benoemde waarneming van.

Bedoel jij dat deze oorspronkelijke ervaring zelf al een logische vorm heeft, of alleen dat wij haar achteraf in een logische beschrijving kunnen onderbrengen?

Vriendelijke groeten van JanD

Jan-Auke Riemersma zei

JanD, kun je mij een verwijzing sturen naar de passage van Nishida (primaire of secundaire literatuur maakt me niet uit) waar je je op baseert? Ik wil het graag even zelf nalezen. Ik begrijp namelijk de stap niet die je maakt:

[Nishida geeft zelf het voorbeeld van het oordeel: “Het paard rent.” Dit ontstaat volgens hem door ontleding van de oorspronkelijke, ongedeelde voorstelling van “het rennende paard”. Eerst is er dus de zuivere ervaring; pas daarna brengt het verstand daarin de begrippen “paard” en “rennen” aan.]

Het 'rennende paard' is immers, strikt genomen, een 'zin' (predikaat plus subject: paard = subject, Rent = predikaat (Rp)). Het ontgaat me nu waarom je deze logische vorm een 'zuivere ervaring' noemt.

Jan-Auke Riemersma zei

JanD, kun je mij een verwijzing sturen naar de passage van Nishida (primaire of secundaire literatuur maakt me niet uit) waar je je op baseert? Ik wil het graag even zelf nalezen. Ik begrijp namelijk de stap niet die je maakt:

[Nishida geeft zelf het voorbeeld van het oordeel: “Het paard rent.” Dit ontstaat volgens hem door ontleding van de oorspronkelijke, ongedeelde voorstelling van “het rennende paard”. Eerst is er dus de zuivere ervaring; pas daarna brengt het verstand daarin de begrippen “paard” en “rennen” aan.]

Het 'rennende paard' is immers, strikt genomen, een 'logische zin' (predikaat plus subject: paard = subject, Rent = predikaat (Rp)). Het ontgaat me nu waarom je deze logische vorm een 'zuivere ervaring' noemt. Het is een 'ervaring', maar zeker geen 'lege' ervaring (in cognitieve zin). Als ik je bron/tekst kan inzien kan ik me op de hoogte stellen van Nishida's precieze terminologie.

Jan-Auke Riemersma zei

Ilona, ik begrijp dat je het verwarrend vindt. Ik geef je daarom de dringende raad: trek je maar niets aan van wat ik hier schrijf en beweer (en dat geldt voor alle lezers). Het laatste wat ik wil is dat mensen van hun geloof vallen. Ik kan je wel uitleggen wat mijn beweegreden was: ik denk dat het afbreuk doet aan de grootheid van God als we denken dat hij gewoon logisch denkt zoals jij en ik. Als we bovendien weten dat de wereld niet door ons kan worden begrepen, terwijl we wel geloven dat de wereld op een of andere manier Gods werk is, dan is het helemaal vreemd om te denken dat hij logisch denkt: want dan kan hij zijn eigen schepping niet begrijpen! Dat is een inzicht dat voor ons, mensen, wel heel lastig te verteren is (voor mij wel althans). Tenslotte: waarom zou God denken zoals wij denken? De klassieke visie is toch ook dat Gods wegen ondoorgrondelijk zijn? En een bonus van deze visie is dat niemand het bestaan van God formeel kan ontkennen: daar is de logica, toch onze meest fundamentele denkwijze, niet toereikend voor.

JanD zei

Beste Jan-Auke,

De passage staat in Kitarō Nishida, An Inquiry into the Good, deel I, hoofdstuk 2, “Thinking”, p. 11 van de Engelse vertaling door Masao Abe en Christopher Ives.

Nishida schrijft daar dat het oordeel “het paard rent” ontstaat door analyse van één voorstelling: “het rennende paard”. Meteen daarna schrijft hij dat aan ieder oordeel een feit van zuivere ervaring ten grondslag ligt. Ook de Stanford Encyclopedia of Philosophy beschrijft dit als de ervaring van een rennend paard die voorafgaat aan het oordeel dat het paard rent.

