Ik aanvaard de volgende, klassieke definitie: God is een Zelfstandig persoon.
God heeft niets en niemand nodig om te bestaan. Feitelijk impliceert dit dat God niet bestaat uit 'onderdelen', maar dat hij kwalitatief zelfstandig is ('God' is de zuivere, goddelijke 'substantie' zelve); voorts impliceert dit dat God geen begin en einde kent, God erodeert niet.
Vanzelfsprekend -dat is eigen aan definities- kun je deze definitie vervangen door je eigen definitie. Ook kun je de definitie aanvullen. Je kunt bijvoorbeeld toevoegen dat God het 'goede' is of dat God 'liefde' is.
Vervolgens wil een filosoof graag weten of God bestaat.
Nu is de vraag of God bestaat lastig te beantwoorden. Sinds Kripke -vorig jaar overleden- zijn modale semantiek heeft opgesteld, stellen filosofen een andere vraag: maakt God deel uit van de actuele wereld (@a).
Kripke maakt onderscheid tussen @a en talloze overige werelden (@o). Vervolgens deelt hij de verzameling overige wereld in tweeën: sommige overige werelden zijn 'mogelijk' (@m) en andere overige werelden zijn 'onmogelijk' (@¬m).
God kan dus voorkomen in @a, in @m en in @¬m.
Als God voorkomt in @¬m dan zal God nooit voorkomen in @a.
Kripkes model veronderstelt dat je werelden streng van elkaar kunt scheiden. De instrumenten die je gebruikt om @a, @m en @¬m van elkaar te scheiden zijn de twee klassieke wetten.
Werelden die klassiek geordend zijn kunnen mogelijkerwijs actueel worden en werelden die niet klassiek zijn kunnen onmogelijk ooit actueel worden.
Deze scheiding tussen @a, @m en @¬m vervalt echter als de klassieke wetten niet universeel gelden: onze @a moet dan worden opgevat als één enorme werkelijkheid (@w) waarin alles wat de klassieke logische wetten verbieden kan gebeuren en voorkomen.
Voor ons is @w een 'chaos' een 'absurditeit'. Maar dit is slechts het gejammer van een beperkt dier.
We zullen de orde niet kunnen herstellen, want we beschikken niet over een universeel alternatief voor de klassieke wetten.
De vraag of God bestaat is daarom eenvoudig te beantwoorden: ja, hij bestaat, want je kunt zijn bestaan eenvoudigweg niet uitsluiten: er is geen universele scheiding tussen @a, @m en @¬m. Er is uitsluitend @w, de werkelijkheid die je niet (logisch) kunt ordenen.
<merk op: in @w mag ik dus zeggen dat ik 'weet' dat God bestaat: hoe zou God niet kunnen bestaan in @w?>
Hoe God zich dan in de praktijk manifesteert is een geheel andere vraag.
<Ik denk persoonlijk dat mensen die zeggen dat ze God kunnen ervaren -dankzij misschien de specifieke denkbeelden die ze van God hebben (je 'ziet' de wereld met je denkbeelden!)- ernstig genomen moeten worden. Evenwel, neem deze opinie maar voor kennisgeving aan.>
<Hieronder staat een bijdrage met de titel 'goed en kwaad'. Je moet 'God, per definitie' in samenhang zien met 'Goed en kwaad'. De mens zien als een ethische wezen staat in ander licht -krijgt betekenis/is betekenisvol- als je inziet dat God bestaat.>
15 opmerkingen:
Substantiegeloof
God is de goddelijke substantie zelve en bestaat aldus niet uit onderdelen. Aldus de heer Riemersma.
Maar bestaan substanties wel? "Substanties" in filosofische zin. Niet in alledaagse zin. De moderne filosofie maakt korte metten met het filosofisch substantiegeloof. Een ding bestaat slechts uit zijn eigenschappen en niet uit zijn eigenschappen plus een onderliggende substantie zoals Ziel, Stof en God.
