vrijdag 26 juni 2026

Woordspelletje

Filosofie is in zekere zin een 'taalspel'- of, platter gezegd, een woordspelletje.

We gaan, voor de aardigheid, een woordspelletje spelen.

Een eigenschap van dingen is dat ze uni-lokaal zijn. Unilokaal is een mooi woord. Het betekent: dat een 'ding' maar op één plaats per keer kan zijn.

Een andere eigenschap van dingen is dat ze uni-form zijn. Uniform is ook een mooi woord. Het betekent dat een 'ding' maar één vorm per keer kan hebben.

Een stuk klei is unilokaal en uniform. Daarmee is niet alles gezegd: een stuk klei is ook 'veranderlijk'. Je kunt een brok klei meenemen naar de draaischijf en er een vaas van maken. 

Denk nu eens aan de rivier van Herakleitos, de presocraat die schreef dat de dingen 'voortdurend veranderen'. Is zijn inzicht waar?

Laten we zeggen dat de nijvere handen van de pottenbakker het stuk klei voortdurend bewerken; hij snijdt daarbij randjes van de klei af en gooit deze restjes op de grond.

Is de klei tijdens dit 'proces' uniform en unilokaal (de vorm verandert voortdurend en de klei draait alsmaar rond)? 

Als je de tijd in hele kleine stukjes verdeelt -nanoseconden- zou je dan de 'veranderende werking' van de handen van de  pottenbakker binnen dit tijdsbestek kunnen meten? Zou je de omwentelingen van de draaischijf kunnen meten?

We zullen er maar geen 'gedachten-experiment' van maken, maar het idee zal 'intuïtief duidelijk zijn: als je de tijd in kleine stukjes verdeelt, zullen de handen van de pottenbakker op een gegeven ogenblik niet snel genoeg werken: de handen van een mens kunnen binnen zo'n duizelingwekkend kort tijdsbestek de unilokaliteit en de uniformiteit van de klei niet veranderen.

Als je de tijd maar klein genoeg maakt is de klei uniform en unilokaal.

Toch mag je hier niet uit afleiden dat de pottenbakker de unilokaliteit en de uniformiteit van de klei niet verandert: want dat doet hij zichtbaar wél.

Feitelijk is dit een voorbeeld van de paradoxen die Zeno opstelde om aan te tonen dat verandering onmogelijk is [1]. Je ziet vermoedelijk wel in waarom we hier op het verkeerde been worden gezet (is dat geen prachtige uitdrukking): de termen unilokaal en uniform zijn van toepassing op de wereld waarin wij ons bewegen. 

De traagheid waarmee we handelen bepalen de concepten waarmee we onze wereld 'benoemen', 'indelen', 'begrijpen' enz.

Wij vinden dat een vliegtuig snel is en dat een tel heel kort duurt. In onze ogen is de klei als ze bewerkt wordt (inderdaad) voortdurend aan het veranderen: de begrippen unilokaal en uniform zijn zolang de pottenbakker bezig is niet zo goed bruikbaar.

Je moet -laat dat de conclusie zijn- weten wanneer je woorden wel en niet bruikbaar zijn. Ik meen ook te begrijpen dat Wittgenstein op deze manier alle logische puzzels wilde oplossen. De wereld zelf is niet logisch of onlogisch, maar de manier waarop wij over de wereld spreken is 'onhandig' en zelfs 'onbeholpen'. Ze behekst ons. 

In het ene geval is de klei uniform en unilokaal, maar als ze bewerkt wordt is ze dat -voor een 'tijdje'- niet. Aangezien echter deze ongerijmdheid strijdig is met de wijze waarop wij de wereld ordenen, noemen we de ene toestand 'juist' en de andere 'onjuist'. Wij hebben de sterke neiging om steeds één lezing van de gebeurtenissen in de wereld aan te houden, zelfs al zeggen onze ogen dat dit in de praktijk lastig is.

Wat we hier van leren? Wel, wie een woordspel speelt moet de regels van het spel goed in de gaten houden (en heeft een filosoof als Wittgenstein nodig om deze 'gebruiksregels' te achterhalen) [2].
------
[1] De paradoxen van Zeno zijn opgelost: slordig gezegd, je kunt wiskundig beschrijven hoe kleine, schijnbaar onveranderlijke stapjes overgaan in grotere, veranderlijke stappen.

[2] Voor de mensen die geneigd zijn om te reageren op mijn stukjes: dit is niet persé mijn visie. Het is een korte beschrijving van hoe Wittgenstein later -na het schrijven van de tractatus- de puzzels en paradoxen van de logica wilde oplossen. Interessant toch? Bespaar me daarom alsjeblieft je pogingen om aan te tonen dat de schrijver van dit stukje een elementaire denkfout maakt, een 'foundationalist' is, een verstokte naturalist is, dat er ook nog een andere visie mogelijk is, dat alles met alles samenhangt, dat de wereld klassiek logisch is (en dat je dat alleen al kan zien aan de beweegbaarheid van je grote teen), enz. Je hebt lezen geleerd toch: trek dan pas een conclusie als je een en ander begrepen hebt. En nee: Bayes theorema is niet 'fundamenteel' of 'primitief'.

Geen opmerkingen: