zondag 16 april 2017

Een kwaadaardig gezinshoofd (filosofie in het vo)

Een rommelzolder
Vertel iets over filosofie aan leken en de helft van wat je zegt zal hen ontgaan; vertel iets aan onvolwassen leken en driekwart van wat je zegt zal hen ontgaan. Laat bovendien een academicus spreken tot de onvolwassen leek en je weet dat ook het laatste kwart aan begrip aanzienlijk zal krimpen, zodat na afloop van een lezing een leerling, van goede wil, al blij is dat hij in ieder geval heeft begrepen wat de spreker -die overigens enthousiasme verwarde met goede voordrachtskunst- beoogde te zeggen: 'hij vond dat mensen voorzichtig moeten zijn met dieren, want die kunnen pijn lijden!'

Je zou dus zeggen dat boeken voor het middelbaar onderwijs in het algemeen worden geschreven door mensen die weten dat leerlingen absolute leken zijn en dat je hen daarom tegemoet moet komen met uitmuntende teksten. Zeker als het om boeken over filosofie gaat, want filosofie is notabene een onbekend vak op de Nederlandse scholen en bovendien een vak dat zich uitsluitend richt op vraagstukken die niet met een berekening en een experiment kunnen worden beantwoord,- er is zelfs niet één filosofische methode: filosofen bedienen zich net zo zorgeloos van strenge logica als van welsprekendheid, en soms wordt een goede hand van schrijven ingezet om een argument te slijten en zelfs bluf wordt niet geschuwd. Filosofie is eerder een vergaarbak of een rommelzolder dan een keurige, rechtlijnige wetenschap.

De dwaasheid van de vrouw
Wat dat betreft moet filosofie een heerlijk vak zijn om te onderwijzen aan onvolwassen leken: de enorme keus aan onderwerpen maakt het mogelijk om de leerlingen langzaam mee te voeren van onderwerpen die gemakkelijk te begrijpen zijn naar hoogst abstracte vraagstukken (zoals: is de logica 'compleet' of 'volledig'). Bovendien zijn er filosofen die uitmuntend kunnen schrijven; je kunt met een klas veertienjarigen gemakkelijk delen lezen uit het werk van Schopenhauer, zijn betoog over de 'dwaasheid' van de vrouw zal onmiddellijk ten volle worden begrepen door de leerlingen- en vermoedelijk zal de tekst ook hun woede wekken. Zo eenvoudig en toegankelijk is filosofie!

Economen, scheikundigen en fysici brengen hun leerlingen technieken bij zodat ze vraagstukken kunnen onderzoeken en berekenen; zulks vergt oefening. Filosofen brengen leerlingen 'inzicht' bij- en zulks vergt geduld én tijd. 

Zo doe je Aristoteles' teleologisch wereldbeeld, waarin heel onze causale denkwijze binnenste-buiten wordt gekeerd, pas recht als je er gedurende een les of acht aandacht aan besteedt; dit onderwijs is pas geslaagd als leerlingen de wereld hebben bekeken door de ogen van Aristoteles. 

Het behoort tot de taak van de filosoof om wereldbeelden van 'binnenuit' te leren begrijpen,- ongeveer zoals een goede automonteur de auto van een ander behandelt alsof het zijn eigen auto is. Het heeft geen zin om je te beperken tot alleen een technische uiteenzetting van een nieuw inzicht: begrijpen wil zeggen dat je je eigen 'wereldbeeld' vervangt door een nieuw 'wereldbeeld'. 

Zo is het onderwijs in de filosofie uitermate geschikt om leerlingen bij te brengen dat hun eigen 'wereldbeeld' niet absoluut is.

Een olifant op een plankje
Filosofische inzichten zijn over het algemeen nogal ingewikkeld; een inzicht heeft meer weg van een boom die langzaam wortel geschoten heeft dan van een machine die men ogenblikkelijk na de start probleemloos kan bedienen. De opvatting van William James over 'waarheid' vereist niet dat je een nieuwe definitie leert, die je daarna toepast door op stippellijntjes in zinnetjes de juiste term te noteren, maar deze enigszins tegendraadse opvatting vereist dat je je eigen manier van denken over waarheid geheel terzijde schuift en vervangt door James' pragmatische visie: waarheid is een soort garantie voor doeltreffend handelen. 

Of neem de zienswijze van Merleau-Ponty, die zegt dat de mens een belichaamd wezen is die de wereld naar omvang en inrichting beschouwt als een toneel waarop het lichaam zich in alle vrijheid moet  kunnen draaien en keren. Hoe je lichaam is gebouwd, je lengte en je geslacht, is bepalend voor de manier waarop je naar de wereld kijkt: voor een olifant zal een plankje over de rivier daadwerkelijk dunner zijn dan voor een muisje. Het kost dan ook een aantal lessen voordat een leerling zijn eigen intuïtieve wereldbeeld naar de achtergrond kan schuiven om recht te doen aan het wereldbeeld van Merleau-Ponty?