Trouwens, die Dinge an Sich van Kant zinsspelen op het filosofisch substantiegeloof. Maar bij Kant zijn die Dinge an sich, die substanties, per definitie onkenbaar.
God als de substantie van gans de wereld is zeer spinozistisch. God is de wezenlijke substantie en wordt omgeven door oneindig veel eigenschappen, subsubstanties, zoals Geest en Stof om de twee bekende subsubstanties te noemen.
Nee, Spinoza is geen atheïst.
Kortom, God definiëren als de wereldsubstantie .lijkt mij geen vruchtbaar idee.
En daarnaast, ik begrijp er niets van hoe men God kan zien als iets zonder onderdelen. Als God bestaat, dan is hij de complexiteit der complexiteiten en niet tot een miniem puntje verschrompelde Eenvoud.
Jan-Auke,
Iedere definitie is een creatie en bestaat dus per definitie.
Omdat je in jouw definitie van God niets over het bestaan van God kunt zeggen omdat "bestaan" in een andere categorie thuis hoort dan de Goddelijke eigenschappen laat je het bestaan van die God ongewild als derde optie in het midden.
Anselmus deed precies hetzelfde.
Als jij dat erkent, dan is de hele ontologische bewijsproject (het afleiden van bestaan uit een definitie) bij voorbaat ongeldig. Er kan dan niet meer beweerd worden dat dit het bestaan van God impliciet insluit; toegeven moet worden dat Zijn bestaan principeel uitgesloten is in de definitie.
Het enige wat je dan rest, is het bestaan achteraf aan de definitie toe te voegen via een synthetisch oordeel (bijvoorbeeld via empirische of morele argumenten). Maar dat is precies wat je nooit hebt gedaan; je bleef hangen in de analytische spagaat.
Het feit dat je dit nu al meer dan 10 jaar doet geeft aan dat het bestaan van God voor jou geen uitgemaakte zaak is.
Iedere keer als je weer opnieuw meent een deugdelijk bewijs te hebben geformuleerd zeg je feitelijk dat je vorige bewijsvoering niet deugde.
Dat geldt ook voor mij, ik heb dezelfde fout gemaakt. Weer iets wat ik van jou geleerd heb. Dat betekent voor mij dus einde verhaal over Gods bestaan.
Ik heb meermalen gezegd dat ik niet eens een atheïst genoemd kan worden. Ik heb geleerd dat één keer genoeg was.
Het is voor mij niet duidelijk wat je bedoelt met 'dat ze God kunnen ervaren -dankzij misschien de specifieke denkbeelden die ze van God hebben'.
Bedoel je dat mensen die geen specifiek(?) beeld van God hebben, minder kans hebben om God te ervaren of bedoel je misschien dat mensen hun specifieke beeld van God 'terug zien' in de ervaring van God? Dat de ervaring gekleurd zou worden door de denkbeelden van een religie?
'(je 'ziet' de wereld met je denkbeelden!) Wat valt er hier onder het woord 'denkbeelden'? Is dat inclusief allerlei gevoelens, zintuiglijke gewaarwordingen, innerlijke ervaringen (bv trauma's of intense gelukservaringen, persoonlijke geaardheid, persoonlijke specifieke talenten, etc.?
Aafje, zie de bijdrage: 'kijken met je denkbeelden'. Dit verklaart ook waarom elke religie zijn eigen specifieke mystieke ervaringen heeft. (Wil je er veel meer van weten, dan zul je de studieboeken moeten induiken: een goede 'starter' is J.Katz, Mysticism and Religious Traditions). Er is onlangs een Cambridge element over mystiek verschenen, dat echter moet ik nog bestuderen. Wellicht dat ik daarover nog bericht geef.
Wat ik beweer?
Ik was de eerste op het forum Geloof en Wetenschap, geloof ik, die echt in de gaten had dat u de neoklassieke logica de wacht aanzegde.
