woensdag 21 oktober 2026

Een weerloze Dahlia

In de onderstaande bijdrage betoog ik dat een motiel dier een logische organisatie heeft; aangezien zenuwweefsel en spierweefsel min of meer samen ontstaan zijn, en onze logische denkwijze een product is van zenuwweefsel, is het ontstaan van onze logische denkwijze te verklaren als een evolutionair bijproduct van motiliteit.

Zo'n vijfhonderd miljoen jaar geleden waren er dieren die over weefsel beschikten dat kon samentrekken. Zulk 'samentrekkend' weefsel (contractiel weefsel) kan fungeren als een krachtige motor om je lichaam te verplaatsen.

Het verplaatsen van je lichaam is een fantastische eigenschap in een wereld waarin alle andere organismen stil staan (of zich laten meedrijven op wind en water: ze zijn dan niet motiel, maar mobiel; een krant in de wind is mobiel, een slak is motiel). 

Wie zichzelf kan verplaatsen hoeft niet af te wachten totdat de broodnodige eiwitten (voedingsstoffen) aan komen dobberen. Motiele organismen kunnen uit eigen beweging naar stilstaande organismen toegaan en deze verorberen. 

Hoe onoverwinnelijk is daarom een organisme dat niet alleen beschikt over een krachtige motor (contractiel weefsel) maar ook over het vermogen om dit weefsel te bedienen! Je kunt je indenken dat een organisme dat het lichaam zelf kan verplaatsen, naar achteren of naar voren, onoverwinnelijk is in het katatonische endiacarische tijdperk. Vergelijk het met hoe onze sierplanten in de tuin weerloos zijn tegen de motiele, machtige slak: de dahlia en de hosta kunnen niet weglopen.

Het weefsel waarmee je de 'motor' van het lichaam bedient is het zenuwweefsel. Om je lichaam goed te bedienen moet dit zenuwweefsel stelselmatig en geordend werken. Het voordeel van zenuwweefsel is dat het plastisch is: je kunt tamelijk snel nieuwe verbindingen vormen (dit stelt zenuwweefsel in staat om te leren welk raakpunt functioneel is en welk raakpunt niet).

Het motorweefsel moet (op het juiste ogenblik) worden uit- of aangezet. Wat is daartoe nodig?

(1) het zenuwweefsel ('nerve-nets') moet voldoende raakpunten hebben met het motorweefsel; (de eerste zenuwnetten lagen op het contractiele weefsel; in de Hydra -een diertje waarvan de zenuwnetten helemaal beschreven zijn- zaten de drie verschillende zenuwnetten tussen de binnen- en buitenwanden in; merk op dat een zenuwnet een 'diffuus zenuwstelsel' is en (nog) geen 'centraal zenuwstelsel'); [5]

(2) het zenuwweefsel kan het motorweefsel op elk raakpunt aan en/of uitzetten;

(2a) het zenuwweefsel moet het motorweefsel op een (willekeurig) raakpunt, al naar gelang de handeling die moet worden uitgevoerd, kunnen aanzetten;

(2b) het zenuwweefsel moet het motorweefsel op een (willekeurig) raakpunt, al naar gelang de handeling die moet worden uitgevoerd, kunnen uitzetten;

(3) het zenuwweefsel mag het motorweefsel op een (willekeurig) raakpunt niet (!) simultaan aan- en uitzetten.

Het gehele lichaam van een motiel organisme kan worden verplaatst als aan deze (simpele) voorwaarden is voldaan. 

Als het gehele lichaam zich in één welbepaalde richting verplaatst dan kan het niet anders of 'binnenin' heeft het zenuwweefsel het motorweefsel op de juiste wijze 'aangestuurd'. De werking van het zenuwweefsel moet dan wel exclusief/consistent zijn: in de juiste volgorde worden de raakpunten afwisselend aan- of uitgezet.

Als het gehele lichaam zich nauwelijks verplaatst en willekeurig, schokkerig beweegt, dan kun je daar uit afleiden dat de bediening van het lichaam niet 'logisch' is: soms worden enkele raakpunten gelijktijdig aan- en uitgezet (of, ook een mogelijkheid: het zenuwweefsel voldoet niet aan het eerste punt, zie boven).

Je kunt zo uit de soepelheid waarmee dieren bewegen afleiden dat de bediening van het motorweefsel conform is aan de 'aristoteliaanse' (=fundamentele/basale) wetten van de logica: [1]

-(formeel) wet van het uitgesloten derde: (proto-wet) een raakpunt wordt idealiter aan- of uitgezet;

-(formeel) wet van non-contradictie: (proto-wet) een raakpunt wordt idealiter niet aan- en uitgezet.

(Let hierbij goed op de logische voegwoordjes: 'of' versus 'en'). 

Omdat deze 'patronen' (wetten) de bouw van het zenuwweefsel van meet af aan bepalen, is het geen wonder dat ze ook bepalend zijn voor de wijze waarop wij onze cognities ordenen. En vooral verklaart het waarom wij niet anders dan 'klassiek' logisch kunnen denken. Geen mens kan redeneren/denken zonder de klassieke logica, zoals Feferman opmerkt: '(...) nothing like sustained ordinary reasoning can be carried on'. [4] 

Je vindt deze wetten (dan ook) terug in de wijze waarop wij de waarneming ordenen (zie bijvoorbeeld 'de wetten van de waarneming': je kunt een ambigu plaatje, zoals de haas-eend, niet 'ambigu' waarnemen: je ziet of de eend of de haas). Voorts bepalen deze wetten de structuur van onze talen (talen worden zelfs gezien als de bron van de logische wetten, wat in feite de omgekeerde wereld is); en ze bepalen de structuur van de keuzes die wij maken en van de plannen die wij opstellen.

Nu begrijp je misschien ook waarom de twee aristoteliaanse wetten terecht 'basiswetten' genoemd worden. Heel ons wereldbeeld -de geordende optelsom van onze cognities- staat op deze twee pijlers van het denken. Een alternatief hebben we niet voor deze aristoteliaanse wetten.[2] Wie deze wetten wegneemt uit ons verstand, en ons in een niet-aristoteliaanse wereld laat rondwaren, reduceert ons tot hulpeloze wezens, volkomen verweesd. 

Het is dan ook geen wonder dat wij vast geloven dat de gehele werkelijkheid een aristoteliaanse ontologie heeft. Dat is vrijwel zeker een misvatting, maar een noodzakelijke misvatting: buiten een logische wereld kunnen wij niet bestaan, handelen, denken. Dit verklaart ook waarom fysici zeggen: wij snappen niets van onze eigen formules, hooguit kunnen wij aan de wezensvreemde eigenschappen die deeltjes lijken te hebben wennen.[3] De mens weet zich met conflicten en andere schendingen van de aristoteliaanse wetten slecht raad. Een persoon die lichamelijk wordt geplaagd door conflicten -bijvoorbeeld parkinson, dementie, schizofrenie- zal moeite hebben om zich te handhaven. 

-----

[1] Houd rekening met het volgende: de patronen in het weefsel zelf zijn 'proto-logisch', maar de wetten zoals we die noteren en beschrijven zijn 'formeel logisch'. Een belangrijk verschil: immers, nergens vinden we in de eerste motiele dieren proposities. De wetten zijn oorspronkelijk hard-wired.

[2] Dit in tegenstelling tot wat de zogenaamde conventionalisten betogen (o.a. Carnap, Ayer of -een moderne conventionalist- Warren).

[3] De deeltjes gehoorzamen volgens Putnam niet aan de klassieke logica. Zie voor een heldere uitleg van Putnam's inzicht: Maddy, P, (The Philosophy of Logic, p.211, in: A Plea for Natural Philosophy, Oxford): 'The quantumlogic advocated bij Putnam invalidates (the) distributive law (...) enz.

[4] Deze opmerking van Feferman kwam ik tegen in het werk van Penelope Maddy.

[5] Het ontstaan van zenuwweefsel kun je nalezen in Keijzer, F, What nervous systems do, en: Keijzer, Moving and sensing without input and output; Keijzer, Jekely, Godfrey-Smith, An option space for early neural evolution; Jekely, G, Origin and early evolution of neural circuits; Grillner, S, The brain in motion; Mitchell, K, Free agents (hoofdstuk 3 en 4); en natuurlijk de overstelpende hoeveelheid literatuur over 'embodied cognition'.


2 opmerkingen:

Jan-Auke Riemersma zei

Reacties staan weer open: maar nogmaals, doe me een plezier: houd je reacties zakelijk en bondig; en door AI gegenereerde teksten zijn niet echt van jou: die plaats ik daarom niet.

Jac Vaes zei

Jan- Auke,
Ik ben het met je eens dat wij geen alternatief hebben voor de aristotelische wetten en dat wij als hulpeloze wezens zouden rondwaren als wij niet volgens deze wetten zouden denken en handelen. Maar het is niet in te zien waarom wij daaruit zouden mogen concluderen dat een deel van de werkelijkheid geen aristotelische ontologie heeft. Is het niet veel geloofwaardiger om, in plaats van zulks te beweren, te stellen dat de gehele werkelijkheid wel of niet een aristotelische ontologie heeft en dat wij niet kunnen vaststellen welke van die twee mogelijkheden het geval is. Daaraan zou je dan nog kunnen toevoegen dat daaruit niet noodzakelijk volgt dat iets, wat wij niet kunnen vaststellen, onmogelijk het geval kan zijn. Daaruit zouden wij dan, naar ik meen, mogen concluderen, dat wij betreffende de ontologie van de werkelijkheid in het ongewisse verkeren en dat het dus niet onverstandig is om hier een agnostische houding aan te nemen.
vr. gr.,
Jac