Mijn formulering was kennelijk te kort. Ik noem de woorden “het rennende paard” niet de zuivere ervaring. Die woorden verwijzen naar de nog niet in onderwerp en gezegde ontlede ervaring. Grammaticaal is “het rennende paard”, zoals hier bedoeld, bovendien geen beweerzin, maar een woordgroep. Anders dan “het paard rent” beweert deze woordgroep op zichzelf nog niets en heeft zij geen waarheidswaarde.

Zuivere ervaring betekent bij Nishida ook niet een lege ervaring. Zij is een concrete en gedifferentieerde eenheid, maar nog vóór de scheiding tussen subject en object en vóór het oordeel.

Mijn vraag blijft daarom: leid jij uit de logische vorm van onze latere talige beschrijving af dat ook de ervaring waarnaar zij verwijst zelf al logisch gevormd is? Juist die stap zie ik niet.

Vriendelijke groeten van JanD

RV zei

Het rennend paard den jacht ontkomend ...

Als ik het enigszins begrijp, geachte JanD, gaat jouw en Nishida´s verhaal over het rennend paard over de basale, alledaagse gewaarwording dat daar en daar een paard rent. Maar corrigeer me als ik er naast zit.

Mij lijkt de term "basale gewaarwording" beter dan de term "ervaring". "Ervaring" lijkt mij net iets rijker te zijn dan "gewaarwording". Maar ja, wellicht ben ik een copulator van een bepaald soort insekten. :)

Wat gebeurt er in ons hoofd als we een rennend paard gewaarworden? Of een boom? Je zou kunnen zeggen dat die gewaarwording tamelijk holistisch is. We worden niet zozeer een atomistische verzameling van paardenledematen en paardentinten waar maar we worden een compleet paard in beweging waar. Om me metaforisch uit te drukken: onze gewaarwordingen zijn moleculair.

Wat gebeurt er verder met onze gewaarwording van een rennend paard? Zonder dat we ons ervan bewust zijn, passen we die gewaarwording in een pragmatisch wereldbeeld. We weten, zij het nogal onbewust, dat paarden bestaan en kunnen rennen.

Als we de gewaarwording zouden hebben van een vliegend zesbenig paard, zouden we sterk twijfelen aan die gewaarwording.

Maar er gebeurt nog meer in ons hoofd. Zonder het echt te beseffen projecteren we onze gewaarwording van het rennend paard terug in de buitenwereld. We hechten aan die gewaarwording het kenmerk, het labeltje, van "een heel echt werkelijk paard". En zulke projecties, zulke labeltjes, lijken me in de alledaagse menselijke praktijk meer dan prima.

Natuurlijk zijn er ook hier weer allerlei haken en ogen. Maar kun je je een beetje vinden in mijn globale gewaarwordingstheorie? En komt die theorie globaal overeen met die van Nishida?

Met beleefde groet :)

Jan-Auke Riemersma zei

Prima Jan! Interessant! Ik heb de twee passages gevonden en heb er inmiddels één gelezen. In eerste instantie, afgaande op Stanford, doet het me denken aan het werk -fenomenologie- van Husserl: het bewustzijn ervaart de werkelijkheid onmiddellijk (de fenomenologie wordt ook genoemd in het artikel; Nishida was bovendien goed op de hoogte van het werk van Husserl). Ik zal proberen om vrijdag of zaterdag antwoord te geven op je vraag (want het is lastige kost). Als we het inderdaad moeten zoeken in de hoek van fenomenologie, dan zal Nishida vermoedelijk niet bedoeld hebben dat de ervaring zich onttrekt aan de vier logische categorieën van Nagarjuna. Maar kijk, daar ga ik alweer: voordat je het weet ben je de tekst van een denker aan het interpreteren- ik zal proberen te begrijpen wat hij werkelijk zegt.

JanD zei

RV,

Je vraagt of Nishida’s voorbeeld van het rennende paard gaat over de basale, alledaagse gewaarwording dat daar een paard rent. Ja en nee. Ja, omdat hij een heel alledaagse ervaring als voorbeeld gebruikt. Nee, omdat hij niet begint met een menselijk hoofd dat een object in de buitenwereld waarneemt.

Met “het rennende paard” bedoel ik hier niet de woordgroep zelf. Daarin zijn “paard” en “rennen” natuurlijk al begrippen. De woorden verwijzen naar het onmiddellijke ervaringsgebeuren dat volgens Nishida voorafgaat aan het oordeel: “Het paard rent.” Het verstand heeft dit gebeuren dan nog niet ontleed in het subject “paard” en het predicaat “rent”.

Daarom heb ik moeite met jouw “terugprojecteren naar de buitenwereld”. Dat veronderstelt al een binnenwereld van waaruit iets wordt geprojecteerd en een buitenwereld waarop het wordt geprojecteerd. In de zuivere ervaring is die tweedeling nog niet aangebracht: er is nog geen afzonderlijk “ik hier” tegenover een “paard daar”.

Ongedeeld betekent overigens niet vormloos of zonder verschillen. Er kunnen beweging, kleur en samenhang zijn, zonder dat deze al reflectief zijn benoemd of in een oordeel als waar of onwaar worden beoordeeld.

Nishida is hier beïnvloed door William James en Mach, maar radicaliseert hun uitgangspunt. Niet het individu bestaat eerst om vervolgens iets te ervaren; het individu en zijn wereld onderscheiden zich binnen de ervaring. Dat doet mij denken aan Spinoza’s natuur, maar ik bedoel dat als vergelijking en niet als gelijkstelling.

Groet van JanD

Jan-Auke Riemersma zei

Jan, de eerste vraag die van belang is: waarom hecht Nishida zoveel waarde aan de directe ervaring. Het antwoord is, volgens het lemma over Nishida in het handboek over de Japanse filosofie, dat de directe ervaring 'the true view of reality' is. ("We must personally realize the true view of reality, rather than reflect on it, analyze it, and express it in words." In: Nishida, An enquiry into the good.)

"Nishida's critique of positing an opposition of subject and object is thus a critique of the idea that grasping the truth is equivalent to measuring it with public yardsticks abd speaking about it in public language" (Masakatsu, in Oxf. Handb., lemma: development of Nishida's philosophy of pure experience).

Tweede vraag is: wat is dan precies pure experience. Wat houdt dat dan in, een waarneming/ervaring van de werkelijkheid die niet vertekend is door 'de yardsticks' van de taal. De gedachte van Nishida, volgens Masakutso, is dat de ervaring die voorafgaat aan de beschrijving van de ervaring veel rijker en 'echter' is dan je kunt weergeven in theorie/taal. Ik denk dat niemand dat zal kunnen ontkennen en bovendien was dit inzicht inderdaad nieuw (aan het begin van de vorige eeuw). Je had ook in het Westen natuurlijk wel filosofen die het beloang van intuïtie en ervaring propageerden (James, Bergson, Heidegger).

NIshida legt vervolgens de nadruk op het 'vloeiende'/veranderlijke karakter van de ervaring (die we inderdaad kunnen beschrijven, aldus Masakatsu, als 'lege' of 'zuivere' ervaring, omdat ze niet te definiëren is). "What we actually experience is not an assemblage of divided and fixed pieces; it has rather the quality of a continuous movement that resists being divided up."

Nishida definieert de zuivere ervaring als "autonomous, qualitatively continous change". Dit komt sterk overeen, volgens Masakatsu, met Bergsons 'pure duration', gedefinieerd als: "nothing but a succesion of qualitative changes, which melt into and permeate one another, without precies outlines, without any tendency to externalize themselves in relation to one another (...)".