Het schijnt vrijwel onmogelijk te zijn om van een geschoold klassiek zanger een goede jazz- of popzanger te maken, die niet alleen een degelijke 'winterreise' kan zingen, maar ook een echte, vieze uitvoering kan geven van 'highway to hell'- want niets is zo moeilijk als je met hart en ziel en geest van de ene wereld in de andere te begeven. Toch is dit wat een filosofieleraar van zijn leerlingen vraagt: kind, probeer het gedachtegoed van filosofen te begrijpen en zie hoe veel interessante en weldoordachte manieren er zijn waarop je de wereld kunt zien!

Een sjacheraar in zienswijzen
Een filosoof is een sjacheraar in zienswijzen; hij bestudeert de vele 'houdingen' die een mens in dit leven kan aannemen; hij leert je zien wat een goed of bruikbaar wereldbeeld onderscheidt van een nauwelijks of slecht bruikbaar wereldbeeld (criteria zijn: heeft het  wereldbeeld voldoende samenhang, is het wereldbeeld na te leven, is het wereldbeeld oorspronkelijk genoeg, stelt het jou in staat om doeltreffend te handelen)- en zulke wereldbeelden verkoop je aan anderen door middel van logica, argumenten, welsprekendheid, prachtig geschreven volzinnen en soms met een geheel eigen woordenschat; je kunt gebruik maken van fenomenologie, hermeneutiek en cruciale uitspraken kun je ontleden met de propositie- en predikatenrekening; al deze middelen hebben we tot onze beschikking om leerlingen verder te laten kijken dan het eigen wereldbeeld ver reikt.

Je zou dus zeggen dat de boeken die de examencommissie laat schrijven voor de leerlingen van uitstekende kwaliteit zijn- dat ze zeer goed te begrijpen zijn, en dat ze de onvolwassen leek langzaam meevoeren en onderdompelen in een geheel nieuwe wereld. In ieder geval maken de schrijvers van deze boeken ongetwijfeld gretig gebruik van de rijkdom aan inzichten die de filosofie in voorraad heeft: het kan niet missen of er is altijd wel een tekst (of idee) voorhanden die de leerlingen aanspreekt of juist afstoot, hun enthousiasme of afschuw wekt en die hun gedachten zo krachtig in bezit neemt dat ze het belang van het onderwerp onmiddellijk beseffen. We horen onze leerlingen immers graag zeggen: 'Hier leer ik tenminste iets, meneer!' 

Filosofie, broodnodig en anders dan andere vakken- voor leerlingen die echt nieuwsgierig zijn!

A. en kepabilities
Hoe is het dan mogelijk dat mijn havo-leerlingen het huilen nader staat dan het lachen als ze een tekst moeten lezen van ene Martha Nusbaum over kepabilities? Waarom dan zijn mijn vwo-leerlingen het boek van Tim de Mey gaan beschouwen als niets minder dan een houdgreep, een nekklem, een blok aan het been, een molensteen om de nek? Inmiddels, nadat ik ze driekwart jaar gedrild heb in de kennistheorie, en ik ze uit de vergaarbak die het boek is allerlei losse vraagstukken uit het hoofd heb laten leren, zonder dat een duidelijke draad deze vraagstukken aan elkaar bindt, zijn de leerlingen het boek zó zat dat hen bij het zien van de kaft de vermoeidheid overvalt die oude mannen doorgaans overvalt als hen een nieuwe, lange stille dag wacht.

'Meneer', zei A., ' ik begrijp eigenlijk niet meer waarom ik dit vak gekozen heb!', een opmerking die me letterlijk door de ziel sneed. Welk verweer heb je tegen een leerling die zo eerlijk zegt wat alle leerlingen denken en die zo onomwonden zegt wat er mis is met het onderwijs in de filosofie? De boeken zijn te dik, te moeilijk, te dor, te droog en vooral- ver boven het niveau van mijn goedwillende en ijverige leerlingen. Iedereen heeft daar schuld aan, maar de leerlingen niet, zij zijn slechts de dupe.

Interne aangelegenheid en ook een rechtsgebied
Het examenonderwerp voor het havo de afgelopen drie jaar was mondiale rechtvaardigheid. Het boek werd geschreven door Thomas Mertens en Ronald Tinnevelt. Het boek bestaat uit een aantal zogenaamde 'primaire teksten' (originele teksten geschreven door beroemde filosofen die inmiddels dood of morsdood zijn, op een enkel levend exemplaar na) en een hoofdtekst. Zowel deze hoofdtekst als de primaire teksten zijn voor de gemiddelde havo-leerling maar lastig te doorgronden- en voor de mindere havo-leerling zijn ze eenvoudigweg niet geschikt.

