Stapje voor stapje, gaandeweg, naarmate onze kennis van de werkelijkheid groeit, raken we het spoor -onze rationele greep op 'de enige echte waarheid'- bijster. Deze uitkomst was al voorzien door Kant, die beredeneerde dat we noch links- noch rechtsom een definitief antwoord zullen vinden op onze belangrijkste metafysische vragen: waarom bestaat de werkelijkheid, waar is ze vandaan, hoe is ze begonnen?
Onze denkwijze is beperkt en daarom staan we machteloos tegenover de ingewikkeldheid van de werkelijkheid.
Gelukkig zijn we wel zo slim dat we dát -het feit dat we beperkt zijn- kunnen aantonen.
Ons brein is onze schatkamer: daarin bewaar je alles wat voor jou van waarde is, je herinneringen, je waarden, je kennis, je 'zelf'. Dit brein heeft een bepaalde grondslag, een structuur van honderden miljoenen jaren oud. Alle breinen van motiele (=zelfbewegende) dieren hebben deze structuur.
We weten dat er een biologische -evolutionaire- verklaring is voor deze structuur.
Stel je het eerste spierweefsel voor en het eerste zenuwweefsel. Spieren waren een spectaculaire nieuwe uitvinding, zoals ook de verbrandingsmotor eens een spectaculaire uitvinding geweest is: opeens beschikte je over een 'bewegingsapparaat' dat in staat was om je op krachtige wijze te verplaatsen. Het stelde dieren zelfs in staat om andere dieren te bejagen (want gespierde dieren zijn relatief snel en sterk).
Om het voordeel van spieren ten volle te benutten moet dit bewegingsapparaat wel gecöördineerd ('aangestuurd') worden. Als elke spier maar wat doet dan heffen de krachten die ze op het gehele lichaam uitoefenen elkaar op: wordt op het lichaam kracht F en kracht ¬F uitgeoefend, dan beweegt het lichaam zich niet. Doelgericht handelen is uitsluitend mogelijk voor een 'object' als de spieren gecoördineerd aan- en uitgezet worden.
Spier- en zenuwweefsel ontkomen niet aan samenwerking, als ze althans willen profiteren van de voordelen die spierweefsel biedt, want een lichaam is een object dat zich slechts in één richting (een 'vector') kan verplaatsen. Immers, een object is unilokaal: een lichaam heeft één plek (per beurt) en kan zich slechts langs één lijn bewegen.
Zo onstaat een 'zenuwcentrum' met een klassiek logische werking. Als je de wijze waarop het zenuwweefsel het spierweefsel aan- en uitzet in een tabel weergeeft, dan krijg je precies de klassieke logische basiswetten (die samen zeggen dat p of (exclusief) ¬p en de ontkenning van de wet van het uitgesloten derde (p noch ¬p) en de ontkenning van de wet van non contradictie (p & ¬p):
F(1) & ¬F(0)= unilokaal (optimaal beweegbaar)
F(0) & ¬F(1)= unilokaal (optimaal beweegbaar)
F(1) & ¬F(1)= (niet mogelijk: niet unilokaal)
F(0) & ¬F(0)= (niet mogelijk: niet unilokaal)
Deze tabel geeft weer dat ons verstand de structuur heeft die nodig is om unilokaal/exclusief te bewegen. De klassieke logische denkwijze is ontstaan om het lichaam te kunnen 'besturen'.
Dat ons verstand een tamelijk primitief zenuwknoopje is dat is ontstaan om het lichaam te besturen, wordt passend geïllustreerd door de zakpijp: dit diertje zwemt rond en kan haar lichaam 'unilokaal' verplaatsen dankzij een brein. Vindt de zakpijp eenmaal een voedselrijke plek, dan vestigt het diertje zich daar (voorgoed) en verteert vervolgens haar eigen brein (want een diertje dat niet beweegt, heeft geen 'stuurman' [brein] nodig).
De stelling dat het brein in eerste instantie een 'stuurman' is, wordt breed gedragen door neuro-psychologen.