Ik beweer meer dan dat de wereld een orgie aan samenhangen is.
Ik beweer daarnaast dat de wereld pluriform is en ook nog eens oneindig.
En ik beweer bovendien dat een samenhang pas een samenhang is als hij consistent is. Een samenhang die in strijd is met zichzelf, is geen samenhang. Een cirkel die geen cirkel is, is geen cirkel.
En tot slot beweer ik dat contradicties uiterst interessant zijn en dat wij ze nodig hebben om creatief te kunnen denken. Als wij louter strikt algoritmisch zouden denken, dan waren we nog steeds een soort primitieve protoapen. We dienen ons her en der tegen te spreken.
Omdat contradicties interessant en zelfs relevant zijn, vind ik uw gestoei met de logica zeer prikkelend.
Ik meen dat Bert gelijk heeft. Zijn hameren op een gezonde wetenschappelijke methode is prima. Maar ik mis bij hem wel een beetje de reflecties over metafysica en epistemologie. Maar in de beperking ...
Naast de metafysica en de epistemologie heeft de filosofie nog een derde verzameling vraagstukken, namelijk de metasociologie oftewel de geschiedskunde in de breedste zin des woords. Zodoende is een kleine geschiedenis van de receptie van uw filosofie zeer zeker op haar plaats. Geldt wellicht ook voor de receptie van mijn ideetjes, die hopelijk op consistente wijze met elkaar samenhangen.
:)
Jan Auke,
Je schrijft over Bert: "Wat je over definities zegt laat ik maar onbesproken: het is onzin."
Volgens mij is dat te stellig geformuleerd. Dat iets onzin **is**, is iets anders dan dat jij het onzin **vindt**. Juist omdat het hier om een fundamentele filosofische kwestie gaat, zou ik graag lezen waarom je meent dat Bert ongelijk heeft.
Ik vind Berts opmerking dat "iedere definitie een creatie is" namelijk bepaald niet vanzelfsprekend onjuist. Tenminste, wanneer je zijn uitspraak begrijpt zoals hij die volgens mij bedoelt en er geen retorische taalspelletjes van maakt. Een definitie is immers een door het denken gevormde begripsconstructie. In die zin is zij een creatie van het denken, ook al zou zij betrekking hebben op iets dat onafhankelijk van ons bestaat.
Juist dat raakt aan een diep filosofisch probleem: wat is de constituerende rol van het denken?
Ik moet daarbij denken aan de filosoof dr Rudolf Steiner. In zijn dissertatie, *De filosofie der vrijheid*, werkt hij uit dat het denken niet uitsluitend passief de werkelijkheid afbeeldt, maar ook constituerend werkzaam is. Begrippen zijn volgens hem geen loutere etiketten op een reeds volledig gegeven werkelijkheid.
Dat is overigens geen uitzonderlijke positie. Er bestaat een lange filosofische traditie waarin het bewustzijn of de geest als primair wordt beschouwd. Daartegenover staat het realisme, waarin de ontologie primordiaal is: eerst is er de werkelijkheid en pas daarna onze kennis ervan.
Zelf voel ik mij niet volledig thuis in één van beide kampen. Voor mij zijn ontologie en geest beide verschijningswijzen binnen het *basho*. Misschien is juist hun eenheid-in-tegenstelling, wat Nishida een **contradictoire identiteit** noemt, vruchtbaar.
Een eenvoudige analogie is die van ijs en waterdamp. De één lijkt hard en stoffelijk, de ander vluchtig en onstoffelijk. Toch zijn beide manifestaties van hetzelfde water. Zo zou ook de tegenstelling tussen object en subject, materie en geest, ontologie en bewustzijn, geen absolute tweedeling hoeven te zijn, maar twee complementaire verschijningsvormen van een diepere werkelijkheid.
