donderdag 30 juli 2026

Gelovig leven

We kiezen het volgende uitgangspunt: we zijn dieren en we hebben een natuurlijke oorsprong (let wel: hiermee is niets gezegd over de metafysische vraag of de natuur eventueel een herkomst heeft).

We weten dat we een verstand hebben dat -in volledige afzondering- probeert de wereld te begrijpen. Het krijgt elektrische en chemische signalen binnen langs de zintuigen en heeft de lastige taak om op grond van deze signalen een 'stafkaart' (model) van de wereld op te stellen. Deze stafkaart is het enige instrument waarover het verstand beschikt om het lichaam veilig langs tal van obstakels te leiden.

Voorts weten we dat het verstand een klassieke logische grondslag heeft: de twee basiswetten bepalen onze denkwijze. Al onze plannen en inzichten zijn consistent en coherent (zo goed en zo kwaad als dit gaat). Vanzelfsprekend is ook onze stafkaart van de wereld consistent. Het verstand vergelijkt voortdurend de waarneming met ons model van de wereld. Zodra het verstand een afwijking opmerkt -dat is een inconsistentie- tussen model en waarneming is het extra alert en probeert het de inconsistentie op te lossen.

Waarom werden consistentie en coherentie zo belangrijk? We weten dat spier- en zenuwweefsel ontstaan zijn in het cambrium (misschien zelfs eerder). Je hebt niets aan spieren als je deze niet kunt coördineren (patterning). De zenuwen moeten het spierweefsel zo prikkelen (patterning) dat deze gericht samenwerken. Laat je dat na dan komt het lichaam -het lichaam is een object, een ding- niet in beweging (en dan heb je geen evolutionair voordeel van spierweefsel). Een lichaam moet tenminste kunnen naderen en wijken.

De rest is natuurkunde. Het zenuwweefsel moet in de spieren één welbepaalde kracht (Fn) opwekken om het lichaam te laten naderen en een welbepaalde kracht (Fw) om het lichaam te laten wijken. Als het zenuwweefsel Fen Fw gezamenlijk aanzet dan is het lichaam onbestuurbaar. De krachten kunnen alleen doeltreffend zijn als ze exclusief worden aan- en uitgezet. Dit is een eenvoudige rekensom. De fysica van het bewegende lichaam en de biologische noodzaak om doelmatig te bewegen leiden zo tot een zeer eenvoudig brein met twee eerste representaties: een 'pattern' dat 'naderen' representeert en een 'pattern' dat 'wijken' representeert.

De eerste structuur van het zenuwweefsel dient als 'basisstructuur' voor alle andere cognities en representaties waarmee organismen later worden verrijkt. Ook daar is een verklaring voor: zo lang de representaties/functies exclusief (logisch) geordend worden, kan een organisme de nieuwe functies fysiek uitvoeren. 

Het hele cognitieve domein -onze percepties, onze redeneringen, onze plannen, onze concepten- is daarom vermoedelijk klassiek. De vraag of een nieuwe functie het vermogen om doeltreffend te handelen al dan niet belemmert is natuurlijk bepalend voor de vraag of een mutatie blijvend is.

Het bovenstaande -in een notendop- is de geschiedenis van ons klassieke verstand. Wij hebben een denksysteem dat gericht is op overleven en voortplanten. 

Van de weeromstuit kunnen we niet buiten ons denksysteem om naar de wereld kijken (nogmaals, denk aan de metafoor: de wereld is voor het brein een stafkaart, die opgesteld wordt aan de hand van de eigen denkwijze en concepten en die wordt bijgesteld door de waarneming).

Ons denksysteem is een systeem dat in zichzelf besloten is. We bezien de wereld alsof deze uit objecten bestaat en we ordenen alle zaken alsof het objecten zijn (dit ding hoort bij de rode dingen in dit bakje, dat ding hoort bij de blauwe dingen in dat bakje). Interessant is het werk van ontwikkelingspsychologen: zij hebben vastgesteld dat prelinguistische baby's (niet mijn term) al goed begrijpen hoe objecten zich gedragen. Ze zijn ingesteld/afgesteld op een 'object(ieve) wereld'.

We zitten 'opgesloten' in onze denkwijze. Het is niet anders. Dit is al bedacht door veel filosofen, met name door Sartre en Wittgenstein (die dit elk op hun eigen manier hebben verwoord: we kunnen niet buiten onze taal treden; we kunnen niet buiten ons 'aandachtsveld' stappen). We zijn hoe dan ook beperkt.

Je kunt nu het volgende argument opstellen. Het is -volgens onze eigen klassieke denkwijze- van tweeën één: onze denkwijze is wel of niet volledig.

Veronderstel eens dat onze denkwijze de wereld niet 'uitbeent naar haar eigenlijke structuur': dan is onze denkwijze niet volledig (dit is de meest waarschijnlijke optie gezien ons uitgangspunt: we zijn geëvolueerde dieren).

De wereld zal dan voor ons in twee delen uiteen vallen: de wereld die wel conform onze denkwijze is en de wereld die niet conform onze denkwijze is.