Wel, aangezien je niet 'buiten je eigen brein om kan denken', bepaalt de exclusieve structuur van je brein de structuur van je wereldbeeld. Een unilokaal lichaam moet de wereld bezien in unilokale verhoudingen: alleen dan is hij in staat om gedragsprogramma's (plannen) adequaat uit te voeren. Als de programma's of de plannen geen exclusieve structuur hadden, dan zou een lichaam deze programma's of plannen überhaupt niet kunnen uitvoeren. Waarom zou een lichaam de energieslurpende spieren dan behouden als deze machinerie toch niet 'bestuurd' kan worden?
Ons verstand is niet ingericht om de gehele werkelijkheid in kaart te brengen. Dat zou evolutionair ook onverklaarbaar zijn. Een toevallige fysische eigenschap, de unilokaliteit van vaste lichamen, heeft de structuur van ons verstand bepaald.
De wereld zelf is geen universeel unilokaal gestructureerde toestand. Je hoeft maar kortstondig om je heen te kijken om dat in te zien.
Een unilokaal denkend dier/wezen kan echter nauwelijks anders dan exclusief denken. We zitten diep ingegraven in onze eigen hersenstructuur. Altijd vervallen we weer in onze unilokale denkwijze. Zelfs de logici die een dialetheïstisch logisch systeem opstellen, verdedigen dit systeem op consistente (=unilokaal, klassiek logisch) wijze. Alle wetenschappers schrijven consistente artikelen; alle mensen denken consistent als ze een plan opstellen (niemand probeert om tegelijk wel en niet te gaan zitten, wel en niet naar een vergadering te gaan).
Ach en kijk eens naar de reacties van leken als je de universele geldigheid van onze exclusieve logica in twijfel trekt: dat is in de schedels van vrijwel iedereen onvoorstelbaar (en dus, zo concludeert men: onmogelijk! Een raak voorbeeld van 'wat de boer niet kent dat vreet hij niet'.).
Wie geschoold is in systematisch denken en zich goed verdiept heeft in de bewijskracht van het verstand en de vele epistemologische puzzels die er liggen, die zal misschien wel inzien dat de werkelijkheid zelf niet unilokaal is: wij eisen van haar dat ze unilokaal is -zo schreef Wittgenstein- en dus passen wij de werkelijkheid aan aan onze denkwijze: want de mens kan van nature niet anders (niemand kan een dag lang consequent niet consistent denken- niemand).
Neem alleen al, bijvoorbeeld, de gedachte dat er valse en 'echte' voorstellingen van de werkelijkheid zijn, een diepgewortelde unilokaal gestructureerde weergave van de werkelijkheid: alleen een exclusief verstand dat een unilokaal lichaam moet besturen rekent met één echte bestemming en talloze valse bestemmingen. 'De Waarheid' is een exclsusief concept: probeer je echter maar eens te redden zonder gebruik te maken van deze tweespalt tussen vals en echt: de schijnwereld en de echte wereld; het smalle en het brede pad; maya en brahman. Iedereen heeft zijn eigen 'pad', ieder volgt de 'ware' weg. Sartre's: je moet kiezen, je móet kiezen, keer op keer!
Erkennen dat je beperkt bent, dat je nooit de 'ware werkelijkheid' zult kennen, lost al veel epistemologische en religieuze puzzels op.
De werkelijkheid is onbevattelijk, onpeilbaar, en dat betekent dat we geen modale grens kunnen 'instellen'. De klassieke modale voorstelling van de werkelijkheid is uitsluitend geschikt -op temperatuur gebracht voor- dieren met een vast lichaam.
Hoe los je dit op? Wel, eventueel kun je het trivialisme gebruiken als een model om over de onbevattelijke werkelijkheid te spreken.
Waarmee maar gezegd is: de simpele atheïstische overtuiging dat 'Darwin' heeft aangetoond dat religie beslist onjuist is, en weinig anders is dan een primitief overblijfsel uit oude tijden, is zelf onjuist. Het is in ieder geval niet dwaas om religieus te zijn (het is wel dwaas om te geloven dat de mens de werkelijkheid kan doorgronden).
Geen opmerkingen:
Een reactie posten