Daarom zou ik het interessant vinden dit punt eens verder uit te werken. Niet beperkt zozeer over het bestaan van God, maar over de vraag wat een definitie eigenlijk **is**, en welke rol het denken speelt bij het ontstaan van betekenis.
Met vriendelijke groet,
JanD
JanD, ik bedoel Berts lezing: hij vat schijnbaar elk betoog waar een definitie in voorkomt op als een ontologisch bewijs. Ach, het is allemaal zo kortzichtig, zo beneden peil.
Maar goed, je vraag over definities. Vanzelfsprekend is het belang van definities in de wetenschap niet te onderschatten. De definitie van tijd (=wat de klok meet) bepaalt de waarde van je theorie over tijd en ruimte. Theorieën kun je, met enige goedwillendheid, zelf opvatten als een zeer ingewikkelde definitie. Nogmaals, wij bekijken de wereld met onze kennis (dat wil zeggen: met onze concepten). Muisjes hebben geen idee of ze de bewoners zijn van een 'duur landhuis' of een 'armetierig rijtjeshuis', terwijl dat verschil bepalend is voor hoe een mens zichzelf en zijn bestaan bekijkt. Zonder de juiste concepten (=definities) kun je blind zijn voor [veel] aspecten van de werkelijkheid.
Wij trekken altijd een vol kwartaal uit om leerlingen het belang van definities aan het verstand te brengen. Definities zijn overal: je gedachten berusten op definities, [vrijwel] elk woord dat je begrijpt is een definitie, theorieën zijn definities, sociale gewoontes/constructies zijn definities, enz. En al deze zaken bepalen je begrip van en kijk op de wereld.
De vraag hoe definities zich verhouden tot de werkelijkheid is zeer complex. Als je geen idee hebt hoe groot de rol van definities is in ons (geestes-)leven, dan kan ik me voorstellen dat je over het hoofd ziet dat alles wat we tegen elkaar zeggen een zaak van definities is. "Hoe duur was het brood bij de bakker", bevat een lastige definitie (de waarde van papier dat we 'geld' noemen) en 'brood' (wat is het verschil tussen brood en pasta en aardappelen en rijst) en een 'beroep' (muisjes hebben geen beroepen, specialisatie is menselijk)? Volgens de Berten van onze wereld bestaan er geen bakkers, geen broden, geen geld, geen beroepen, maar volgens mensen die wel verder kijken dan hun neus lang is, zijn de talloze definities die we gebruiken onmisbaar.
De vraag wat er bestaat is zelf afhankelijk van onze definities. Dus de vraag of definities de werkelijkheid beschrijven wordt zelf bepaald door een definitie. Als je de werkelijkheid beziet als een voorraadkast van objecten, waar je tegen moet kunnen schoppen [causaal, meetbaar] dan stel je andere eisen aan een bewijs voor het bestaan van X dan wanneer je tal van abstracte constructies toelaat (zoals geesten, proposities, getallen, bewerkingen, processen, abstracties...).
Kortom, zonder definities is filosofie -en taal in de breedste zin van het woord- niet levensvatbaar. Je ziet dit heel goed in de logica: alle logische stelsels bestaan uit definities.
Tegenwoordig wordt het onderzoek naar de rol van definities/concepten uitgevoerd door wetenschappers die je 'taal-neurologen' zou kunnen noemen: psychologen/neurologen, taalwetenschappers en filosofen die ons cognitieve vermogen om een taal te spreken bestuderen. Je zou, als je van de hoed en de rand wilt weten, bij hen te rade moeten gaan. Ik weet zo snel geen literatuur aan te wijzen die geschikt.