Je kunt het boek net zo goed niet gebruiken,- en dat is de raad die de meeste filosofiedocenten aan hun leerlingen geven: je hoeft het boek niet bij je te hebben, laat het maar thuis. Het boek wordt, dat is didactisch gezien de meest wijze beslissing, gereduceerd tot de enige docentenhandleiding in Nederland die bij wijze van vergissing én uitzondering ook wordt verstrekt aan de leerlingen. Bij andere vakken is het ongehoord dat leerlingen beschikken over het docentenboek, maar bij het onderwijs in de filosofie is dit onvermijdelijk, want wij moeten een deugd maken van de nood. 

Mertens en Tinnevelt hebben aandoenlijk hun best gedaan om de tekst verteerbaar te maken voor wat zij, in hun verbeelding, hebben aangezien voor een 'echte' havo-leerling; althans, zulks lijkt te spreken uit de voorbeelden die zij in hun boek gebruiken. Toch hebben deze goede bedoelingen niet mogen baten: meestal zijn mijn leerlingen de draad van de tekst al kwijt na twee of drie bladzijden; en tot een primaire tekst dringen ze niet dieper door dan een of twee alinea's. Stijlbloempjes als de volgende zijn voor een aantal leerlingen letterlijk onbegrijpelijk:

"Van een humanitaire interventie is sprake wanneer een staat of een groep van staten tegen de wil van een andere staat in het rechtsgebied of de interne aangelegenheden van die laatste staat ingrijpt."

Verdrietig
Meestal kijken mijn leerlingen heel erg verdrietig nadat ze zo'n zin hebben gelezen. Ze hebben heel goed begrepen wat zich zojuist heeft afgespeeld in de klas: voor de zoveelste keer dit jaar is bewezen dat ze dom zijn, want het is zonneklaar dat ze een tekst niet snappen terwijl de schrijvers van het boek -en die zullen het wel weten- vinden dat ze de tekst wel moeten kunnen snappen. Teleurgesteld kijken enkele leerlingen mij aan; de anderen halen stilletjes hun mobieltjes tevoorschijn, want ze weten dat het toch niks wordt met dit vak, ze zien aanstonds wel hoe ze het examen doorkomen.

Het boek van Mertens en Tinneveld wordt na drie jaar vervangen door een ander boek met de naam 'IK'. Het boek is inmiddels op de markt. Het boek IK is zoals gebruikelijk verdeeld in een hoofdtekst en een bundel primaire teksten. De hoofdtekst is, naar het zich laat aanzien, niet echt ongeschikt voor mijn leerlingen; maar het aantal primaire teksten is erg groot en er zitten een aantal bijzonder moeilijke teksten tussen- zoals een tekst van Merleau-Ponty, waar je, zoals gezegd, tenminste acht lessen voor moet uittrekken om aan mijn onvolwassen leken te leren hoe prachtig en schitterend het wereldbeeld van deze Franse filosoof is; maar zoveel tijd is ons niet gegund, vrees ik. 

Een monster met kop en staart
Ik vraag me af hoe we deze primaire teksten volgend jaar 'doorstaan'- dat wordt ploegen. We zullen het boek, uit armoei, maar weer samenvatten; daarna moeten de leerlingen de samenvatting en de aantekeningen maar domweg uit hun hoofd leren. En wie weet, als ik voldoende tijd heb en voldoende levenslust, dan neem ik de moeite om een spannend verhaal van het boek te maken, zodat het een eenheid is, een monster met een kop en een staart.

Bij scheikunde en natuurkunde krijgen leerlingen ook allerlei opdrachten waarvan niet altijd duidelijk is hoe deze onderling samenhangen, maar de opdrachten die ze krijgen zijn op zich helder en duidelijk, en je krijgt goede aanwijzingen over hoe je ze moet uitvoeren: je weet tenminste wat je moet doen en wat er van je wordt verwacht. Bij filosofie krijg je echter een aantal teksten die zo moeilijk zijn dat je niet weet wat de schrijver wil, terwijl nergens wordt uitgelegd hoe deze teksten met elkaar samenhangen. We hebben hier een uitstekend recept om de belangstelling van de leerlingen te laten verschrompelen. 

Een goed filosofieboek bevat één betoog met een kop en een staart, waarin elk onderdeel logisch op zijn plaats staat, zodat de leerlingen tenminste steeds weten waar het over gaat en wat 'we' aan het doen zijn; bovendien is een boek voor onvolwassen leken zo helder en duidelijk geschreven dat ze elke zin kunnen begrijpen. Maar deze eenvoudige eisen zijn te veel gevraagd voor de boeken waar mijn leerlingen mee moeten werken.