Nishida, nadat hij, in collegedictaten en andere opstellen, de bovenstaande visie had uitgewerkt, 'underwent a conversion': (...) I [later] acquired an initial sense of how to make my thought logical'. Hij ging mee in de kritiek van Husserl op de al te psychologische aanpak van [Bergson]. Hij beschouwt Husserl en zijn fenomenologische school als de 'Pure Logic School'. Hij neemt hun kritiek op filosofen die kennistheoretische kwesties willen herleiden tot 'experiential matters' ernstig.

Nishida schrijft: "Neither pure experience nor [Fichte's] Tathandlung are able to fundamentally break free of subjectivism. Through the mediation of Aristotles hypokeimenon, my thought finally came to demand as its starting point something logical'.

Zo stelt hij in zijn latere werk dat 'experience' is a self-identical concrete'.

Voor zover ik het kan volgen -maar Nishida is een wel erg complexe filosoof, hoor (bovendien zeer integer)- ontwikkelt Nishida geen systeem dat zelfs buiten elke logische indeling staat. Integendeel, als ik het lemma van Masakutsa goed begrepen heb.

Jan-Auke Riemersma zei

Jan, interessant is dat Nishida uiteindelijk het handelen van de mens -hoe hij handelt, een proces dat vloeiend is en dat 'gevoeld/ervaren' moet worden- beziet als primitief (tegenwoordig zeggen filosofen met fenomenologische sympathieën dat handelen 'pre-reflexief' is: je handelt en al handelend 'weet' je 'gevoelsmatig/intuïtief' [let op: deze terminologie is 'psychologistisch' en de 'latere' Nishida wees ze daarom naar ik begrijp af] wat je aan het doen bent. (Het bekende effect: zodra de keeper gaat nadenken over de vraag hoe hij een bal moet stoppen is hij niet langer in staat om de bal te keren). Interessant omdat je handelen -de structuur van het bewegende lichaam- juist kunt opvatten als de structuur waaruit onze logische denkwijze voortkwam (op stoelt).

Als je Nishida wilt bestuderen, is dat Oxford Handbook van de Japanse filosofie denk ik goed om mee te beginnen: die meneer Masakatsu is een Japanse onderzoeker die Nishida's werk zeer goed kent. Een 'snel' boek dat je misschien interessant vindt is Baggini, Hoe de wereld denkt (deel 1, hoofdstuk 1 [inzicht] en hoofdstuk 2 [het onzegbare]). Ik denk dat het eerste boek wat lastig is, maar het boek van Baggini zal je zeker bevallen (want het is goed leesbaar). Het rigoureuze werk van Masakatsu is echter bewonderenswaardig en brengt je uiteindelijk verder.

Jan-Auke Riemersma zei

Jan, tenslotte: interessant is de indeling die de 'vroege' Nishida maakt: de echte wereld is die van de ervaring, de 'on-echte' wereld is die middels concepten in kaart gebracht is. De gedachte dat er twee 'bakken' zijn, namelijk één bak waarin de zaken uit waar-achtige wereld zitten en één bak waarin de onwaar-achtige zaken zitten, is zelf (misschien) onwaar-achtig. In ieder geval is dit een exclusieve indeling van de werkelijkheid en dus 'klassiek'. Als de klassieke logica niet juist is, dan vervalt het [kunstmatige/onwaarachtige] onderscheid tussen 'het ware' en 'het onware' en bestaat de werkelijkheid slecht uit één bak waar 'alles' wat je maar bij elkaar kunt fantaseren in zit. -Je moet dus eerst weten of het onderscheid dat je hanteert tussen het ware en het onware zelf waar is! Als de klassieke logica een beperking is, dan is het binaire onderscheid zelf dus geen ware voorstelling. Logica is 'verdomde tricky'. Ook 'maya' -de gedachte dat de wereld die wij zien een valse 'sluier' is- is dan het resultaat van een wereldbeeld gebaseerd op een beperkte logische denkwijze.

JanD zei

Beste Jan Auke,

Om te beginnen: dank voor de moeite die je hierin steekt. Je dwingt me Nishida nauwkeuriger te lezen dan ik uit mijzelf waarschijnlijk gedaan zou hebben.

Ik probeer het nog eens met een beeld. Een verliefd paar zit urenlang hand in hand op een bankje. Ze zwijgen. De avond valt, het wordt koud en donker. Er komen mensen langs en de stilte wordt verbroken. Een buitenstaander zegt: die twee waren “van de wereld”. Ik zou zeggen: juist daardoor waren ze misschien bijzonder direct ín de wereld.

Pas daarna vinden ze zichzelf weer terug als afzonderlijke personen. “Het is al acht uur!” zegt iemand. “O jee, ik moest om half zes medicijnen voor mijn moeder halen.” Meteen zijn er weer ik en jij, plicht, kloktijd en omgeving.

Dat doet me behalve aan Nishida ook aan Bergsons durée denken. Niet de tijd als een snoer van afzonderlijke punten, maar geleefde duur waarin het ene moment niet netjes naast het andere ligt. Voor de buitenstaander verstreken drie uren; voor het paar was er mogelijk eenvoudig één onverdeeld gebeuren.

Met “pure experience” bedoel ik dus niet dat die twee ontologisch ophielden afzonderlijke mensen te zijn. Wel dat in de ervaring zelf de scheiding “ik hier – jij daar – ik neem jou waar” tijdelijk niet op de voorgrond stond.

Hetzelfde bij muziek: je bent eerst in de muziek en pas bij het applaus denk je weer: ik zit in deze concertzaal. Of je rijdt op een warme zomerdag langs een geur die je volledig treft; pas honderd meter verder denk je: natuurlijk, de lindeboom op de hoek.

Daarmee wordt Nishida voor mij interessanter dan de tamelijk onschuldige stelling dat ervaring rijker is dan taal. Zijn sterkere gedachte lijkt me dat subject en object zelf al het resultaat zijn van een latere articulatie van een oorspronkelijker gebeuren.

Mijn eigen uitzonderlijke ervaringen kleuren ongetwijfeld hoe ik dit lees. Daarom wil ik die niet als bewijs voor Nishida gebruiken. Maar ze maken wel begrijpelijk waarom ik zijn uitgangspunt zo aantrekkelijk vind: eerst het concrete gebeuren, daarna pas onze verdeling ervan in subject, object, kloktijd en woorden.

Groet van JanD

JanD zei

Beste Jan Auke,

Je opmerking dat Nishida later naar “iets logisch” zoekt, lijkt me terecht. Mijn fout was wellicht dat ik basho te snel als een naam voor het onzegbare behandelde. Dat is te eenvoudig.

Toch zou ik basho nog steeds ontologisch durven noemen, maar dan bijna als een omgekeerde ontologie. Niet: welk zijnde, welke substantie of welk object ligt uiteindelijk onder alles? Basho is juist geen laatste zijnde en ook geen laatste object van het denken. Het is de “plaats” waarin zowel subject als object, zijn en niet-zijn, überhaupt hun bepaling krijgen.

Daarom vind ik het beeld van een fundering misleidend. Een klassieke grond stel ik me voor als vaste rots waarop het bouwwerk rust. Nishida lijkt mij eerder te dwingen de richting om te keren: het laatste is geen zijnde waarop alle andere zijnden steunen.

Mijn eigen beeld blijft daarom de tornado. Een tornado is herkenbaar één verschijnsel en toch vind je nergens een vaste kern die “de tornado zelf” is. Zijn identiteit bestaat in de dynamische betrekkingen waardoor hij voortdurend dezelfde én anders is. Haal de beweging weg en je houdt niet de ware tornado over; dan is de tornado verdwenen.

Zo begrijp ik voorlopig ook Nishida’s “contradictory self-identity”: niet Hegels these en antithese die tenslotte in een rustige synthese worden opgelost, maar een identiteit die juist bestaat dóór de spanning van wat niet tot één eigenschap gereduceerd kan worden. Een soort dynamische stilte.