Mijn leerlingen vinden dit een fantastisch onderwerp. Ze rapporteren dat ze hier meer leren dan bij andere vakken: het opent ze de ogen voor de belangrijke rol van taal. Betekenissen zijn magische dingen waarmee je je blik op de wereld zo sterk kunt verruimen: leer de betekenis van een nieuw woord, en je hebt een nieuwere, soms zelfs 'diepere' kijk op de dingen. Helaas is de spontane, natuurlijke verrukking die jonge mensen ervaren als ze met nieuw gedachtegoed naar huis gaan voorgoed verdwenen bij oudere mensen: die zitten al helemaal vast in hun oude begrippenkader. Wel begrijpelijk overigens: waarom zou je jezelf opnieuw steeds moeten uitvinden?
(vervolg). Hoe sterk mensen vast zitten in hun begrippenkader zie je goed aan de reacties die mensen achterlaten op deze zuil: als mensen niet snappen dat de gesprekken over de vraag wat 'echt bestaat' zelf een twist is over de vraag welke definitie van 'echt/onecht' te verkiezen is, dan is het vrijwel onmogelijk om daar een zinnig gesprek over te voeren. Waarom? Omdat oudere, hoogbejaarde breinen neurologisch niet meer in staat zijn om te twijfelen aan hun begrippenkader. Zij wijzen a priori alle inzichten af die niet overeenstemmen met hun eigen ideeën. Niemand behoudt zijn lenigheid van geest. En dat heeft zeker een nuttige functie. Nogmaals, je kunt niet opnieuw puberen- en je zou dat ook niet willen. Een gesprek voeren met zulke verstokte exemplaren is echter niet zinvol. Waar het voor jonge mensen zeer nuttig is dat het brein voortdurend in een staat van verwarring verkeert en waar ze zomaar, van de ene op de andere dag, hun inzichten weggeven voor een geheel nieuw wereldbeeld (!) -dat is een vorm van leren-, daar weten oudere breinen precies hoe ze over een aantal zaken willen/moeten denken- en daar aan tornen brengt ze van hun stuk. (Het voordeel van een filosofische training is dat je een beter oog hebt voor de subtiliteit van zulke vraagstukken: maar uiteindelijk roest ook de oude filosoof 'vast' in zijn begrippenkader: dat zie je bijv goed aan het laatste boek van Dennett en aan Jan Riemersma, die al jaren hetzelfde beweert...)
Hoe subtiel het ligt met de werkelijkheid en taal is goed uit te leggen. Neem het begrip/definitie 'eergevoel'. Wie het begrip eergevoel niet kent, heeft geen last van schaamte als iemand hem 'beledigt' (hij weet niet wat beledigen is). Als echter de maatschappij ons de ogen opent, en wij leren dat er zoiets bestaat als eergevoel, dan gaat het opeens tellen als iemand je een 'domoor' noemt. Bestaat 'eergevoel' echt? Nou en of! Is eergevoel een 'ding' dat causaal in je verstand is 'aangebracht'? Niet echt: de klank van bepaalde woorden heeft je trommelvlies geraakt, maar het begrip/definitie zat op een of andere manier verpakt in die klanken. Het is lastig te zeggen in hoeverre concepten/definities tot de causale werkelijkheid behoren. Is dus de gehele werkelijkheid een netwerk van causale effecten (dingen waar je tegen aan kunt schoppen)? Wie het weet mag het zeggen.
Definities zijn belangrijk omdat de wereld van de mens bestaat uit een 'film' van betekenissen die afgebeeld/geprojecteerd wordt op de gehele werkelijkheid. Alles wat hij ziet en denkt en hoort en doet is wordt verlicht door betekenissen (definities). Het dubbele hier aan is: de vraag welke rol betekenissen spelen -en hoe 'echt' de wereld is buiten deze 'projectie' van betekenissen- is zelf afhankelijk van definities. Vandaar dat taal zo'n belangrijke rol speelt in zowel de analytische als de continentale filosofie. Derida schreef dat er 'niets' is buiten de tekst. Ja, zo kun je het belang van onze taal inderdaad 'omschrijven'...
Beste Jan Auke,
Dank voor je uitvoerige reactie. Ik denk dat ons fundamentele verschil niet over definities gaat, maar over de oorsprong van begrip.
Volgens mij is een definitie niet de bron van begrip, maar juist het eindproduct ervan. Jij lijkt begrip vooral te zien als iets dat ontstaat binnen taal, conceptvorming en definities. Ik versta onder 'begrip' juist iets dat daaraan voorafgaat: een direct, noëtisch verstaan, verwant aan wat in de Sanskriettraditie *Buddhi* wordt genoemd. Daaruit emaneren Manas, Kama, Prana en uiteindelijk vorm en materie. Het dianoëtische denken, taal en definities zijn daarvan pas de latere uitdrukking binnen de ruimte-tijd.
Daarom ervaar ik iedere definitie van God als problematisch. In het licht van het tweede van de Tien Geboden – "Gij zult u geen gesneden beeld maken" – lees ik dat niet alleen als een verbod op een fysiek gesneden beeld, maar ook als een waarschuwing tegen het begripsmatig vastleggen van het levende tot een object. Voor mij is dat precies het punt waarop onze metafysische uitgangspunten uiteenlopen.
Met vriendelijke groet,
Jan D
JanD, dit is voor mij een onbegrijpelijk doctrine. Stel dat een definitie van God 'als een gesneden beeld' is (lijkt me onzin, maar vooruit). Wel, als dat zo is, wat maakt het dan uit hoe je aan een begrip komt? Waarom zijn begrippen die 'direct noëtisch' worden verstaan dan geen 'gesneden beelden'? Vermoedelijk zul je nu aanvoeren dat zulke directe noëtische begrippen een geheel eigen kwaliteit hebben, die verloren gaat zodra je deze probeert te verpakken in woorden. Maar ja, dan heb je wel een probleem: want dan is het concept van directe noëtische begrippen zelf niet in woorden te vatten (het veronderstelt immers een bijzondere kwaliteit die niet in woorden te vatten is?). Toch vermoed ik dat je het idee van directe noëtische begrippen ergens gelezen of gehoord hebt. Hoe heb jij dan de juiste betekenis ('de directe noëtische kracht' die indirect aan je gegeven is) van deze definitie kunnen vatten? Al met al een wonderlijke manier van kennisoverdracht.
Geachte JanD
Wij, mensen, worden geboren met een nogal complex onderscheidingsvermogen. Daarmee maken we allerlei onderscheidingen zoals tussen binnen- en buitenwereld, tussen stenen en sterren, tussen de ene Jan en de andere Jan en zo voort en voorts zo verder.
Hieruit volgt dat wij het één en ander kunnen definiëren. Nu hoeft een definitie niet per se heel erg strikt en specifiek te zijn. Een beetje vage definities mogen ook. En een beetje vage definities zijn in eerste instanties beter dan strikte want de laatste kunnen te prematuur en aldus te dogmatisch zijn.
De term "noësis" ken ik. Komt van "nous". Oud-Grieks voor "geest". "Noësis" klinkt dus heel erg filosofisch. Maar ook aanstellerig. Ik zou liever de term "denkvermogen" of nog beter "onderscheidingsvermogen" gebruiken. Al heeft Husserl wel de term "noëma" gebruikt. Maar ik neem aan dat jij niet op Husserl alludeert.
Of Descartes de term "onderscheidingsvermogen" expliciet heeft gebezigd, weet ik niet. Maar in elk geval zinspeelt hij sterk op die term met zijn slogan "duidelijke en heldere ideeën". Goed van elkaar onderscheiden ideeën.
Min of meer duidelijk omschreven concepten zijn zeer handig voor een debat. Anders kletst men langs elkaar heen.
Maar lang niet elke onderscheiding die we maken, is realistisch. Neem de morgen- en de avondster.
Beste Jan Auke,
Je schrijft: "Dit is voor mij een onbegrijpelijke doctrine." Dat begrijp ik. Deze metafysica begint namelijk niet, zoals gebruikelijk, met definities en begripsvorming. Zij begint met een direct verstaan van datgene waar woorden slechts naar verwijzen. Woorden en definities zijn daarom secundair. Zoals een wegwijzer naar Amsterdam niet Amsterdam is, zo is een definitie niet de werkelijkheid zelf. Een definitie wordt pas problematisch wanneer zij voor de werkelijkheid zelf wordt gehouden.
Je vraagt: "Waarom zijn begrippen die direct noëtisch worden verstaan dan geen gesneden beelden?" Volgens mij omdat het noëtische verstaan voorafgaat aan de begripsvorming. Het dianoëtische denken zet dat verstaan vervolgens om in woorden, definities en systemen. Die zijn waardevol als verwijzing, maar niet wanneer zij de plaats innemen van de levende werkelijkheid waarnaar zij verwijzen.
Zo lees ik ook het tweede van de Tien Geboden: "Gij zult u geen gesneden beeld maken." Dat heeft voor mij niet alleen betrekking op fysieke beelden, maar evenzeer op mentale beelden. Ook een definitie van God kan een "gesneden beeld" worden wanneer zij met God zelf wordt vereenzelvigd.
In een recent artikel in Trouw over de Tien Geboden beschrijft Kees van der Spek hoe een letterlijke, dogmatische interpretatie van religieuze beelden en voorstellingen diepe angst kan oproepen. Dat is wat ik bedoel met "scheppen in de schaduwwereld": het psychologische effect van beelden die voor werkelijkheid worden gehouden.
Daarom spreekt de uitspraak van Meister Eckhart mij zo aan: "Ich bitte Gott, dass er mich Gottes ledig mache." Ik begrijp dat als: bevrijd mij van mijn godsbeeld, opdat de levende werkelijkheid zelf kan worden ervaren.
Met vriendelijke groet,
Jan D
JanD, je schrijft: [Je schrijft: "Dit is voor mij een onbegrijpelijke doctrine." Dat begrijp ik.] Dan is het goed :)
JanR,
Ik hoop dat je na mijn laatste bijdrage me wel begrijpt. Zo niet dan ben ik gaarne bereid nadere uitleg te geven. ;-)
JanD
R.V.,
Over nous schrijf je:
"Ik zou liever de term 'denkvermogen' of nog beter 'onderscheidingsvermogen' gebruiken."
Juist daar zit volgens mij ons verschil. Daar verwijst nous voor mij nu juist niet naar. Het verwijst naar een relatief primordiale, nog ongescheiden vorm van verstaan, voorafgaand aan het onderscheidende (dianoëtische) denken. Onze duale taal kan daar slechts naar verwijzen; zij kan het niet bevatten.
Jan Auke ziet het probleem wél wanneer hij schrijft: "het concept van directe noëtische begrippen zelf is niet in woorden te vatten." Volgens mij zit daarin precies de moeilijkheid. Waar JanR en ik vervolgens uiteenlopen, is dat hij de oplossing opnieuw binnen het concept zoekt, terwijl ik juist meen dat zij daar niet te vinden is.
Zijn vraag: "Hoe heb jij dan de juiste betekenis kunnen vatten?" bevat daarom naar mijn mening al een veronderstelling die ik niet deel. Het noëtische wordt niet door woorden of definities gegeven en ook niet door een concept gevat. Woorden kunnen er hooguit naar verwijzen, zoals een wegwijzer naar Amsterdam niet Amsterdam is.
Daarom maak ik onderscheid tussen noëtisch verstaan en dianoëtische begripsvorming. Het moment waarop men zegt: "er gaat mij een licht op" of "eureka" ervaar ik niet als het resultaat van een redenering, maar als het voorafgaande verstaan waaruit begrippen pas later ontstaan.
Jan D
Een reactie posten