Het kwaadaardig gezinshoofd
Ach, filosofie- je fietst wel eens naar huis van je werk en bedenkt, melancholisch, hoe mooi het vak zou hebben kunnen zijn. Gelukkig mag een leraar ook les geven aan de vierde klas: daar kun je tenminste nog enkele wereldbeelden slijten aan de leerlingen; de examencommissie heeft daar haar grote voet nog niet tussen de deur geplant. Maar het is duidelijk dat waar de commissie het voor het zeggen heeft het gedaan is met de aardigheid van het vak. Zusje filosofie maakt zich onmiddellijk uit de voeten als de examencommissie zich meldt, ongeveer zoals de kinderen van een kwaadaardig gezinshoofd zich verbergen als vader thuiskomt.

Je vraagt je bij tijd en wijle af in welke leeftijd de leden van de examencommissie zelf kinderen hebben en of deze dan toevallig ook naar het havo gaan.

5 opmerkingen:

Theo Smit zei

Lieverd, de moeite alleen al, van dit verslag leggen. "Meesterlijk" verwoord, en liefdevol, met uitzicht naar alle gaten die muizen, en zelfs eekhoorns, zoeken: een dode eekhoorn in de tuin: zelfs in 26 jaar niet gebeurd, en niet het slachtoffer van de grijze uit Amerika , zoals in de UK al in de jaren tachtig een probleempje was.

Commissies, Jan, je lot, om het 'liefdevol' te houden.

Egbert zei

Mooi geschreven duidelijk en informatief betoog @Jan.

gr,

Arno Wouters zei

Dat is schrikken Jan. Nooit geweten dat filosofieboeken voor de middelbare school zo slecht zijn. Doodzonde dat het examen voor ons mooie vak je er toe noopt het filosoferen te vervangen door het uit het hoofd leren van samenvattingen van door filosofen geschreven teksten. Ga je deze uitermate goed geschreven noodkreet op een of andere manier onder de aandacht brengen van de examencommissie en andere mensen die invloed hebben op het eindexamen? Hebben andere filosofieleraren dezelfde ervaring?

Jan-Auke Riemersma zei

Arno, ik weet niet of de twee boeken die we nu gebruiken in de examenklassen op zich slecht zijn: ik kan me voorstellen dat studenten, eerste of tweedejaars, er erg blij mee zijn. De boeken zijn alleen niet geschikt voor leerlingen.

Het boek van Tim de Mey is eenvoudigweg niet gestructureerd genoeg (zeker het vijfde hoofdstuk is een rommeltje). De opzet van zijn boek is overigens wel helder, maar deze komt niet uit de verf.

Voorts is het boek te moeilijk. Hij haalt te veel overhoop. Zo zou de stof die hij oprakelt in het derde hoofdstuk veel zorgvuldiger moeten worden uitgewerkt: de JTB definitie en de betekenis er van wordt in twee bladzijden afgehandeld; vervolgens komen dan het contextualisme en het relevantisme aan bod: maar die twee stromingen moeten dan wel zeer zorgvuldig worden gepresenteerd; het zijn zeer complexe kennistheorieen. Eerlijk gezegd vrees ik dat de docenten zelf niet eens goed thuis zijn in deze materie.

Het boek van Mertens en Tinneveld is ook al te lastig geschreven; bovendien zijn de lijnen niet altijd helder. Het boek heeft systeem, maar dat had nog veel strenger gemoeten. Maar vooral de primaire teksten zijn veel te moeilijk: ik weet dat alle docenten die ik gesproken heb de leerlingen de teksten niet laten lezen- dat heeft geen zin, veel te moeilijk.

Wel een vreemde gang van zaken, toch?

Het is natuurlijk niet alles mislukking en malaise: het vorige boek voor het vwo was goed te doen (Vrije Wil).

Overigens zou de examencommissie de leerlingen en de docenten tegemoet kunnen komen door de zogenaamde 'eindtermen aan te passen': dat zou de docenten wat lucht geven.

Jan-Auke Riemersma zei

Arno Wouters, -ik heb het bovenstaande stukje slechts laten lezen aan een drietal docenten waar ik goed bevriend mee ben. Ik heb het niet in de FB-groep geplaatst: het moest me van het hart, maar ik heb niet beoogd om er een gesprek over te hebben met docenten. We moeten het ook niet erger maken dan het is: een docent moet dan zelf maar veel doen om het de leerlingen naar de zin te maken. (Eerlijk gezegd ben ik daar niet in geslaagd: wat dat betreft heb ik dit jaar niet zo'n beste beurt gemaakt, vind ik zelf- een 6,5 geef ik me zelf).