Dan blijft volgens mij ook de vroege zuivere ervaring herkenbaar in de late Nishida. Niet doordat basho eenvoudig een ander woord voor pure experience wordt, maar doordat hij probeert logisch te articuleren wat oorspronkelijk niet begint met een zelfstandig subject tegenover een zelfstandig object.

In die zin geef ik je dus gelijk: Nishida vlucht uiteindelijk niet uit de logica. Integendeel, hij zoekt een logica die recht kan doen aan dat oorspronkelijke concrete gebeuren. Maar daarmee verandert ook de vraag wat wij onder “logica” verstaan.

Groet van JanD

JanD zei

Beste Jan Auke,

Hier komen we volgens mij bij ons oude punt terug: logica ontstaat in het leven. Daar waren we het eerder al opvallend over eens. De keeper die de bal stopt is een mooi voorbeeld. Eerst is er niet een volledig geformuleerd syllogisme, vervolgens een besluit en daarna de beweging. Zien, lichaam en handelen vormen één gebeuren. Pas achteraf kunnen we dat analyseren.

Daarom heb ik moeite met je derde reactie. Je schrijft ongeveer: als het klassieke onderscheid waar/onwaar zelf niet houdbaar is, dreigt één grote bak waarin alles terechtkomt wat we maar kunnen fantaseren.

Maar dat lijkt mij juist opnieuw een klassieke tweedeling: óf de gewone binaire logica, óf totale willekeur.

Nishida lijkt iets anders te proberen. Hij schaft onderscheid niet af, maar maakt onderscheid afhankelijk van een concretere werkelijkheid waarin de tegengestelden ontstaan en elkaar bepalen. Subject en object zijn verschillend, maar niet twee oorspronkelijk losstaande substanties. Zijn en niet-zijn zijn onderscheiden, maar absolute nietsheid is niet eenvoudig ¬zijn, alsof we slechts het logische teken voor “niet” voor “zijn” zetten.

Daarom zou ik ook maya niet zomaar laten verdwijnen zodra klassieke logica beperkt blijkt. De tegenstelling werkelijk/onwerkelijk hoeft niet dezelfde tegenstelling te zijn als de formeel-logische keuze waar/onwaar.

Hier helpt mijn tornado opnieuw. De tornado is niet óf een onveranderlijk ding óf helemaal niets. Zijn betrekkelijke identiteit bestaat juist in voortdurende verandering. Dat is geen logische fout en ook geen cirkelredenering; het is een ander soort structuur dan de vaste substantie.

Mijn voorlopige conclusie is daarom: de logica groeit uit het concrete leven, maar de gebruikelijke subject-predicaat- en waar/onwaar-logica mag vervolgens niet worden teruggeprojecteerd alsof zij de oorspronkelijke structuur van dat leven zelf was.

En juist daar begrijp ik Nishida’s latere onderneming: niet het alogon verheerlijken en ook niet de logica afschaffen, maar zoeken naar een logica waarin het contradictoire concrete leven zelf denkbaar wordt zonder het eerst in twee losse bakken uiteen te halen.

Groet van JanD

Jan-Auke Riemersma zei

Jan, wist je dat het ook mogelijk is om zakelijk en 'to the point' te reageren (grapje) :). De drie lappen tekst die je me toezend zijn me te veel van het goede: ik zie eenvoudigweg niet in hoe ik op de 'duizend zaken' die daarin aan de orde worden gesteld nog op een zinvolle en geordende manier kan reageren. Ik weet werkelijk niet waar ik moet beginnen (dus begin ik er maar niet aan).

Ik kan iig niet beoordelen of je Nishida recht doet: wel geloof ik inmiddels dat het werk van Nishida zelf tamelijk rationeel en systematisch is en zeker niet on- of a-logisch is.

In je opvattingen over logica kan ik me niet vinden. Wat ik wel begrijp is dat ik geloof dat ik je op dat punt niet helemaal begrijp. Maar dat is wat mij betreft geen probleem. (Je post over finetuning plaats ik maar niet, want dat onderwerp is niet eens aan de orde geweest).