Als onze 'objectieve voorstelling' van de werkelijkheid niet volledig is, dan weet je dat de aspecten van de werkelijkheid die niet conform onze denkwijze zijn, door ons niet worden begrepen. Laten we dit domein dat buiten ons gezichtsveld valt 'domein x' noemen.

(stelling:) We weten wat x niet is, maar we weten niet wat x wel is.

(modale bepaling van de stelling:) We weten wat x niet kan zijn, maar we weten niet wat x mogelijkerwijs wel is.

Hoe groot, vreemd, ingewikkeld, onbegrijpelijk, ondoorgrondelijk, duister, bizar of absurd kan x mogelijkerwijs zijn? Hoe trekken we de universele grens tussen het het mogelijke en het onmogelijke? We weten het niet.

We kunnen daarom geen beschrijving uitsluiten (niets is te dol, niets is te gek, geen voorstelling is zóó vreemd dat wij voorhands kunnen zeggen: dit is altijd en overal onmogelijk).

Per saldo betekent dit dat de mens géén beschrijving van x kan uitsluiten.

En omdat de mens de maat van alle dingen is (we kunnen niet buiten onze eigen denkwijze om kijken), geldt:

De mens kan te x niets uitsluiten <=> Er kan te x niets worden uitgesloten (*)

Waaruit je dan zondermeer kunt afleiden: het bestaan van God kan onmogelijk worden uitgesloten.

-----

[*]. Het <=> teken staat voor: ... is equivalent aan...

Nazorg: één van mijn lezers wordt niet helemaal goed van deze redenering, want zijn verstand kan de vreemdheid van de werkelijkheid niet bevatten: en dat dát precies de crux van de redenering is kan hij ook al niet bevatten. Wellicht zijn er nog andere lezers die dit ook niet bevatten. Aan hen de volgende raad: dat de wereld vreemd is en dat ons verstand niet 'volledig' is, betekent dat je de vrijheid hebt om op een praktische wijze met de vreemdheid van de werkelijkheid om te gaan. Instrumenteel. Zie je in dat een leven met God uiteindelijk troostrijker is dan een wereld zonder God? Omarm dan de afleiding hierboven. Je kunt echter ook anders doen: de non-existentie van God kan onmogelijk worden uitgesloten. En dit bevestigt dat de werkelijkheid vreemd is. Wat wil je dat ik er tegen doe? Ik ben niet almachtig. Leer er mee leven. Accepteer dat je een beperkt verstand hebt.

Het geloof wordt hier des te interessanter door. Want de vraag waar het geloof om draait verschuift: de vraag of God bestaat staat niet in het midden (want de mens kan het bestaan van God niet ontkennen/uitsluiten), maar de vraag 'wat kies je?' staat nu in het midden. De vraag is of je gelovig wilt zijn en -wel zo indringend!- hoe je gelovig moet zijn. Je beantwoordt de vraag of God bestaat niet theoretisch, maar praktisch, namelijk door een bepaalde praktijk te kiezen (een bepaalde manier van leven). 

Het volledige gewicht van de religieuze kwestie komt te liggen op je doen en laten. Dat past goed bij het inzicht dat de mens van nature een ethisch wezen is in een wereld van goed en kwaad. In alle religies wordt de mens bezien als een 'ethisch wezen (dier)' (gelukkig zijn dan vaak de religieuze leiders zo geslepen dat ze zichzelf verrijken en het geloof van hun volgelingen cynisch misbruiken: Marx en Nietzsche hebben een punt. Verwar God daarom niet met de kerk! Kierkegaard zag het geloof als een vehikel voor de eenling: dat is geen domme gedachte.)

Modernisering: de wereld is vreemd en de mens is beperkt. Wie of wat God is wordt niet bepaald door de regels van de fysica, enz. De fysica van tegenwoordig is zo anders dan die van honderd jaar geleden. De epistemologische moeilijkheden zijn groot. De gedachte dat God -de schepper van dit immense, onbegrijpelijke heelal- onbegrijpelijk is zal voor ons zo onwennig niet zijn. We hoeven ons dan ook niet af te vragen hoe God handelt, hoe God 'mee-lijdt', enz. Zolang we inzien dat het bestaan van God, volgens de meest rationele en naturalistische benadering van dit 'vraagstuk' (zie boven) niet kan worden uitgesloten, ervaren we dat de klassieke theologische vragen minder belangrijk zijn. Waar het om draait is welke keuzes je maakt: zie je je leven als een religieuze praktijk? 

Je bent van nature een eenling die zelf de verantwoording voor zijn daden (keuzes) -voor zijn doen en laten- draagt. Hoe leid je als eenling een 'leven voor God en voor de mens'? Wat betekent het dat je een ethisch dier bent? Want je existeert altijd als eenling: een mens staat tegenover zichzelf bij het vestigen van een levenspraktijk gestoeld op ethische beginselen. Dát is de kern van een religieus leven, van een gelovige praktijk (=Kierkegaard).

1 opmerking:

Jan-Auke Riemersma zei

De vakantie gaat de derde week in: ik zal de komende weken geen bijdragen schrijven.