zondag 3 april 2016

Aan de Weense Kring voorbij

Kai Nielsen en andere filosofen die het gedachtegoed van de Weense Kring verdedigden, meenden dat je de wereld kunt verdelen in twee blokken: je hebt zinvolle beweringen en onzinnige beweringen. Onzinnige beweringen zijn onwaar. Je hoeft er niet eens over te spreken, ze kunnen feitelijk zo de prullenbak in.

Een dergelijk absolute tweedeling was volgens Nielsen ook van toepassing op de beweringen van de christelijke mystici. De gedachte dat er zaken zijn, aldus Nielsen, die door ons verstand niet kunnen worden begrepen is dwaas: je kunt immers zulke zaken óf in het geheel niet kennen óf alles wat je over zulke zaken zegt is onzinnig.

Deze simpele opvatting wordt ook vandaag nog (volop) verdedigd. Het verbaast mij echter dat deze simpele opvatting nog weerklank vindt. Het is gemakkelijk om te laten zien dat deze opvatting fout is.

De menselijke denkwijze is willekeurig. Ons verstand is een product van de evolutie. Het is onzinnig om te beweren dat ons verstand de fundamentele orde in de werkelijkheid weerspiegelt. 

Maar als onze logische denkwijze niet fundamenteel is, waarom denken wij dan logisch? 

Een simpele verklaring volstaat: omdat levende bouwwerkjes waarvan alle onderdelen niet samenhangen ongeveer net zo functioneel zijn als een orkest waarvan alle leden zomaar hun eigen stuk spelen. Bouwwerkjes die niet samenhangen in gebaar en gedachte zullen hun doelen niet bereiken.

Wij hebben te geloven dat onze denkwijze eerder willekeurig is dan fundamenteel- althans, als men naturalist is en weigert te aanvaarden dat de evolutie geleid werd.

Neem nu een schaar. De hardheid en scherpte van de twee messen is bepalend voor de vraag welke materialen de schaar kan knippen. Met een keukenschaar kun je geen blik of ijzerdraad knippen.

Neem nu een gewone schaar zoals leerlingen die op de basisschool gebruiken. Deze schaar is uitstekend geschikt voor het knippen van papier; de schaartjes zijn al minder geschikt om karton mee te knippen; en ze zijn natuurlijk helemaal niet geschikt om een paperclip mee doormidden te knippen. Laat staan dat je met de scharen een paleis kunt openknippen.

Je kunt een dergelijk schaartje beschouwen als een meetinstrument. Het verdeelt de wereld in materialen tweeërlei. Er zijn materialen die wel door het schaartje bewerkt kunnen worden en er zijn materialen die niet door het schaartje bewerkt kunnen worden.

De materialen die te bewerken zijn kun je natuurlijk de prachtigste vormen geven. De papierknipkunst staat in Japan in groot aanzien. 

Het is daarentegen onbegonnen werk om andere materialen te bewerken. Je kunt, met enige volharding, nog wel met een van de messen een stuk hout bewerken -de grens tussen de stoffen is niet absoluut en scherp- maar het resultaat lijkt in niets op de fijne versieringen die een kunstenaar met zijn schaartje in papier en zachte stoffen knipt.

Moeten we nu zeggen, omdat het schaartje niet geschikt is om stenen, metalen en houtsoorten te knippen, dat deze 'onknipbare' stoffen niet bestaan? Moeten we voorts zeggen dat 'onknipbaar' geen eigenschap is van deze stoffen? Zijn deze stoffen volstrekt onbruikbaar en onkenbaar omdat wij met ons schaartje deze stoffen niet fijn kunnen bewerken?

Welnee, het schaartje verdeelt de wereld in twee delen: er zijn stoffen die door het schaartje bewerkt kunnen worden en er zijn stoffen die niet door het schaartje bewerkt kunnen worden. Over deze weerbarstige stoffen zou het schaartje echter nog heel wat kunnen zeggen.

Zo ook onze wereld: ons verstand verdeelt de wereld in twee ordes. De ene orde past bij onze denkwijze (deze orde is begrijpelijk) en kan verder bewerkt worden; de andere orde is onbegrijpelijk en kan door ons verstand niet verder bewerkt worden. Maar van beide ordes kunnen we zeggen dat ze bestaan en bovendien dat hun bestaan op een en dezelfde wijze is gemeten door onze denkwijze.

Het is onzin om van de orde die wij nauwelijks kunnen begrijpen te zeggen dat deze moet worden beschouwd als een niet-bestaande orde waar we niets over kunnen zeggen.

Ons verstand kan wel dégelijk iets zinnigs zeggen over de wereld die onze denkwijze overtreft. En aangezien de verdeling tussen de twee ordes wordt bepaald door ons verstand, een meetinstrument dat op tamelijk willekeurige wijze geijkt is, kunnen we natuurlijk al helemaal niet zeggen dat de begrepen orde echt is (of waar) en de niet-begrepen orde onecht (of onwaar). 

Zo moeten we erkennen dat de mystici, zij het aarzelend en niet met de verfijning die het verstand zoekt, kennis hebben van de bovennatuurlijke werkelijkheid. 

Geen opmerkingen: