maandag 15 mei 2017

Wetenschap en religie zijn niet te verenigen

Het is onmogelijk om onze wetenschappelijke modellen te verenigen met een robuuste levensbeschouwing. Wij hebben aan bouwstenen en krachten niet voldoende om te begrijpen waarom wij bestaan en wat wij moeten doen. Waar, zoals de dichter zegt, de bruisende golven van de zee niets anders zijn dan water dat op de kust uiteenslaat en de sterren slechts stenen zijn die hun rondgang doen in de ruimte, waar het heilige is uitgekleed en het goddelijke versneden en het geloof gekuipt, daar is voor de mens niets gebleven om zich aan op te richten en de wereld en al haar moeilijkheden definitief het hoofd te bieden. 

God is niet te verenigen met een zelfstandige natuur die over voldoende orde en regelmaat beschikt om zich passend uit te vouwen tot het heelal. Mensen die menen dat God nog iets toevoegt aan de werkelijkheid, bedoelen vermoedelijk dat Hij de werkelijkheid met niets anders vermeerdert dan ons eigen menselijk verlangen en verbeelding. Meer dan een ‘verhaal’ naast het fysische model van de werkelijkheid is God niet. Het beste wat wij van ‘God’ kunnen maken is dat hij een tweede paard is dat, alhoewel hij trekt aan het tuig en zo zelfs bijdraagt aan de voortgang van de werkelijkheid, geen andere keus heeft dan draf en gang van het leidende paard, de wetenschap, te volgen. 

Twee paarden die de koets willen leiden elk naar eigen bestemming is onmogelijk. Zolang de natuur echter de kar trekt en wij van een andere sjorrende kracht niets merken, hebben we ook geen reden om het bestaan van God of een bovennatuurlijke werkelijkheid te aanvaarden. De werkelijkheid verdraagt logisch gesproken slechts één model; twee of meer modellen die niet tot elkaar te herleiden zijn, het theïstische en het natuurkundige model, zullen onderling met elkaar moeten wedijveren. Aangezien de werking van God op geen enkele wijze vast te stellen is, is dit wedijveren van korte duur: we hebben geen keus dan de religieuze modellen terzijde te schuiven. Godsdienstige modellen zijn te zwak om ernstig te nemen. Zelfs als een geleerde gevoelig is voor de gedachte dat God geen ‘wetenschappelijk’ model is en daarom met de wetenschap niet in strijd kán zijn, zal hij zich anderzijds toch ook verzetten tegen het model van de theïst waarbij God op een onmerkbare diepte de werkelijkheid bestiert en draaiende houdt en waar niets zich voltrekt buiten Gods wil. Zoveel ‘mystiek’ staat een wetenschappelijk model niet toe. Bovendien blijkt de aanwezigheid van God nergens uit; voor God zou men ook de oerkracht kunnen schrijven, de geheimzinnige kracht uit de Chinese traditie, of enige andere god of kracht.


Het hart van alles wat wij denken en alles wat wij ons voorstellen wordt gevormd door de logische regels. Ongeacht of wij een ultiem model kiezen dat levensbeschouwelijk of wetenschappelijk van aard is, twee van dergelijke ‘ultieme’ modellen kunnen wij niet aanvaarden: het is logisch uitgesloten dat een mens in zijn beschouwing van de wereld twee onverenigbare modellen hanteert. Het moet, ook als we over ultieme modellen spreken, uit de lengte of uit de breedte; men kan niet tegelijk God dienen en de mammon. Alle theologen en godsdienstwetenschappers die van God een voorstelling hebben als een bovennatuurlijke macht die de natuurlijke wereld in zijn onzichtbare handen houdt, terwijl volgens het gangbare wetenschappelijke model de natuur geen buitengewone ‘onderhoudende’ kracht nodig heeft, stellen de werkelijkheid onder het bestuur van twee heersers die niet samen kunnen werken. 

Desalniettemin lijken theïsten te geloven dat dit ‘schaduwmodel’ een oplossing is voor de spanning tussen wetenschap en religie. Het is echter voor iedereen duidelijk dat de wijsheid over het verloop van de dingen in handen is van de geleerden en niet van de theologen. Zo heeft de theoloog over het ontstaan van de mens niets van betekenis te melden anders dan dat hij ook hier God haastig opvoert als de voorzitter van een bovennatuurlijk schaduwkabinet dat het willekeurige verloop van de evolutie beschouwt als opzet, een zienswijze die hij nauwelijks kan onderbouwen en ook kan hij niet zeggen waarom het redelijk is om te denken waarom God de mens langs deze moeizame natuurlijke weg heeft gestuurd.

Van al deze ernstige bezwaren ben je in één klap verlost als je bereid bent te aanvaarden dat de werkelijkheid zelf niet logisch geordend is en dat onze logische denkwijze niets anders is dan een pragmatisch voorschrift.

1 opmerking:

Anoniem zei

Beste Jan-Auke,
Volgens jou gaat het om logische zaken in een onlogische wereld. Hoe kun je nu logisch beredeneren dat er een onlogische wereld is en andersom als er een onlogische wereld is hoe kun je dan logisch redeneren?
Zou het niet veel eenvoudiger zijn om uit te gaan van een logische werkelijkheid die wij door onbegrip (nog) niet kunnen doorgronden? Of ben jij van mening dat we alles al weten en zonder fouten te maken gekomen zijn waar we nu als mensheid zijn?
Weten is in dit verband echter uitsluitend het weten met het rationele verstand oftewel de rationele logica.
Heb je er daarom nooit aan gedacht dat er ook een vitale logica is?

Als er een hongerige leeuw op je afkomt dan doe je er het beste aan om te maken dat je wegkomt en niet te gaan fantaseren dat die leeuw een hersenschim is. Achteraf kun je pas eens gaan overdenken of die leeuw misschien ook nog iets anders vertegenwoordigt dan alleen verscheurende wreedheid.

Satyam Richard